< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ondernemingsrecht. Tussenvonnis: uittredingsvordering toegewezen, peildatum en billijke verhoging bepaald.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/698337 / HA ZA 21-225

Vonnis van 9 februari 2022

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SPALA INVESTMENTS XXI, S.L.

gevestigd te Spanje,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] , Spanje,

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats] , Spanje,

eiseressen,

advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HERITAGE B B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] , Zwitserland,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] , Zwitserland

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] , Zwitserland

gedaagden,

advocaat mr. A.R.J. Croiset van Uchelen te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna de [eiseressen] -aandeelhouders (en afzonderlijk Spala, [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] ) genoemd worden. Gedaagden zullen hierna Heritage en ook wel de vennootschap en de [naam 1] -aandeelhouders (en afzonderlijk [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 16 juni 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2021, en de daarin genoemde stukken,

de brief van 24 december 2021 van mr. Duynstee namens Spala en de [eiseressen] -aandeelhouders met opmerkingen over het proces-verbaal,

de brief van 28 december 2021 van mr. De Groot namens Heritage met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres sub 3] is de weduwe – sinds 30 maart 2014 – van [aandeelhouder] . [eiseres sub 2] is de dochter van [aandeelhouder] .

2.2.

[gedaagde sub 2] is de zoon van [gedaagde sub 3] ; [gedaagde sub 4] is een neef.

2.3.

[aandeelhouder] en leden van de familie [gedaagden] hielden sinds de jaren '70 van de vorige eeuw belangen in en werkten samen in de onderneming die thans in stand wordt gehouden door de vennootschap en een groep aan haar verbonden rechtspersonen. De onderneming legt zich toe op de productie en distributie van keukenapparatuur en badkameronderdelen, alsmede op de productie van roestvrijstalen containers voor de (bier)industrie. De onderneming ontplooit activiteiten in onder meer Spanje en Duitsland. De naam van de vennootschap was tot 15 september 2017 Teka B.V.

2.4.

De aandelen in de vennootschap werden steeds (direct en indirect) gehouden door [aandeelhouder] (althans de [eiseressen] -aandeelhouders) en leden van de familie [gedaagden] . [eiseres sub 3] en [eiseres sub 2] houden aandelen in de vennootschap (al dan niet) via Spala. Sinds 2011 wordt een deel van de aandelen in de vennootschap gehouden door EHAG A.G. (hierna: EHAG). De helft van de aandelen in EHAG wordt gehouden door de [eiseressen] -aandeelhouders en de andere helft door de familie [gedaagden] (dan wel aan hen gelieerde partijen).

2.5.

Tot 2012 waren onder meer [aandeelhouder] , [eiseres sub 3] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] bestuurder van de vennootschap. In januari 2012 zijn [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] benoemd als bestuurder van EHAG, waardoor zij een meerderheid vormden in dat bestuur. In juli 2012 zijn [aandeelhouder] en [eiseres sub 3] afgetreden als bestuurders van de vennootschap. Eind 2012 is, onder meer, [gedaagde sub 2] tot voorzitter van het bestuur van de vennootschap benoemd. Thans bestaat het bestuur van de vennootschap uit negen personen. waaronder [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] en [naam 2] , de echtgenote van [gedaagde sub 2] .

2.6.

Het salaris van [gedaagde sub 2] (als CEO) bedroeg in 2013 € 12.000 per jaar. In 2014 is dat salaris vastgesteld op € 400.000 en in 2015 verhoogd naar € 989.000 per jaar. Het salaris van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] bedroeg in 2013 € 12.000 per jaar. Met ingang van 2014 is het salaris voor ieder van hen verhoogd naar € 200.000 per jaar. Met ingang van 2018 is het salaris weer verlaagd tot € 125.000 per jaar.

2.7.

Op 21 november 2014 heeft het bestuur van de vennootschap besloten het hoofdkantoor van de vennootschap per 1 januari 2015 te vestigen in Zwitserland. Dit nadat het bestuur inlichtingen had ingewonnen over de fiscale gevolgen van een ‘verhuizing’ van Nederland naar Zwitserland. Het daaruit voortkomende rapport van Ernst & Young heeft het bestuur voor de ‘verhuizing’ niet gedeeld met de [eiseressen] -aandeelhouders.

2.8.

In 2013 en 2015 hebben aandelenemissies van de vennootschap plaatsgevonden. De [eiseressen] -aandeelhouders (en EHAG) hebben hierbij niet ingeschreven. De [gedaagden] -aandeelhouders wel. Ten tijde van de datum van dagvaarding hielden de [eiseressen] -aandeelhouders een belang van 26,67% in de vennootschap en de [gedaagden] -aandeelhouders een belang van 73,33%.

2.9.

Op verzoek van de [eiseressen] -aandeelhouders heeft de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de Ondernemingskamer) bij beschikking van 3 augustus 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3193) bij wijze van onmiddellijke voorziening een door de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap (destijds nog Teka B.V. geheten) genomen besluit tot vaststelling van de bezoldiging voor 2015 drie van haar bestuurders, de [gedaagden] -aandeelhouders, geschorst.

2.10.

Bij beschikking van 2 december 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4985) heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de [eiseressen] -aandeelhouders een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap over de periode vanaf 1 juli 2012. De Ondernemingskamer overwoog daartoe onder meer als volgt:

“3.15 Hetgeen in 3.6 en 3.12 is overwogen met betrekking tot de bestuursbezoldiging en de communicatie over de verhuizing naar Zwitserland levert voldoende grond voor twijfel aan een juist beleid op om het verzochte onderzoek te rechtvaardigen. Bij haar oordeel dat een onderzoek geboden is laat de Ondernemingskamer voorts meewegen dat er een impasse is in de algemene vergadering van aandeelhouders van EHAG (..). Deze omstandigheden illustreren niet alleen de ernstig verstoorde verhoudingen tussen de beide aandeelhouderskampen, maar compliceren bovendien de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders.”

Vervolgens heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 8 december 2015 een onderzoeker aangewezen.

2.11.

Bij beschikking van 4 oktober 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:4656) heeft de Ondernemingskamer de verzoeken van de [eiseressen] -aandeelhouders en EHAG om vast te stellen dat het onderzoeksverslag blijk geeft van wanbeleid van de vennootschap in de onderzoeksperiode afgewezen en de bij beschikking van 3 augustus 2015 getroffen onmiddellijke voorziening opgeheven. Daartoe heeft de Ondernemingskamer, onder meer, als volgt overwogen:

“De salarisverhogingen

(…)

4.11

De onderzoeker is, met [de vennootschap], van mening dat in het licht van diens werkzaamheden en verantwoordelijkheden een aanzienlijke verhoging van de bezoldiging van [gedaagde sub 2] ten opzichte van de (voor 2014 vastgestelde) bezoldiging van € 400.000 aangewezen is. Dat het bestuur tot een voorstel tot verhoging van de bezoldiging heeft besloten acht de Ondernemingskamer, in het licht van hetgeen uit het onderzoeksverslag naar voren is gekomen, geen onredelijk bestuursbesluit. Ditzelfde geldt voor het besluit voor advies daarover het advieskantoor WTW in te schakelen. De onderzoeker heeft voorts geen aanleiding gezien ervan uit te gaan dat WTW niet zelf de toepasselijke peergroup heeft gekozen maar daarbij heeft gehandeld op instructie, verzoek of advies van [de vennootschap]. Dat het bestuur bij de voorbereiding van de verhoging van de beloningen specifiek oog heeft gehad voor de met het belang van [de vennootschap]tegenstrijdige belangen van de leden van de familie [gedaagden] die tevens bestuurder zijn, kan op zichzelf niet worden vastgesteld. Met betrekking tot [gedaagde sub 2] geldt echter dat het rapport van het externe adviesbureau WTW, dat het bestuur aan het bezoldigingsvoorstel ten grondslag heeft gelegd en waarvan kan worden aangenomen dat dit onafhankelijk van het bestuur tot stand is gekomen, als ‘safety check’ kan gelden.

4.12

WTW heeft een advies gegeven dat is gebaseerd op Zwitserse benchmarks. Niet ter discussie staat dat de bezoldiging van [gedaagde sub 2] binnen de bandbreedte van de benchmarks van WTW valt. Een andere vraag is of het bestuur bij het vaststellen van het door haar gekozen bezoldigingsbedrag in redelijkheid niet slechts had mogen uitgaan van de Zwitserse benchmarks in het advies van WTW, maar, in het belang van de vennootschap, tevens zelfstandig had moeten bezien of dit paste binnen Nederlandse dan wel Europese benchmarks.

4.13 (…)

De onderzoeker is van mening dat gezien het internationale karakter van Teka afstemming op een Europese mediaan meer voor de hand had gelegen en dat het bestuur bij het besluit tot verhoging meer terughoudendheid had kunnen betrachten.

4.14

Hoewel derhalve kanttekeningen zijn te plaatsten bij het zich uitsluitend richten op Zwitserse benchmarks, acht de Ondernemingskamer de keuze van het bestuur om zijn voorstel aan de algemene vergadering alleen te baseren op deze benchmarks, zoals die zijn opgesteld door het door haar ingeschakelde adviesbureau WTW, in de gegeven omstandigheden niet van dien aard dat daaraan de kwalificatie wanbeleid dient te worden verbonden. (…)

(…)

4.17

De Ondernemingskamer merkt op dat de verhoging van de bezoldiging van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] is ingezet voorafgaand aan de verhuizing naar Zwitserland en voordat de bestuurscommissies zijn ingesteld. Ook voor deze verhoging geldt dat kanttekeningen te plaatsen zijn bij het hanteren van Zwitserse benchmarks, die voor niet uitvoerende bestuurders opvallend hoger zijn dan elders in Europa, waarbij overigens wel geldt dat ook de niet uitvoerende bestuurders de volledige verantwoordelijkheid dragen. Voorts is niet gebleken dat het bestuur zich rekenschap heeft gegeven van het tegenstrijdig belang noch dat op voorhand bewust aandacht is besteed aan toepasselijke benchmarks. (…) Niettemin geldt ook hier dat de Ondernemingskamer het kwalificeren van het handelen van het bestuur van [de vennootschap] als wanbeleid te verstrekkend acht. (…)

De informatievoorziening over de verhuizing naar Zwitserland

4.20 [

de [eiseressen] -aandeelhouders] hebben gesteld dat [de vennootschap] in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht door belangrijke informatie over de negatieve fiscale consequenties van de verhuizing bewust niet te delen met de familie [eiseressen] terwijl de familie [gedaagden] die informatie wel had en haar aandeelhoudersstructuur daarop heeft aangepast. Volgens [de [eiseressen] -aandeelhouders] heeft de verhuizing negatieve gevolgen gehad voor de fiscale situatie van de familie [ [eiseressen] ], die zij bij tijdige informatie had kunnen voorkomen.

(…)

4.26

Met de onderzoeker acht de Ondernemingskamer het, gelet op het belang van het te nemen besluit, onverstandig dat slechts gedeelten van het EY-rapport met de aandeelhouders zijn gedeeld. (…) Daarbij komt (…) dat [de vennootschap] reeds op 20 oktober 2014 uit het rapport heeft kunnen opmaken dat de verhuizing naar Zwitserland zonder passende maatregelen mogelijk tot nadelige fiscale gevolgen op aandeelhoudersniveau zou kunnen leiden. In het rapport is in dit verband kort aandacht besteed aan de positie van (..) en Spala (…). Het had op de weg van het bestuur – dat deels bestond uit de [gedaagden] -aandeelhouders – gelegen, deze informatie uit eigen beweging kenbaar te maken aan (ook) [de [eiseressen] -aandeelhouders].

4.27

Bovenstaande constatering is echter onvoldoende zwaarwegend om het handelen van [de vennootschap] op dit punt als wanbeleid te kwalificeren. In de eerste plaats heeft de onderzoeker geen aanwijzingen gevonden voor de veronderstelling dat genoemde informatie doelbewust is achtergehouden voor [de [eiseressen] -aandeelhouders] In de tweede plaats kan van [de [eiseressen] -aandeelhouders] als aandeelhouders van een internationaal concern als de [vennootschap]-groep verwacht worden dat zij in geval van een verandering als de onderhavige ook zelf aandacht besteden aan hun fiscale positie. (…)

De (communicatie over de) aandelenuitgifte in 2015

(…)

4.34 [

De [eiseressen] -aandeelhouders] hebben onder b) en c) aangevoerd dat sprake was van ongelijke informatievoorziening en misbruik van een informatievoorsprong. Volgens hen wist de familie [gedaagden] op het moment van ondertekenen van de subscription agreements omstreeks 23 en 24 september 2015, bijna een maand na de deadline op 28 augustus 2015 (in hun hoedanigheid van bestuurders) al bijna een maand dat de familie [eiseressen] niet zou participeren (…), en was hen, anders dan de familie [eiseressen] , duidelijk dat bij betaling van 62,5% van de koopprijs al 100% van de aandelen zouden worden uitgegeven. De juistheid van het uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan het verwijt onder b) kan tegenover het verweer daartegen van [de vennootschap] (…) niet worden vastgesteld. Ditzelfde geldt voor het uitgangspunt van het verwijt onder c) nu dit op zichzelf onvoldoende valt af te leiden uit de onder 2.34 opgenomen tijdlijn.

4.35

Met betrekking tot dit laatste staat in het verslag dat de onderzoeker meent dat diffuus is gecommuniceerd over het feit dat reeds bij betaling van de eerste tranche (62,5%) levering van alle uit te geven stukken zou plaatsvinden (…) en dat deze, voor intekening belangrijke, voorwaarde duidelijker had moeten worden omschreven. De Ondernemingskamer onderschrijft dat de voorkeur had verdiend dat de uitgiftesystematiek duidelijker onder de aandacht van de aandeelhouders was gebracht. (…) Aan de andere kant geldt ook in dit verband – evenals is overwogen met betrekking tot de verhuizing naar Zwitserland – dat van enige doelbewuste misleiding niet is gebleken, terwijl, zoals [de vennootschap] aanvoert, de desbetreffende presentatie uit niet meer dan 16 bladzijden (…) bestond en ervan kon worden uitgegaan dat de bijzonderheden rond de aandelenuitgifte en de bij intekening geldende voorwaarden nauwkeurig zouden worden bestudeerd door de door [de [eiseressen] -aandeelhouders] ingeschakelde advocaten en bankiers.

4.36

Op het punt van de informatieverschaffing met betrekking tot de uitgiftesystematiek constateert de Ondernemingskamer derhalve dat van [de vennootschap] weliswaar een hogere mate van zorgvuldigheid had mogen worden verwacht, maar dat dit in de gegeven omstandigheden onvoldoende is om de kwalificatie wanbeleid te rechtvaardigen. Dit geldt ook wanneer deze kwestie wordt bezien in samenhang met de eerder besproken informatievoorziening rond de verhuizing naar Zwitserland. Geconstateerd kan wel worden dat de informatieverschaffing van [de vennootschap] aan haar minderheidsaandeelhouders [de [eiseressen] -aandeelhouders] een punt van aandacht is, waaraan [de vennootschap] – mede gelet op de informatievoorsprong die de [gedaagden] -aandeelhouders in hun rol van bestuurders hebben en op de gespannen onderlinge relatie tussen [de [eiseressen] -aandeelhouders] en de familie [gedaagden] – blijvend extra zorg zal hebben te besteden.”

2.12.

Het onderzoeksverslag vermeldt ten aanzien van het salaris van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] als volgt:

“12.5 Voor een gepaste beloning van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] volgt uit de ECGS Survey dat de Europese gemiddelde totale beloning voor een niet-uitvoerende bestuurder EUR 111.3079 en het mediaan EUR 81.083 is. In Zwitserland is de beloning voor niet-uitvoerende bestuurders verreweg het hoogst, wat gelijk de reden is voor het verschil tussen het gemiddelde en de mediaan. In de ogen van de onderzoeker zou ook hier aansluiting gezocht kunnen worden bij een meer Europese maatstaf.”

2.13.

De [eiseressen] -aandeelhouders hebben in 2018 opnieuw de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap. De Ondernemingskamer heeft dat verzoek bij beschikking van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3697) afgewezen en daarbij, onder meer, als volgt overwogen:

“3.7 [De [eiseressen] -aandeelhouders] hebben aangevoerd dat het bestuur van [de vennootschap] onvoldoende onafhankelijk is en niet steeds zakelijk handelt en dat [de vennootschap] onvoldoende rekening houdt met mogelijke belangenconflicten aan de kant van [gedaagde sub 2] . Ook deze stellingen leiden niet tot de constatering dat er gegronde redenen voor twijfel zijn aan een juist beleid en juiste gang van zaken van [de vennootschap]. (…) Daarbij geldt dat de suggestie dat de niet aan de [gedaagden] -aandeelhouders gelieerde bestuursleden in onvoldoende mate onafhankelijk en zakelijk zouden staan tegenover [gedaagde sub 2] geen concrete basis heeft. Dat gelet op de functie van [gedaagde sub 2] binnen [de vennootschap] de onafhankelijke leden van het bestuur terughoudend zijn met het treffen van rechtsmaatregelen tegen hem is (…) verklaarbaar en maakt dat niet anders. Opmerking verdient in dit verband nog dat het bestuur voor een aanzienlijk deel bestaat uit relatief recent aangetrokken bestuurders met relevante bestuurservaring elders (…). (…)”

2.14.

Bij brief van 6 oktober 2020 heeft het bestuur van de vennootschap de aandeelhouders bericht dat de vennootschap behoefte heeft aan aanvullende financiering en om die reden voornemens is om eind 2020 en begin 2021 in een aantal tranches nieuwe aandelen uit te geven waarop de aandeelhouders kunnen inschrijven. In die brief wordt ook aangekondigd dat het bestuur voornemens is om in het kader van die aandelenemissie de nominale waarde van de aandelen te verlagen, waartoe het bestuur van de vennootschap een waardering zal laten opstellen.

2.15.

In opdracht van het bestuur van de vennootschap heeft KPMG een waardering van de vennootschap uitgevoerd. In haar op 26 oktober 2020 gedateerde rapport waardeert KPMG de waarde van de vennootschap per 30 juni 2020 op nihil.

2.16.

Naar aanleiding van het rapport van KMPG is de nominale waarde van de aandelen van de vennootschap eind 2020 verlaagd van € 25 naar € 0,01 per aandeel. Vervolgens heeft de aangekondigde emissie van aandelen plaatsgevonden. De [eiseressen] -aandeelhouders hebben op deze emissie(s) niet ingeschreven. Van de [gedaagden] -aandeelhouders heeft alleen [gedaagde sub 2] ingeschreven. Als gevolg hiervan houden de [eiseressen] -aandeelhouders thans nog gezamenlijk 0,052% van de aandelen in de vennootschap. (Mede) doordat [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en EHAG ook na de afwaardering niet hebben geparticipeerd bedraagt hun aandelenbelang thans respectievelijk 0,0196%, 0,0127% en 0,0131%. De overige aandelen (99,9026%) worden door [gedaagde sub 2] gehouden.

3 Het geschil

3.1.

De [eiseressen] -aandeelhouders vorderen dat de rechtbank Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk veroordeelt om de aandelen van de [eiseressen] -aandeelhouders in de vennootschap over te nemen tegen gelijktijdige betaling van een door de rechtbank vast te stellen prijs, vermeerderd met rente. Daartoe vorderen de [eiseressen] -aandeelhouders dat de rechtbank een deskundige benoemt die over de prijs van de aandelen schriftelijk bericht zal uitbrengen, waarbij de deskundige een peildatum zal hanteren van primair 31 augustus 2013, subsidiair 30 juni 2015 of meer subsidiair een billijke prijsverhoging zal berekenen, waarna de rechtbank de prijs voor de aandelen vaststelt of een billijke prijsverhoging toekent. Een en ander met hoofdelijke veroordeling van Heritage en de Brönner-aandeelhouders in de kosten van deze procedure.

3.2.

De vorderingen berusten op de stelling van de [eiseressen] -aandeelhouders dat zij door de gedragingen van de [gedaagden] -aandeelhouders zodanig in hun rechten of belangen zijn geschaad dat het voorduren van hun aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd (art. 2:343 BW). Aan die stelling hebben de [eiseressen] -aandeelhouders, samengevat, de volgende door hen gestelde omstandigheden ten grondslag gelegd:

door de [gedaagden] -aandeelhouders zijn, op eigen titel dan wel namens (een groepsvennootschap van) de vennootschap, talloze – kansloze – juridische procedures tegen de [eiseressen] -aandeelhouders aanhangig gemaakt;

de meerderheid van het bestuur van de vennootschap bestaat uit leden van de [gedaagden] -aandeelhouders en daaraan gelieerde, bevriende relaties, waardoor het bestuur van de vennootschap niet naar behoren functioneert;

de [gedaagden] -aandeelhouders misbruiken hun controlerende stem in de aandeelhoudersvergaderingen van de vennootschap;

de vennootschap voorziet de [eiseressen] -aandeelhouders van onvoldoende kwalitatieve informatie.

3.3.

Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders betwisten, kort gezegd, dat in redelijkheid niet meer van de [eiseressen] -aandeelhouders kan worden gevergd dat hun aandeelhouderschap in de vennootschap voortduurt. Heritage verweert zich daarnaast tegen de vorderingen met de stelling dat zij financieel niet – op verantwoorde wijze – in staat is om de aandelen van de [eiseressen] -aandeelhouders in te kopen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Toewijsbaarheid van de uittredingsvordering

4.1.

Bij de beoordeling van de uittredingsvordering stelt de rechtbank voorop dat voor toewijzing van deze vordering voldoende is dat de [eiseressen] -aandeelhouders als aandeelhouders door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig in hun rechten of belangen zijn geschaad dat het voortduren van het aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hen kan worden gevergd (artikel 2:343 BW). Anders dan gedaagden betogen, houdt deze maatstaf niet in dat de vordering slechts kan worden toegewezen in geval van 'bijkomende zwaarwegende omstandigheden', 'zwaarwegende gronden' of 'verwijtbaarheid' van de medeaandeelhouders of de vennootschap (vgl. gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 3 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3222 en gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2245).

4.2.

Of van de [eiseressen] -aandeelhouders in redelijkheid niet meer kan worden gevergd om hun aandeelhouderschap voort te laten duren, hangt mede af van het antwoord op de vraag of en in hoeverre de belangen van de medeaandeelhouders en de vennootschap door toewijzing van het gevorderde worden geschaad (dan wel in voorkomend geval bij toewijzing zijn gebaat). De rechtbank zal de belangen van de [eiseressen] -aandeelhouders, de [gedaagden] -aandeelhouders en de vennootschap derhalve in onderling verband beoordelen en tegen elkaar afwegen in het licht van de relevante feiten en omstandigheden. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden relevant, op grond waarvan de uittredingsvordering toewijsbaar is:

a. Tussen partijen is niet in geschil dat de verstandhouding tussen enerzijds de [eiseressen] -aandeelhouders en anderzijds de [gedaagden] aandeelhouders ernstig en duurzaam is verstoord. Dit uit zich onder meer in het gegeven dat tussen partijen al geruime tijd geen persoonlijk contact is geweest en in de vele juridische procedures tussen de [eiseressen] -aandeelhouders enerzijds en de vennootschap (en/of haar bestuurders) en/of de [gedaagden] -aandeelhouders anderzijds.

De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 2 december 2015 geoordeeld dat er voldoende grond aanwezig was voor twijfel aan een juist beleid om het door de [eiseressen] -aandeelhouders verzochte onderzoek te rechtvaardigen. Weliswaar heeft de Ondernemingskamer in haar beschikking van 4 oktober 2017 naar aanleiding van dit onderzoek niet geconstateerd dat zich bij de vennootschap in de onderzoeksperiode wanbeleid heeft voorgedaan, maar de Ondernemingskamer heeft in die beschikking wel overwogen dat er kanttekeningen zijn te plaatsten bij het besluit van het bestuur zich ten aanzien van de beloning van de bestuursleden uitsluitend te richten op Zwitserse benchmarks, dat het onverstandig was om niet het hele rapport van Ernst & Young over de fiscale gevolgen van de verhuizing van de vennootschap met de aandeelhouders te delen en dat bij de aandelenuitgifte in 2015 diffuus is gecommuniceerd over het feit dat reeds bij betaling van de eerste tranche (62,5%) levering van alle uit te geven stukken zou plaatsvinden. De Ondernemingskamer heeft in dat kader onderschreven dat de voorkeur had verdiend dat de uitgiftesystematiek duidelijker onder de aandacht van de aandeelhouders was gebracht.

De [eiseressen] -aandeelhouders hebben sinds het terugtreden van [aandeelhouder] en [eiseres sub 3] geen vertegenwoordiging meer in het bestuur van de vennootschap. Daarnaast hebben zij sinds geruime tijd onvoldoende stemrecht in de aandeelhoudersvergaderingen om enige invloed op het beleid van de vennootschap uit te kunnen oefenen. De [gedaagden] -aandeelhouders wijzen er terecht op dat deze situatie mede is ontstaan door keuzes van de [eiseressen] -aandeelhouders zelf, maar dat doet niet af aan dat de bestuurs- en aandeelhoudersverhoudingen een mee te wegen omstandigheid zijn in de voorliggende beoordeling, zeker in het licht van de onder a. genoemde verstandhouding tussen partijen.

Ter zitting hebben de [gedaagden] -aandeelhouders desgevraagd geantwoord geen principieel bezwaar te hebben tegen overname van de [eiseressen] -aandelen, zij het dat zij niet bereid zijn hiervoor de prijs te betalen die de [eiseressen] -aandeelhouders voor ogen hebben. De [gedaagden] -aandeelhouders hebben niet gesteld een eventuele overnamesom niet te kunnen betalen. In het licht van hetgeen de rechtbank hierna over de te hanteren peildatum zal oordelen, is naar het oordeel van de rechtbank vanuit het perspectief van de [gedaagden] -aandeelhouders geen onoverkomelijk bezwaar gebleken tegen toewijzing van de vordering onder de hierna geformuleerde voorwaarden.

Heritage heeft ter zitting betoogd dat zij er, gezien de bijzonder moeizame verhouding tussen de [eiseressen] -aandeelhouders enerzijds en de vennootschap en de [gedaagden] -aandeelhouders anderzijds en de – in de ogen van Heritage – onvoldoende betrokkenheid van de [eiseressen] -aandeelhouders bij de vennootschap, de voorkeur aan zou geven dat de [eiseressen] -aandeelhouders hun aandeelhouderschap zouden beëindigen. In zoverre heeft de vennootschap ook belang bij toewijzing van de vordering.

4.3.

Tot slot heeft Heritage, voor het geval de uittredingsvordering wordt toegewezen en de koopprijs van de aandelen wordt bepaald op meer dan nihil, opgeworpen dat aan haar niet meer aandelen kunnen worden toegewezen dan zij op grond van haar eigen kapitaal mag verkrijgen. Zij verwijst naar artikel 2:343 lid 1 BW in samenhang met artikel 2:207 BW. Artikel 2: 343 lid 1 BW bepaalt onder meer dat een vordering tot uittreding tegen de vennootschap niet kan worden toegewezen voor zover artikel 2:207 BW aan verkrijging van de aandelen door de vennootschap in de weg staat. Op grond van artikel 2:207 BW mag de vennootschap geen volgestorte eigen aandelen verkrijgen indien het eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs, kleiner is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden of indien het bestuur weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.

Dit verweer kan pas worden beoordeeld als enerzijds de waarde van de vennootschap op de peildatum vaststaat en anderzijds de financiële situatie van de vennootschap op de datum van inkoop van de over te nemen aandelen.

4.4.

De uittredingsvordering zal dus worden toegewezen jegens de [gedaagden] -aandeelhouders, onder de hierna genoemde voorwaarden. Voor wat betreft Heritage wordt de beslissing hierover aangehouden.

Peildatum

4.5.

De [eiseressen] -aandeelhouders hebben gevorderd dat de rechtbank een peildatum hanteert van 21 augustus 2013, subsidiair 30 juni 2015. Zij voeren hiertoe, kort gezegd, aan dat zij op 31 augustus 2013 – voorafgaand aan alle door hen aan gedaagden verweten gedragingen – nog een belang van 49,08% bezaten. De subsidiaire datum 30 juni 2015 is gelegen voor de aandelenuitgifte in 2015, toen hun belang aanzienlijk is verwaterd.

4.6.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de peildatum voor de waardering van de aandelen gelegen is dicht bij het tijdstip waarop de overdracht plaatsvindt (Kamerstukken II 1984/85, 18 905 nr. 3, p. 20). Afwijking van dat uitgangspunt door het kiezen van een eerder gelegen peildatum is denkbaar in situaties waarin aanleiding is voor het toekennen van een billijke verhoging op grond van artikel 2:343 lid 4 BW en de waarde van de aandelen op die eerdere datum in wezen de prijs voor de aandelen inclusief billijke verhoging weerspiegelt. Het kiezen van een eerder gelegen peildatum komt alleen in aanmerking indien voldoende aannemelijk is dat de waardevermindering in de periode na die eerder gelegen peildatum geheel is toe te schrijven aan gedragingen die de uittredende aandeelhouder aanspraak geven op een billijke verhoging. Voor zover de waardevermindering immers het gevolg zou zijn van andere omstandigheden is er geen reden waarom de uittredende aandeelhouder niet zou moeten delen in die waardevermindering (gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) 6 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2245, rov. 4.15).

4.7.

Door de [eiseressen] -aandeelhouders is onvoldoende onderbouwd dat de waardevermindering van de aandelen sinds augustus 2013 of juni 2015 geheel is toe te schrijven aan gedragingen van de [gedaagden] -aandeelhouders en/of Heritage, in het licht van de onvoldoende weersproken stellingen van Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders dat de waardevermindering mede is veroorzaakt door economische omstandigheden (waaronder de begin 2020 ingetreden coronacrisis). Reeds om die reden kan niet worden uitgegaan van een peildatum van 21 augustus 2013 of 30 juni 2015.

4.8.

De rechtbank ziet wel aanleiding tot het hanteren van een peildatum die in het – minder verre – verleden is gelegen, namelijk 1 oktober 2020 (hierna: de peildatum), derhalve vlak voor de verlaging van de nominale waarde van de aandelen van de vennootschap en de daarop volgende turboverwatering(en) van het belang van de [eiseressen] -aandeelhouders. De afwaardering van de aandelen van de [eiseressen] -aandeelhouders is immers geheel toe te schrijven aan het bestuursbesluit van de vennootschap en de stemmenmeerderheid van de [gedaagden] -aandeelhouders. Aan dat oordeel legt de rechtbank verder ten grondslag dat de [eiseressen] -aandeelhouders de stelling van de [gedaagden] -aandeelhouders en Heritage dat de waarde van de vennootschap op de peildatum nihil was gelet op het rapport van KPMG, gemotiveerd hebben betwist, en de rechtbank zich bij deze stand van zaken op dat punt onvoldoende voorgelicht acht om hierover thans te beslissen.

4.9.

Voor zover de stelling van de [eiseressen] -aandeelhouders juist is, en de vennootschap op de peildatum weldegelijk een (min of meer substantiële) waarde vertegenwoordigde, zijn de [eiseressen] -aandeelhouders door de afstempeling van de aandelen en de daarop volgende turboverwatering zodanig benadeeld dat dit hen aanspraak zou geven op een billijke verhoging als bedoeld in artikel 3:343 lid 4 BW (zie hierna onder 4.11 e.v.). Die verhoging kan worden toegekend door bij het bepalen van de prijs voor de aandelen de peildatum te hanteren, die immers gelegen is voorafgaand aan de turboverwatering. Dat zich na de peildatum nog andere omstandigheden hebben voorgedaan die hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de door de [eiseressen] -aandeelhouders over te dragen aandelen die voor rekening van de [eiseressen] -aandeelhouders zouden moeten komen – en aan het hanteren van de peildatum in de weg zou kunnen staan – is niet gesteld en evenmin gebleken. Voor zover de stelling van Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders juist is, en de waarde van de vennootschap op 1 oktober 2020 nihil was, worden zij door hantering van de peildatum niet in hun belangen geschaad.

Billijke verhoging

4.10.

Voor een billijke verhoging op de voet van art. 2:343 lid 4 BW kan aanleiding bestaan indien gedragingen van gedaagden, of anderen, hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de aandelen en deze waardevermindering niet (volledig) voor rekening van de [eiseressen] -aandeelhouders behoort te blijven. Aan hun vordering tot toekenning van een billijke verhoging hebben de [eiseressen] -aandeelhouders ten grondslag gelegd dat zij moeten worden gecorrigeerd voor de verwateringen en exorbitante salarissen die aan de familie [gedaagden] zijn uitgekeerd.

4.11.

Met betrekking tot de verwatering van het belang van de [eiseressen] -aandeelhouders verwijst de rechtbank naar de voorgaande overwegingen 4.8 en 4.9. Ten aanzien van de door de bestuurders van de vennootschap genoten salarissen stelt de rechtbank voorop dat de Ondernemingskamer in haar beschikking van 4 oktober 2017 heeft geoordeeld dat het besluit tot verhoging van de bezoldiging geen onredelijk bestuursbesluit is en dat hetzelfde geldt voor het besluit om voor advies daarover het advieskantoor WTW in te schakelen. De rechtbank neemt dit oordeel over. Vast staat dat de vennootschap de adviezen van WTW heeft opgevolgd. Bij het voorgaande behoort de kanttekening dat WTW in opdracht van het bestuur van de vennootschap is uitgegaan van Zwitserse benchmarks waar een Europese mediaan meer voor de hand had gelegen en dat het bestuur bij het besluit tot verhoging naar het oordeel van de Ondernemingskamer meer terughoudendheid had kunnen betrachten. Ook hierbij sluit de rechtbank zich aan. Daarom wordt geoordeeld dat de [eiseressen] -aandeelhouders moeten worden gecompenseerd voor de waardevermindering van hun aandelen voor zover deze is veroorzaakt door de te hoge salarissen (ten opzichte van de Europese mediaan). Dat de Ondernemingskamer het handelen van het bestuur op dit punt niet heeft gekwalificeerd als wanbeleid, staat daaraan niet in de weg.

4.12.

Volgens de door de Ondernemingskamer aangestelde onderzoeker zou een geschikte omvang van de beloning voor [gedaagde sub 2] beduidend hoger moeten liggen dan het bedrag van € 400.000 dat hij voor de verhoging kreeg, maar lager dan de bij die verhoging toegekende € 989.000. Nadat een deskundigenbericht zal zijn uitgebracht over de waarde van de onderneming, zullen partijen zich kunnen uitlaten over de vraag welke beloning voor [gedaagde sub 2] precies geschikt zou zijn.

4.13.

Voor compensatie is echter alleen plaats indien en voor zover het aan de bestuurders toegekende salaris daadwerkelijk is uitbetaald (of nog zou kunnen worden uitbetaald). Alleen dan werken de salaristoezeggingen immers door in de waarde van de vennootschap. Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders hebben onbetwist gesteld dat een deel van het salaris van [gedaagde sub 2] , over 2015-2017, is geconverteerd in aandelen. Deze aandelen zijn, zo betoogt Heritage, in 2020 niets waard gebleken en daarna sterk verwaterd. Daarnaast heeft Heritage onbetwist gesteld dat [gedaagde sub 2] over 2021 een forse haircut heeft aanvaard.

4.14.

De beslissing over de gevorderde billijke verhoging vanwege het salaris van [gedaagde sub 2] zal worden aangehouden tot na het deskundigenbericht. In het licht van het voorgaande is de rechtbank namelijk van oordeel dat, indien en voor zover door de nog te benoemen deskundige zou worden vastgesteld dat de waarde van de aandelen van de vennootschap vóór de emissie(s) van eind 2020 nihil was, moet worden aangenomen dat het door [gedaagde sub 2] daadwerkelijk genoten salaris niet zodanig hoger was dan het hiervoor in 4.12 bedoelde geschikte salaris, dat dit aanleiding zou moeten geven tot een billijke verhoging.

4.15.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het – door de Ondernemingskamer overgenomen – advies van de onderzoeker over het salaris van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] . De rechtbank gaat daarbij uit van een reëel salaris van € 125.000 per jaar, zoals dat naar aanleiding van het verslag van de onderzoeker met ingang van 2018 aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] is toegekend. Dat salaris ligt weliswaar iets boven de door de onderzoeker geadviseerde bandbreedte, maar niet zodanig dat het bestuur van de vennootschap daarmee buiten de aan haar toekomende beoordelingsvrijheid is getreden.

Dat brengt met zich dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] van 2014 tot en met 2017 ieder € 75.000 per jaar meer aan salaris hebben ontvangen dan geschikt zou zijn. Daarmee hebben zij naar het oordeel van de rechtbank in feite (2 x (4 x € 75.000) =) € 600.000 aan de vennootschap onttrokken. Ervan uitgaande dat het salaris grotendeels zal zijn uitbetaald na de 2015-verwatering, en van (in 2015) een aandelenpercentage van ongeveer 25% aan de kant van de [eiseressen] -aandeelhouders, ziet de rechtbank aanleiding tot toekenning van een billijke verhoging van € 150.000.

4.16.

Ten aanzien van het verwijt van de [eiseressen] -aandeelhouders dat de meerderheid van het bestuur van de vennootschap bestaat uit leden van de [gedaagden] -aandeelhouders en daaraan gelieerde, bevriende relaties, waardoor het bestuur van de vennootschap niet naar behoren zou functioneren, hebben de [eiseressen] -aandeelhouders in het licht van de betwistingen van Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders, onvoldoende onderbouwd dat de bestuursleden die niet tot de [gedaagden] -familie behoren niet, of onvoldoende, onafhankelijk zouden zijn. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het overeenkomstige oordeel van de Ondernemingskamer in de beschikking van 12 oktober 2018 (zie hiervoor onder 2.13). Reeds hierom faalt het verzoek om een billijke verhoging op deze grond.

4.17.

Ten aanzien van de door de [eiseressen] -aandeelhouders gestelde gebrekkige informatievoorziening oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het rapport van de onderzoeker en de beschikking van de Ondernemingskamer van 4 oktober 2017 volgt dat (het bestuur van) de vennootschap kan worden verweten dat zij de [eiseressen] -aandeelhouders onvoldoende heeft geïnformeerd over de fiscale gevolgen van de verhuizing naar Zwitserland en de voorwaarden van de emissie van 2015. De [eiseressen] -aandeelhouders hebben echter onvoldoende onderbouwd dat dit heeft geleid tot schade die aanleiding zou moeten geven tot een billijke verhoging. Ten aanzien van de verhuizing naar Zwitserland heeft te gelden dat de gebrekkige informatievoorziening mogelijk heeft geleid tot nadelige fiscale gevolgen voor Spala, maar in het licht van de – ook door de Ondernemingskamer gememoreerde – eigen verantwoordelijkheid van de [eiseressen] -aandeelhouders voor hun fiscale structuur acht de rechtbank deze (mogelijke) schade in een te ver verwijderd verband staan om in het kader van de billijke verhoging in aanmerking te worden genomen.

4.18.

Met betrekking tot de gebrekkige informatievoorziening bij de emissie in 2015 hebben de [eiseressen] -aandeelhouders tegenover de stellingen van Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders dat de [eiseressen] -aandeelhouders in de periode na 2012 überhaupt niet of nauwelijks hebben geparticipeerd in aandelenemissies en aandeelhoudersleningen of anderszins vermogen aan de vennootschap beschikbaar hebben gesteld, onvoldoende onderbouwd dat zij bij een juiste informatievoorziening wel zouden hebben geparticipeerd. Dat zij door de gebrekkige informatievoorziening anderszins schade hebben geleden en/of de waarde van de vennootschap hierdoor is verminderd is evenmin voldoende onderbouwd. Voor zover de [eiseressen] -aandeelhouders nog andere gebrekkige informatievoorziening aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd, geldt ook hiervoor dat onvoldoende is onderbouwd dat dit aanleiding zou moeten geven tot een billijke verhoging.

4.19.

Ten slotte hebben de [eiseressen] -aandeelhouders zich erop beroepen dat de [gedaagden] -aandeelhouders talloze kansloze procedures tegen de [eiseressen] -aandeelhouders hebben geëntameerd. In het licht van de betwistingen van Heritage en de [gedaagden] -aandeelhouders hebben de [eiseressen] -aandeelhouders zowel het bestaan van (een deel van) deze procedures als de onrechtmatige aard daarvan onvoldoende onderbouwd. Aan het ter zitting door de [eiseressen] -aandeelhouders gedane bewijsaanbod terzake wordt derhalve niet toegekomen.

4.20.

Slotsom is dat aan de [eiseressen] -aandeelhouders een billijke verhoging zal worden toegekend van € 150.000,00 in verband met het salaris van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , dat de beslissing over een billijke verhoging in verband met het salaris van [gedaagde sub 2] wordt aangehouden en dat de vordering tot toekenning van een billijke verhoging voor het overige zal worden afgewezen.

Vervolg van de procedure

4.21.

Om proceseconomische redenen ziet de rechtbank aanleiding om tussentijds hoger beroep open te stellen zodat partijen eerst – desgewenst – (onder meer) de beslissingen over de toewijsbaarheid van de uittredingsvordering en/of bepaling van de peildatum in appel kunnen voorleggen.

4.22.

In verband met de schorsende werking van het appel zal de rechtbank de zaak verwijzen naar een roldatum na afloop van de (tussentijdse) appeltermijn, te weten 11 mei 2022. Partijen kunnen zich uiterlijk op die datum uitlaten over wel of niet actief voortprocederen bij de rechtbank.

Voor het geval geen tussentijds hoger beroep zal worden ingesteld, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol van 8 juni 2022 voor het – door alle partijen - nemen van een akte over de persoon van te benoemen deskundige die de waarde van de vennootschap op de peildatum zal vaststellen, en over de door de deskundige te hanteren waarderingsmethode(n).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 mei 2022 opdat partijen zich kunnen uitlaten over of wel of niet tussentijds hoger beroep is ingesteld,

5.2.

bepaalt, voor het geval geen tussentijds hoger beroep zal zijn ingesteld, dat de zaak vervolgens op de rol zal komen van 8 juni 2022 voor het nemen van een akte door alle partijen over de persoon van te benoemen deskundige die de waarde van de vennootschap op de peildatum zal vaststellen, en over de door de deskundige te hanteren waarderingsmethode(n),

5.3.

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Q.R.M. Falger, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2022.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature