< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

KG. Vordering verwijdering persoonsgegevens uit het IVR, EVR en andere registers afgewezen. Opname in registers niet onzorgvuldig. Fraude bij aanvraag persoonlijke lening.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/713519 / KG ZA 22-117 HH/TF

Vonnis in kort geding van 15 maart 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 18 februari 2022,

advocaat mr. A.M. den Hollander te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BNP PARIBAS PERSONAL FINANCE B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.S. Faber te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en BNP worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 28 februari 2022 heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. BNP heeft (aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord) verweer gevoerd.

Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.

Vonnis is bepaald op heden.

1.2.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de kant van [eiser] : [eiser] en zijn advocaat in de arbeidsrechtelijk zaak mr. F.G. Asscher met mr. Den Hollander;

aan de kant van BNP: [naam 1] (legal counsel) en [naam 2] (Senior Fraud Analyst, hierna [naam 2] ) met mr. Faber.

2 De feiten

2.1.

BNP is een kredietverstrekker aan onder andere particulieren.

2.2.

[eiser] is vader van drie kinderen. Hij is in 2019 gescheiden van zijn eerste vrouw, met wie hij twee kinderen van 13 en 18 jaar heeft. [eiser] woont met deze kinderen in een huurhuis in [woonplaats] . Na zijn scheiding heeft [eiser] in 2020 een nieuwe relatie gekregen, waaruit op 21 januari 2021 een dochter is geboren. Deze relatie is eveneens geëindigd en de ex-vriendin van [eiser] woont met hun dochter in Spanje. [eiser] wil als vader het gezag hebben over zijn dochter. Daarover voert hij (een) rechtsza(a)k(en) tegen zijn ex-vriendin.

2.3.

[eiser] werkt bij de ING Bank N.V. ( ING ) in een functie van “ Director”. Hij bankiert daarnaast als particulier bij ING.

2.4.

Op 4 januari 2022 heeft [eiser] , via tussenpersoon InnoFin, bij BNP een persoonlijke lening aangevraagd ten bedrage van € 15.000,-. Hij heeft daarvoor

(onder andere) een bankafschrift over de periode 1 december 2021 tot en met 31 december 2021 en een salarisstrook van de maand december 2021 aan BNP verstrekt.

2.5.

Na onderzoek door de afdeling Veiligheidszaken van BNP en uitwisseling van gegevens met ING is gebleken dat op het bankafschrift de volgende transacties zijn verwijderd:

de aflossing van een termijnbedrag van een lopende lening bij ING van € 100,-;

een afschrijving aan International Card Services B.V. van € 100,-.

Daarnaast was op het afschrift een afschrijving zichtbaar van € 2.250,- voor huur en servicekosten terwijl de werkelijke huur en servicekosten € 3.350,- bedragen.

2.6.

Bij e-mail van 10 januari 2022 om 11:21 uur heeft BNP aan [eiser] meegedeeld dat zij naar aanleiding van de verstrekte documenten vragen heeft en verzocht door te geven wanneer hij telefonisch bereikbaar is, om een afspraak in te plannen. Daarnaast heeft [naam 2] van BNP een voicemailbericht aan [eiser] gestuurd met dezelfde boodschap.

2.7.

Bij e-mail van 11 januari 2022 om 8:56 uur heeft BNP aan [eiser] bericht nog geen reactie te hebben ontvangen en verzocht om vóór 12.00 uur te reageren. In de e-mail staat verder dat bij het uitblijven van een reactie ervan uit wordt gegaan dat [eiser] geen medewerking wil verlenen.

2.8.

In een e-mail van dezelfde dag om 13:39 uur heeft BNP aan [eiser] geschreven dat zij geen reactie heeft ontvangen en dat er dan ook vanuit wordt gegaan, dat hij geen medewerking wil verlenen aan de afhandeling van zijn dossier. BNP heeft voorts meegedeeld dat zij onregelmatigheden in de door [eiser] toegestuurde documenten heeft geconstateerd, dat zij conform het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (PIFI) zijn bankafschrift ter verificatie heeft aangeboden aan ING en dat ING heeft bevestigd dat dit document is gemanipuleerd. BNP heeft tot slot te kennen gegeven dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en poging tot oplichting en dat zijn persoonsgegevens zijn opgenomen in het Intern Verwijzingsregister (het IVR) en het Extern Verwijzingsregister (EVR).

Als bijlage heeft BNP een brief van 11 januari 2022 meegestuurd, met als onderwerp “Opname in het Intern- en Extern Verwijzingsregister” waarin het besluit schriftelijk is toegelicht. In deze brief staat dat gezien de betrokkenheid van [eiser] bij het incident de registraties zijn opgelegd voor de duur van acht jaar (tot 11 januari 2030).

2.9.

Dezelfde dag om 14:44 uur heeft [eiser] contact opgenomen met BNP en heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen hem en [naam 2] , waarin hij heeft bevestigd dat hij gegevens op zijn rekeningoverzicht heeft aangepast. Vervolgens heeft [eiser] dit ook per e-mail bevestigd.

2.10.

Op 13 januari 2022 heeft er een telefonisch interview plaatsgevonden tussen [eiser] en [naam 2] en een andere medewerker van BNP. [naam 2] heeft daarvan een gespreksverslag gemaakt, dat hij aan [eiser] heeft toegestuurd, met het verzoek om als hij verder geen vragen of opmerkingen heeft dit verslag ondertekend terug te sturen. [eiser] heeft het document niet teruggestuurd en ook geen vragen of opmerkingen doorgegeven.

2.11.

Op 18 januari 2022 heeft BNP [eiser] bericht dat de registratieduur in het IVR en EVR wordt teruggebracht van acht jaar naar vier jaar.

2.12.

Bij brief van 21 januari 2022 heeft ING aan [eiser] meegedeeld, dat zij zich genoodzaakt ziet de arbeidsovereenkomst met hem te beëindigen.

2.13.

In een brief van 1 februari 2022 heeft de advocaat van [eiser] aan BNP meegedeeld dat zij in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het PIFI en zonder grondslag en behoorlijke belangenafweging [eiser] hebben geregistreerd in het IVR en het EVR. De advocaat heeft BNP – samengevat – verzocht het registratiebesluit in te trekken, dan wel de registratietermijn te bekorten.

2.14.

In een brief van 3 februari 2022 heeft BNP aan (de advocaat van) [eiser] meegedeeld dat zij geen aanleiding ziet de registraties in het IVR en het EVR te herzien.

2.15.

Bij brief van 15 februari 2022 heeft de huisarts van [eiser] hem verwezen naar de GGZ.

2.16.

[eiser] heeft zich ziekgemeld bij zijn werkgever.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

BNP op straffe van een dwangsom te veroordelen om alle persoonsgegevens van [eiser] uit het IVR, EVR en overige (fraude)registers te verwijderen en verwijderd te houden;

en voorwaardelijk, als de voorzieningenrechter oordeelt dat de persoongegevens van [eiser] in het IVR van BNP mogen blijven staan:

Subsidiair

daarin een aantekening op te nemen dat de registratie van [eiser] in het IVR niet erop duidt dat voortzetting, althans hervatting van zijn carrière bij een financiële instelling in de zin van de PIFI enig bezwaar met zich meebrengt;

Meer subsidiair

de duur van de registratie van [eiser] in het IVR, het EVR en overige (fraude)registers te beperken tot vier maanden, althans te beperken tot een naar billijkheid te bepalen periode na de eerste registratie in deze registers.

[eiser] vordert daarnaast BNP te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe dat zijn registratie in de diverse registers in strijd is met de waarborgen die in de AVG en het PIFI zijn opgenomen. Het is zeer nadeling voor hem dat hij op een of meerdere zwarte lijsten is terechtgekomen. De beslissing om hem op die lijst(en) te plaatsen is 1) niet proportioneel en 2) zonder inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden genomen en 3) zonder het meewegen van de gevolgen van de beslissing voor [eiser] geschied en 4) zonder deugdelijk belangenafweging genomen en 5) prematuur en heeft tot slot zonder wederhoor plaatsgevonden. De handelswijze van BNP is dan ook niet evenredig en voorbarig doordat BNP de diverse toetsingsmomenten niet heeft afgewacht. [eiser] is hierdoor in zijn rechten aangetast en lijdt materiële schade. Hij heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat BNP afwijzend heeft gereageerd op zijn verzoeken om hem van lijsten te halen.

3.3.

BNP voert – samengevat – als verweer dat zij op grond van artikel 6 lid 1 sub f AVG en overweging 47 AVG een gerechtvaardigd belang heeft bij het verwerken van persoonsgegevens, als dit noodzakelijk is voor het voorkomen van fraude. Dat was in deze zaak het geval. In het kader van haar eigen onderzoek heeft zij ING verzocht ter verificatie een bankafschrift aan te leveren. ING heeft een eigen afweging gemaakt of zij de opgevraagde gegevens kan verstrekken en heeft dat gedaan.

Vervolgens heeft BNP nadat zij de fraude had ontdekt en [eiser] in de gelegenheid had gesteld hierop te reageren, [eiser] voor de duur van vier jaar geregistreerd in het IVR en EVR. Hierbij is niet in strijd met het AVG of PIFI gehandeld. Dat [eiser] een frauduleuze kredietaanvraag heeft gedaan, is vervolgens binnen ING verder bekend gemaakt. ING heeft eigenhandig hieraan de conclusie verbonden dat het dienstverband met [eiser] moet worden beëindigd. BNP staat hier verder buiten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat hij zijn registratie uit het IVR en EVR verwijderd wil hebben om veilig te stellen dat hij zijn baan kan behouden of voor overplaatsing in aanmerking komt, dan wel weer een andere baan kan vinden.

4.2.

Vast staat dat [eiser] bij zijn aanvraag voor een persoonlijke lening gegevens in een bankafschrift heeft verwijderd en aangepast, waardoor het bankafschrift is gemanipuleerd. Naar zijn eigen zeggen in een vlaag van verstandsverbijstering, om zijn kans op goedkeuring van de lening te vergroten.

Volgens [eiser] heeft hij de aanvraag thuis gedaan en werd hij die dag overmand door teleurstelling en verdriet. [eiser] had immers vernomen dat hij zijn jongste dochter niet op haar verjaardag op 21 januari 2022 zou zien. Daarnaast had hij die dag de zoveelste factuur in verband met de rechtszaak over het gezag ontvangen. Bovendien lijdt hij al lange tijd aan chronisch slaapgebrek. [eiser] stelt voorts dat bij hem overspannenheid is gediagnosticeerd, zijn werkgever hiervan op de hoogte is en hij is hiervoor onder behandeling is van een arts en psycholoog.

4.3.

De vraag ligt voor of zoals [eiser] stelt BNP in strijd met het PIFI en de AVG heeft gehandeld door [eiser] voor vier jaar op te nemen in het IVR en het EVR.

De aanloop naar de registratie

4.4.

BNP heeft voortvarend gehandeld door [eiser] al op 11 januari 2022, binnen 24 uur nadat zij hem voor het eerst om een reactie vroeg, te registreren in het EVR en IVR. Dit kan echter voorshands niet als onzorgvuldig en in strijd met het PIFI en de AVG worden aangemerkt. Daargelaten de vraag of BNP gehouden was om vóór de registratie aan [eiser] een reactie te vragen, BNP stelt van niet, heeft BNP dat wel gedaan en [eiser] heeft hierop niet gereageerd. Het is daarnaast begrijpelijk dat BNP enige haast had bij haar handelen om te voorkomen dat [eiser] elders een kredietaanvraag zou indienen. Dat op het moment van registratie [eiser] nog geen weerwoord had gegeven, kan BNP niet worden tegengeworpen. Dat tijdens het onderzoek voorafgaand aan de registratie privacyregels zijn geschonden kan vooralsnog ook niet worden vastgesteld.

BNP mocht een informatieverzoek aan ING doen. De uitwisseling van gegevens over [eiser] heeft plaatsgevonden tussen de afdeling Veiligheidszaken van BNP en de afdeling Veiligheidszaken van ING. Dat ING de verzochte gegevens ook heeft verstrekt en intern heeft besloten om binnen ING verder bekend te maken dat [eiser] fraude heeft gepleegd, hetgeen verregaande consequenties voor hem heeft gehad, kan BNP niet worden tegengeworpen. Dat staat los van het door haar verrichte onderzoek en de registraties. [eiser] kon bovendien weten dat een dergelijke gegevensuitwisseling kon plaatsvinden, gelet op het Privacy Statement dat BNP hanteert en waarnaar zij verwijst bij de kredietaanvraag.

De registratie

4.5.

[eiser] stelt dat de registratie niet met inachtneming van de regels, althans in strijd met de zorgvuldigheidsnormen, dan wel het evenredigheidsbeginsel of onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat het incident niet ernstig genoeg is voor opname in het IVR en EVR en andere registers.

Aannemelijk is dat op 11 januari 2022 tegen de achtergrond van wat BNP toen wist er voldoende aanleiding voor BNP was om [eiser] op te nemen in de registers.

In afdeling 5.2 van het PIFI staat wanneer vastlegging van gegevens in het EVR plaatsvindt en dat is gevolgd. Er waren immers frauduleuze handelingen geconstateerd en [eiser] reageerde niet op e-mails van BNP. [eiser] heeft direct na kennisname van de registraties contact gezocht met BNP en dat heeft geresulteerd in een gesprek (het Interview). BNP heeft vervolgens, nadat ook een persoonlijke belangenafweging had plaatsgevonden, de registratieduur voor het IVR en EVR verlaagd van acht jaar naar vier jaar.

4.6.

De toetsing van deze zaak aan artikel 6 van het EVRM , die [eiser] voorstaat, komt vergezocht voor. Het gaat in deze zaak om de registratieprocedure op grond van het PIFI en de AVG en niet om een rechterlijke procedure. Bovendien zijn in het PIFI en de AVG dezelfde procedurele rechtsnormen terug te vinden.

4.7.

Of het uiteindelijk proportioneel en zorgvuldig is om [eiser] voor vier jaar op te nemen in de registers kan in dit kort geding niet worden beoordeeld. Dat geldt ook voor de vraag of deze sanctie evenredig is, of zorgplichten zijn geschonden en of al dan niet rechtmatig door BNP is gehandeld. Dit soort vragen (en alle andere door [eiser] opgeworpen vragen met betrekking tot schending van grondrechten) kunnen niet worden beantwoord zolang niet duidelijk is wat [eiser] heeft bezield om onjuiste gegevens te verstrekken. Het antwoord op deze vragen staat of valt immers met de toerekenbaarheid en verwijtbaarheid van zijn handelen.

Bepaalde omstandigheden en feiten staan vast zoals dat de fraude niet is betwist en dat het schadelijk is voor het financiële systeem waarvoor het IVR en het EVR in leven zijn geroepen. Verder bekleedt [eiser] een hoge positie binnen ING, heeft hij de bankierseed afgelegd en mocht (zeker) van hem integer handelen verwacht worden. Over de persoon van [eiser] en zijn persoonlijke omstandigheden is echter veel onduidelijk. Hij stelt dat zijn werkgever op de hoogte was van de stress die hij had, maar daarover zijn geen schriftelijke stukken verstrekt. Verder is uit de overgelegde verwijzingsbrief van de huisarts van 15 februari 2022 (meer dan een maand na het voorval) onvoldoende op te maken. De huisarts vraagt om behandeling vanwege overspannenheid, stemmingsklachten en wellicht persoonlijkheidsproblematiek, maar kwalificeert de ernst als “matig”. Uit de verwijsbrief blijkt wel dat [eiser] ook in 2018 overspannen was en jaren daarvoor slaapstoornissen had, maar of en in welke mate dat van invloed is geweest op het voorval is niet duidelijk. Uit stukken volgt ook niet dat [eiser] thans onder behandeling is en of er al een diagnose is gesteld. Een en ander zal in de arbeidsrechtelijke zaak nader aan de orde kunnen komen. Die uitkomst kan mogelijk leiden tot een aanpassing van het standpunt van BNP, maar daar kan in dit kort geding niet op vooruitgelopen worden. Ter zitting is wel gebleken dat BNP compassie heeft met [eiser] en niet onwelwillend staat tegenover een mogelijk verdere beperking van de registratieduur.

4.8.

Gelet op het voorgaande worden de primaire en subsidiaire vordering van [eiser] afgewezen. Dat geldt ook voor de meer subsidiaire vordering. De registratieduur is immers al aangepast naar vier jaar en een kortere registratieduur is thans (nog) niet aan de orde.

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BNP worden begroot op:

- griffierecht € 676,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.692,00,

te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van BNP tot op heden begroot op € 1.692,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 85,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2022.

type: GHF

coll: LO


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature