< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Mulderzaak; sanctie opgelegd buiten verhuurtijd; sprake van voortgezette handeling welke voortvloeit uit de huurovereenkomst.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

kantonrechter: mr. B.T. Beuving

zaaknummer: 9557179 WM VERZ 21-3721

beslissing van: 16 december 2021

func.: 925

Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 16 december 2021 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[gemachtigde] (verder: gemachtigde)

welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 17 juni 2021 en is gericht tegen de beslissing van 18 mei 2021 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene.

[betrokken bedrijf] B.V.

[adres 2]

(verder: betrokkene)

CJIB-nummer: 236512071

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 30 september 2020 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) opgelegd. Gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft de gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 16 december 2021. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.

Gemachtigde is ter zitting. Namens betrokkene zijn dhr. [betrokkene 1] en dhr. [betrokkene 2] ter zitting verschenen.

Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Betrokkene wordt verweten een bromfiets plaatsen waar dat niet mag (bord E3, verbod (brom) fietsen te plaatsen). De gedraging is op 29 augustus 2020 om 00:21 uur aan de Vijzelstraat, ter hoogte van Giftshop, te Amsterdam geconstateerd.

2. Het beroep is tijdig ingesteld.

3. Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat het voertuig ten tijde van de gedraging verhuurd was. Bij verweerder heeft de gemachtigde al uitleg gegeven over de facturen van betrokkene en dat deze onjuiste verhuurtijden aangeeft. Verweerder heeft het beroep ongegrond verklaard nu de vermeende gedraging niet zou hebben plaatsgevonden ten tijde van de verhuur. Gemachtigde legt een tweede bestand over, zijnde ritgegevens, met de exacte begin- en eindtijd. De factuur zelf bevat geen kenteken maar de bijlage welke is meegestuurd wel. Gelet op het vorenstaande verzoekt de gemachtigde de kantonrechter het beroep gegrond te verklaren en de inleidende beschikking te vernietigen. Voorts verzoekt de gemachtigde om proceskostenvergoeding.

4. Ter zitting heeft de gemachtigde aangevoerd dat het in dit geval een parkeerboete betreft. Daarbij is van belang dat de huurperiode en de tijd waarop de boete is opgelegd nooit overeen kunnen komen. De huurder plaatst de scooter namelijk op de verkeerde plek, waarna door een handhaver of een agent die de scooter aantreft en constateert dat deze verkeerd geparkeerd staat een boete wordt opgelegd. De boete is in dit geval ongeveer een half uur na het eindigen van de huur opgelegd.Art. 8 sub b Wet administratiefrechtelijke handhaving (Wahv) stelt dat de verhuurder een huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was. De gedraging wordt verricht op het moment dat de scooter verkeerd wordt geparkeerd, en niet wanneer de agent of de buitengewoonopsporingsambtenaar de gedraging constateert. Dat gebeurt bij parkeergedragingen per definitie altijd nadat de vermeende gedraging is verricht. Felyx levert zodoende de bewijsstukken van de huurder aan die de scooter als laatst heeft gehuurd voor de tijd waarop de boete is opgelegd.Verweerder heeft niet gevraagd om andere stukken vanwege het feit dat de pleegtijd en de huurtijd niet overeenkomen. Het had in de weg van verweerder gelegen om, als zij van mening zijn dat sprake is van een verzuim, nadere stukken op te vragen die dat verzuim kunnen herstellen. Het had daarnaast ook in de weg van verweerder gelegen om hierover vragen te stellen op de hoorzitting, maar dit is niet gebeurd.Ter zitting heeft dhr. [betrokkene 2] de reserveringsinformatie van de scooter met GPS coördinaten getoond. Ook is de reserveringsinformatie van de volgende huurder getoond, hieruit blijkt dat het voertuig niet langer dan 30 minuten ter plaatse heeft stilgestaan.

5. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vermeende gedraging buiten de verhuurtijd heeft plaatsgevonden. De in artikel 8 Wet administratiefrechtelijke handhaving (Wahv) genoemde omstandigheden doen zich in de onderhavige zaak niet voor. Derhalve is betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk voor de opgelegde sanctie.

6. Het volgende wordt overwogen.

Op grond van artikel 5 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving (Wahv) wordt de sanctie opgelegd aan de kentekenhouder als is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder is. Hiervan is in dit geval sprake. De kentekenhouder is dan aansprakelijk voor de sanctie ongeacht de vraag wie het motorrijtuig bestuurde.

Dit is op grond van artikel 8 Wahv anders wanneer een voor een termijn van maximaal drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd, waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig was.

Betrokkene heeft een factuur met ritgegevens overgelegd, waaruit blijkt dat de scooter ten tijde van de gedraging was verhuurd aan een klant. Uit deze ritgegevens en factuur blijkt dat de scooter op 28 augustus 2020 van 23:34 tot en met 23:54 uur verhuurd was.

Uit de getoonde reserveringsinformatie en de GPS coördinaten blijkt dat de scooter door de huurder is geparkeerd ter hoogte van [adres 1] . Ongeveer een half uur later is de scooter door een andere huurder in gebruik genomen ter hoogte van [adres 1] .

Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de scooter verhuurd was. De sanctie is opgelegd na beëindiging van de verhuur. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een voortgezette handeling, nu de gedraging, het plaatsen van de scooter waar dat niet mag, ten tijde van de verhuur heeft plaatsgevonden en heeft voortgeduurd tot en met het moment van verbaliseren.

In het dossier zijn geen feiten en omstandigheden gebleken dat de verhuurder aansprakelijk zou moeten zijn voor het plaatsen van de scooter waar dat niet mag.

Ook is niet gebleken dat de gedraging, door een ander, dan de huurder zelf is verricht.

De kantonrechter verklaart het beroep gegrond.

Ten aanzien van proceskostenvergoeding bij de kantonrechter:

Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. De inleidende beschikking wordt in de onderhavige zaak vernietigd. Dat is aanleiding om aan betrokkene een proceskostenvergoeding toe te kennen.

De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair per proceshandeling vastgelegd. De gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht: het indienen van beroep bij de kantonrechter en het verschijnen tijdens de zitting van de kantonrechter. Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt worden toegekend.

Gelet op het voorgaande worden er in deze zaak voor de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 748,00 toegekend. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 748,00.

7. Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking;

bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd;

- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een kostenvergoeding toe van € 748,00, over te maken op het door de gemachtigde opgegeven bankrekeningnummer.

De griffier De kantonrechter

Datum verzending

Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail ) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature