< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor feitelijk leiding geven aan medeplegen door de rechtspersoon van in de bodem brengen van digestaat als meststof, dat niet voldoet aan de vereisten van de Meststoffenwet. Medeplegen als exploitant van het niet bijhouden van een administratie van de leveringen van digestaat, ex. art. 6.2 Wet dieren. Relatie met EG Verordening 1069/2009.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-994019-19 (promis)

Datum uitspraak: 6 december 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 en 27 september 2021, 6 en 11 oktober 2021 en 6 december 2021 (sluiting). Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. L. van Haeringen en mr. R.S. Mackor (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.M.M. Kroon naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

2.1.

Achtergrond van het onderzoek

Het familiebedrijf [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) is gestart als zeevisgroothandel. Thans houdt [medeverdachte 1] zich ook bezig met de verwerking van visresten en de productie van groen gas. Hiervoor heeft het bedrijf op zijn terrein een industriële vergister voor de vergisting van dierlijke bijproducten. Dit zijn onder meer dode dieren, delen van dieren of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn. [medeverdachte 1] heeft een vergunning voor het vergisten van visafval en overige organische materialen ten behoeve van de productie van groen gas (onderzoeksdossier bijl. 98C, map 16, pag. 7401 e.v.). Het restproduct van de vergisting is digestaat. De visverwerking is ondergebracht bij [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ).

[medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) is een (gewezen) veehouderij. Verdachte was daarvan vennoot.

Afzet digestaat in de Nederlandse landbouw

Op 30 januari 2015 kreeg het Team Milieu van de politie een melding binnen van Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA-melding). Hierin stond het volgende vermeld:

“ [medeverdachte 1] heeft een industriële vergister die digestaat aflevert in mestkelders van veehouders. De vergister van [medeverdachte 4] draait op visafval en ander organisch afval, waarbij ook schadelijke stoffen worden verwerkt. Bekend is dat o.a. bij [medeverdachte 3] in [plaats] aan de [adres] in de avonduren en ’s nachts digestaat wordt geleverd in het bassin. Boeren krijgen geld toe, 25 euro per ton. Soms gaat het om tientallen tonnen. Dit alles gaat ook zonder formulieren die officieel ingevuld moeten worden. Ook het geld krijgt de boer zwart, wat weer niet aan de belasting wordt opgegeven. Via de officiële weg zou afvoer van digestaat naar een verbrandingsbedrijf het dubbele kosten.”

Naar aanleiding van deze MMA-melding is het opsporingsonderzoek ‘03Canard’ gestart, waarin onderzoek werd gedaan naar de vraag of digestaat als meststof kon worden aangewend en of het digestaat inderdaad in mestkelders van veehouders was afgeleverd.

Digestaat van de biovergister van [medeverdachte 1]

Uit informatie van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit bleek dat in de vergistingsinstallatie geen gebruik werd gemaakt van dierlijke meststoffen. Voor het transport van dierlijke mest dient namelijk een vervoersbewijs dierlijke meststoffen (hierna: VDM) te worden opgemaakt en transport van zuiveringsslib en compost dient vergezeld te gaan van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost (hierna: VZC). Voor de periode van 1 januari 2013 tot 27 maart 2015 zijn geen VDM’s en geen VZC’s geregistreerd op naam van [medeverdachte 1] . Dit betekent dat in die periode geen dierlijke mest is aan- of afgevoerd, verhandeld of vervoerd. De input van de vergister bestaat uit dierlijke bijproducten van categorieën 2 en 3.

Transporten naar veehouders

Van het terrein van [medeverdachte 3] zijn in mei 2015 luchtfoto’s gemaakt. Hierop is een groot mestbassin/een grondsilo te zien. Vervolgens is door de politie op het terrein van [medeverdachte 3] heimelijk een vaste camera geïnstalleerd, gericht op de omgeving van de grondsilo. Deze camera heeft in de periode van 27 juli 2015 tot en met 24 augustus 2015 geregistreerd dat er 12 keer een trekker met oplegger van [medeverdachte 2] een verpompbare substantie loste in de mestkelder en grondsilo bij [medeverdachte 3] . Ook werd waargenomen dat zowel vanuit de mestkelder als vanuit de grondsilo door een tractor met giertank en een injecteerinstallatie substantie werd opgezogen, waarna door de tractor naar de landerijen rondom perceel [adres] werd gereden. Deze handelingen herhaalden zich meerdere malen, waardoor het vermoeden ontstond dat de inhoud van de tanks op het land was uitgereden.

Omdat er nog geen zicht was op andere locaties waar het digestaat mogelijk zou zijn afgezet en het voor het onderzoek van belang was overige locaties in beeld te krijgen, zijn van 29 januari 2016 tot en met 31 augustus 2016 peilbakens geplaatst onder twee van de drie tankopleggers van [medeverdachte 2] , namelijk onder de tankopleggers met kentekens [kenteken] en [kenteken] . Deze tankopleggers zijn in 2015 in beeld gekomen op de camera die in juli/augustus 2015 bij [medeverdachte 3] was geïnstalleerd.

Uit de peilbakengegevens van deze twee tankopleggers bleek dat de tankauto’s in deze periode meerdere malen naar [medeverdachte 3] , het bedrijf [medeverdachte 5] te [plaats] en naar [medeverdachte 6] waren gereden. Hierdoor ontstond de verdenking dat ook bij deze bedrijven digestaat afkomstig van [medeverdachte 1] is gelost. Ook zou er mogelijk biomassa afkomstig van toeleveranciers van [medeverdachte 1] bij deze bedrijven zijn gelost.

Op 30 augustus 2016 heeft een doorzoeking plaatsgevonden bij [medeverdachte 1] . Van de mogelijke transporten naar deze drie agrarische bedrijven werden geen transportdocumenten aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij digestaat van [medeverdachte 1] heeft ontvangen, dat hij daarvoor een vergoeding ontving, dat hij met [medeverdachte 4] , destijds leidinggevende bij [medeverdachte 1] , had besproken dat hij het digestaat over zijn land zou uitrijden en dat hij dit vervolgens ook heeft gedaan. Anders dan door het zetten van streepjes op een kalender had hij hier geen administratie van bijgehouden. Hij had evenmin documenten van [medeverdachte 1] ontvangen.

2.2.

Leeswijzer

De rechtbank bespreekt hierna de volgende onderwerpen met verwijzing naar de betreffende paragraaf:

3. Beschuldiging (tenlastelegging)

4. Geldigheid van de dagvaarding

5. Waardering van het bewijs

6. Bewezenverklaring

7. Strafbaarheid van de feiten

8. Strafbaarheid van de verdachte

9. Motivering van de straf

10 Toepasselijke wetsartikelen

11 Beslissing

Bijlage 1 Tenlastelegging

Bijlage 2 Bewijsmiddelen

3 Beschuldiging (tenlastelegging)

Verdachte wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 20 september 2021, kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

(feitelijk leiding geven aan) medeplegen van het gebruiken van meststof, te weten digestaat afkomstig van en/of geleverd door [medeverdachte 1] , door het digestaat op of in de bodem te brengen dan wel het verrichten van handelingen die de bodem kunnen verontreinigen;

(feitelijk leiding geven aan) medeplegen van het opzettelijk als exploitant niet bijhouden van een administratie van die leveringen digestaat.

De volledige tekst van de gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4 Geldigheid van de dagvaarding

4.1.

Standpunt van de verdediging, partiële nietigheid feit 1

De verdediging heeft zich aangesloten bij het door medeverdachten gevoerde verweer dat de tenlastelegging van feit 1 gedeeltelijk nietig is. Ten laste is gelegd het gebruik maken van meststoffen, maar in de feitomschrijving staat ‘althans een (mest)stof’. Dit zou inhouden dat ‘mest’ zou kunnen worden weggestreept, waardoor een willekeurige ‘stof’ overblijft. Dit maakt de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en daarmee voldoet deze niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De dagvaarding dient daarom nietig te worden verklaard voor zover zij inhoudt “althans een (mest)stof”.

De officier van justitie heeft niet gereageerd op dit nietigheidsverweer.

4.2.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261 Sv dient de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. De tenlastelegging strekt er toe voor de procesdeelnemers de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de tenlastelegging duidelijk blijkt dat het er om gaat te benadrukken dat digestaat als meststof werd gebruikt. De tenlastelegging is niet innerlijk tegenstrijdig en evenmin onvoldoende duidelijk. Verdachte wist waartegen hij zich had te verdedigen. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 kunnen worden bewezen.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten

In de hierna volgende overwegingen van de rechtbank worden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging nader uitgewerkt en meegenomen.

5.3.

Juridisch kader

5.3.1.

Wijze van gebruik en verwijderen: onderscheid afvalstof – dierlijk bijproduct/afgeleid product

Het opsporingsonderzoek 03Canard betreft handelingen met betrekking tot dierlijke bijproducten dan wel afgeleide producten. Hierop zijn de Europese Verordening Dierlijke bijproducten (EG 1069/2009) en de Uitvoeringsverordening (EG 142/2011) van toepassing.

Dierlijke bijproducten en afgeleide producten zijn in artikel 3 van de Verordening dierlijke bijproducten als volgt gedefinieerd:

1. dierlijke bijproducten”: dode dieren of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met inbegrip van oöcyten, embryo’s en sperma;

2. „ afgeleid product”: producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten.

Het digestaat uit de biogas-vergister van [medeverdachte 1] , waarin onder meer visresten worden verwerkt, kan worden gezien als een afgeleid product.

Afval

Het digestaat kan echter ook worden gezien als afvalstof in de zin van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (EU richtlijn 2008/98, hierna Kaderrichtlijn). Een afvalstof is, volgens artikel 3 lid 1 van de ze richtlijn, “elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.”

Volgens artikel 2 lid 2 sub b van de Kaderrichtlijn is deze richtlijn niet van toepassing op dierlijke bijproducten inclusief verwerkte producten, die onder Verordening (EG) nr. 1774/2002 (nu: Verordening EG 1069/2009) vallen, behalve die welke bestemd zijn om te worden verbrand of gestort of voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie.

De Kaderrichtlijn is verder uitgewerkt in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Artikel 10.1a lid 1- h onder 1 ° Wm bepaalt onder meer dat dit hoofdstuk niet van toepassing is op dierlijke bijproducten in de zin van EG 1069/2009, tenzij die dierlijke bijproducten bestemd zijn om te worden verbrand of gestort of voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie.

Dierlijk afval

Artikel 10.3 Wm verplicht om een afvalbeheerplan vast te stellen. Dit is uitgewerkt in het Landelijk Afvalbeheerplan, waarin minimumstandaarden zijn opgenomen voor de be- en verwerking van afval. Sectorplan 65 gaat over dierlijk afval en beschrijft dat de Verordening Dierlijke bijproducten in de artikelen 12 tot en met 14 aangeeft welke verwerkingswijze voor dierlijk afval is toegestaan. Tevens wordt hier aangegeven dat de Verordening Dierlijke bijproducten leidend is ten opzichte van de Wm.

Artikel 13 en 14 van de Verordening dierlijke bijproducten hebben betrekking op verwijdering en gebruik van categorie 2 respectievelijk categorie 3 materiaal, materiaal dat [medeverdachte 1] gebruikt voor de input van de vergister. Deze artikelen zijn ook van toepassing op het digestaat, omdat dit een afgeleid product is van de dierlijke bijproducten.

Categorie 2 en 3 materiaal wordt als het afval is, verwijderd door (mee)verbranding of verwijderd op een toegelaten stortplaats (art. 13 sub a, b, c respectievelijk artikel 14 sub a, b, c ). Afgeleide producten afkomstig van de verwerking van categorie 2 en 3 materiaal en gistingsresidu dat van de verwerking van dierlijke bijproducten afkomstig is, worden eveneens verwijderd en gebruikt overeenkomstig de Verordening dierlijke bijproducten en de uitvoeringsverordening.

Dierlijke bijproducten als organische meststof of bodemverbeteraar

Categorie 2- en categorie 3-materialen kunnen -onder meer- worden gebruikt voor de vervaardiging van organische meststoffen of bodemverbeteraars die op de markt worden gebracht overeenkomstig artikel 32 van de Verordening dierlijke bijproducten (art. 13 sub d respectievelijk art. 14 sub d onder iv).

Volgens artikel 32 mogen organische meststoffen en bodemverbeteraars slechts in de handel worden gebracht als zij uitsluitend afgeleid zijn van categorie 2 of categorie 3 materiaal. Daarnaast mogen gistingsresiduen van de omzetting in biogas of compost in de handel worden gebracht als organische meststoffen en bodemverbeteraar.

Daarbij geldt dat de lidstaten nationale voorschriften mogen vaststellen of handhaven die het gebruik van organische meststoffen en bodemverbeteraars verder beperken, mits die voorschriften gerechtvaardigd zijn met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid.

Deze voorschriften zijn vastgelegd in de Meststoffenwet (hierna: MSW) en nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Meststoffen (hierna: UBM) en de Uitvoeringregeling Meststoffen (hierna: URM).

Artikel 5 MSW verbiedt het om een product, dat blijkens zijn aanduiding of anderszins kennelijk bestemd is om als meststof te worden gebruikt, te verhandelen, indien dat product niet voldoet aan de krachtens artikel 4 MSW met betrekking tot meststoffen gestelde eisen.

Deze eisen zijn benoemd in artikel 5 van het UBM:

Meststoffen zijn (…) niet geheel of gedeeltelijk geproduceerd uit afvalstoffen of uit reststoffen, tenzij het betreft bij ministeriele regeling aangewezen stoffen of reststoffen waartegen geen bezwaren bestaan dat deze stoffen als meststoffen worden verhandeld of bij de productie van meststoffen worden gebruikt.

Welke afvalstoffen/reststoffen dit zijn, is opgenomen in artikel 4 van de URM, in het bijzonder sub d, en de in bijlage Aa onder IV opgenomen stoffen.

5.3.2.

Vervoer van digestaat en administratie: onderscheid afvalstof – dierlijk bijproduct – dierlijke meststof

Op grond van artikel 10.38 -10.40 van de Wm moet degene die zich van afval ontdoet een registratie bijhouden van het verwijderde afval. Hij moet de registratie vijf jaar bewaren en een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen. Ook moet hij een beschrijving van de afvalstoffen en een begeleidingsbrief verstrekken aan de vervoerder en de uiteindelijke ontvanger van de afvalstoffen. Deze stukken moeten bij het vervoer aanwezig zijn.

Artikel 22 lid 1 van de Verordening dierlijke bijproducten schrijft voor dat exploitanten die dierlijke bijproducten of afgeleide producten verzenden, vervoeren of ontvangen een administratie bijhouden van die zendingen en desbetreffende documenten of gezondheidscertificaten.

Voor het vervoer van dierlijke mest(stof) moet door leverancier, vervoerder en afnemer een gezamenlijk vervoersbewijs dierlijke meststoffen worden opgemaakt (art. 53 UBM), overeenkomstig het model dat is opgenomen bijlage F van de URM.

Dierlijke bijproducten en afgeleide producten moeten tijdens vervoer vergezeld gaan van een handelsdocument (…) of (…) een gezondheidscertificaat (Uitvoeringsverordening, bijlage VIII hoofdstuk III punt 1). Voor handel in de EU geldt een handelsdocument volgens een vastgesteld model. Voor handel binnen het grondgebied kan een lidstaat een alternatief toestaan. Registers of handelsdocumenten of gezondheidscertificaten worden ten minste twee jaar bewaard.

5.4.

Gebruik digestaat als meststof (feit 1)

5.4.1.

Verweren ten aanzien van de monsterneming op 24 maart 2016

De verdediging heeft aangevoerd dat de monsterneming op het terrein van [medeverdachte 3] op 24 maart 2016 onrechtmatig heeft plaatsgevonden omdat de officier van justitie geen toestemming had gegeven aan de opsporingsambtenaren om het terrein van [medeverdachte 3] – een besloten terrein – te betreden, hetgeen wel vereist was op grond van artikel 126k Sv .

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de wijze waarop het monster werd genomen uit de slang die gekoppeld was aan de mestzak van [medeverdachte 3] , niet voldeed aan de geldende voorschriften voor het nemen van representatieve en betrouwbare monsters, zoals beschreven in het UBM en de URM. De resultaten van de monsterneming moeten dan ook als onbetrouwbaar worden beschouwd en kunnen ook hierom niet meewegen in het bewijs.

Omdat de rechtbank de monsterneming niet zal gebruiken voor het bewijs zal de rechtbank bespreking van deze verweren achterwege laten.

5.4.2.

Was het uitrijden van digestaat verboden?

De verdediging heeft aangevoerd dat de artikelen 6 en 7 van de Wet bodembescherming , waar de tenlastelegging naar verwijst, geen zelfstandige strafbaarstelling bevatten en dat dit wel vereist is om tot een strafbaar feit te komen.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat het tweede lid van artikel 1a Besluit gebruik meststoffen (BGM) bepaalt dat het verbod om meststoffen te gebruiken niet geldt als de meststoffen voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III UBM gestelde regels. Het Openbaar Ministerie heeft niet duidelijk gemaakt aan welke voorwaarden niet zou zijn voldaan. Een en ander moet in een vrijspraak resulteren, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt.

De artikelen 6 en 7 Wet bodembescherming bieden een grondslag tot het opstellen van algemene maatregelen van bestuur, waar het GBM er één van is. Handelen in strijd met artikel 6 en 7 Wet bodembescherming en daaronder hangende regelgeving is strafbaar gesteld in artikel 1a onder 1o jo. artikel 2, jo. artikel 6 WED . Anders dan de raadsvrouw kennelijk meent, is niet vereist dat de artikelen 6 en 7 Wet bodembescherming een zelfstandige strafbaarstelling inhouden.

Artikel 1a lid 1 BGM houdt een algeheel verbod in om meststoffen te gebruiken.

Op grond van artikel 1a lid 2 BGM geldt dit verbod niet als de meststoffen voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk III UBM gestelde regels. Hoewel dat hoofdstuk gaat over verhandelen van meststoffen, zijn de uitzonderingen op het verbod meststoffen te verhandelen, zoals verwoord in hoofdstuk III artikel 4 lid 1 UBM, ook van toepassing op het gebruik van meststoffen.

Artikel 5 lid 1 UBM bepaalt dat meststoffen niet geheel of gedeeltelijk zijn geproduceerd uit afvalstoffen of uit reststoffen. Een uitzondering daarop wordt gemaakt door artikel 5 lid 2 UBM, op grond waarvan bij ministeri ële regeling afvalstoffen of reststoffen, categorieën afvalstoffen of reststoffen of eindproducten van bij die regeling omschreven bewerkingsprocédés kunnen worden aangewezen, indien er naar het oordeel van de Minister geen landbouwkundige en milieukundige bezwaren bestaan dat deze stoffen als meststof kunnen worden verhandeld of bij de productie van meststoffen kunnen worden gebruikt.

In artikel 4 sub d URM, de ministeri ële regeling als bedoeld in 5 lid 2 UBM, wordt verwezen naar bijlage Aa onder IV waarin eindproducten van verwerkingsprocédés zijn opgesomd die als meststof kunnen worden verhandeld. Dit betreft telkens producten die verkregen zijn door vergisting van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren in combinatie met een stof als genoemd in de bijlage (covergiste mest).

Zoals eerder al overwogen, bevat het digestaat van [medeverdachte 1] geen dierlijke meststoffen. De input van de vergister van [medeverdachte 1] bestaat uit afgeleide producten van dierlijke bijproducten van cat. 2- en cat. 3-materiaal. Er worden geen dierlijke meststoffen – kort gezegd uitwerpselen van dieren – vergist. Dit betekent dat dit digestaat niet is toegestaan als meststof, omdat het niet voldoet aan één van de uitzonderingen in de hiervoor beschreven wet- en regelgeving. Het gebruik van het digestaat is daarom op grond van artikel 1a lid 1 BGM verboden. [medeverdachte 3] heeft in strijd met dat gebod digestaat over zijn land uitgereden.

De verweren worden verworpen.

5.4.3.

Op of in de bodem brengen digestaat in tenlastegelegde periode

Ten laste is gelegd dat het digestaat in of omstreeks de periode van 24 maart 2016 tot en met 30 augustus 2016 op of in de bodem is gebracht. Uit het dossier volgt dat op de (eveneens tenlastegelegde) data 24 maart, 28 mei, 16 juni, 21 juli en 4 augustus 2016 een tankoplegger van [medeverdachte 2] uitpeilt op het terrein van [medeverdachte 3] en dat er op de kalender van verdachte bij die data een streepje staat. Uit de peilbakengegevens blijkt dat met uitzondering van 21 juli 2016 de tankoplegger steeds afkomstig was van het terrein van [medeverdachte 1] . Met inachtneming van de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank daarmee vaststaan dat op die data digestaat van [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] is gebracht. Uit de peilbakengegevens in combinatie met de begeleidingsbrief van 21 juli 2016 blijkt dat die dag digestaat van ‘Orgaworld’ is opgehaald en is gebracht naar [medeverdachte 3] . Gelet op de omschrijving van het materiaal op de begeleidingsbrief, moet worden aangenomen dat ook dit digestaat niet voor tenminste 50 gewichtsprocenten uit dierlijke uitwerpselen bestond en derhalve niet als meststof mocht worden gebruikt.

Mede op basis van de camerabeelden uit 2015 moet worden aangenomen dat het digestaat steeds binnen korte tijd na ontvangst als mest is uitgereden op het land, zodat inderdaad kan worden bewezen dat het feit binnen de tenlastegelegde periode is gepleegd. Daarop is door de verdediging ook geen verweer gevoerd.

5.4.4.

Opzet

Opzet in het economisch strafrecht is kleurloos. Dat betekent dat verdachte geen opzet hoeft te hebben op het overtreden van de wettelijke bepalingen, maar dat hij willens en wetens heeft gehandeld of nagelaten zoals in de (straf)bepaling is beschreven. [verdachte] heeft verklaard dat wat hij deed met het digestaat, ‘zijn pakkie an was’. Hij dacht dat hij het digestaat wel op het land mocht uitrijden en heeft dat ook gedaan. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het digestaat opzettelijk op of in de bodem is gebracht.

5.4.5.

Toerekening aan de rechtspersoon en feitelijk leiding geven

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij geheel verantwoordelijk is voor [medeverdachte 3] . Verdachte heeft persoonlijk de contacten met [medeverdachte 1] onderhouden over de verhuur van de grondsilo en heeft te kennen gegeven wanneer hij weer ruimte had in de mestzak. Deze handelingen vonden plaats binnen de sfeer van en waren dienstig aan [medeverdachte 3] . Dit strafbare handelen kan daarmee worden toegerekend aan de rechtspersoon [medeverdachte 3] . Verdachte kan daarbij worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende. Hij was degene die bepaalde wat er in zijn bedrijf gebeurde en was betrokken bij de besluitvorming omtrent en de uitvoering van de strafbare gedragingen.

5.4.6

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Op verzoek van [medeverdachte 4] heeft verdachte de grondsilo verhuurd aan [medeverdachte 1] voor de opslag van digestaat. Dit digestaat is aan [medeverdachte 3] geleverd en door [medeverdachte 1] in de grondsilo gelost. Het digestaat is vervolgens, al dan niet vermengd met mest, over het land uitgereden. [medeverdachte 4] was hiervan, naar het oordeel van de rechtbank, op de hoogte. Volgens de verklaring van verdachte was [medeverdachte 4] degene die tegen hem had gezegd dat het digestaat kon worden uitgereden op het land en degene met wie hij de afspraken over nieuwe vrachten maakte. Deze betrokkenheid en wetenschap maakt niet alleen [medeverdachte 4] strafrechtelijk aansprakelijk, zij wordt ook toegerekend aan de rechtspersoon [medeverdachte 1] . Het behoorde immers tot de bedrijfsvoering van [medeverdachte 1] om zich te ontdoen van digestaat en de wijze waarop dit is gebeurd, i.c. het leveren van digestaat aan [medeverdachte 3] , is [medeverdachte 1] dienstig is geweest. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 3] en medeverdachten.

5.5.

Niet bijhouden van een administratie (feit 2)

Ten laste is gelegd dat verdachte geen administratie heeft bijgehouden van de door haar ontvangen leveringen van digestaat en ook niet van de betreffende documenten of gezondheidscertificaten, terwijl zij hiertoe wel verplicht was op grond van artikel 22 lid 1 van de Verordening dierlijke bijproducten.

5.5.1.

Juridisch kader

In de Wet dieren is het verbod opgenomen om te handelen in strijd met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen waarop deze wet van toepassing is (artikel 6.2 lid 1 Wet dieren).

De bedoelde ministeriële regeling is de Regeling dierlijke producten. Artikel 3.3 lid 1 van de ze regeling houdt in dat voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2 van de Wet dieren onder meer zijn de artikelen 21, eerste tot en met derde lid en 22, eerste en tweede lid van de EG Verordening nr. 1069 /2009, zijnde de Verordening dierlijke bijproducten.

Artikel 22 lid 1 van de Verordening dierlijke bijproducten schrijft voor dat exploitanten die dierlijke bijproducten of afgeleide producten verzenden, vervoeren of ontvangen een administratie bijhouden van die zendingen en desbetreffende documenten of gezondheidscertificaten.

De voorschriften zijn gericht aan ‘exploitanten’. Dit zijn de natuurlijke of rechtspersonen die de feitelijke controle hebben over een dierlijk bijproduct of afgeleid product, waaronder vervoerders, handelaren en gebruikers (artikel 3 lid 11 van de ze verordening ).

5.5.2.

Verplichting bijhouden administratie

Zoals hiervoor is overwogen zijn exploitanten die dierlijke bijproducten verzenden, vervoeren of ontvangen op grond van artikel 22 eerste lid van de Verordening dierlijke bijproducten verplicht een administratie bij te houden van die zendingen alsook de desbetreffende documenten of gezondheidscertificaten.

[medeverdachte 3] kan worden aangemerkt als exploitant; zij ontving het digestaat, een van dierlijke bijproducten afgeleid product, en maakte daarvan gebruik door het digestaat op haar land uit te rijden. [medeverdachte 3] was als exploitant aldus verplicht ten aanzien van de leveringen digestaat een administratie te voeren en documenten of gezondheidscertificaten bij te houden. [medeverdachte 3] heeft dat bewust niet gedaan, anders dan de streepjes op de kalender te zetten, maar dat laatste is onvoldoende. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk geen administratie heeft bijgehouden.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat niet vast staat wat de oorsprong was van het digestaat en dat dus niet vast staat of sprake is van een dierlijk bijproduct. Als geen sprake is van een dierlijk bijproduct of een afgeleid product geldt artikel 22 van de Verordening niet, aldus de verdediging.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij omdat het digestaat een afgeleid product was van dierlijke bijproducten, zoals hierboven uiteengezet. Dat geldt evenzeer voor het digestaat afkomstig van ‘Orgaworld’, dat blijkens begeleidingsbrief categorie 3 materiaal en daarmee evident dierlijke bijproducten dan wel daarvan afgeleide producten bevatte.

5.5.3.

Toerekening, feitelijk leidinggeven, geen medeplegen

Om dezelfde redenen als hiervoor overwogen ten aanzien van feit 1, worden de strafbare gedragingen in feit 2 toegerekend aan [medeverdachte 3] en wordt verdachte aangemerkt als feitelijk leidinggevende daaraan. Het bijhouden van een goede administratie van hetgeen als mest op het land worden toegepast valt binnen de verantwoordelijkheid van de rechtspersoon. Dat geldt evenzeer voor het nalaten daarvan. Verdachte was degene die wist wat er op zijn bedrijf werd ontvangen en toegepast en had dan ook voor deze administratie moeten zorgdragen.

De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat [medeverdachte 3] of verdachte dit feit samen met een of meer anderen heeft gepleegd. Daarom zal de rechtbank [medeverdachte 3] en verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

[medeverdachte 3] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 maart 2016 tot en met 30 augustus 2016 te Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) meststoffen heeft gebruikt,

immers heeft [medeverdachte 3] en/of hebben haar mededaders:

- op of omstreeks 24 maart 2016 [ZD.02.01] en/of

- op of omstreeks 28 mei 2016 [ZD.02.02] en/of

- op of omstreeks 16 juni 2016 [ZD.02.03] en/of

- op of omstreeks 21 juli 2016 [ZD.02.04] en/of

- op of omstreeks 4 augustus 2016 [ZD.02.04]

digestaat, althans een (mest)stof afkomstig van en/of geleverd door van [medeverdachte 1] te [plaats] , op of in de bodem gebracht,

zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

[medeverdachte 3] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 maart 2016 tot en met 30 augustus 2016 te Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen,

immers heeft [medeverdachte 3] en/of hebben haar mededaders gehandeld in strijd met artikel 22, eerste lid van de EG Verordening 2009 /1069,

daar zij en/of haar mededader(s) als exploitant(en), digestaat afkomstig van en/of geleverd door [medeverdachte 1] te [plaats] , althans een dierlijke bijproduct(en) of afgeleid(e) product(en) heeft/hebben ontvangen, op of omstreeks 24 maart 2016 en/of op of omstreeks 28 mei 2016 en/of op of omstreeks 16 juni 2016 en/of op of omstreeks 21 juli 2016 en/of op of omstreeks 4 augustus 2016,

terwijl zij geen administratie van die zendingen alsook de desbetreffende documenten of gezondheidscertificaten heeft/hebben bijgehouden,

zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar (telkens) tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of (telkens) aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Er is rekening gehouden met mogelijke risico’s voor het milieu en de gezondheid, maar ook met de verhulde bedrijfsvoering in het verhandelen en gebruiken van digestaat. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de eis tevens rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging dient plaats te vinden. Deze is gaan lopen vanaf het uitbrengen van de dagvaarding voor de regiezitting, eind april 2019. De redelijke termijn is overschreven met vijf maanden. Er is, gelet op de omvang van de zaak en de ingewikkeldheid hiervan, slechts sprake van een geringe overschrijding.

9.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat voor de berekening van de overschrijding van de redelijk termijn volgens vaste jurisprudentie uit moet worden gegaan van het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Verdachte is (als vennoot van [medeverdachte 3] maar ook als natuurlijk persoon) twee maal langdurig gehoord en kort voorafgaand aan het verhoor zijn veel spullen in beslag genomen. Verdachte kon aan deze feiten al in september 2016 de verwachting ontlenen dat tegen hem en [medeverdachte 3] strafvervolging zou worden ingesteld. Volgens de verdediging is de redelijke termijn van twee jaar met ruim drie jaar overschreden.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het gebruik van meststoffen in zijn algemeenheid is verboden, tenzij de stoffen aan bepaalde vereisten voldoen. Hiervoor zijn strikte regels vastgelegd in Europese verordeningen, de Meststoffenwet en aanverwante regelgeving. De achtergrond van de bepalingen is te voorkomen dat in de bodem stoffen terecht komen die schadelijk zijn voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu. Over de schadelijkheid van het in de bodem brengen van het digestaat van [medeverdachte 1] is echter niets bekend. Er zijn geen bodemmonsters genomen om te bepalen of er een teveel aan schadelijke stoffen in de bodem is terecht gekomen. Ook zijn er geen monsters genomen om te bepalen of en hoe schadelijk het digestaat van [medeverdachte 1] is. De schadelijkheid van het op of in de bodem brengen van het digestaat is daardoor niet komen vast te staan. De mogelijke schadelijkheid van het digestaat werkt daarom niet strafverzwarend.

Anderzijds werkt het gebrek aan deze vaststelling ook niet strafverminderend. Het risico op bodemverontreiniging moet te allen tijde worden voorkomen en daarom moet de regelgeving altijd worden nageleefd. Dat was verdachte als veehouder uiteraard ook bekend. Met normen die beogen de gezondheid van mens en dier te bewaken moet geen loopje worden genomen.

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het feitelijk leiding geven aan [medeverdachte 3] voor het op of in de bodem brengen van digestaat. Door dit handelen zijn risico’s ontstaan voor verontreiniging van de bodem. Verdachte heeft niet onderzocht of er verontreinigende stoffen in het digestaat zaten en heeft gemakzuchtig aangenomen dat het digestaat als meststof kon worden gebruikt. De rechtbank vindt deze handelwijze laakbaar. Daarnaast heeft [medeverdachte 3] geen administratie bijgehouden van de zendingen digestaat die [medeverdachte 3] heeft ontvangen, wat de traceerbaarheid van de stroom dierlijke bijproducten bemoeilijkt. Verdachte heeft hier feitelijk leiding aan gegeven.

De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 60 uur. Deze straf is fors lager dan de officier van justitie heeft geëist.

De rechtbank houdt in matigende zin rekening met een schending van de redelijke termijn.

De redelijke termijn in strafzaken vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen haar een strafvervolging zal worden ingesteld. Op 30 augustus 2016 werd de woning van verdachte ter inbeslagneming doorzocht en op 5 september 2016 werd verdachte voor het eerst verhoord. De rechtbank is dan oordeel dat verdachte in ieder geval vanaf laatstgenoemde datum in redelijkheid kon verwachten dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Dat betekent dat de redelijke termijn op die datum is aangevangen.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is in deze zaak geen sprake. Dit betekent dat de redelijke termijn op de datum waarop de rechtbank vonnis wijst met meer dan drie jaar is overschreden. De rechtbank zal hiermee bij de bepaling van de straf rekening houden. De rechtbank zal ook rekening houden met de ouderdom van de feiten.

De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheden van verdachte zoals die ter terechtzitting naar voren zijn gekomen en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Ten slotte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte gedurende het onderzoek heeft meegewerkt en volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij erkent fout te hebben gedaan.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op

artikelen 22c, 22d, 51, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht,

artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten ,

artikelen 6 en 7 van de Wet bodembescherming ,

artikel 1a Besluit gebruik meststoffen ,

artikel 6.2 Wet dieren ,

artikel 3.3 Regeling dierlijke bijproducten en

artikel 22 van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (Verordening dierlijke bijproducten).

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in paragraaf 6 onder kopje Bewezenverklaring is weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair

Feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming , opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

Feit 2 primair

Feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2 van de Wet dieren , opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, en bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen als verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.J. Koene, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 december 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature