< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een 32-jarige man is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk omdat hij op 30 november 2019 in Amsterdam bij een vrouw seksueel naar binnendrong terwijl zij sliep.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.031284.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.031284.20

Datum uitspraak: 10 december 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C. Crince Le Roy naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Amsterdam, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, immers lag die [slachtoffer 1] te slapen en/of was zij aan het ontwaken en/of was zij onder invloed van alcohol en/of drugs en/of een bedwelmende stof en/of roesmiddel,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het onverhoeds ontdoen van (een deel van) de kleding (waaronder de onderbroek) van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het bij die [slachtoffer 1] in bed gaan liggen en/of

- het onverhoeds spreiden van de benen van die [slachtoffer 1] en/of

- het onverhoeds strelen met zijn, verdachtes, vingers over de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het onverhoeds likken met zijn tong aan de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het (meermaals) onverhoeds brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vingers en/of tong in de vagina van die [slachtoffer 1] ;

( art 243 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Amsterdam, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, immers lag die [slachtoffer 1] te slapen en/of was zij aan het ontwaken en/of was

zij onder invloed van alcohol en/of drugs en/of een bedwelmende stof en/of roesmiddel,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het onverhoeds ontdoen van (een deel van) de kleding (waaronder de onderbroek) van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het bij die [slachtoffer 1] in bed gaan liggen en/of

- het onverhoeds spreiden van de benen van die [slachtoffer 1] en/of

- het onverhoeds strelen met zijn, verdachtes, vingers over de vagina van die [slachtoffer 1]

en/of

- het onverhoeds likken met zijn tong aan de vagina van die [slachtoffer 1] ;

( art 247 Wetboek van Strafrecht )

2

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 oktober 2016 te

Amsterdam, met [slachtoffer 2] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer 2] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, immers lag die [slachtoffer 2] te slapen en/of was zij aan het ontwaken en/of was zij onder invloed van alcohol en/of drugs en/of een bedwelmende stof en/of roesmiddel, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten

- het onverhoeds bij die voornoemde [slachtoffer 2] in bed gaan liggen en/of

- het vanachter (lepeltje, lepeltje) tegen (het lichaam van) die voornoemde [slachtoffer 2] aan gaan liggen en/of

- het onverhoeds brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis tegen en/of in de vagina van die voornoemde [slachtoffer 2] ;

( art 243 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 oktober 2016 te

Amsterdam, met [slachtoffer 2] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens

leed dat die [slachtoffer 2] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, immers lag die [slachtoffer 2] te slapen en/of was zij aan het ontwaken en/of was zij onder invloed van alcohol en/of drugs en/of een bedwelmende stof en/of roesmiddel, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het onverhoeds bij die voornoemde [slachtoffer 2] in bed gaan liggen en/of

- het vanachter (lepeltje, lepeltje) tegen (het lichaam van) die voornoemde [slachtoffer 2] aan gaan liggen en/of

- het (onverhoeds) brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis tegen en/of in de vagina van die voornoemde [slachtoffer 2] ;

( art 247 Wetboek van Strafrecht )

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde. Zij heeft ten aanzien van feit 1 – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. Verdachte heeft erkend dat hij aangeefster heeft gevingerd, haar vagina heeft betast en haar vervolgens heeft gebeft. Als steunbewijs geldt de toestand waarin aangeefster direct daarna verkeerde, in paniek. De verklaring van verdachte dat de seks vrijwillig was is hoogst ongeloofwaardig.

Wat betreft feit 2 stelt de officier van justitie dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. Als steunbewijs gelden de verklaring van [naam huisgenoot] , huisgenoot van aangeefster, de verklaring van getuige [getuige 1] en de modus operandi. Dat aangeefster hoogstwaarschijnlijk is gedrogeerd door verdachte, waardoor zij zich niet meer kon bewegen, komt overeen met de aangiften van [naam 1] en [naam 2] , die beiden hebben verklaard soortgelijke verschijnselen te hebben ondervonden nadat zij van verdachte wat te drinken hadden gekregen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde geen sprake is van binnendringen. Bovendien is er onvoldoende bewijs en is er een alternatief scenario. Dit geldt ook ten aanzien van de subsidiaire variant. Verdachte heeft namelijk verklaard dat de handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsvonden. Aangeefster was niet lichamelijk onmachtig. Indien daarvan wel sprake zou zijn geweest, zo heeft de raadsman meer subsidiair aangevoerd, dan had verdachte daarvan geen kennis.

Wat betreft feit 2 stelt de raadsman dat het dossier onvoldoende bewijs biedt. De aangifte is onbetrouwbaar en wordt onvoldoende door ander bewijs ondersteund. Daardoor wordt het wettelijk bewijsminimum niet gehaald.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank overweegt het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft tijdens het informatieve gesprek verklaard dat zij samen met haar huisgenoot [naam huisgenoot] op een feestje was in Amsterdam. [slachtoffer 2] is naar buiten gegaan omdat zij zich niet lekker voelde en moest overgeven. Aldaar kwamen twee jongens, [naam jongen 1] en verdachte, haar een glas cola brengen. Vervolgens is zij samen met haar huisgenoot, [naam jongen 1] en verdachte naar huis gegaan. [slachtoffer 2] is naar bed gegaan en ging naar eigen zeggen ‘out’. Vervolgens voelde [slachtoffer 2] dat ze van achteren werd gepenetreerd. Ze kon zich niet bewegen. Haar huisgenoot kwam binnen, waarna verdachte is weggerend.

Getuige [naam huisgenoot] heeft verklaard dat zij samen met [slachtoffer 2] bij een feest was in de Shelter in Amsterdam. Ze waren dronken. Ze gingen naar huis omdat [slachtoffer 2] zich niet lekker voelde. Toen ze buiten voor de Shelter stonden gaf verdachte [slachtoffer 2] een glas cola. Verdachte is met hen naar huis gegaan. [naam huisgenoot] zat met [naam jongen 1] in de woonkamer te praten toen ze bij [slachtoffer 2] ging kijken, omdat ze [naam jongen 1] en verdachte uit huis wilde hebben. Zij zag dat verdachte bij [slachtoffer 2] in bed lag. [naam huisgenoot] vroeg wat verdachte aan het doen was. Verdachte reageerde geschrokken, stapte snel uit bed en is weggegaan. [naam huisgenoot] zag dat [slachtoffer 2] met haar rug naar hem toe lag en dat [slachtoffer 2] ‘out’ was.

Verdachte heeft verklaard dat het zou kunnen dat hij in de kamer van aangeefster is geweest en in het bed van aangeefster is gaan liggen. Verdachte heeft verklaard geen seks met [slachtoffer 2] te hebben gehad.

Vooropgesteld moet worden dat niet ieder onderdeel van de tenlastelegging door twee (of meer) bewijsmiddelen behoeft te worden ondersteund om (eveneens) tot een bewezenverklaring van dat onderdeel te komen. In de onderhavige zaak moet, op grond van de omstandigheden van het geval, worden beoordeeld of de aangifte van [slachtoffer 2] voldoende betrouwbaar is om het seksueel binnendringen te kunnen vaststellen. Dienaangaande wordt overwogen dat het seksueel binnendringen een cruciaal onderdeel betreft van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Dit brengt met zich mee dat een bewezenverklaring hiervan slechts kan volgen, indien dit buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat de aangifte van [slachtoffer 2] in grote lijnen wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam huisgenoot] en dat verdachte niet betwist dat hij bij aangeefster in bed is gaan liggen. Op basis hiervan neemt de rechtbank dan ook aan dat verdachte inderdaad bij [slachtoffer 2] in bed is gaan liggen en dat [slachtoffer 2] op dat moment sliep. Het dossier biedt echter onvoldoende ondersteunend bewijs om vast te stellen dat verdachte aangeefster seksueel is binnengedrongen of ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd. Om die reden zal verdachte zowel van het primair als het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

[slachtoffer 1] ging op 30 november 2019 met haar vriend [naam vriend 1] en vriendinnen [naam vriendin 1] en [naam vriendin 2] naar café Bourbon in Amsterdam. Die nacht ontmoetten zij verdachte in het café. Ze gingen daarna naar de woning van [slachtoffer 1] voor een zogenaamde ‘after party’. Verdachte reed met [naam vriendin 1] , [naam vriendin 2] en [naam vriend 1] mee en [slachtoffer 1] zat in een andere auto met vriendin [naam vriendin 3] en haar vriend [naam vriend 2] . [slachtoffer 1] was behoorlijk dronken, was moe en viel in de auto in slaap. Eenmaal thuis strompelde ze de auto uit. [slachtoffer 1] werd hierbij geholpen en dook meteen haar bed in. [slachtoffer 1] heeft verdachte die avond niet gesproken.

Terwijl zij werd gebeft, is zij wakker geworden. [slachtoffer 1] dacht aanvankelijk dat het haar vriend was. Pas toen dit op een andere manier gebeurde dan zij gewend was en zij bemerkte dat zij geen haar voelde op het hoofd van diegene die haar befte en zij het hoofd wilde wegduwen, voelde zij aan het gebrek aan haar dat het niet haar vriend was.

Getuige [naam vriendin 2] heeft verklaard dat zij met verdachte, [naam vriendin 1] en [naam vriend 1] van het café naar het huis van [slachtoffer 1] zijn gereden. Aldaar hebben zij nog wat gedronken. [slachtoffer 1] was hier niet bij omdat zij direct naar bed was gegaan. [naam vriendin 2] was rond 08:00 uur in slaap gevallen, maar werd om 10:25 uur wakker van enorm kabaal in het huis. Zij hoorde [naam vriend 1] schreeuwen en toen besefte zij zich dat verdachte net bij haar was geweest. Ze kreeg een flashback, dat er kort daarvoor iemand achter haar was komen liggen en dat diegene met haar wilde kroelen of knuffelen. Ze was behoorlijk dronken toen ze ging slapen en lag waarschijnlijk net in een diepe slaap. Zij voelde in eerste instantie een hand op haar linker bovenarm en die hand aaide haar. Vervolgens voelde zij dat haar pyjamabroek naar beneden werd getrokken. Met haar linkerhand heeft zij de persoon, die achter haar was gaan liggen, weggeduwd. Zij kan zich herinneren dat zij heeft gezegd: "Nee nee daar heb ik geen zin in." [naam vriendin 2] had die nacht niet met verdachte gesproken en heeft ook [slachtoffer 1] die avond niet met verdachte zien praten.

Getuige [naam vriendin 1] heeft verklaard dat verdachte op de afterparty ook avances naar haar heeft gemaakt. Verdachte wilde haar zoenen. [naam vriendin 1] zei dat ze dit niet wilde. Verdachte vertelde vervolgens dat hij seks had gehad met een collega en dat die collega hem niet klaar kon pijpen. [naam vriendin 1] maakte verdachte daarop weer duidelijk dat zij geen zin had in seks. Verdachte zei toen dat hij [naam vriendin 1] wilde beffen, waarop zij wederom reageerde dat zij daar niet van gediend was. Vervolgens vertelde hij over een soort piercing in zijn penis en liet hij zijn geslachtsdeel aan [naam vriendin 1] zien. Voorts bood hij haar geld om hem te pijpen, hetgeen zij heeft geweigerd. Op een gegeven moment zei hij verdachte dat hij wegging. Ze dacht dat verdachte weg was toen [naam vriend 1] zei dat verdachte met [naam vriendin 2] in bed lag ‘te frunniken’. Ongeveer een half uur later hoorde [naam vriendin 1] opeens geschreeuw en gestommel van boven. [naam vriendin 1] zag dat [slachtoffer 1] in blinde paniek was en hoorde dat ze zei: 'Wie is hij? Wat doet hij in mijn slaapkamer?'. [slachtoffer 1] wist niet wat er was gebeurd. [naam vriendin 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] waarschijnlijk niet wist dat verdachte in huis was. [slachtoffer 1] en verdachte hebben die avond niet met elkaar gesproken en omdat [slachtoffer 1] met een andere auto naar huis is gegaan, heeft zij waarschijnlijk niet gezien dat verdachte met de anderen mee naar het huis ging. [naam vriendin 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] comateus slaapt. Ze slaapt overal doorheen. [naam vriendin 1] zag dat ook [naam vriendin 2] erg aan het huilen was.

Verdachte heeft verklaard dat hij naar de tweede verdieping (waar de slaapkamer van [slachtoffer 1] zich bevindt) is gegaan om gedag te zeggen. [slachtoffer 1] was wakker en ging met hem praten, waarna hij avances maakte waartegen zij zich niet verzette. ‘Van het één kwam het ander’, aldus verdachte.

De rechtbank acht de door [slachtoffer 1] , [naam vriendin 1] en [naam vriendin 2] afgelegde verklaringen geloofwaardig. Hun verklaringen zijn consistent, komen op wezenlijke onderdelen overeen en vinden op diverse punten steun in andermans bevindingen. De aangifte wordt op belangrijke onderdelen ondersteund door de verklaring van [naam vriendin 1] , die heeft verklaard dat [slachtoffer 1] en verdachte die avond niet hebben gesproken en dat [slachtoffer 1] waarschijnlijk geen idee had dat verdachte in huis was. [naam vriendin 1] , naar wie verdachte op de afterparty ook avances heeft gemaakt, heeft gezien dat aangeefster in paniek was. Ook vindt de aangifte van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van [naam vriendin 2] , die heeft verklaard dat iemand achter haar is gaan liggen toen zij in bed lag te slapen. Die persoon probeerde haar broek naar beneden te doen, maar zij hield dat tegen. De wijze waarop zij door verdachte is benaderd, komt overeen met wat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat met haar is gebeurd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet geloofwaardig en gaat de rechtbank uit van de verklaringen van [slachtoffer 1] , [naam vriendin 1] en [naam vriendin 2] .

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat [slachtoffer 1] in haar bed sliep toen verdachte de kamer binnen kwam. De rechtbank is van oordeel dat zij op dat moment verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest dat zij sliep. De verklaring van [naam vriendin 1] dat [slachtoffer 1] comateus slaapt, dat [slachtoffer 1] en verdachte elkaar die avond niet hebben gesproken én de situatie met [naam vriendin 2] waarbij zij op overeenkomstige wijze door verdachte is benaderd, ondersteunen dat. Ondanks dat verdachte wist dat aangeefster in staat van verminderd bewustzijn verkeerde heeft hij haar gebeft.

Bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2010:BK6910) leert dat niet enkel sprake is van binnendringen wanneer de verdachte in de schede is geweest, maar ook wanneer hij met zijn tong of vingers tussen de schaamlippen en aan de clitoris van het slachtoffer heeft gezeten. Dat maakt dat in casu sprake is van seksueel binnendringen.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 30 november 2019 te Amsterdam met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, immers lag die [slachtoffer 1] te slapen en was zij aan het ontwaken en was zij onder invloed van alcohol, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het bij die [slachtoffer 1] in bed gaan liggen en

- het onverhoeds spreiden van de benen van die [slachtoffer 1] en

- het onverhoeds strelen met zijn, verdachtes, vingers over de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het onverhoeds likken met zijn tong aan de vagina van die [slachtoffer 1] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straf

5.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de Reclassering geformuleerd. Daarnaast heeft de officier van justitie een contactverbod met de slachtoffers gevorderd voor de duur van de proeftijd en heeft zij de rechtbank verzocht om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van een vrouw die op dat moment in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Vriendinnen van het slachtoffer en haar vriend hadden verdachte die avond in een café ontmoet waarna verdachte met hen is meegegaan naar de woning van het slachtoffer voor een afterparty. Het slachtoffer is bij thuiskomst direct in haar bed gaan liggen en wist niet dat verdachte in de woning was. In haar bed is zij door verdachte gebeft terwijl zij lag te slapen. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast is het in haar eigen huis gebeurd, een plek waar zij zich veilig zou moeten voelen. Nadat het slachtoffer ontwaakt was drong het pas goed bij haar door wat haar overkwam. Wat haar is overkomen heeft een grote impact op haar én haar relatie gehad, zoals onder meer blijkt uit haar ter zitting afgelegde slachtofferverklaring. Hiervoor acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Uit het strafblad van verdachte blijkt niet dat verdachte eerder voor een zedendelict is veroordeeld.

In het reclasseringsadvies is te lezen dat verdachte niet wilde meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek. In geval van een veroordeling staat verdachte wel open voor een reclasseringstraject. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank neemt aan dat sprake is van een recidiverisico en acht ter beperking van dat risico een behandeling bij De Waag wenselijk. De rechtbank zal tevens een contactverbod opleggen ten aanzien van het slachtoffer. De rechtbank zal dus de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Reclassering is geadviseerd.

De rechtbank acht het recidiverisico echter niet dusdanig hoog dat ernstig rekening moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en ziet daarom geen reden om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde en alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

6 Vorderingen benadeelde partijen

6.1

Vordering benadeelde partij 360 Amsterdam Tours B.V.

De benadeelde partij 360 Amsterdam Tours B.V. vordert € 1.328,25 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.1.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade – vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel – moet worden toegewezen.

6.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering nu hij zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman gevorderd dat de vordering wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat de B.V. geen slachtoffer is. Meer subsidiair levert de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op.

6.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt dat de vordering bestaande uit de post ‘loonkosten’ onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

6.2

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 11.028,32 aan vergoeding van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.2.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade – vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel – moet worden toegewezen.

6.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering omdat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft subsidiair verzocht om de kosten voor de aanschaf van een nieuw bed af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan causaal verband met het tenlastegelegde. Het immateriële gedeelte is onvoldoende onderbouwd en dient sterk gematigd te worden.

6.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de kosten van de vervanging het bed niet-ontvankelijk verklaren. Naast het feit dat het schadebeperkingselement van toepassing is – niet gebleken is op welke wijze de benadeelde partij maatregelen heeft genomen om de schade, bijvoorbeeld via verkoop van het “oude”bed te beperken – is de rechtbank van oordeel dat een adequate onderbouwing met betrekking tot de rechtstreekse schade ontbreekt. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit in haar eer of goede naam is aangetast, de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, waardeert de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen geachte feit is toegebracht.

6.3

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade – vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel – moet worden toegewezen.

6.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, nu zij zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering.

6.3.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte voor feit 2 geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

6.4.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht .

6.5.

Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair:

met iemand van wie de dader weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;

zich zal melden bij de GGZ Reclassering Fivoor op het adres Stationsplein 21 te Heerhugowaard zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

zich laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Betrokkene werkt mee aan de aanmeld- en intakeprocedure en het hieruit voortvloeiende behandelplan. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft met het slachtoffer M. [slachtoffer 1] ;

meewerkt aan diagnostiek om te bepalen of het middelengebruik van invloed is geweest op het delictgedrag. Indien een behandeling wordt geïndiceerd, zal betrokkene hieraan meewerken. Controle van het gebruik van alcohol en drugs kan, op last van de toezichthouder worden ingezet om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

verplicht is om toestemming te geven voor het raadplegen van alle door de reclassering noodzakelijk geachte referenten.

Geeft aan GGZ Reclassering Fivoor de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 4.000,- (vierduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij 360 Amsterdam Tours B.V. niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk in haar vordering.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. P. van Kesteren en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Nieuwenhuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature