< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een 48-jarige man is veroordeeld tot 200 uur taakstraf omdat op 17 juli 2020 met zijn auto inreed op de nieuwe vriend van zijn (ex-)vriendin.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-239765-20

Datum uitspraak: 8 december 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Geurts en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M. van Stratum, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na twee wijzigingen op de zitting - ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair

hij op of omstreeks 17 juli 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met (hoge) snelheid met een personenauto in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] is gereden en/of vervolgens de auto waarnaast voornoemde [slachtoffer 1] stond en/of zich deels voorovergebogen in bevond, heeft geraakt en/of voornoemde [slachtoffer 1] heeft geraakt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] werd gelanceerd en/of ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Subsidiair

hij op of omstreeks 17 juli 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstige kneuzingen aan een of meerdere kuiten en/of enkels en/of voeten, in ieder geval aan het lichaam en/of een patellofemoraal pijnsyndroom aan de linkerknie en/of tendomyogene klachten aan beide kuiten, heeft toegebracht door met (hoge) snelheid met een personenauto in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te rijden en/of vervolgens de auto waarnaast voornoemde [slachtoffer 1] stond en/of zich deels voorovergebogen in bevond, te raken en/of voornoemde [slachtoffer 1] te raken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is gelanceerd en/of ten val is gekomen.

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 17 juli 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met (hoge) snelheid met een personenauto in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] is gereden en/of vervolgens de auto waarnaast voornoemde [slachtoffer 1] stond en/of zich deels voorovergebogen in bevond, heeft geraakt en/of voornoemde [slachtoffer 1] heeft geraakt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] werd gelanceerd en/of ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2

hij op of omstreeks 17 juli 2020 te Almere, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door het slot van de deur van de (bad)kamer waarin zij zich bevonden eenmaal of meermalen op slot te draaien en/of zijn hand op de handgreep te houden.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte dient van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag te worden vrijgesproken. Nu niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte in de richting van het slachtoffer [slachtoffer 1] is gereden, is er volgens de officier van justitie geen sprake van een aanmerkelijk kans op het overlijden van het slachtoffer. De subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling kan wel worden bewezen, nu de verdachte opzettelijk op het slachtoffer is ingereden. Door de klap werd het slachtoffer gelanceerd en als gevolg hiervan heeft hij zwaar lichamelijk letsel bekomen. Ook het onder 2 ten laste gelegde kan gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 2] en de verklaring van de verdachte worden bewezen. Verdachte wilde aangever niet uit de badkamer laten gaan.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht, onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen, dat verdachte van het onder 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair) en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het dossier biedt volgens de raadsman ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte opzettelijk op het slachtoffer [slachtoffer 1] is ingereden. Verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Dat sprake is geweest van een te hoge snelheid is niet vastgesteld en de verdachte heeft ontkend dat hij doelbewust op het slachtoffer is ingereden. De verdachte heeft verklaard dat op het moment dat hij zijn auto naast de auto van [slachtoffer 1] wilde parkeren, hij per ongeluk op het gaspedaal heeft gedrukt in plaats van op de rem. Als gevolg daarvan reed de auto harder dan hij wilde en is hij met zijn auto tegen [slachtoffer 1] aangereden. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdachte verklaard dat hij in gesprek wilde zijn partner. Misschien heeft hij gelet op de ontstane situatie onhandig gehandeld, maar van een wederrechtelijke vrijheidsberoving is geen sprake geweest.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank vindt dat uit het dossier voldoende duidelijk is geworden dat verdachte in de badkamer van hun gezamenlijke woning in gesprek wilde met zijn vriendin om haar te confronteren over de ontstane situatie in hun relatie. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte de deur van de badkamer op slot deed en dat zij gedurende enige tijd de badkamer niet mocht verlaten. Zij is in de badkamer onwel geworden, waarna de verdachte haar in de slaapkamer op bed heeft gelegd. De rechtbank vindt, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte de deur van de badkamer heeft afgesloten om zijn vriendin, aangeefster [slachtoffer 2] , opzettelijk van haar vrijheid te beroven, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank komt daarmee niet toe aan het voorwaardelijk verzoek om [slachtoffer 2] als getuige te horen.

3.3.2.

Feit 1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit en betrekt in haar overwegingen het (bewijs)verweer van de verdediging.

Op 17 juli 2020 is de verdachte met zijn personenauto vanuit zijn woning te [woonplaats] naar de woning van het slachtoffer [slachtoffer 1] te Amsterdam gereden met de intentie om zijn vriendin [slachtoffer 2] , hierna [slachtoffer 2] , te spreken. Zij had eerder die dag de woning van verdachte verlaten en was met [slachtoffer 1] vanuit Almere naar Amsterdam gereden. De verdachte zag [slachtoffer 1] bij zijn auto staan. Verdachte weet niet hoe hard hij heeft gereden, maar hij zegt snel naar [slachtoffer 1] te zijn toegereden. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij snel naar [slachtoffer 1] wilde rijden omdat hij anders misschien was weggelopen, dat hij hem heeft geraakt en dat hij denkt dat hij zijn benen heeft geraakt.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft in Amsterdam samen met [slachtoffer 2] spullen uit zijn auto gehaald en naar zijn woning gebracht. [slachtoffer 2] bleef in zijn woning en [slachtoffer 1] liep terug naar zijn auto. Hij had zijn auto achteruit ingeparkeerd in een van de parkeervakken van de [adres 1] , ter hoogte van zijn woning. Hij stond aan de bestuurderskant van zijn auto, voorovergebogen bij het open achterportier in zijn auto, om spullen van de achterbank te pakken. Op dat moment hoorde hij een auto met hoge toeren optrekkend aan komen rijden. Hij zag in een flits iets aankomen uit zijn ooghoek. Het ging heel hard, een harde klap, en hij werd gelanceerd. Hij kwam terecht bij de voordeur van de woning [adres 1] . Hij is opgestaan en zag [verdachte] , de ex-vriend van [slachtoffer 2] , op hem af komen lopen. Het slachtoffer is zijn woning ingerend. In zijn woning werd hij duizelig en hij is later voor controle met de ambulance naar het BovenIJ-ziekenhuis gebracht.

De verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door de verklaring van twee getuigen. Getuige [getuige 1] was aan het werk in de [adres 1] . Hij zat in de keet en hoorde een auto, een blauwe Volkswagen Golf, hard aan komen rijden. Hij had al eerder een man zien staan bij zijn auto, een zwarte Audi , die geparkeerd stond vlak tegenover de keet. Hij zag dat de bestuurder van de Golf met hoge snelheid richting de man bij de Audi reed. Hij zag dat de bestuurder van de Golf hard tegen de Audi reed. Daarna zag hij dat de bestuurder naar achteren reed en weer hard tegen de Audi aan reed. Hij zag dat de bestuurder van de Golf uit de auto stapte en hij hoorde dat hij riep: “Waar is [slachtoffer 2] ”. De man van de Audi lag op de grond. Hierna zag hij dat de bestuurder van de Golf achteruit reed, zijn auto keerde en wegreed. Getuige [getuige 2] heeft gezien dat de man die keihard kwam aanrijden de eigenaar van de andere auto aantikte. Zij zag dat de man op de grond viel. Zij zag dat die auto achteruit reed en met volle snelheid vooruit reed. Zij zag dat de eigenaar opstond en wegrende. De man in de auto stapte uit en rende achter de eigenaar aan. De eigenaar rende naar zijn huis, ging naar binnen en deed de deur dicht. De man uit de auto begon tegen de deur te bonken. Hij schreeuwde en riep twee keer: “Waar is [slachtoffer 2] ”. Hij liep daarna naar zijn auto en reed weg. Op de camerabeelden van de naastgelegen woning van het slachtoffer was te zien dat het slachtoffer zijn woning in rende, waarna hij de deur dicht deed. Vlak achter hem rende de verdachte, die voor een dichte deur stond.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] is hard tegen zijn onderbenen geraakt. Hij had een kneuzing aan zijn linker kuit. Na de gebeurtenis had hij hevige pijn aan zijn lichaam met name aan zijn knieën, kuiten, enkels, voeten en aan zijn nek, schouders en onderrug. Hij had de eerste paar weken krukken nodig om te kunnen lopen. Tot op heden (22 november 2021) ervaart het slachtoffer pijn en slikt hij daarvoor dagelijks diclofenac en paracetamol. Het slachtoffer is in de periode van 21 augustus 2020 tot en met 26 januari 2021 voor therapie 32 keer bij de fysiotherapeut geweest en 3 keer bij de manueel therapeut. Hij bleef ook na deze behandelingen pijn houden aan zijn linker kuit, nek, schouders en onderrug. Op 15 juni 2021 zijn er foto’s gemaakt van de linker knie, nek- en wervelkolom. Geconcludeerd werd dat er persisterende klachten zijn na het ongeval en er sprake is van een patellofemoraal pijnsyndroom aan de linkerknie en tendomyogene klachten aan beide kuiten. Het slachtoffer is één maand arbeidsongeschikt geweest en heeft daarna, tot begin december 2020, halve dagen gewerkt.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van een poging tot doodslag dan wel (een poging tot) zware mishandeling.

Voor de bewezenverklaring van een poging tot doodslag dan wel (poging tot) zware mishandeling is vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat niet gebleken is van ‘vol opzet’ en heeft in dat kader onderzocht of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan een zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Voor wat betreft de primair ten laste gelegde doodslag is de rechtbank net als de officier van de justitie en de raadsvrouw van oordeel dat dit niet kan worden bewezen, zodat daarvan vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank vindt wel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en overweegt daartoe als volgt. De verdachte is in een geagiteerde situatie vanuit zijn woning te [woonplaats] naar de woning van [slachtoffer 1] te [woonplaats] gereden. Hoewel hij ter zitting heeft verklaard dat hij met [slachtoffer 2] wilde praten en dat hij van haar antwoorden op vragen wilden hebben (en zijn aandacht niet op [slachtoffer 1] gericht zou zijn), is hij op het moment dat hij [slachtoffer 1] bij zijn geparkeerde auto zag staan, in de richting van de auto van [slachtoffer 1] toegereden. Dat deed hij zo snel dat hij volgens zijn eigen verklaring ter zitting niet meer in staat was de rijrichting van zijn auto voldoende te corrigeren, met als gevolg dat hij zowel tegen de in het parkeervak geparkeerde auto als tegen die [slachtoffer 1] is aangereden. Ook getuigen hebben verklaard dat verdachte snel reed. Uit algemene ervaringsregels volgt dat als je als bestuurder van een auto op een dergelijke wijze naar een geparkeerde auto en een persoon rijdt, de aanmerkelijk kans bestaat dat een aanrijding niet meer kan worden voorkomen. De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat de verdachte bewust te snel naar [slachtoffer 1] is gereden. Die handeling is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het aanbrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.De verklaring van verdachte dat zijn voet per ongeluk op het gaspedaal is gekomen in plaats van op de rem acht de rechtbank, gelet op hetgeen door getuigen is waargenomen, niet geloofwaardig.

De rechtbank is verder van oordeel dat het letsel dat slachtoffer [slachtoffer 1] heeft opgelopen door de gedragingen van de verdachte, gelet op de duur van de genezing, welk herstel nog steeds niet volledig is, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1 subsidiair

op 17 juli 2020 te Amsterdam [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten kneuzing aan een kuit en een patellofemoraal pijnsyndroom aan de linkerknie en tendomyogene klachten aan beide kuiten, heeft toegebracht door met snelheid met een personenauto in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te rijden en vervolgens de auto waarnaast voornoemde [slachtoffer 1] stond en zich deels voorovergebogen in bevond, te raken en voornoemde [slachtoffer 1] te raken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is gelanceerd en ten val is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 subsidiair en 2 bewezen geachte feiten dient te worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Bij het bepalen van deze eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verdachte heeft een baan en geen strafblad. Hij heeft zijn leven weer op de rit, maar hij moet zich vandaag verantwoorden voor iets dat vorig jaar goed mis is gegaan. De officier van justitie ziet het als een eenmalig incident, maar door toedoen van de verdachte is het slachtoffer nog steeds aan het revalideren.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de taakstraf te matigen gelet op het werk van de verdachte en anders een geldboete op te leggen. Verdachte heeft op de bewuste dag te emotioneel gereageerd. Zijn vriendin is terug en de situatie thuis is stabiel. Verdachte is daarnaast al gestraft, omdat zijn auto is vervreemd en hij in onzekerheid leeft over of hij zijn baan kan behouden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf. Na een uit de hand gelopen situatie thuis heeft de verdachte de keuze gemaakt om naar de woning van de nieuwe vriend van zijn vriendin in [woonplaats] te rijden om verhaal te gaan halen. Door met zijn auto op het slachtoffer in te rijden heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft zich niet om het welzijn van het slachtoffer bekommerd. Nadat hij de auto en het slachtoffer had geraakt is verdachte uit zijn auto gestapt en is hij tot aan de woning van het slachtoffer achter hem aangerend. Hij heeft zelfs nog op de voor hem afgesloten deur staan bonken en de naam van zijn vriendin geroepen. Voor het slachtoffer en de omstanders is het gedrag van de verdachte een zeer angstige en intimiderende situatie geweest. Dit soort strafbare feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Zoals uit de schriftelijke slachtofferverklaring van 22 november 2021 duidelijk is geworden was het slachtoffer verbaasd dat hem dit is overkomen, Hij heeft geluk gehad die dag, want het had heel anders kunnen aflopen. Hij had zijn leven of zijn beide benen kunnen verliezen. Sinds die dag leeft het slachtoffer met pijn. Hij is nog steeds onder behandeling in het ziekenhuis. Specialisten zijn bezig om uit te zoeken wat voor letsel het slachtoffer heeft opgelopen. Hij weet niet of hij ooit volledig zal herstellen.

Bij het vaststellen van de straf heeft de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij werkt en heeft geen strafblad. Medio juli 2020 was sprake van een stressvolle situatie tussen verdachte en zijn vriendin, maar inmiddels zijn de problemen uitgepraat en is hun relatie weer gecontinueerd. De reclassering schetst in het advies van 16 november 2021 ook een positief beeld over het leven en de persoon van de verdachte. Verdere interventies of toezicht is niet nodig.

De rechtbank vindt in beginsel dat gelet op de ernst van de bewezenverklaarde zware mishandeling oplegging van een gevangenisstraf op zijn plaats is. Aangezien verdachte first offender is en het gebeuren op 17 juli 2020 een eenmalig incident lijkt, ziet de rechtbank aanleiding om net als de officier van justitie een taakstraf op te leggen. Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van feit 2, acht de rechtbank een taakstraf van 200 uren passend en geboden.

7.4.

Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen:

Zendapparatuur

Blauwe personenauto, merk Volkswagen, kenteken [kenteken] , chassisnr: [nummer] , bouwjaar 2016.

De officier van justitie heeft gevorderd om de auto verbeurd te verklaren, omdat deze is ingezet als wapen bij feit 1. Het baken, de zendapparatuur, kan ook worden verbeurd verklaard, omdat deze is gebruikt om te lokaliseren waar de vriendin van de verdachte zich bevond.

Ten aanzien van het baken heeft de raadsman aangevoerd dat het bezit hiervan niet is ten laste gelegd. Het staat in een te ver verwijderd verband van de onderhavige zaak. De verdachte heeft hiervan nog geen afstand gedaan. Hoewel de auto al is vervreemd, verzoekt de raadsman de teruggave hiervan aan de verdachte dan wel een schadevergoeding in verband met de verkregen opbrengst.

De rechtbank stelt vast dat beide voorwerpen aan verdachte toebehoren. De rechtbank bepaalt dat het baken, de zendapparatuur, aan verdachte kan worden teruggegeven. Er is geen wettelijke grond om anders te oordelen. De auto wordt verbeurd verklaard, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 1 subsidiair bewezen geachte is begaan.

7.5.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 139,20 aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rende en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering volledig toe te wijzen.

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard, omdat hij vrijspraak heeft bepleit. In het geval de rechtbank anders van mening is, betwist de raadsman de immateriële schade. De vordering is onvoldoende onderbouwd en er is geen sprake van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ook kan het causaal verband niet zonder meer worden vastgesteld. Zo de vordering al kan worden toegewezen, dan dient die aanzienlijk te worden gematigd, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, zoals weergegeven in het schade-onderbouwingsformulier en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 4.000,00.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 4.139,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 17 juli 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht .

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. Zendapparatuur.

Verklaard verbeurd:

2. Blauwe personenauto, merk Volkswagen, kenteken [kenteken] , chassisnr: [nummer] , bouwjaar 2016.

Vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 139,20 aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 17 juli 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 4.139,20 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 17 juli 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 51 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. R.M. Troost en C.M. Georgiades, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2021.

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Verklaring verdachte ter terechtzitting.

Proces-verbaal aangifte van verhoor verdachte (p. B 048-049).

Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] (p. B 001-005).

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (p. B 035-036).

Proces-verbaal van bevindingen (p. B 042-043).

Proces-verbaal van bevindingen (p. B 052).

Een geschrift, te weten een schade-onderbouwingsformulier van slachtoffer [slachtoffer 1] met als bijlagen onder meer een geneeskundige verklaring d.d. 17 juli 2020 van SEH-arts R. Lulf van het BovenIJ-ziekenhuis te Amsterdam, namens dr. C.M. Fortanier, orthopedisch chirurg-traumatoloog en een brief d.d. 2 augustus 2021 van dr. J.S. Kuperus, AIOS orthopedie, mede namens dr. D.H.R. Kempen, orthopedisch chirurg.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature