< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een 38-jarige man is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk omdat hij op 6 oktober 2020 in Amsterdam de chauffeur van buslijn 21 tegen zijn hoofd, gezicht en lichaam sloeg en schopte en op zijn hoofd en bovenlichaam heeft gestaan en daarover heen heeft gelopen.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

(Promis)

Parketnummer: 13/258223-20

Datum uitspraak: 19 februari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het postadres

[adres] ,

gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzittingen

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 januari 2021 en 5 februari 2021. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kramer, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.T. Brassé, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

primair: poging tot doodslag van buschauffeur [buschauffeur] door diens keel dicht te knijpen, meerdere malen met forse kracht met vuisten tegen diens gezicht, hoofd en lichaam te slaan, ook toen [buschauffeur] op de vloer van de bus lag en door meerdere malen tegen diens gezicht, hoofd en het lichaam van die [buschauffeur] te schoppen, te staan en daar over heen te lopen, terwijl [buschauffeur] op de vloer van de bus lag, in Amsterdam op 6 oktober 2020,

subsidiair ten laste gelegd als zware mishandeling van [buschauffeur] ,

meer subsidiair ten laste gelegd als poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel bij [buschauffeur] .

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van deze strafzaak.

Op 6 oktober 2020 werd melding gedaan van mishandeling van een buschauffeur (hierna: aangever) in bus 21 van het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) in Amsterdam. De aanleiding was een woordenwisseling tussen aangever en verdachte, nadat aangever verdachte had aangesproken op het niet juist dragen van zijn mondkapje. Na het incident is verdachte weggelopen. Verdachte werd een week na het incident, op 13 oktober 2020, door de politie aangehouden. Aangever heeft door het incident letsel opgelopen. Zo had aangever door het toegepaste geweld onder meer gekneusde ribben, een lichte hersenschudding en meerdere gebroken en missende tanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op de beelden die via het internet zijn verspreid, te zien is dat verdachte, met zijn hele gewicht, op het lichaam en het hoofd van aangever heeft gestaan en gelopen, terwijl aangever op de grond lag. Naast de beelden en de beschrijvingen daarvan zijn voor het bewijs verder nog van belang de aangifte, de verklaringen van verdachte en getuigen en de beschrijvingen van het letsel dat aangever heeft opgelopen. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen, dan kan volgens de officier van justitie de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het letsel dat door aangever uiteindelijk is opgelopen ten gevolge van het geweld dat door verdachte is gepleegd, waarbij de verwondingen in samenhang met elkaar moeten worden bezien en beoordeeld, voldoet aan de eisen die worden gesteld aan zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aan de hand van haar pleitaantekeningen primair betoogd dat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat als al vastgesteld kan worden dat verdachte geweld tegen het hoofd heeft uitgeoefend en de adem van aangever heeft belemmerd, dat deze handelingen niet met dermate veel kracht zijn geschied dat deze een aanmerkelijke kans op de dood van aangever opleveren. Verder vallen gekneusde ribben, een hersenschudding en gebroken tanden niet onder zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr .

De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat de verklaring van aangever dat zijn keel door verdachte werd dicht geknepen, niet wordt ondersteund door de beelden. Op de beelden is wel te zien dat de vuist van verdachte een richting op gaat, maar uit de beelden blijkt niet waar die vuist terechtkomt. Dit geldt ook voor de schoppende bewegingen. Volgens de raadsvrouw kan daarom niet worden vastgesteld dat deze handelingen gericht waren op het hoofd, gezicht of het lichaam van aangever. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat hoewel verdachte in eerste instantie boos naar aangever toe is gelopen, er op een later moment sprake was van een andere houding van verdachte. Hij werd vastgepakt door aangever en wilde loskomen, hetgeen ook de getuigen hebben geroepen en blijkt uit het feit dat zijn kapotte ketting in de bus is aangetroffen. Dit maakt dat verdachte geen vol opzet had op enige vorm van mishandeling en dat er ook geen bewuste aanvaarding was van een aanmerkelijke kans op letsel bij aangever. Voor de handelingen die verdachte heeft verricht in de worsteling om los te komen, ontbreekt ook de wederrechtelijkheid, omdat aan verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt. De raadsvrouw heeft verzocht verdachte partieel vrij te spreken van deze handelingen.

Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte op een gegeven moment los is gekomen van aangever en dat de handelingen die daarna zijn verricht, het schoppen op het hoofd en het weglopen over het lichaam van aangever, geen aanmerkelijke kans op de dood van aangever opleveren. Verder komt verdachte ten aanzien van deze handelingen ook een beroep op noodweerexces toe.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Uit het dossier blijkt het volgende.

Melding

Op 6 oktober 2020 kreeg de politie een melding dat een buschauffeur van lijn 21 van het GVB in de bus in elkaar werd geslagen. Ter plaatse troffen de verbalisanten de buschauffeur liggend in de bus aan. Zij zagen dat de buschauffeur letsel had in zijn gezicht. Hij had bloed op zijn gezicht en er lag bloed in de bus, vermoedelijk door de verwondingen in zijn gezicht.

Aangifte

Op 7 oktober 2020 heeft de buschauffeur aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij op 6 oktober 2020 werkte als buschauffeur op buslijn 21 in Amsterdam. Op die dag stapte een man samen met een vrouw en een kinderwagen de bus in. Aangever zag dat de man zijn mondkapje onder zijn kin had bungelen. Hij sprak die man op het niet juist dragen van zijn mondkapje aan, waarna de man boos reageerde. Hij zag vervolgens dat de man op hem af kwam lopen, maar dat hij werd tegengehouden door de vrouw waarmee hij was. Vervolgens probeerde de man opnieuw naar hem toe te lopen en trok deze de plastic linten die vlak achter de stoel van de buschauffeur waren gespannen, weg en kwam naast hem staan. Aangever had op de noodknop gedrukt en verzocht de man om naar achteren te gaan. Aangever pakte vervolgens zijn jas en drukte deze, ter bescherming tegen besmetting met corona door de man, voor zijn hoofd. Daarna werd hij door de man in zijn stoel geduwd. Aangever heeft verder verklaard dat hij door de man hard in zijn hals werd geknepen, dat hij werd gestompt tegen zijn oog en dat hij een stoot tegen zijn neus kreeg. Vervolgens is hij door de man over de cabinedeur heen getrokken en is hij op de grond gevallen, waarna hij meerdere harde klappen op zijn hoofd heeft gekregen en de man hem in beide handen heeft gebeten, waarmee aangever de man bij diens trui vast had gegrepen. Aangever heeft na het bijten zijn bewustzijn verloren en hij kan zich niet herinneren wat er daarna is gebeurd.

Aangever heeft verklaard dat hij na het incident last had van een pijnlijke borstkast, gekneusde ribben, een hersenschudding, een pijnlijk hoofd met verwondingen, een gekneusde neus en diverse verwondingen op zijn handen. Tot slot heeft hij verklaard dat er vier tanden uit zijn mond missen en dat meerdere tanden los zitten.

Letselverklaring

Er is op 8 oktober 2020 door een forensisch arts geconstateerd dat aangever schaafwonden en bloeduitstortingen op de voorzijde, achterzijde, linkerzijde en rechterzijde van het hoofd had. Er waren schaafwonden in de hals en bloeduitstortingen op de rug, schouders, linkerbovenarm en de rechterpols en bijtwonden en bloeduitstortingen op de vingers van beide handen. Daarnaast had hij een zwelling op zijn neus en bovenlip en kneuzingen van zijn hoofd, hals, borstkas en ribben. Verder heeft hij een lichte hersenschudding gehad en heeft hij loszittende en afgebroken gebitselementen. Volgens de forensische arts is er sprake van blijvend letsel, omdat enkele gebitselementen moeten worden vervangen door implantaten. Dit blijkt ook uit het tandheelkundig verslag na trauma.

Getuigen

Er waren meerdere getuigen in de bus aanwezig bij het incident. Zij hebben allemaal – in grote lijnen – verklaard dat er tussen de man en de buschauffeur een woordenwisseling ontstond over een mondkapje, dat de man aangever in de bus aanviel en dat hij aangever sloeg en schopte. Ook verklaren verschillende getuigen dat meerdere mensen de man meermalen hebben proberen tegen te houden. Eén getuige heeft verklaard dat de man aangever wurgde. De getuigen hebben ook verklaard dat aangever op een gegeven moment op de vloer van de bus was gevallen en dat de man hem op zijn hoofd trapte, waarna hij wegrende.

Camerabeelden

Van het incident zijn meerdere camerabeelden gemaakt. Er zijn camerabeelden van vaste beveiligingscamera’s in de bus en camerabeelden die door een omstander zijn gemaakt en geplaatst zijn op de mediawebsite www.dumpert.nl. (‘Boosmeneer vecht met buschauffeur’, geplaatst op 6 oktober 2020). De beelden uit de bus zijn bekeken en beschreven door de politie. Ook de gemaakte audio-opname uit de bus is uitgeluisterd en geverbaliseerd.

Een filmpje van de camerabeelden van de verschillende camera’s in de bus, met het bijbehorende opgenomen geluid, en het genoemde filmpje van Dumpert zijn ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting getoond. Verdachte heeft bevestigd dat hij de bedoelde man op de beelden is en dat de vrouw met wie hij was zijn vriendin was.

Op de beelden en audio is onder meer te zien en te horen – kort samengevat – dat verdachte instapt, gelijk met zijn vriendin met een kind in een buggy. De chauffeur zegt ‘Meneer, mondkapjes op en niet teveel praten.’ Vervolgens is te horen dat een discussie tussen verdachte en de chauffeur ontstaat en verdachte zich steeds meer opwindt. Korte tijd later is te zien dat de bus stopt en dat de deuren van de bus open gaan en dat verdachte richting de deur loopt. Daarna sluiten de deuren weer en is te zien dat verdachte zich omdraait en richting de voorzijde van de bus loopt. Daarbij wordt verdachte bij zijn arm vastgehouden door zijn vriendin en verdachte stopt vóór de rood-witte linten om de discussie met aangever voort te zetten. Op de beelden van de bus is te zien dat de buschauffeur, aangever, opstaat, het deurtje naast zijn stoel openmaakt en zich omdraait richting de passagiers. De buschauffeur zegt dat het zó is de regels: mondkapje op en niet praten. Verdachte blijft in discussie en te zien is dat een andere passagier naar voren loopt en probeert op een rustige manier de steeds bozer lijkende verdachte bij de rood-witte linten en van aangever weg te leiden. Aangever gaat weer achter het stuur zitten en maakt aanstalten om verder te rijden. Vervolgens is op de beelden te zien dat verdachte wilde armbewegingen maakt, dat hij zijn jas uit doet en die op de grond smijt. De busdeuren openen zich naast verdachte. Verdachte wordt nog steeds min of meer rustig gehouden door de medepassagier, terwijl de vriendin van verdachte met de kinderwagen uitstapt. Verdachte blijft in de openstaande deur staan en aangever zegt dat hij niet gaat rijden totdat verdachte is uitgestapt. Verdachte komt dan direct, half struikelend over een stoel, richting aangever gerend. Hij wordt door meerdere omstanders getracht tegen te houden. Vervolgens is op de beelden te zien dat verdachte de rood-witte linten kapot trekt tussen de stoel van de buschauffeur en het zitgedeelte van de passagiers. Wanneer verdachte vlakbij aangever komt, staat aangever op en ontstaat er wat duw- en trekwerk tussen aangever en verdachte. De bril van aangever vliegt van zijn gezicht af. Vervolgens is op de beelden te zien dat verdachte zijn arm naar achteren haalt, dat hij zijn hand tot een vuist balt en deze met snelheid en ogenschijnlijk met kracht naar voren beweegt. Hij maakt twee keer een slaande beweging richting het hoofd en de romp van aangever. Aangever reageert door verdachte bij zijn kleding vast te pakken. Verdachte is daarna bovenop aangever, die dan in de stoel van de buschauffeur zit, te zien. Op de beelden is te zien dat verdachte slaande bewegingen maakt en dat hij daarna duwt, trekt en schopt richting aangever. Meerdere personen schreeuwen en proberen aangever en verdachte uit elkaar te halen, hetgeen hen niet lukt. Op enig moment is te zien dat aangever in het gangpand van de bus staat en dat verdachte met kracht slaande en schoppende bewegingen maakt richting aangever, waarna aangever op de grond valt. Aangevers handen houden verdachte ter hoogte van diens halsboord aan de trui vast. Verdachte staat voorover gebogen en te horen is dat hij zegt ‘Laat me los’. Te horen is dat aangever, die dan niet op beeld te zien is, roept, ‘Ik laat niet los, politie moet komen’. Dan zijn drie harde schreeuwen te horen en aangever die roept: ‘Hij bijt me!’ Daarna is te zien dat verdachte los is gekomen en nogmaals ogenschijnlijk met kracht slaande en schoppende bewegingen maakt richting aangever. Tot slot is op de beelden te zien dat verdachte zich vasthoudt aan de stangen in de bus, met beide voeten op het lichaam van aangever staat, zich af lijkt te zetten met zijn voeten en dan via het lichaam van aangever weg loopt. Hierna stopt het geweld, verlaat verdachte de bus en loopt weg.

Op de beelden van de website Dumpert is – kort samengevat - te zien dat verdachte aangever in een nekklem heeft en aangever zo tegen de grond werkt. Aangever ligt met het gezicht naar beneden op de grond en tracht zich kennelijk wat op te richten. Te zien is dat verdachte zich aan de stangen van de bus vasthoudt en dan eerst met de ene voet achter op de nek gaat staan en vervolgens met de andere voet op het hoofd van aangever gaat staan. Het hoofd van aangever wordt hierdoor richting de grond geduwd.

Aanhouding en verklaringen verdachte

Verdachte werd een week na het incident, op 13 oktober 2020, door de politie aangehouden.

Na zich in eerste instantie grotendeels op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, is verdachte gaan verklaren.

Hij heeft bij de politie verklaard dat aangever tegen hem zei dat hij zijn mondkapje op moest doen en dat hij zijn mond dicht moest houden. Volgens verdachte werd dit gezegd met een bepaalde toon en houding, waardoor verdachte zich beledigd en gekwetst voelde. Verdachte vond dat aangever geen respect had. Er was geschreeuw en uiteindelijk heeft verdachte de rode linten stuk getrokken en kwam hij naast aangever te staan. Hij heeft vervolgens verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij slaande en trappende bewegingen heeft gemaakt noch dat hij aangever heeft gewurgd, maar wel dat hij heeft gebeten in de hand van aangever. Hij heeft echter, na confrontatie met de beelden, verklaard dat hij in begon te zien dat hij aangever had geschopt en geslagen.

In een daaropvolgend verhoor heeft verdachte bij de politie verklaard dat er in zijn beleving sprake was van een worsteling.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij op het moment dat hij de bus kon verlaten, voordat het fysieke incident plaatsvond, hij ‘te ver heen’ was om de bus te verlaten. Er was in zijn beleving sprake van duw- en trekwerk tussen hem en aangever en hij deed er alles aan om los te komen. Hij weet niet meer of hij aangever heeft geslagen. Hij weet wel dat hij hem niet heeft geschopt, maar dat hij afstand wilde creëren waardoor hij zich aan een paal vasthield en zich afzette. Hij heeft aangever ook niet geslagen en geschopt toen deze op de grond lag. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij wel in de hand van aangever heeft gebeten, zodat hij los kon komen.

Tussenconclusie

Op grond van alle hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de keel van aangever heeft dichtgeknepen, meerdere malen met forse kracht met vuisten tegen het gezicht, hoofd en bovenlichaam van aangever heeft geslagen. De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaring van aangever, dat verdachte hem meerdere keren sloeg en hem over de cabinedeur heen heeft getrokken, waarna aangever op de grond is gevallen en meerdere klappen op zijn hoofd heeft gekregen. Dit wordt ook bevestigd door de getuigenverklaringen en door de camerabeelden. Daaruit blijkt ook dat verdachte, terwijl aangever op de vloer van de bus lag, aangever nogmaals meerdere malen met forse kracht met vuisten tegen het gezicht, hoofd en bovenlichaam heeft geslagen en geschopt en dat verdachte op het hoofd en lichaam van aangever heeft gestaan en daarover heen heeft gelopen. De rechtbank acht dit ook bewezen.

Poging tot doodslag

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan de onder primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte aangever willens en wetens wilde doden (geen vol opzet).

Voorwaardelijk opzet

De vervolgvraag is of bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.

Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood indien door de gedragingen van verdachte:

een aanmerkelijke kans op de dood wordt ingeroepen,

verdachte wetenschap had van die aanmerkelijke kans en

verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Bij de beoordeling of van een aanmerkelijke kans sprake is, zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

- Aanmerkelijke kans op de dood

Hoewel de rechtbank heeft bewezen dat verdachte de keel van aangever heeft dichtgeknepen, stelt zij vast dat het dossier onvoldoende informatie oplevert over de duur, de kracht en de intensiteit van het dichtknijpen van de keel om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever hierdoor zou komen te overlijden. Daarom zal de rechtbank deze handeling verder niet meenemen in de beoordeling of sprake is van een poging tot doodslag van aangever.

Verdachte heeft meerdere malen met forse kracht met zijn vuisten tegen het hoofd, gezicht en bovenlichaam van aangever geslagen. Ook toen aangever op de vloer van de bus was beland. Daarnaast heeft hij meerdere malen met forse kracht tegen het gezicht, hoofd en lichaam van aangever geschopt en heeft verdachte op het hoofd en lichaam van aangever gestaan en is hij daarover heen gelopen, terwijl aangever op de grond lag.

Naar algemene ervaringsregels brengt het met kracht slaan tegen het hoofd/gezicht en hals, het met kracht met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd/gezicht en hals, en het op het hoofd/gezicht en op de hals van iemand staan en daarover heen lopen, de aanmerkelijke kans met zich mee dat dit tot de dood van het slachtoffer leidt. Het hoofd en de hals zijn immers kwetsbare en vitale delen van het menselijk lichaam. Uit de letselverklaring blijkt ook dat aangever naast kneuzingen van zijn hoofd en hals ook meerdere bloeduitstortingen had op de voor- en achterzijde en linker- en rechterzijde van het hoofd. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, moet de kans op de dood als gevolg van de gedragingen van verdachte als aanmerkelijk worden aangemerkt.

- Wetenschap van de aanmerkelijke kans

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd en de hals kwetsbare onderdelen zijn van het lichaam. Verdachte wist dus dat door het veelvuldig met kracht slaan en schoppen tegen het hoofd, gezicht en hals, en daarop staan en erover heen lopen, een aanmerkelijke kans op de dood ontstond. Daar komt bij dat verdachte kon zien dat aangever een man op leeftijd is en daardoor gemiddeld genomen extra kwetsbaar.

- Aanvaarden van de aanmerkelijke kans

Door aangever met forse kracht tegen het hoofd, gezicht en hals te slaan en te trappen en daar op te staan en erover heen te lopen, had verdachte moeten begrijpen dat dit mogelijk tot zijn dood kon leiden. Uit de beelden en de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte zichzelf niet meer in de hand had en redeloos kwaad op aangever was toen hij dit geweld uitoefende. Naar het oordeel van de rechtbank bestond bij het op dusdanige wijze uitoefenen van geweld op het hoofd, gezicht en de nek de aanmerkelijke kans dat aangever daardoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft die kans voor lief genomen en had dus ook voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van aangever. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 6 oktober 2020 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van aangever.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 6 oktober 2020 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [buschauffeur] , opzettelijk van het leven te beroven, meerdere malen, met forse kracht, met zijn vuisten tegen het gezicht, hoofd en bovenlichaam van die [buschauffeur] heeft geslagen en, terwijl die [buschauffeur] op de vloer van de bus lag, nogmaals meerdere malen, met forse kracht, met zijn vuisten tegen het gezicht, hoofd en bovenlichaam van die [buschauffeur] heeft geslagen en geschopt en op het hoofd en lichaam van [buschauffeur] heeft gestaan en over het hoofd en lichaam van die [buschauffeur] heen heeft gelopen, terwijl die [buschauffeur] op de grond van de bus lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit en verdachte

6.1.

Noodweer dan wel noodweerexces?

6.1.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt, omdat het niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie.

6.1.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte was in eerste instantie de agressor, maar uiteindelijk was er sprake van duw- en trekwerk tussen verdachte en aangever. Aangever heeft verdachte toen vastgegrepen, terwijl verdachte los wilde komen. Dit blijkt uit de verklaring van verdachte en uit de geluidsopnamen bij de camerabeelden waarin te horen is dat omstanders tegen aangever roepen dat hij los moet laten. Ook wordt dit bevestigd door de kapotte ketting van verdachte die in de bus is aangetroffen. Het met kracht dichtknijpen van de keel, het slaan met vuisten in het gezicht en tegen het lichaam en het schoppen tegen het gezicht en het lichaam van aangever, zijn handelingen die verricht zijn met als doel om los te komen.

De raadsvrouw heeft ook aangevoerd dat verdachte ten aanzien van de laatste handelingen, het op het hoofd, gezicht en lichaam staan van aangever en daarover heen lopen, een beroep op noodweerexces toekomt. De noodweersituatie was geëindigd, maar de handelingen waren nog een reactie op de situatie die daarvoor had plaatsgevonden.

6.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Beoordeeld moet worden of verdachte een beroep op noodweer toekomt. Om te kunnen spreken van noodweer, ingevolge artikel 41, eerste lid, Sr , is vereist dat het bewezen gedrag ter verdediging was gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende.

Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, dan dient de rechtbank allereerst te beoordelen of zij de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd en uit de wettelijke bewijsmiddelen moet worden afgeleid, aannemelijk acht. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de door verdachte geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt. Meer concreet dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het door verdachte begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Verdachte heeft wisselend verklaard. Hij heeft eerst bij de politie verklaard, na confrontatie met de beelden, dat hij in begon te zien dat hij aangever had geschopt en geslagen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat er sprake was van duw- en trekwerk tussen hem en aangever en dat hij alleen los probeerde te komen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de gewelddadige confrontatie met aangever zelf heeft opgezocht en dat er weliswaar op enig moment sprake was van duw- en trekwerk tussen hem en aangever, maar dat aangever verdachte enkel vasthield nadat hij door verdachte was aangevallen. Niet aannemelijk is geworden dat er in die confrontatie sprake is geweest van een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever waartegen verdachte zichzelf heeft moeten verdedigen. Dit betekent dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie en dat de rechtbank niet toekomt aan de bespreking van het beroep op noodweerexces.

Nu het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk is geworden en evenmin een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is het feit strafbaar en is ook verdachte strafbaar.

6.2.

Volledig toerekeningsvatbaar?

6.2.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de psychologische rapportage, verdachte deels toerekeningsvatbaar is voor het primair ten laste gelegde feit.

6.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

6.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verslag NIFP trajectconsult van 30 oktober 2020 waaruit blijkt dat er bij verdachte aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek, waaronder een gestoorde agressieregulatie. Er is destijds geadviseerd om een psychologisch onderzoek te laten uitvoeren.

Uit het Pro Justitia psychologisch onderzoek van 29 december 2020, opgemaakt door W. Groen, blijkt vervolgens dat er bij verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis van waaruit er sprake is van een enige mate van krenkings-gevoeligheid, een beperkte frustratietolerantie, tekortschietende agressieregulatiemechanismen en copingvaardigheden, hetgeen in enige mate heeft doorgewerkt in de gedragskeuzes van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Indien verdachte geconfronteerd wordt met personen die hem autoritair benaderen of hem zijns inziens onterecht behandelen, kan de spanning snel oplopen bij verdachte. Als de spanningen te hoog oplopen, dan schieten zijn agressieregulatiemechanismen te kort en kan er een agressieve impulsdoorbraak plaatsvinden. Tijdens het ten laste gelegde incident is er sprake geweest van een dergelijke agressieve impulsdoorbraak bij verdachte. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusie uit voornoemd onderzoek wat betreft de vaststelling van de stoornis over en maakt deze tot de hare. Uit de hierboven genoemde stukken blijkt dat de andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis invloed heeft op het handelen van verdachte en dat hiervan ook sprake is geweest tijdens het ten laste gelegde feit. Gelet daarop acht de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar met betrekking tot het bewezenverklaarde feit.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de eis van de officier van justitie aanzienlijk te matigen. Zij heeft aangevoerd dat het zonde is als verdachte nog een lange periode vast moeten blijven zitten, omdat zowel verdachte als de maatschappij er belang bij hebben dat verdachte zo snel mogelijk start met een ambulante behandeling. Verdachte wil aan zichzelf werken.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een oudere buschauffeur, aangever. Verdachte heeft meermalen met forse kracht met vuisten op het hoofd, gezicht en lichaam van aangever geslagen en geschopt. Ook heeft verdachte op het hoofd en bovenlichaam van aangever gestaan en is hij daarover heen gelopen. Het incident had en heeft ingrijpende gevolgen voor aangever. Uit het dossier blijkt dat hij meerdere bloeduitstortingen op zijn hoofd en gezicht had en kneuzingen van zijn hoofd, hals, ribben en borstkas. Daarnaast had hij loszittende tanden en afgebroken gebitselementen. Blijkens het tandheelkundig verslag van trauma zijn (moeten) enkele gebitselementen vervangen (worden) door implantaten. Dat de gevolgen niet nog ernstiger zijn geweest, is niet aan het handelen van verdachte te danken maar aan het toeval en aan de omstanders die hebben ingegrepen en de politie hebben gebeld. Aangever heeft na het incident nog lang last gehad van de fracturen aan zijn gebit/kaak, waardoor hij drie weken niet kon bijten en vloeibaar voedsel moest eten. Daarnaast heeft het incident ook tot veel stress bij aangever geleid. Hij kon niet meer slapen, had last van huilbuien en had sterke angstgevoelens voor herhaling, zo blijkt uit de slachtofferverklaring.

Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Behalve de impact van het feit op aangever, heeft het feit ook een grote impact gehad op de omstanders en de medewerkers/collega’s van aangever van het GVB. Het incident heeft plaatsgevonden in het openbaar, in een bus van het GVB, in de aanwezigheid van medereizigers en het slachtoffer betrof de buschauffeur die hen op dat moment vervoerde. Dit maakt het feit extra kwalijk. Een dergelijk geweldsmisdrijf draagt ook sterk bij aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Kwalijk is dat verdachte in zijn gedrag geen enkel begrip toont voor de nieuwe rol die werknemers, zoals aangever, sinds de mondkapjesplicht in het openbaar vervoer moeten vervullen bij het handhaven van de coronamaatregelen. Toen verdachte zich niet of niet goed hield aan de mondkapjesplicht die in het kader van de coronapandemie is opgelegd en sinds

1 juni 2020 in het openbaar vervoer geldt, probeerde aangever de geldende regels te handhaven. Verdachte heeft hierop met grote woede en agressie gereageerd.

Opvallend en zorgelijk is de disproportionaliteit tussen de aanleiding waardoor verdachte zich gekrenkt voelde en de mate waarin uiteindelijk excessief geweld tegen een beroepsbeoefenaar is gebruikt. Door dit excessieve geweld heeft aangever onder meer een aantal tanden verloren, waardoor de lichamelijke en financiële gevolgen van het feit voor hem groot waren. Dit rekent de rechtbank verdachte ook aan.

Persoon van verdachte

Strafblad

Wat de persoon van verdachte en zijn persoonlijk omstandigheden betreft heeft de rechtbank allereerst gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 19 december 2020, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten. De laatste veroordeling voor een geweldsdelict was in 2019 toen verdachte is veroordeeld voor onder meer mishandeling van zijn levensgezel. In 2015 is verdachte veroordeeld voor mishandeling van een publieke dienstverlener/beroepsbeoefenaar en voor vernieling van een goed in het openbaar vervoer. In 2014 is verdachte ook veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een publieke dienstverlener/beroepsbeoefenaar. De rechtbank stelt vast dat dit dus niet de eerste keer is dat verdachte geweld jegens een publieke dienstverlener/beroepsbeoefenaar heeft uitgeoefend.

Pro Justitia psychologisch onderzoek

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapportage van 29 december 2020, opgemaakt door W. Groen (GZ-psycholoog). Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, zich uitend in een beperkte frustratietolerantie, enige mate van autoriteitsproblemen en krenkingsgevoeligheid, tekortschietende agressieregulatiemechanismen en copingvaardigheden. Vanuit de andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis is betrokkene in enige mate krenkingsgevoelig en gevoelig voor autoriteit. Indien betrokkene geconfronteerd wordt met personen die hem autoritair benaderen of hem zijns inziens onterecht behandelen, kan de spanning snel oplopen bij betrokkene. Hij is niet goed in staat om deze spanningen te reguleren. Wanneer de spanning hoog oploopt, dan schieten de agressieregulatiemechanismen te kort en kan er een agressieve impulsdoorbraak plaatsvinden. De beperkte frustratietolerantie, tekortschietende copingmechanismen en agressieregulatiemechanismen voortkomend uit de andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, hebben in enige mate doorgewerkt in de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde.

Indien het ten laste gelegde feit bewezen wordt geacht, wordt de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten op basis van de gestructureerde risicotaxatie en de klinische inschatting ingeschat als matig-hoog. Het ontbreekt betrokkene aan een woonplek, dagbesteding en werk. Dit zijn omstandigheden die stress verhogend werken.

Betrokkene is niet eerder in behandeling geweest voor de beschreven problematiek. Hij ziet in dat hij behandeling nodig heeft om de problematiek te doorbreken en hij staat hiervoor open. Dit komt de zorgprognose ten goede. Daarnaast vindt hij het belangrijk om een goede dagbesteding te krijgen en weer te gaan werken. Hij wil ook graag toewerken naar een eigen woonplek.

Om de problematiek te doorbreken en de kans op recidive te verlagen, is het belangrijk dat betrokkene een ambulante behandeling volgt bij een forensische poli (zoals bijvoorbeeld de Waag), die zich richt op het vergroten van de frustratietolerantie, het versterken van de agressieregulatiemechanismen en de copingvaardigheden. Daarnaast is het van belang dat betrokkene ondersteuning zal krijgen bij het toewerken naar een zinvolle dagbesteding (werk), overzicht krijgen op zijn financiën en toewerken naar een woonplek. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, adviseert de psycholoog om de hierboven beschreven behandeling, op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij een reclasseringstoezicht.

Reclassering

Door Reclassering Nederland is een rapport over verdachte gemaakt. In het rapport van 31 december 2020, opgemaakt door R. Weidum, staat – kort gezegd – onder meer het volgende:

Uit de Justitiële Documentatie blijkt dat betrokkene in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, waaronder het plegen van geweld jegens autoriteitsfiguren. Na een lange tijd uit beeld te zijn geweest van justitie werd hij in het jaar 2019 voor het laatst veroordeeld voor het plegen van een agressiedelict (huiselijk geweld).

Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. Aangezien betrokkene wederom in beeld is bij justitie wegens het plegen van een agressiedelict, lijkt er sprake te zijn van een opnieuw opkomend patroon van geweldsdelicten. Daarnaast is er sprake van een gebrek aan zelf- en probleeminzicht en zijn er stress gevende factoren aanwezig zoals, het ontbreken van een zelfstandige woonruimte, dagbesteding en schulden, die de kans op delictgedrag kunnen verhogen.

Er is binnen juridische kaders enkel ingezet op het oplossen van de praktische problemen. Dit terwijl het evident is dat dit niet zal leiden tot gedragsverandering en hiervoor meer nodig is. Naar aanleiding van onderhavig delict is er een Pro Justitia rapportage aangevraagd. Uit een telefonisch gesprek met mevrouw W. Groen, NIFP Psycholoog, blijkt dat bij betrokkene sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis waarbij de problemen in agressieregulatie en een lage frustratietolerantie met beperkte copingvaardigheden op de voorgrond staan. Verder is er sprake van een normaal-gemiddeld intelligentieniveau. Het NIFP adviseert om betrokkene te laten behandelen. Tevens acht het NIFP praktische ondersteuning noodzakelijk.

Gelet op ons voornoemde bevindingen conformeren wij ons aan het advies van het NIFP om aan betrokkene een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarbinnen betrokkene in het kader van een verplicht reclasseringstoezicht zal deelnemen aan behandeling gericht op agressieregulatie/frustratietolerantie en het vergroten van zijn copingvaardigheden. Verder dient binnen het toezicht aandacht besteed te worden aan het op orde brengen van zijn praktische problemen (huisvesting, inkomen/schulden en dagbesteding). Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij de Waag of een soortgelijke zorgverlener, de verplichting om te verblijven in een begeleide woonvorm of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, de verplichting tot het meewerken aan begeleiding gericht op dagbesteding en het volgen van een opleiding en de inspanningsverplichting om de financiën op orde te stellen en een inkomen te verkrijgen.

De rechtbank overweegt dat verdachte een zeer ernstig feit heeft begaan, met grote gevolgen voor aangever. Uit oogpunt van vergelding en ter afschrikking in het algemeen en van verdachte in het bijzonder, dient op een dergelijk feit te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij achter een ambulante behandeling staat. De rechtbank ziet ook de noodzaak daartoe. De rechtbank ziet ook de noodzaak om de andere bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte kan hiermee ook de stappen die hij in detentie al heeft gezet om zijn leven op orde te krijgen, onder toezicht en met de hulp van de reclassering buiten detentie voortzetten.

De rechtbank acht, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, gezien de duur van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf.

8 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [buschauffeur] vordert € 9.858,60 aan vergoeding van materiële schade en

€ 3.250,- aan vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met uitzondering van de post die ziet op de begrootte tandartskosten die nog niet zijn betaald door de benadeelde partij ad € 4.541,16 omdat dit toekomstige schade betreft. De vordering kan dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 8.567,44, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de post die ziet op de begrootte tandartskosten die nog niet zijn betaald door de benadeelde partij ad € 4.541,16, omdat dit kosten betreffen die nog niet zijn gemaakt en in het strafproces onvoldoende ruimte bestaat om uit te zoeken of deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De vordering ten aanzien van de post die ziet op de kosten van de bril ad € 289,- moet gematigd worden, omdat er in de vordering geen rekening is gehouden met afschrijving van de bril. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering ten aanzien van de immateriële schade te matigen, omdat de verdediging de feiten anders ziet dan een zaak waarin een verdachte een ander bewust letsel toebrengt.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Anders dan de officier van justitie en de raadsvrouw vindt de rechtbank dat de post die ziet op de begrootte tandartskosten ad € 8.808,37 wel in zijn geheel kan worden toegewezen, omdat in de vordering en ter terechtzitting door de gemachtigde van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat de schade aan de tanden is vastgesteld en de begrootte kosten daadwerkelijk zullen moeten worden voldaan om het gebit te herstellen en ook al deels door benadeelde is voldaan. Dit betreft een post die ziet op noodzakelijk medisch ingrijpen als gevolg van het bewezenverklaarde. De begroting is voorts opgesteld door de tandartsenpraktijk die al meerdere tandheelkundige ingrepen heeft uitgevoerd bij de benadeelde partij. Er zijn geen redenen om aan deze begroting te twijfelen.

De rechtbank zal ook de post ten aanzien van de kosten voor de aanschaf van de bril € 289,- toewijzen. Deze post is ook in de vordering onderbouwd. Daarnaast heeft de gemachtigde van de benadeelde partij op zitting verklaard dat geen afschrijving op deze kosten is gevorderd, omdat verdachte na het incident een andere, aanzienlijk duurdere, bril heeft moeten aanschaffen, maar deze bril niet gedeclareerd kan worden. De rechtbank vindt dat uit het dossier voldoende vast is te komen staan dat de bril van verdachte onbruikbaar is geraakt ten gevolge van het bewezenverklaarde. Daarnaast acht de rechtbank het gevorderde bedrag een reëel bedrag.

Het deel van de vordering dat ziet op het eigen risico voor het vervoer met de ambulance

(€ 630,99) en de ‘wachtdag’ (€130,24) is ter zitting niet betwist en voldoende onderbouwd. Uit het dossier is voldoende komen vast te staan dat aangever ook deze kosten heeft geleden ten gevolge van het bewezenverklaarde.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank de vordering voldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 9.858,60.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, namelijk dat hij nog lang na het incident de lichamelijke en psychische gevolgen van het incident heeft ondervonden, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.250,-.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [buschauffeur] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht .

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes maanden), van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1 Meldplicht

Veroordeelde moet zich melden bij de reclassering en zich houden aan de afspraken met de toezichthouder. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo frequent als de instelling dit nodig acht.

2 Ambulante behandeling

Veroordeelde moet zich laten behandelen voor zijn agressieproblematiek, lage frustratietolerantie en beperkte coping vaardigheden bij De Waag of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde moet zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

3 Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde moet verblijven in een begeleide woonvorm of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde moet zich houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

4 Andere voorwaarden het gedrag betreffende

Veroordeelde moet zich inspannen om mee te werken aan begeleiding gericht op dagbesteding en het volgen van een opleiding, vrijwillig/passend werk of ander soort dagactiviteiten. Ook moet verdachte zich inspannen om zijn financiën op orde te stellen en een (legaal) inkomen te verkrijgen.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [buschauffeur] tot een bedrag van € 13.108,60 (dertienduizend honderdacht euro en zestig eurocent), bestaande uit € 9.858,60 (negenduizend achthonderdachtenvijftig euro en zestig eurocent) aan materiële schade en € 3.250,- (drieduizend tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [buschauffeur] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt op aan verdachte de verplichting ten behoeve van [buschauffeur] , een bedrag van € 13.108,60 (dertienduizend honderdacht euro en zestig eurocent), bestaande uit € 9.858,60 (negenduizend achthonderdachtenvijftig euro en zestig eurocent) aan materiële schade en € 3.250,- (drieduizend tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 oktober 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal vindt gijzeling plaats van maximaal 100 (honderd) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en S. van Dongen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature