< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om benoeming psychiater ogv 202 Rv na kop-staart-botsing. Heeft verzoekster een conversiestoornis en staat haar 'weigering' om zich daarvoor onder behandeling te laten stellen aan de toewijzing van het verzoek in de weg?

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/698160 / HA RK 21-70

Beschikking van 29 juli 2021

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. M.I. Walburg te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ BENELUX N.V.,

mede handelend onder naam Allianz Nederland Schadeverzekering,

statutair gevestigd te Brussel,

verweerster,

advocaat mr. N.C. Haase te Utrecht.

Partijen worden hierna [verzoekster] en Allianz genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift van 26 februari 2021, met bijlagen;

de tussenbeschikking van 25 maart 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

het verweerschrift van 12 juli 2021, met bijlagen;

het proces-verbaal van de op 13 juli 2021 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 Feiten

2.1.

Op 29 november 2008 is [verzoekster] op 29-jarige leeftijd als passagier in een auto bij een verkeersongeval (een kop-staart-botsing) betrokken geraakt. De auto waarin [verzoekster] zich bevond, moest vanwege een remmende voorganger een noodstop maken. Achterliggende auto’s botsten vervolgens eerst op de auto van [verzoekster] en vervolgens op elkaar.

2.2.

Het voertuig dat achterop de auto waarin [verzoekster] zat, botste, was verzekerd bij London Verzekeringen, thans Allianz. Allianz heeft [verzoekster] bericht dat zij de schaderegelingsverplichtingen jegens [verzoekster] op zich heeft genomen op grond van de Bedrijfsregeling Schuldloze Derde (hierna: de Bedrijfsregeling).

2.3.

Na het weekend, op dinsdag 2 december 2008, is [verzoekster] in verband met nekklachten en tintelingen in haar linker hand naar de huisarts gegaan. Blijkens het huisartsenjournaal dacht de huisarts hierbij, gezien het ongeval, aan een whiplashtrauma of mogelijk een zenuwprikkeling. De huisarts heeft [verzoekster] geadviseerd terug te komen bij een toename of niet verdwijnen van de tintelingen.

2.4.

Op 18 december 2008 is [verzoekster] teruggegaan naar haar huisarts. Zij heeft toen onder meer melding gemaakt van toenemende klachten van tintelingen en verminderde kracht in met name het rechterbeen, welke klachten wisselend aanwezig zouden zijn. Ook heeft zij ervan melding gemaakt dat zij soms door haar benen zakt, met name aan het einde van de dag. De huisarts heeft in zijn huisartsenjournaal vermeld dat hij wel afwijkingen zag, maar dat hij, omdat hij die afwijkingen neurologisch niet kon verklaren, voor een expectatief beleid (rust) heeft gekozen.

2.5.

Nadat [verzoekster] zich opnieuw meldde met klachten van tintelingen en verkrampingen, is er in 2009 een MRI gemaakt van de cervicale wervelkolom, van de lumbale wervelkolom en van de hersenen van [verzoekster] . Hierop waren geen afwijkingen te zien, behoudens een ongevalsvreemde kleine hernia tussen de 5e en 6e nekwervel zonder druk op de zenuwstructuren.

2.6.

In september 2009 heeft [verzoekster] melding gemaakt van verlammingsverschijnselen. Vanaf oktober 2009 loopt zij met een stok. [verzoekster] is hierna onder behandeling gekomen van een neuroloog.

2.7.

Bij brief van 18 januari 2010 heeft neuroloog dr. R.L.C. Vogels, verbonden aan het Medisch Centrum Alkmaar, het volgende aan de huisarts bericht:

Bovengenoemde patiënte zag ik het afgelopen jaar enkele malen op de polikliniek neurologie in verband met meerdere wisselende neurologische klachten en verschijnselen, voornamelijk gekenmerkt door inspanningsgebonden vermoeidheid, verspringende verlammingsverschijnselen, uitstralende pijnklachten en tintelingen met hiernaast subjectieve cognitieve klachten. Het klachtenpatroon van patiënte is voorheen geduid als een postwhiplash syndroom na een doorgemaakt flexie/extensie trauma van de CWK in november 2008. In verband met het vermoeden op een therapeutische impasse werd reeds een MRI LWK/CWK verricht, beide zonder afwijkingen. Ze werd doorverwezen naar de revalidatiearts, welke haar nu retour zond voor afronding van somatische diagnostiek. Na de recente revalidatiebehandeling trad aanvankelijk een snelle verbetering op van de klachten. Patiënte was nagenoeg volledig in staat zelfstandig te lopen en kon haar sociale en maatschappelijke activiteiten hervatten. In september echter ontstond er wederom een trilling van de spieren over het hele lichaam. Vervolgens is ze in een restaurant door benen gezakt waarna ze niet meer kon lopen en gedurende 2 ½ week bedlegerig was. Ze voelt zich algeheel vermoeid, ervaart wisselende tintelingen in de extremiteiten en is ongerust over het bestaan van een hersenziekte als oorzaak van de klachten. Tijdens het laatste poliklinische consult merkte de moeder van patiënte op dat zij op kinderleeftijd eveneens gedurende enkele weken niet kon lopen waarvoor destijds analyse in het Sophia kinderziekenhuis. Een oorzaak voor de loopstoornis is toen niet gevonden. Deze klachten zijn destijds spontaan hersteld.

(..)

Conclusie: mijns inziens betreft het een reactieve conversie na een doorgemaakt whiplash ongeval in 2008. Dit bij uitsluiting van andere oorzaken voor haar klachtenpatroon. (..) Ik verwees haar zowel voor behandeling door collega de Mann, psychiater, als ook verdere revalidatiebehandeling ter verbetering van de mobiliteit. Het neurologische consult werd afgesloten.

2.8.

Op 19 juli 2010 heeft [verzoekster] zich voor een diagnostisch onderzoek in het Spine & Joint Centre The Netherlands (hierna: SJC) gemeld. Zij heeft aldaar vervolgens van 17 november 2010 tot en met 9 maart 2011 een intensief revalidatieprogramma gevolgd. Het SJC heeft op 18 maart 2011 aan de heer J.P. Merwe, internist, bericht dat uit de evaluatie is gebleken dat een beperkt resultaat tijdens de therapie is behaald.

2.9.

Op verwijzing van de neuroloog heeft [verzoekster] sinds april 2010 enkele malen klinisch psycholoog S.A.S. Hudepohl, werkzaam bij GGZ Noord-Holland-Noord Ouderen- & Ziekenhuispsychiatrie, bezocht. Na een aantal gesprekken heeft deze klinisch psycholoog, blijkens een brief van 5 januari 2012 aan de huisarts, de volgende hoofddiagnose gesteld: conversiestoornis: met motorisch symptoom of uitvalverschijnselen (300.11, DSM IV). Genoemde brief vermeldt verder het volgende:

“(..) Patiënte is een 32-jarige vrouw die zich meldde met uitvalsverschijnselen aan benen en armen. Patiënte was hiervoor medisch onderzocht, waarbij een objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden.

Deze klachten waren in episodes aanwezig en bestonden sinds zij betrokken was bij een auto-ongeluk in november 2008. Er leek daarbij geen sprake van klachten passend bij PTSS zoals herbeleving en vermijdingsgedrag. Patiënte gaf wel aan last te hebben van een verminderde stemming, moeheid, slaap- en concentratieproblemen en prikkelbaarheid. Deze klachten waren wisselend aanwezig (afgewisseld met periodes waarin zij zich goed voelde) en bestonden tevens sinds het ongeluk. Ze heeft in 2009 circa zes weken deelgenomen aan een revalidatieprogramma met wisselend resultaat.

Patiënte verbleef zowel in Amsterdam waar ze haar studie aan het afronden was als ook bij haar ouders in Bergen. In het gezin leken regelmatig spanningen voor te komen, waarvoor in het verleden ook sprake is geweest van een korte gezinsbehandeling. Mogelijk dat de systeemproblematiek ook een rol speelt in de klachten van patiënte, maar dit is momenteel onduidelijk.

(..)

Intaker heeft een aantal gesprekken met patiënte gevoerd, waarbij naar voren kwam dat zij zich had aangemeld bij een centrum voor whiplashklachten elders in Nederland. Patiënte heeft laten weten van deze behandeling te profiteren waardoor we in onderling overleg hebben besloten het contact hier af te sluiten. (..)”

2.10.

Vanaf medio 2014 heeft [verzoekster] een revalidatietraject, gericht op pijnmanagement, bij Reade gevolgd. Namens revalidatiearts drs. M.P. Pont, verbonden aan Reade, is hierover, voor zover hier van belang, bij brief van 21 november 2014 het volgende aan de huisarts bericht:

“(..) Omdat concrete doelen stellen moeizaam bleef tijdens het traject en de resultaten zeer beperkt waren, is in overleg met patiënte een psychiatrisch consult gepland. Mede om ons te kunnen richten op een mogelijke vervolgplek. Echter hieruit werd duidelijk dat er momenteel geen duidelijke en concrete hulpvraag is voor een vervolgtraject elders.

(..)

“Met patiente besproken dat wij wel indicaties zien voor een verwijzing, maar dat het ontbreekt aan een duidelijke hulpvraag. Patiente vertelt wel open te staan voor verwijzing; alle beetjes helpen. Maar kan geen hulpvraag formuleren en ook geen richting geven aan wat er nodig zou zijn. Daarom besloten op dit moment niet te verwijzen.

(..)

Er is relatief weinig functioneel verbetering gezien het intensieve traject dat patiente heeft gevolgd, waarbij de lijdensdruk beperkt lijkt te zijn.

Patiente blijft melding doen van door de benen zakken, toenemend bij drukte/stress en verbeterend met rust. Door de benen zakken is hier in het traject niet geobserveerd. Uiteraard bereid tot overleg indien u nadere verwijzing overweegt. De rapportage van het psychiatrisch consult vind u in de bijlage. (..)”

2.11.

Het hiervoor genoemde psychiatrisch consult is afgenomen door psychiater S.M.E. Schopman, werkzaam bij GGZ in Geest. In een brief van 20 augustus 2014 schrijft deze psychiater aan de huisarts van [verzoekster] , voor zover hier van belang:

“ (..)

Differentiaal diagnostisch lijkt er sprake van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Patiente staat echter op dit moment niet open om naar de psychische factoren te kijken (..)

Op de poli psychosomatiek denken wij geen aanvulling te kunnen geven aan de behandelwensen van patiënte. Zij zal verder het Traject bij Reade vervolgen. (..) Op de lange termijn zou zij baat kunnen hebben aan ondersteunende gesprekken t.a.v. het herkennen van haar emoties en grenzen bepalen. Wanneer zij hiervoor open staat kan zij worden doorverwezen naar GGZ in Geest voor verdere behandeling. (..)”

2.12.

Enige tijd daarvoor is Allianz, namens [verzoekster] , verzocht om op gezamenlijk verzoek een psychiatrische expertise te laten verrichten.

2.13.

Allianz heeft dit verzoek van de hand gewezen onder verwijzing naar een rapportage van haar medisch adviseur, verzekeringsarts M.V. Borkent, van 5 augustus 2014 waarin was opgenomen:

“(..) Gezien de claim van betrokkene lijkt het mij verstandig dat dat ze eerst intensief en langdurig psychiatrisch laat behandelen. Een psychiatrische expertise is dus niet aan de orde (..)”

2.14.

Bij brief van 21 november 2016 heeft Allianz, onder verwijzing naar het advies van haar medisch adviseur, verzekeringsarts M.V. Borkent van 3 november 2016, [verzoekster] meegedeeld dat de diagnose conversie wordt onderschreven, maar dat er geen enkelvoudige relatie is te duiden met het ongeval van 29 november 2008. In dit kader heeft Borkent gewezen op de medische voorgeschiedenis van [verzoekster] met “eerdere conversieachtige verschijnselen bij een zeer belaste gezinssituatie, waarvoor [verzoekster] eerder in gezinstherapie is geweest en mogelijk ook persoonlijkheidsproblematiek, mogelijk zelfs een stoornis (diagnose nog niet vastgesteld).”

2.15.

Na overleg met haar huisarts en neuroloog heeft [verzoekster] in 2016 contact gehad met psychiater N.M.P. Cornelissen van de GGZ Noord-Holland Noord, Poli Psyche en Somatiek. Bij brief van 3 mei 2017 heeft deze psychiater het volgende aan de huisarts van [verzoekster] bericht:

“(..) Beleid

(..) diagnostisch sprake van uitval motorisch en gevoel, wisselend aanwezig, afname klachten laatste jaren geleidelijk, echter nog steeds beperkende klachten voor patiënte. Klachten kunnen mogelijk verklaard worden door postwhiplashsyndroom, echter reactieve conversie niet uit te sluiten.

Voorts zijn de aandachts- en concentratiestoornissen door patiënte beschreven en zichtbaar bij psychiatrisch onderzoek mogelijk het gevolg van het whiplashtrauma.

Neuropsychologisch onderzoek blijkt nog niet eerder afgenomen te zijn en kan hier mogelijk meer duidelijkheid over geven. Patiënte staat open voor dit onderzoek.

Bij onderzoek geen psychotische stoornis, geen depressieve stoornis, geen aanwijzingen voor verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling voor het ongeval.

Psychologische behandeling voor de niet uit te sluiten reactieve conversie klachten is aangeboden aan patiënte (..). Patiënte gaat dit overwegen en bespreken met haar huisarts. (..)”

2.16.

Op advies van haar huisarts heeft [verzoekster] besloten zich niet onder behandeling te laten stellen. Bij brief van 23 september 2020 heeft de huisarts zijn advies als volgt toegelicht:

“(..) In 2016, 2017 en 2018 heb ik met patiënte gesproken over het verzoek van de tegenpartij om haar voor behandeling wegens conversiestoornis te verwijzen naar dhr. [naam] , waarbij behandeling middels hypnose zou worden uitgevoerd. Deze verwijzing heb ik niet gehonoreerd aangezien hypnose niet wetenschappelijk bewezen effectief is bij psychische stoornissen.

In 2016/2017 heeft patiënte zich gemeld bij GGZ Noord-Holland-Noord, waarbij mw. N.M.P. Cornelissen heeft geconcludeerd dat er geen psychotische stoornis, geen depressieve stoornis en geen aanwijzingen zijn voor verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling voor het ongeval. Psychologische behandeling voor niet uit te sluiten reactieve conversieve klachten is door GGZ aan mijn patiënte aangeboden. Mijn patiënte stond daar voor open en heeft de uitkomst van het onderzoek met mij besproken. Aangezien er geen concrete indicatie voor psychische stoornissen bij patiënte is, heb ik hier geen verwijzing voor afgegeven.

Ook in 2019 en 2020 hebben wij wederom gesproken over een mogelijke indicatie en verwijzing. Echter aangezien patiënte geen daadwerkelijke psychische klachten heeft, is er geen grondslag voor een dergelijke verwijzing.

Ik heb geconstateerd dat patiënte enkel enige stress ervaart in relatie tot de duur, onduidelijkheid en stagnerende ontwikkelingen van de juridische nasleep van het ongeval. Dit is echter geen reden voor een verwijzing/indicatie voor psychische behandeling. (..)”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank - samengevat - bij beschikking:

I. een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen met benoeming van psychiater drs. J.L.M. Schoutrop te Nijmegen;

II. te gelasten dat de benoemde deskundige het onderzoek zal verrichten op grond van de bij het verzoekschrift opgenomen vraagstelling;

III. Allianz te veroordelen in de kosten van het onderzoek.

3.2.

[verzoekster] legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. Partijen houdt verdeeld of al dan niet sprake is van reactieve conversieklachten als gevolg van het ongeval. Een conversiestoornis moet worden gediagnosticeerd door een psychiater. Allianz wil niet meewerken aan de totstandkoming van een psychiatrisch deskundigenrapport op gezamenlijk verzoek. [verzoekster] is daardoor niet in staat haar proceskansen te beoordelen. Zij wil met behulp van het deskundigenonderzoek aantonen dat de door haar ervaren klachten in causaal verband staan met het ongeval. Om die reden verzoekt [verzoekster] een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. [verzoekster] stelt voor om psychiater drs. J.L.M. Schoutrop als deskundige te benoemen. Omdat Allianz op grond van de Bedrijfsregeling in deze optreedt als ware de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, dient te worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 205 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto 195 Rv, en dienen de kosten van het onderzoek (waaronder het te betalen voorschot) voor rekening van Allianz te komen, aldus steeds [verzoekster] .

3.3.

Allianz verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en voert daartoe primair het volgende aan. Een onderzoek door een psychiater ligt niet in de rede, aangezien [verzoekster] zelf meent dat zij geen psychische klachten heeft. Zij weigert immers te worden behandeld voor psychische klachten. Zolang [verzoekster] zich niet onder behandeling laat stellen, is onduidelijk of zij daadwerkelijk aan een conversiestoornis lijdt en dient haar verzoek als een bij wet verboden fishing expedition te worden aangemerkt. Het verzoek is daarmee in strijd met een goede procesorde. Nu [verzoekster] zich niet wil laten behandelen omdat volgens haar geen sprake is van psychische klachten, maar zij in het kader van dit verzoek wel stelt dat sprake is van een conversiestoornis, wordt ook van de bevoegdheid toepassing van artikel 202 Rv te verlangen misbruik gemaakt.

Bij gebreke van enige (informatie over een) behandeling, bevat het dossier ook onvoldoende informatie uit de behandelend sector waarop een deskundige zich in het kader van een voorlopig deskundigenbericht kan baseren. Een deskundige, die [verzoekster] mogelijk maar één keer zal zien en spreken, zal uit het dossier onvoldoende informatie kunnen halen om tot een diagnose te kunnen komen. Het is dan ook te vroeg om in dit stadium een deskundige te benoemen. Hierbij weegt mee dat, nu [verzoekster] zich (nog) niet heeft laten behandelen, geen sprake is van een medische eindsituatie. Als de deskundige in staat zal zijn de door [verzoekster] gewenste diagnose te stellen, zijn partijen hiermee in het kader van de schadeafwikkeling dan ook niet geholpen. Er zal dan immers alsnog behandeling moeten volgen. In elk geval zal de vraag gaan spelen of [verzoekster] wel schadebeperkend heeft opgetreden door behandeling van de hand te wijzen.

Ook zal moeten worden vastgesteld of de alsdan mogelijk gediagnosticeerde conversiestoornis wel in causaal verband staat met het ongeval. Allianz wijst er in dit kader op dat er, gezien bijvoorbeeld de brief van neuroloog Vogels (zie 2.7), duidelijke aanwijzingen zijn dat [verzoekster] al in 1991 klachten had die bij een conversiestoornis passen en ook in 2007 zich dergelijke klachten hebben voorgedaan. De conversiestoornis laat zich mogelijk ook aan andere, meer recente, oorzaken toeschrijven, zoals de problemen die [verzoekster] , blijkens de brief van klinisch psycholoog Hudepohl (zie 2.9), in haar gezinssituatie heeft ervaren en mogelijk thans nog ervaart, aldus (steeds) Allianz.

Subsidiair maakt Allianz bezwaar tegen de voorgestelde deskundige, stelt zij een van het in het verzoekschrift afwijkende vraagstelling voor en verzoekt zij de rechtbank te bepalen dat de deskundige een Structured Inventory of Malingered Symptomatology (hierna: SIMS)-test dient af te nemen, om aan de hand daarvan vast te stellen of [verzoekster] haar klachten overdrijft.

Gelet op het primair aangevoerde, verzoekt Allianz om, in het geval het verzoek onverhoopt zou worden toegewezen, [verzoekster] te veroordelen in de kosten van het onderzoek.

3.4.

Op de (nadere) stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4 Beoordeling

4.1.

Een voorlopig deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 202 Rv strekt (onder meer) tot het vergaren van bewijs ten behoeve van een partij die een procedure overweegt. De doelstelling van een voorlopig deskundigenonderzoek is een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en zo beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen en/of, als daartoe wordt overgegaan, beter te kunnen aangeven op grond waarvan een vordering wordt ingesteld.

4.2.

Voorop staat dat een verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek in beginsel moet worden toegewezen, als dat verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is alleen anders als het verzoek in strijd is met een goede procesorde, van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen, misbruik wordt gemaakt – bijvoorbeeld omdat [verzoekster] wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten – of het verzoek afstuit op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het verzoek van [verzoekster] aan de wettelijke eisen van artikel 202 Rv en volgende en is geen sprake van een van de bovengenoemde afwijzingsgronden. Het verzochte onderzoek dient er immers toe bewijs te verkrijgen van feiten die [verzoekster] zal hebben te bewijzen in een eventuele bodemprocedure, te weten of zij lijdt aan een (reactieve) conversiestoornis en zo ja, of (en in hoeverre) die stoornis in verband staat met het ongeval. Om het verzoek toegewezen te krijgen, heeft [verzoekster] voldoende gesteld. Zij heeft immers gesteld dat zij sinds de aanrijding klachten heeft die passen bij een conversiestoornis en dat de behandelend sector ermee rekening houdt dat mogelijk sprake is van een door de aanrijding veroorzaakte conversiestoornis. Onder verwijzing naar de rapportage van haar medisch adviseur heeft Allianz in 2016 weliswaar meegedeeld dat de diagnose conversiestoornis wordt onderschreven, maar in deze procedure lijkt zij dat (inmiddels weer) te betwisten door naar voren te brengen dat [verzoekster] zelf stelt dat zij geen psychische klachten heeft en dat er aldus een toereikende medische onderbouwing ontbreekt. Gelet op die betwisting en de betwisting van het causale verband tussen het ongeval en de mogelijke conversiestoornis, heeft [verzoekster] dus belang bij haar verzoek.

4.4.

Anders dan Allianz meent, kan in dit geval niet worden geoordeeld dat sprake is van een fishing expedition. Uit de door [verzoekster] overgelegde stukken blijkt immers genoegzaam dat [verzoekster] in de periode na het verkeersongeval diverse klachten heeft ondervonden en dat de medisch specialisten (neuroloog, klinisch psycholoog en psychiater) sinds eind 2009 denken aan een (reactieve) conversiestoornis die het gevolg is van de aanrijding in 2008. Om vast te kunnen stellen dat [verzoekster] daadwerkelijk een conversiestoornis heeft en of die het gevolg is van het ongeval (en geen andere oorzaken kent, zoals Allianz vermoedt) ligt een deskundigenbericht in de rede.

4.5.

Anders dan Allianz betoogt, staat de omstandigheid dat [verzoekster] zich, overigens ook op advies van haar huisarts, tot op heden niet heeft (willen) laten behandelen voor de conversiestoornis, niet aan toewijzing van het verzoek in de weg. Allianz voert weliswaar aan dat deze omstandigheid maakt dat de deskundige geen diagnose zal kunnen stellen, maar het is aan de deskundige om te bepalen of het ontbreken van (informatie over) behandelingen van invloed is op zijn mogelijkheden om in het kader van het te verrichten deskundigenonderzoek een diagnose te stellen. Hierop kan bij de beoordeling van onderhavig verzoek niet vooruit worden gelopen. Om dezelfde redenen gaat het betoog van Allianz dat door het ontbreken van behandeling(en) nog geen sprake is van een medische eindsituatie en dat het verzoek daarom te vroeg is gedaan, niet op. De vraag of sprake is van een medische eindsituatie of dat er, indien [verzoekster] zich onder behandeling zou laten stellen, nog verbetering te verwachten valt, is immers eveneens een vraag die door de deskundige zal moeten worden beantwoord. Ook op de beantwoording van deze vraag kan in het kader van deze procedure niet worden vooruit gelopen. De juistheid van de stelling van Allianz dat nog geen sprake is van een medische eindsituatie, zal met het te verrichten onderzoek al dan niet komen vast te staan. In de IWMD-vraagstelling, waarvan beide partijen te kennen hebben gegeven dat die, bij toewijzing van het verzoek, aan de deskundige zal moeten worden voorgelegd, is aan dit onderwerp ook een aantal specifieke vragen gewijd. Aan toewijzing van het verzoek staat de onduidelijkheid of al dan niet sprake is van een medische eindsituatie dan ook niet in de weg.

4.6.

Het te verrichten deskundigenonderzoek kan mogelijk ook van invloed zijn op de beantwoording van de eventuele (vervolg)vraag, die partijen kennelijk ook verdeeld houdt, namelijk of en in hoeverre [verzoekster] , door zich niet te laten behandelen, aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. In elk geval geldt dat, zelfs als reeds nu zou vast staan dat [verzoekster] niet of onvoldoende aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan, dit niet aan toewijzing van het verzoek in de weg staat.

4.7.

Er bestaat, gezien het voorgaande, geen aanleiding om [verzoekster] , bij de beoordeling van dit verzoek, op het zich tot op heden (nog) niet onder behandeling laten stellen ‘af te rekenen’ door het verzoek af te wijzen, te meer nu dit ook op advies van de huisarts was. Hierbij wordt overigens ook in aanmerking genomen dat namens [verzoekster] onvoldoende weersproken naar voren is gebracht dat de ontkenning van [verzoekster] dat haar klachten een psychische oorzaak zouden kunnen hebben, ook kan samenhangen met de stoornis waarvan vermoed wordt dat zij die heeft, de conversiestoornis. Of dit zo is, zal met een te verrichten deskundigenonderzoek (al dan niet) aan het licht komen.

4.8.

Nu ook overigens niet van een van bovengenoemde uitzonderingen is gebleken die zich tegen toewijzing van het verzoek verzetten, zal het verzoek worden toegewezen.

Deskundige

4.9.

Bij de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat, indien de rechtbank het verzoek tot benoeming van een psychiater toewijst, zij akkoord gaan met de benoeming van psychiater dr. H.A. Drooglever Fortuyn als deskundige, ook al is uit navraag door mr. Walburg gebleken dat deze deskundige pas in januari 2022 beschikbaar zal zijn om een deskundigenonderzoek te verrichten.

4.10.

De rechtbank heeft deze psychiater reeds benaderd met de vraag of hij bereid is om in deze zaak als deskundige op te treden, maar heeft daar tot op heden nog geen uitsluitsel over gekregen. De rechtbank zal de deskundige daarom voorwaardelijk als deskundige benoemen. Zodra de deskundige bericht dat hij bereid is om in deze zaak als deskundige op te treden, zal zijn benoeming onvoorwaardelijk worden.

4.11.

In het geval de deskundige bericht dat hij niet bereid is of dat het hem niet vrij staat om in deze zaak als deskundige op te treden, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen om (gezamenlijk) een nieuwe deskundige aan te dragen.

Vragen

4.12.

Partijen zijn het eens met het hanteren van de IWMD-vraagstelling zoals die door [verzoekster] in het geding is gebracht en vervolgens door Allianz in (bijlage 5 bij) haar verweerschrift is aangepast. Bij vraag 1h is een ter zitting overeengekomen aanvullende vraag opgenomen.

4.13.

Aan de deskundige zal derhalve de in de beslissing vermelde IWMD-vraagstelling worden voorgelegd, zoals weergegeven in bijlage 5 bij het verweerschrift, inclusief de daarin opgenomen inleiding op de vraagstelling en de aanvullende vraag bij 1h.

4.14.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Walburg, namens [verzoekster] , ermee ingestemd dat aan de vraagstelling wordt toegevoegd dat de deskundige bij [verzoekster] een SIMS zal (laten) afnemen. Partijen zijn overeengekomen dat hierbij wordt opgenomen dat de deskundige gemotiveerd dient toe te lichten hoe de uitslagen van de SIMS in dit geval geïnterpreteerd moeten worden en wat de uitslag van de SIMS voor de bevindingen uit het onderzoek betekent.

Medisch dossier

4.15.

Partijen zijn het er ook over eens dat het volledige medische dossier van [verzoekster] door [verzoekster] aan de deskundige zal (moeten) worden voorgelegd.

Voorschot

4.16.

Partijen verschillen van mening over de vraag wie (het voorschot ter zake van) de kosten van het deskundigenonderzoek dient te betalen. [verzoekster] heeft verzocht dat Allianz wordt veroordeeld in de (voorschot)kosten van het deskundigenonderzoek, omdat deze kosten op de voet van artikel 6:96 BW voor rekening van Allianz moeten komen. Allianz heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.17.

Op grond van artikel 195 Rv, dat ingevolge artikel 205 lid 1 Rv van toepassing is op verzoeken tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, dient het voorschot in beginsel door de verzoekende partij te worden betaald. De rechtbank is echter bevoegd om afhankelijk van de omstandigheden van het geval te beslissen dat het voorschot door de wederpartij of door partijen gezamenlijk moet worden betaald.

4.18.

In dit geval ziet de rechtbank, mede gelet op artikel 6:96 lid 2 sub b BW, aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt, dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Daarbij is allereerst van belang dat Allianz, door het ter hand nemen van de schadeafwikkeling op grond van de Bedrijfsregeling, feitelijk haar aansprakelijkheid (en/of die van andere betrokken verzekeraars) voor het ongeval heeft erkend. Deze regeling is immers een afspraak tussen WAM-verzekeraars, waarbij zij zijn overeengekomen dat bij aanrijdingen waarbij een derde schade lijdt die zelf niet aansprakelijk is, terwijl de betrokken WAM-verzekeraars van mening verschillen wie van hen voor de schade van die derde moet opkomen, de eerst aangesproken verzekeraar de schade van die derde afwikkelt en de andere verzekeraar op eerste verzoek van die regelend verzekeraar voor 50% daarin participeert. Partijen twisten weliswaar over de vraag of een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de door [verzoekster] ervaren klachten, maar dat die klachten het gevolg zijn van het ongeval acht de rechtbank niet op voorhand uitgesloten. De kosten van het deskundigenonderzoek kunnen dan ook worden gezien als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Gelet daarop zal de rechtbank Allianz veroordelen in de voorschotkosten van het te gelasten deskundigenbericht, op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

Slotopmerkingen

4.19.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.20.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

4.21.

De advocaat van Allianz ontvangt een afschrift van deze beschikking. [verzoekster] is daarom niet gehouden haar op grond van artikel 206 Rv een afschrift van de ze beschikking te zenden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

VRAAGSTELLING CAUSAAL VERBAND BIJ ONGEVAL

Algemene toelichting

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van

letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het

bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst

mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval.

Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een

vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval

is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval)

en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het

ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking

op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met

ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te

beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de

hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de

onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide

situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch

Specialistische Rapportage (RMSR). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een

deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel

voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt

verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn — zoveel als mogelijk — in acht te

nemen.

De RMSR is te vinden op de site van de KNMG:

http://knmg.artsennet.nl/Diensten/knmgpublicaties/KNMGpublicatie/Richtlijn

medischspecialistische-rapportage-in-bestuurs-en-civielrechtelijk-verband-2008.htm

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese (aanbeveling 2.2.4 RMSR)

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het

verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze

behandelingen?

Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd

gemeld?

Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de

onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven

(ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in

de recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Medische gegevens (aanbeveling 2.2.6 RMSR)

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Medisch onderzoek (aanbeveling 2.2.5 en aanbeveling 2.2.7 RMSR)

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij uw onderzoek en eventueel hulponderzoek?

Consistentie (aanbeveling 2.2.8 RMSR)

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de

informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het

medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel

hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en

welke conclusies u daaruit trekt?

Diagnose (aanbeveling 2.2.15 RMSR)

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18)

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan er naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval?

Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve

wijze weergeven [in het bijgesloten beperkingenformulier] en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Medische eindsituatie (aanbeveling 2.2.14 RMSR)Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de

blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een

belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

h. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? Kunt u daar behandelmogelijkheden bij betrekken?

i. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel

verslechtering verwacht?

j. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal

hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

k. Kunt u aan de hand van de laatste richtlijnen van uw wetenschappelijke vereniging aangevuld met de AMA Guides 6e editie, aangeven of er sprake is van een percentage blijvende invaliditeit op uw vakgebied en wilt u dit uitvoerig motiveren.

Kunt u daarnaast de bijgevoegde beperkingenlijst invullen ten behoeve van een

eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2d - 2g)

met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel

wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven

over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond

van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden (aanbeveling

2.2.14 en aanbeveling 2.2.16 RMSR).

Klachten, afwijkingen en beperkingen vóór ongeval

a. Bestonden vóór het ongeval bij de onderzochte reeds klachten op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Bestonden vóór het ongeval bij de onderzochte reeds afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

c. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18 RMSR) vóór het ongeval uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

d. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten die er ook zouden zijn geweest of op

enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval de onderzochte niet was

overkomen?

e. Zijn er daarnaast op uw vakgebied afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of

op enig moment ook hadden kunnen ontstaan als het ongeval de onderzochte niet

was overkomen?

f. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven in welke

mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en

afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

g. Kunt u aangeven welke beperkingen (aanbeveling 2.2.17 en aanbeveling 2.2.18

RMSR) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

h. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van

de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalsgerelateerde klachten en

afwijkingen?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel

verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal

hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2g)?

3 OVERIG(aanbeveling 2.2.11 RMSR)

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

U wordt verzocht uw rapport als volgt in de delen:

a. Een geneeskundig rapport, waarin verwerkt de anamnese, uw onderzoek en uw

bevindingen en conclusies.

b. Separaat een zakelijk rapport, waarin vermeld de vragen beantwoording en het door u vastgestelde percentage blijvende functionele invaliditeit.

5.2.

beveelt de deskundige voorts de SIMS af te (laten) nemen en gemotiveerd toe te lichten hoe de uitslag van de SIMS in dit geval dient te worden geïnterpreteerd en welke betekenis de uitslag van de SIMS voor de bevindingen uit het door hem verrichte deskundigenonderzoek heeft,

5.3.

benoemt – onder de voorwaarde als vermeld onder 4.10 – tot deskundige:

dr. H.A. Drooglever Fortuyn, psychiater,

correspondentieadres: MediLibra, Postbus 6005, 5002 AA Tilburg,

telefoon: 06 - 532 13 067,

emailadres: info@MediLibra.nl,

5.4.

bepaalt dat de griffier partijen ervan in kennis stelt als en zodra de benoeming onvoorwaardelijk is geworden dan wel partijen zich over de benoeming van een andere deskundige zullen moeten uitlaten,

het voorschot

5.5.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

- de deskundige dient binnen drie weken na de datum van zijn bericht aan de rechtbank dat hij de benoeming aanvaardt (waarmee de benoeming dus onvoorwaardelijk is geworden), een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,

- de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,

- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,

- indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,

- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

5.6.

bepaalt dat Allianz het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

5.7.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

5.8.

bepaalt dat [verzoekster] haar procesdossier binnen vier weken na het onvoorwaardelijk worden van de benoeming in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

5.9.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.10.

wijst de deskundige er op dat:

- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier over betaling van het voorschot dient aan te vangen,

- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

5.11.

bepaalt dat partijen, na schriftelijk verzoek van de deskundige daartoe, nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dient te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

5.12.

draagt de deskundige, in het geval hij de benoeming heeft aanvaard, op om na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot, uiterlijk drie maanden na aanvang van het begin 2022 te verrichten deskundigenonderzoek een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.13.

wijst de deskundige er op dat:

- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

- dat de deskundige [verzoekster] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van haar inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b BW en, indien [verzoekster] als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [verzoekster] (eventueel onder gesloten couvert via haar advocaat) moet toesturen en [verzoekster] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik wil maken van haar blokkeringsrecht (waarbij [verzoekster] zich van commentaar op het concept moet onthouden),

- dat, indien [verzoekster] binnen die termijn meedeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,

- dat, indien [verzoekster] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden,

5.14.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het conceptrapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het conceptrapport te reageren,

5.15.

verklaart de beslissing over het voorschot (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad,

5.16.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. Z.S. Lintvelt en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature