< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De overeenkomst valt onder de Leaseregeling zodat van reële eigendom moet worden uitgegaan. Terughoudend beleid van de Ontvanger, zesde uitzonderingssituatie.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/682442 / HA ZA 20-401

Vonnis van 14 juli 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HILCO INDUSTRIAL FINANCE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Hilco en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 27 maart 2020, met producties,

de conclusie van antwoord van 8 juli 2020, met producties,

het vonnis van 20 januari 2021 waarin is bepaald dat een mondelinge behandeling zou worden gehouden,

het proces-verbaal van de op 24 juni 2021 gehouden mondelinge behandeling met de daarin vermelde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hilco maakt onderdeel uit van een concern dat zich richt op de aankoop, verkoop, verhuur en financiering van bedrijfsinrichtingen zoals industriële machines en machineparken.

2.2.

Machinefabriek Amersfoort B.V. (hierna MFA) legde zich tot haar faillissement op 25 maart 2019 toe op de vervaardiging van hydraulische apparatuur en op het vervaardigen van op maat gemaakte producten van metaal.

2.3.

Met het oog op het sluiten van een sale- en leaseback overeenkomst met MFA ten aanzien van de machines van MFA (hierna de Machines) heeft Hilco in 2018 onderzoek laten doen naar de financiën en inventaris van MFA.

2.4.

Het Nederlands Taxatie- en Advies Bureau (hierna NTAB) waardeerde de liquidatiewaarde van de Machines en toebehoren van MFA in een taxatierapport van 9 februari 2018 op € 3.911.550.

2.5.

Bij brief van 18 mei 2018 heeft MFA aan de Ontvanger mededeling gedaan conform artikel 22 bis Invorderingswet 1990 (hierna IW). De brief luidt, voor zover hier van belang:

“Bijgevoegd treft u onze mededeling aan dat wij voornemens zijn om een financiering via een sale-and-leaseback te regelen voor een deel van onze machines. (…)”

2.6.

Op 12 juli 2018 hebben Hilco en MFA de beoogde sale- en lease back overeenkomst (hierna de overeenkomst) met betrekking tot de Machines gesloten. De overeenkomst bepaalt, voor zover hier van belang, kort gezegd het volgende:

Hilco betaalt een koopprijs van € 4 miljoen exclusief btw voor de Machines,

de looptijd van de overeenkomst is 12 maanden,

na afloop van de looptijd kan MFA de Machines kopen voor € 4 miljoen exclusief btw,

MFA betaalt voor het gebruik van de Machines,

Hilco is verantwoordelijk voor de verzekering en het onderhoud van de Machines.

2.7.

Op 12 december 2018 heeft de Ontvanger executoriaal beslag op roerende zaken gelegd ten laste van MFA vanwege een openstaande belastingschuld van € 1.045.493 inclusief rente en kosten. Het proces-verbaal van dit beslag bevat een overzicht van roerende zaken op de bodem van MFA. Onder deze zaken bevinden zich de Machines.

2.8.

Bij brief van 5 maart 2019 is Hilco bij de directeur van de Ontvanger in beroep gegaan tegen het bodembeslag op de Machines.

2.9.

Bij brief van 15 maart 2019 heeft Hilco de overeenkomst met MFA opgezegd.

2.10.

Op 25 maart 2019 is MFA failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank Midden- Nederland.

2.11.

Op 3 juni 2019 is het beroep van Hilco tegen het bodembeslag afgewezen.

2.12.

De Ontvanger en Hilco hebben afspraken gemaakt over de afwikkeling van hun geschil omtrent het bodembeslag. In dit verband heeft de Ontvanger bij brief van 11 juni 2019 aan Hilco geschreven, voor zover hier van belang

“Onder de volgende voorwaarden ben ik bereid mijn medewerking te verlenen aan de levering van de machines en het opheffen van het beslag.

- Hilco (…) zal zorgdragen dat een bedrag à € 1.002.671,00 (minus de te vergoeden kosten ad € 9.500 i.v.m. het niet doorgaan van de escrow-overeenkomst) gestort wordt bij de ontvanger;

- Het bedrag van € 993.171,00 zal binnen 14 dagen na verkoop van de machines overgemaakt worden op het volgende rekeningnummer van de Belastingdienst (…) o.v.v. (…);

- Zodra dit bedrag is ontvangen, zal ik schriftelijk bevestigen dat het gelegde beslag (met terugwerkende kracht tot datum verkoop) is opgeheven.

Het bedrag à € 993.171,00 zal door de Belastingdienst in depot gehouden worden tot dat een/de gerechtelijke uitspraak onherroepelijk vaststaat.

Wordt uw cliënt in het gelijk gesteld en staat de gerechtelijke uitspraak onherroepelijk vast, dan zal het bedrag van € 993.171,00 direct overgemaakt worden naar een door uw cliënt aan te geven rekeningnummer. Daarnaast zal de ontvanger de vergoeding inzake het niet doorgaan van de escrow-overeenkomst à € 9.500,00 z.s.m. (maar uiterlijk binnen 6 weken na het onherroepelijk vaststaan van de gerechtelijke uitspraak) overmaken naar een door uw cliënt aan te geven rekeningnummer.

Wordt de ontvanger in het gelijk gesteld en staat de gerechtelijke uitspraak onherroepelijk vast, dan zal de ontvanger overgaan tot afboeken van het bedrag à € 993.171,00. Uw cliënt komt dan niet meer in aanmerking voor een vergoeding van de kosten inzake het niet doorgaan van de escrow-overeenkomst aangezien dit bedrag reeds in mindering is gebracht op het bedrag dat de ontvanger in depot heeft.

Mocht uw cliënt zich alsnog kunnen verenigen met de beslissing van de directeur,

dan zal na ontvangst van € 993.171,00 het beslag per direct worden opgeheven. Uw

cliënt dient dan wel schriftelijk aan mij aan te geven dat zij de beslissing van de directeur accepteert en afziet van een gang naar de rechter inzake het beslag en/of uitspraak van de directeur. (…)”

2.13.

Op 19 juni 2019 heeft Hilco de Machines voor € 3.950.000 verkocht aan PWT Group en op 20 juni 2019 heeft zij € 993.171 overgemaakt aan de Ontvanger.

3 Het geschil

3.1.

Hilco vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de rechtbank, samengevat:

A. voor recht verklaart dat de Machines reëel eigendom waren van Hilco ten tijde van de beslaglegging door de Ontvanger, en dat de uitzonderingen vervat in de Leidraad van de Ontvanger op grond waarvan inbreuk kan worden gemaakt op het terughoudend beleid ter zake van reëel eigendom zich in de onderhavige situatie niet voor hebben gedaan, althans dat het leggen van bodembeslag op de Machines in strijd was met de redelijkheid en billijkheid, ten minste de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; en,

B. de Ontvanger veroordeelt tot het betalen aan Hilco van € 993.171, en € 9.500, te vermeerderen met de invorderingsrente, althans de wettelijke rente vanaf 20 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; en,

C. de Ontvanger veroordeelt in de kosten van dit geding, inclusief de nakosten.

3.2.

Daartoe stelt zij kort gezegd het volgende. Hilco had de reële eigendom van de Machines. Er is geen reden om inbreuk te maken op het terughoudende beleid ter zake van haar reëel eigendom. Hilco had namelijk niet het oogmerk de Ontvanger te benadelen. Het bodembeslag dat de Ontvanger legde, was dan ook zonder grondslag.

3.3.

De Ontvanger voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

regelgeving

4.1.

Op grond van artikel 21 Iw 1990 heeft de Ontvan ger een voorrecht op alle goederen van belastingschuldigen. Artikel 22 lid 3 Iw 1990 geeft de Ontvan ger de bevoegdheid om voor de in dit artikellid genoemde belastingschulden beslag te leggen en verhaal te nemen op bepaalde roerende zaken die zich ten tijde van de beslaglegging op de bodem van de belastingschuldige bevinden, ook al behoren die zaken in eigendom toe aan anderen dan de belastingschuldige (het bodemrecht). Het bodemrecht van artikel 22 lid 3 Iw 1990 strekt ertoe frustratie van het voorrecht van de fiscus te voorkomen en te waarborgen dat de ontvanger zich, in weerwil van eventuele rechten van een derde, op de inbeslaggenomen zaak overeenkomstig zijn rang kan verhalen alsof de zaak aan de belastingschuldige toebehoort, met name indien deze rechten van derden zijn gevestigd met het oog op zekerheid voor de nakoming van verplichtingen van de belastingschuldige jegens deze derde (HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7851 en 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2257).

4.2.

In de Leidraad Invordering 2008 (hierna de Leidraad) staan beleidsregels die op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bindend zijn voor de Ontvanger. In artikel 22.9.1 van de Leidraad is onder het kopje “terughoudend beleid bij reële eigendom” bepaald dat bij de uitoefening van het bodemrecht eigendomsrechten van derden met betrekking tot in beslag genomen zaken zullen worden ontzien, mits sprake is van “reële eigendom”. Dat betekent dat de zaken zowel juridisch eigendom zijn van de derde als in economisch opzicht in overwegende mate aan hem toebehoren. Het terughoudende beleid geldt dus niet als de economische verhouding tussen de belastingschuldige en de zaken aanleiding geeft deze als zijn zaken aan te merken.

4.3.

Artikel 22.9.2.1 van de Leidraad bevat de zogenaamde leaseregeling (hierna de Leaseregeling), waarin is aangegeven onder welke voorwaarden een lessor voor de toepassing van het bodemrecht in ieder geval als eigenaar van een door hem op basis van leasing ter beschikking gesteld leaseobject wordt aangemerkt. Dat is zo als een lessor:

a. zich als eigenaar gedraagt,

b. de juridische eigendom van het leaseobject heeft, én

c. het positieve en/of negatieve restwaarderisico ten aanzien van het leaseobject loopt.

Voor criterium c geeft de Leaseregeling drie cumulatieve voorwaarden in geval van contracten met een koopoptie voor de lessee:

een reële optieprijs, dat wil zeggen een prijs die is vastgesteld op basis van de op het moment van het aangaan van het leasecontract redelijkerwijs te schatten waarde van het lease-object aan het einde van de vaste leaseperiode,

een koopoptiebedrag niet lager dan 7,5% van de fiscale kostprijs en

het lease-object wordt na de vaste leaseperiode niet voor een lager bedrag (dan uit de punten 1 en 2 voortvloeit) ter beschikking gesteld, dan wel vervreemd aan de lessee.

4.4.

Tot slot noemt artikel 22.9.2.2 van de Leidraad zes situaties waarin geen terughoudend beleid wordt gehanteerd, hoewel sprake kan zijn van reële eigendom op grond van artikel 22.9. 2.1. De zesde uitzonderingssituatie betreft zaken waarvan de lessor fiscaal als eigenaar wordt aangemerkt terwijl de fiscale eigendom van die zaken op een eerder tijdstip krachtens een toen bestaande leaseovereenkomst – waaronder mede begrepen aankoopfinancieringscontracten op basis van verpanding van de verworven zaak – bij de huidige lessee heeft berust.

Safe harbour van de Leaseregeling

4.5.

Omdat de overeenkomst een sale- en leaseback overeenkomst is, moet eerst worden beoordeeld of Hilco voldoet aan de voorwaarden van de Leaseregeling (zie 4.3). Er is geen geschil over de criteria a en b: Hilco gedroeg zich als eigenaar van de Machines en zij heeft daarvan de juridische eigendom. Partijen zijn het niet eens over de vraag of Hilco het restwaarderisico ten aanzien van de Machines liep, zoals Hilco stelt en de Ontvanger betwist.

De Ontvanger heeft zijn betwisting ondersteund met de volgende argumenten:

Hilco en MFA hebben vooraf geen restwaarde vastgesteld,

de koopprijs van Hilco is dezelfde als de koopoptieprijs van MFA,

dat de koopoptieprijs van MFA gelijk is aan de liquidatiewaarde maakt dat geen sprake is van een reële prijs.

4.6.

Het enkele feit dat Hilco en MFA de restwaarde van de Machines na ommekomst van de leasetermijn vooraf niet met zoveel woorden hebben bepaald, is onvoldoende voor het oordeel dat met de koopoptieprijs van € 4 miljoen exclusief btw geen reële optieprijs is overeengekomen. Door die koopoptieprijs overeen te komen, hebben partijen dat bedrag als de restwaarde vastgesteld.

4.7.

Met betrekking tot argument ii heeft de Ontvanger aangevoerd dat een koopoptieprijs die gelijk is aan de aankoopprijs van 12 maanden eerder niet reëel is. Volgens de Ontvanger is het onaannemelijk dat de Machines gedurende de leaseperiode niet in waarde dalen en dat er niet op wordt afgeschreven. In dit verband heeft de Ontvanger gewezen op het feit dat de Machines in 2017 een boekwaarde van € 4.207.261 hadden.

Hilco heeft hiertegen aangevoerd dat de Machines een zeer lange levensduur hebben en dat de waardevermindering vanwege de aard van de Machines zeer gering is. De Ontvanger heeft de stellingen van Hilco in dit verband weliswaar betwist, maar deze betwisting op geen enkele manier toegelicht. Dat is onvoldoende. Dat de Machines in 2017 in de boeken stonden voor € 4.207.261, maakt niet dat een koopprijs van € 4 miljoen in 2018 en 2019 niet reëel is. Daarbij komt dat het gaat om een schatting waarbij meerdere factoren – bijvoorbeeld externe, zoals economische omstandigheden - dan alleen intrinsiek waardeverlies van de Machines een rol spelen. Tegen deze achtergrond is het niet irreëel of onredelijk om de waarde van de Machines te schatten op een zelfde bedrag als de koopprijs 12 maanden eerder. Verder geldt dat Hilco onbetwist heeft aangevoerd dat zij de Machines in juni 2019 heeft verkocht voor € 3.950.000 wat naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke indicatie is dat sprake was van een reële optieprijs.

Argument ii gaat daarom evenmin op.

4.8.

De Ontvanger heeft ter ondersteuning van argument iii betoogd dat een taxateur de “going concern”-waarde van de Machines had moeten taxeren. Hilco heeft hier terecht tegenin gebracht dat de Leidraad deze eis niet stelt en betoogd dat de liquidatiewaarde in dit geval de marktwaarde was en dat dit wordt bevestigd door het feit dat zij de Machines in juni 2019 voor die prijs heeft verkocht. Hier heeft de Ontvanger niets tegenover gesteld, de redenering komt ook niet onaannemelijk voor zodat daarvan uitgegaan zal worden en ook argument iii faalt.

4.9.

De slotsom is dat wat de Ontvanger heeft aangevoerd onvoldoende is voor het oordeel dat de koopoptieprijs van € 4 miljoen geen reële optieprijs was. Dat betekent dat de overeenkomst binnen de Safe harbour van de Leaseregeling valt en ervan moet worden uitgegaan dat Hilco de reële eigendom van de Machines had. In beginsel geldt voor de Machines dus het terughoudende beleid van artikel 22.9.1 van de Leidraad dat maakt dat de Ontvanger het eigendomsrecht van Hilco moet ontzien.

de zesde uitzondering van 22.9.2.2 Leidraad

4.10.

De Ontvanger heeft verder als verweer aangevoerd dat als de Leaseregeling van toepassing is, sprake is van de in het zesde gedachtestreepje van artikel 22.9.2.2 van de Leidraad genoemde uitzondering op het terughoudende beleid. Ter mondelinge behandeling heeft hij dit verweer beperkt tot de twee machines die voorafgaand aan de overeenkomst verpand waren aan ABN AMRO Asset Based Finance N.V. (hierna ABN AMRO). Het verweer ten aanzien van de andere machines heeft de Ontvanger laten varen.

4.11.

Het verweer van de Ontvanger met betrekking tot genoemde twee machines slaagt. Zoals hiervoor overwogen wordt Hilco geacht de reële en daarmee de fiscale eigendom van de Machines te hebben gehad. Hilco heeft in de dagvaarding toegelicht dat MFA de twee machines heeft aangekocht middels een leaseovereenkomst met ABN AMRO en dat ABN AMRO ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst met Hilco een pandrecht had op de twee machines. Aldus had MFA op dat moment de fiscale eigendom van de twee machines krachtens een eerder bestaand aankoopfinancieringscontract op basis van verpanding met ABN AMRO en is voldaan aan de voorwaarden van de uitzondering van het zesde gedachtestreepje.

4.12.

Hilco heeft aangevoerd dat de zesde uitzondering, net als de vijfde, alleen geldt in geval van misbruik en Hilco niet het oogmerk had om de machines aan verhaal door de Ontvanger te onttrekken. Dit betoog gaat niet op. In de tekst van de uitzondering van het zesde gedachtestreepje wordt een benadelingsintentie niet als voorwaarde genoemd, terwijl de tekst van het vijfde gedachtestreepje dat wel doet. In de Leidraad wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen de twee uitzonderingen.

Verder geldt dat in de Invorderingsgids 2015, waarnaar Hilco en de Ontvanger hebben verwezen, in 16.1.1.2 expliciet is vermeld dat voor de toepassing van het bodemrecht misbruik niet is vereist. Dat de Invorderingsgids in 16.2.1 in een toelichting bij het zesde gedachtestreepje vermeldt “In deze situatie doet zich hetzelfde fenomeen voor als bij het vorige gedachtestreepje: niet-reële eigendom wordt (vaak) kort voor een deconfiture getransformeerd in reële eigendom teneinde de toepassing van het bodem(voor)recht te frustreren”, maakt – evenmin als een tekst met soortgelijke strekking in 16.2.8 van de Invorderingsgids 2015 – het voorgaande niet anders. Aan de Invorderingsgids 2015 komt immers niet dezelfde status toe als aan de Leidraad die, zoals al is overwogen, in de tekst van het zesde gedachtestreepje geen benadelingsintentie vereist. In de Invorderingsgids 2015 is veeleer sprake van voorbeelden.

Hetzelfde geldt voor de stelling van Hilco dat de uitzondering van het zesde gedachtestreepje in geval van omzetting van niet-reële naar reële eigendom alleen opgaat als sprake is van dezelfde financierende partij. Aan Hilco kan worden toegegeven dat in 16.2.8 van de Invorderingsgids 2015 deze suggestie wordt gewekt waar wordt gesproken over een wijziging “van de juridische vorm waaronder zaken ter beschikking worden gesteld aan de belastingschuldige, kort voordat het ‘fout’ gaat”. Maar ook hier geldt dat in de Invorderingsgids 2015 slechts sprake is van voorbeelden. Dat de Invorderingsgids 2015 is opgesteld door medewerkers van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën, zoals Hilco heeft aangevoerd, maakt niet dat daarin sprake is van regelgeving die dezelfde status heeft als de Leidraad of dat de Leidraad met de inhoud van de Invorderingsgids 2015 moet worden aangevuld.

4.13.

De slotsom is dat het terughoudende beleid niet geldt voor de twee machines die eerder aan ABN AMRO waren verpand en dat de Ontvanger zich op de opbrengst van de verkoop van die machines mag verhalen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de omvang van de waarde van de twee machines en wat dit betekent voor de vordering in dit geding. Hilco zal als eerste, op een termijn van vier weken, een akte mogen nemen met dit doel en de Ontvanger zal daarop, op een termijn van vier weken, bij antwoordakte mogen reageren.

4.14.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 augustus 2021 voor akte van Hilco met het doel als omschreven in 4.13,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2021.

type: EMH

coll:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature