< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Uitkering participatiewet ten tijde van het huwelijk meegenomen bij bepaling van de behoefte. Verevening van pensioen opgebouwd voor het huwelijk.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/682157 / FA RK 20-1893 ( scheiding )

C/13/699547 / FA RK 21-1931 (pensioen)

Beschikking d.d. 14 april 2021 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. B. Röpcke, gevestigd te Bloemendaal,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. B. Fresco, gevestigd te Voorburg.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 3 april 2020;

een gewijzigd verzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 10 september 2020;

het verweerschrift van de man;

de brief d.d. 4 februari 2021 van de zijde van de man met bijlagen;

de brief d.d. 8 februari 2021 van de zijde van de vrouw met bijlage;

de brief d.d. 8 februari 2021 van de zijde van de vrouw met bijlagen;

het faxbericht d.d. 12 februari 2021 van de zijde van de man;

de brief d.d. 15 februari 2021 van de zijde van de vrouw.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen vergezeld van hun advocaten. Beide partijen hebben op de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd.

2 De feiten

2.1.

De man is reeds twee maal gehuwd geweest. Op 29 september 1998 is zijn (eerste) huwelijk met mevrouw [naam 1] ontbonden. Het huwelijk met zijn tweede vrouw mevrouw [naam 2] is op 6 augustus 2008 ontbonden. Mevrouw [naam 2] heeft afstand gedaan van het recht op het verevenen van het ouderdomspensioen.

2.2.

Partijen zijn op 21 juni 2009 te Amsterdam met elkaar gehuwd. Zij zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

2.3.

Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“(…)

Artikel 1

Tussen de comparanten, hierna te noemen: de echtgenoten, zal geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

Verrekening

Artikel 8

Tussen de echtgenoten zal geen enkele verrekening van hun inkomen en vermogen plaatsvinden.

Pensioenrechten

Artikel 9

9.1

Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden (…), zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken worden verevend conform het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding , met dien verstande, dat in afwijking van het in artikel 3 van de ze wet bepaalde: de periode waarover zal worden verevend niet zal zijn de huwelijkse periode, maar de periode vanaf één januari negentienhonderd en zevennegentig.

9.2

Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, heeft de vereveningsgerechtigde het recht zijn aanspraken als bedoeld in lid 1, alsmede de aanspraak op nabestaandenpensioen om te zetten in een eigen pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding , mits de vereveningsgerechtigde binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk bij aantekende brief heeft meegedeeld aan de vereveningsplichtige van dit recht tot omzetting gebruik te maken.

De omzetting is slechts geldig, indien de betrokken pensioenuitvoerder(s) schriftelijk heeft/hebben verklaard hiermee in te stemmen.

De echtgenoten geven elkaar over en weer een onherroepelijke volmacht om na de totstandkoming van de echtscheiding alle handelingen te verrichten om te bewerkstelligen, dat de vereveningsgerechtigde een eigen aanspraak zal verkrijgen.

(…)”

3 De beoordeling

3.1.

Scheiding

3.1.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.1.2.

De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

3.1.3.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

3.2.

Pensioen

3.2.1.

De vrouw heeft, na wijziging van verzoek, verzocht voor recht te verklaren dat het tussen partijen te verevenen pensioen niet zal zijn het pensioen zoals dat tijdens het huwelijk van partijen is opgebouwd, maar het pensioen zoals dat is opgebouwd in de periode vanaf 1 januari 1997 tot aan het einde van het huwelijk. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat het pensioen dient te worden verevenend vanaf 1 januari 1997 verwezen naar artikel 9.1 van voornoemde huwelijkse voorwaarden.

3.2.2.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat uitbreiding van de vereveningsperiode destijds de bedoeling van partijen was. De man heeft de vrouw uitdrukkelijk toegezegd een groter dan het wettelijke deel van zijn ouderdomspensioen te verevenen, als zijnde compromis, nu de overige inhoud van de huwelijkse voorwaarden volledig koud is. Op basis van de huwelijkse voorwaarden vindt er immers geen verrekening van inkomens en of vermogen plaats en alle onroerende zaken blijven van de man.

3.2.3.

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw en heeft verzocht vast te stellen dat de vrouw conform de ter zake geldende pensioenwetgeving en regels van het ABP jegens de man een (al dan niet te converteren) afspraak heeft vanaf 6 augustus 2008, zijnde de datum waarop het huwelijk met zijn tweede echtgenote is ontbonden.

3.2.4.

De man betwist dat het de bedoeling van partijen was om ook het pensioen van de man voor zover opgebouwd tijdens zijn eerdere huwelijken, te verevenen. Bovendien is het wettelijk niet mogelijk met een aanstaande echtgenote een pensioenregeling van welke aard dan ook te treffen over een periode waarin de man nog gehuwd was met een ander, zo betoogt de man. De man is pas op 6 augustus 2008 gescheiden van zijn tweede vrouw. Hieruit volgt volgens de man dat de regeling in de huwelijkse voorwaarden slechts betrekking kan hebben op de periode vanaf 6 augustus 2008. De bedoeling van partijen was om de vrouw over een zo lang mogelijke toegestane periode pensioenrechten toe te kennen, aldus de man. Op de mondeling behandeling heeft de man nog in reactie op het bericht van het ABP verklaard dat hij het er niet mee eens is dat het pensioen dat het pensioen dat is opgebouwd tijdens zijn tweede huwelijk eveneens dient te worden verevend. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat zijn tweede echtgenoot heeft afgezien van pensioenverevening in verband met een grote schuld aan de man die zij op die manier heeft ingelost. De man acht het dan ook niet redelijk dat dit pensioen alsnog voor verevening beschikbaar zou komen.

3.2.5.

De rechtbank gaat gezien de verwijzing in de huwelijkse voorwaarden naar artikel 2 en 3 van de Wet Verevening Pensioenen bij Scheiding (hierna: WVPS) ervan uit dat partijen in artikel 9.1 van hun huwelijkse voorwaarden een regeling hebben willen treffen ten aanzien van de verevening van ouderdomspensioen. Ingevolge voornoemde wet hebben ex-echtgenoten ieder recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen (pensioenverevening). Het staat ex-echtgenoten echter vrij bij huwelijkse voorwaarden afwijkende afspraken te maken over het ouderdomspensioen , bijvoorbeeld over de verevening van vóór het huwelijk opgebouwd ouderdomspensioen.

3.2.6.

Tussen partijen is in geschil in welke mate zij afwijkende afspraken hebben gemaakt betreffende het ouderdomspensioen. De rechtbank stelt voorop dat het op grond van vaste jurisprudentie bij de uitleg van bepalingen in huwelijkse voorwaarden aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

3.2.7.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken voldoende is gebleken dat partijen ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden de bedoeling hadden de periode waarover verevening van het ouderdomspensioen volgens de wet plaatsvindt, uit te breiden. Zo heeft de man zelf verklaard dat het de bedoeling van partijen was om de vrouw over een zo lang mogelijke toegestane periode pensioenrechten toe te kennen. Deze uitbreiding van de periode is vervolgens ook expliciet in de huwelijkse voorwaarden opgenomen. De stelling van de man dat hetgeen partijen zijn overeengekomen wettelijk niet mogelijk is maakt de partijbedoeling niet anders en is naar het oordeel van de rechtbank ook niet juist. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd betwist dat de uitbreiding van de periode van pensioenverevening een compensatie was voor de koude uitsluiting in de huwelijkse voorwaarden.

3.2.8.

Ook de stelling van de man dat het ouderdomspensioen reeds toebehoorde aan zijn tweede ex-echtgenote en zij van verevening heeft afgezien als inlossing van een schuld aan de man maakt dit niet anders. Immers, doordat de man zijn tweede echtgenote heeft afgezien van verevening, stond het de man weer vrij dit bedrag te verevenen met de vrouw.

3.2.9.

Nu voldoende is gebleken dat het de bedoeling van partijen was om de periode waar over het pensioen werd verevend zo veel mogelijk uit te breiden, is de vraag aan de orde vanaf welk moment verevening wettelijk gezien mogelijk is. In beginsel kan er alleen voor een van de WVPS afwijkende regeling worden gekozen, indien er geen overlapping is met een eerder huwelijk.

3.2.10.

Vast staat dat de man reeds twee maal eerder is gehuwd. Reeds is besproken dat de tweede echtgenote van de man afstand heeft gedaan van het recht tot het verevenen van ouderdomspensioen. Het tweede huwelijk staat derhalve niet aan de weg van verevening van het gedurende het tweede huwelijk door de man opgebouwd ouderdomspensioen. Nu de tweede ex-echtgenote niet het deel van het ouderdomspensioen van de man ontvangt, kan dit deel immers alsnog worden verevend.

3.2.11.

Ten aanzien van het tijdens het eerste huwelijk opgebouwde pensioen ligt dat anders. Het eerste huwelijk van de man is pas op 29 september 1998 ontbonden, terwijl in de huwelijkse voorwaarden wordt gesproken over pensioenverevening vanaf 1 januari 1997. Daarmee is er in de periode 1 januari 1997 - 29 september 1998 sprake van een overlapping met een eerder huwelijk. Niet is gesteld of gebleken dat de eerste echtgenote van de man (eveneens) afstand heeft gedaan van pensioenverevening. Uit de door de vrouw overgelegde pensioenbrief van 19 oktober 2020 (bijlage 5 bij brief van 8 februari 2021 van de zijde van de vrouw) blijkt juist dat de pensioenopbouw over de periode 16 juli 1974 tot 29 september 1998 voor de eerste ex-echtgenote van de man is gereserveerd.

3.2.12.

Nu verevening van het ouderdomspensioen met de vrouw over de periode van het eerste huwelijk niet mogelijk is, kan het verzoek ten aanzien van verevening van het ouderdomspensioen pas vanaf 29 september 1998 (datum ontbinding van het eerste huwelijk van de man) worden toegewezen.

Wel of geen conversie

3.2.13.

De vrouw heeft tevens verzocht voor recht te verklaren dat het ouderdomspensioen geconverteerd dient te worden als bedoeld in artikel 9.2 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 5 WVPS . Zij heeft de rechtbank verzocht de man te gelasten zijn volledige en onbelemmerde medewerking te verlenen hieraan, onder meer inhoudende het invullen en de ondertekening van het mededelingsformulier in verband met verdeling van het ouderdomspensioen bij scheiding.

3.2.14.

De man verzet zich niet tegen conversie, maar voert aan dat conversie afhankelijk is van toestemming van de pensioenuitvoerder.

3.2.15.

De rechtbank overweegt als volgt. In plaats van het recht op pensioenverevening en bijzonder nabestaandenpensioen kan ook worden gekozen voor conversie. In dat geval worden deze rechten omgezet in een zelfstandig recht op pensioen. Beide partners en de pensioenuitvoerder moeten hier toestemming voor geven. Het bijzonder nabestaandenpensioen van de gescheiden vereveningsgerechtigde wordt dan geheel afgekocht en het te verevenen ouderdomspensioen van de vereveningsplichtige wordt gedeeltelijk afgekocht en voor de afkoopsom wordt een ouderdomspensioen op het leven van de gerechtigde ingekocht. Het eigen recht is dan niet meer afhankelijk van het in leven zijn en pensioenleeftijd van de vereveningsplichtige.

3.2.16.

Uit artikel 9.2 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat het de bedoeling van partijen was conversie van ouderdomspensioen alsmede nabestaandenpensioen mogelijk te maken. De man betwist dit ook niet. Uit de eerder genoemde brief van het ABP van 19 oktober 2020 blijkt dat het ouderdomspensioen kan worden verevend vanaf de periode vanaf 29 september 1998 en het nabestaandenpensioen vanaf 6 augustus 2008 tot 22 oktober 2019.

3.2.17.

Gelet op al het vorenstaande en gezien het feit dat het verzoek van de vrouw (in afwijking van de huwelijkse voorwaarden) slechts ziet op conversie van het opgebouwde ouderdomspensioen (en niet van het nabestaandenpensioen), zal de rechtbank voor recht verklaren dat het ouderdomspensioen zoals opgebouwd vanaf 29 september 1998, dient te worden geconverteerd en zal de rechtbank de man gelasten zijn volledige en onbelemmerde medewerking te verlenen hieraan.

3.3.

Alimentatie

3.3.1.

De vrouw verzoekt een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.806,- netto per maand.

3.3.2.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw om partneralimentatie en primair verzocht dit verzoek af te wijzen dan wel subsidiair het verzoek toe te wijzen tot een maximum van € 887,- bruto per maand.

Behoefte vrouw

3.3.3.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij behoefte heeft aan een bedrage van € 2.806,- netto per maand en is daarbij uitgegaan van de Hofnorm over het jaar 2018. Zij heeft voorts gesteld dat dit overeenkomt met haar inkomensposten gedurende het huwelijk. Zij betwist niet dat partijen altijd twee gescheiden huishoudens hebben gehad, maar geeft daarbij aan dat de man altijd een maandelijkse bijdrage heeft betaald. Naast deze bijdrage van de man ontving de vrouw een volledige uitkering op basis van de Participatiewet van € 1.188,- netto per maand, een huur- en zorgtoeslag en verrichte de man nog extra betalingen aan de vrouw voor luxe etentjes, vakanties en grotere uitgaven waaronder medische kosten, aldus de vrouw. Volgens de vrouw is de man ervan op de hoogte dat zij een uitkering genoot; de aangiften voor de belasting van partijen werd immers gezamenlijk gedaan door de belastingadviseur van partijen.

De reden dat de vrouw niet eerder om een bijdrage van de man heeft verzocht toen de betalingen stopten, is omdat de vrouw dit niet durfde en ze de hoop had dat partijen in onderling overleg tot een regeling zouden kunnen komen. De vrouw betwist dat er geen sprake zou zijn van lotsverbondenheid tussen partijen. Partijen zijn ongeveer twaalf jaar getrouwd en hebben – hoewel ze ieder hun eigen woning hadden – altijd in gezinsverband met elkaar geleefd. Verder heeft de vrouw betwist dat de man haar slechts incidenteel financieel zou hebben ondersteund.

3.3.4.

De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van enige lotsverbondenheid. De man heeft daartoe verklaard dat partijen in onderling overleg nooit hebben samengewoond als waren zij gehuwd. Beiden hebben van meet af aan een eigen huishouding gevoerd en op aparte adressen ingeschreven gestaan. Zij hebben elkaar tot medio 2014 nog wel regelmatig gezien maar vanaf medio 2014 hebben ze beiden een eigen leven geleid. Beide partijen hadden en hebben ook hun eigen inkomen en beschouwden zich volgens de man in elk geval allebei als alleenstaand, althans als duurzaam gescheiden. Na eind 2014 zijn de verhoudingen tussen partijen verslechterd maar het is de vrouw klaarblijkelijk wel gelukt al die jaren haar eigen inkomen te verwerven, aldus de man.

3.3.5.

Subsidiair heeft de man betwist dat er sprake is van een huwelijksgerelateerde behoefte zijdens de vrouw. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat de vrouw gedurende het huwelijk maar zeker vanaf medio 2014 een eigen inkomen heeft genoten en zij blijkbaar de laatste zes jaar geen aanleiding heeft gehad om een bijdrage van de man te vragen. Op de mondeling behandeling heeft de man niet ontkend dat hij in het begin heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de vrouw door middel van betalingen aan de vrouw. Hij heeft echter betwist dat hij contante betalingen heeft gedaan en benadrukt dat de vrouw vanaf eind 2014 geen substantiële ondersteuning van de man meer heeft ontvangen. De man is verder van mening dat de bedragen ten behoeve van de kinderen hier los van staan. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat er geen aanleiding is de behoefte van de vrouw aan de hand van de Hofnorm of een huwelijksgerelateerde behoefte te berekenen. Maatgevend is volgens hem het bestaande eigen inkomen aan de zijde van de vrouw. Gelet hierop kan de vrouw volgens de man in haar eigen behoefte voorzien.

Lotsverbondenheid en/of verbleking van de behoefte

3.3.6.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling dat partijen nooit in één huis hebben geleefd onvoldoende is om aan te nemen dat er geen sprake is van lotsverbondenheid. Dat partijen nooit hebben samengeleefd was immers de manier waarop partijen invulling hebben geven aan hun huwelijk en dat leidt niet tot het verbreken of het niet aanwezig zijn van een lotsverbondenheid. Lotsverbondenheid is ontstaan door het huwelijk en werkt ook nog na het verbreken van dat huwelijk door en is één van de voornaamste gronden voor de alimentatie. Ook de stelling van de man dat de vrouw vanaf 2014 geen financiële bijdrage meer ontving van de man gaat de rechtbank voorbij, nu dit naar het oordeel van de rechtbank – in tegenstelling tot naar de rechtbank begrijpt de stelling van de man is – niet kan leiden tot een verbleking van de behoefte. Het uitgangspunt dat de huwelijksgerelateerde behoefte enkel door tijdsverloop afneemt, verdraagt zich niet met de vaste rechtspraak, volgens welke bij de vaststelling van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:695):

“Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het afnemen of vervallen van de lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, rov. 3.4.4 en 3.5)”.

Berekening behoefte

3.3.7.

De vraag waar de vrouw de afgelopen jaren van heeft geleefd en of zij niet zelf meer inkomen kan generen speelt wel een rol bij de vraag naar hoe hoog haar behoefte is. Voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een onderhoudsbijdrage dient immers rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. In dit geval is er sprake van een bijzondere situatie nu partijen nooit hebben samengeleefd ten tijde van het huwelijk en ook een gescheiden huishouding erop nahielden. De rechtbank is het dan ook met de man eens dat een berekening van de behoefte van de vrouw op basis van de hofnorm geen reële weergave zou zijn van de welstand ten tijde van het huwelijk. Echter, de rechtbank acht het wel redelijk de behoefte van de vrouw te distilleren uit de inkomsten van de vrouw over de afgelopen jaren. Uit de stukken en het verhandelde op de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat de vrouw naast haar inkomen uit uitkering op basis van de Participatiewet, ook bedragen van de man heeft ontvangen om van te leven. De rechtbank zal in het hiernavolgende de verschillende transacties weergeven en dit gebruiken bij het bepalen van de hoogte van de behoefte van de vrouw, in aanvulling op het bedrag dat zij aan uitkering genoot, welk bedrag eveneens mee genomen dient te worden bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw.

3.3.8.

Uit de door de vrouw overgelegde bankgegevens zijn de volgende inkomsten gebleken:

2013

2015

2016

2017

2018

- 26-01 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-02 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-03 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-04 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-05 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-06 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-07 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-08 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-09 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-10 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-11 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-12 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-01 € 1.000,- huishoudgeld

- 02-02 € 1.000,- storting

- 26-02 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-03 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-04 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-05 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-06 € 1.000,- huishoudgeld

- 26-07 € 1.000,- huishoudgeld

- 28-08 € 100,- storting

- 01-09 € 600,- storting

- 29-09 € 200,- storting

- 02-10 € 350,- storting

- 20-10 € 50,- storting

- 30-10 € 150,- storting

- 02-11 € 100,- storting

- 05-11 € 350,- storting

- 23-11 € 400,- storting

- 27-11 € 250,- storting

- 7-12 € 1.000,- storting

- 13-01 € 250,- storting

- 14-01 € 950,- storting

- 23-03 € 150,- storting

- 24-03 € 200,- storting

- 22-04 € 450,- storting

- 12-05 € 200,- storting

- 26-05 € 250,- storting

- 02-06 € 250,- storting

- 20-06 € 400,- storting

- 28-06 € 150,- storting

- 18-07 € 150,- storting

- 28-07 € 250,- storting

- 02-08 € 300,- storting

- 29-08 € 200,- storting

- 05-09 € 600,- storting

- 07-10 € 20,- storting

- 11-10 € 100,- storting

- 24-10 € 200,- storting

- 24-10 € 250,- storting

- 31-10 € 700,- storting

- 17-11 € 500,- huishoudgeld

- 1-12 € 1.500,- storting

- 17-12 € 500,- bijdrage huishouding

- 19-12 € 900,- storting

- 17-01 € 500,- bijdrage huishouding

- 17-02 € 500,- bijdrage huishouding

- 17-03 € 500,- bijdrage huishouding

- 04-05 € 100,- storting

- 17-05 € 150,- storting

- 07-06 € 100,- storting

- 10-07 € 250,- storting

- 17-07 € 200,- storting

- 15-08 € 500,- storting

- 15-08 € 110,- storting

- 11-09 € 70,- storting

- 25-09 € 500,- storting

- 03-11 € 1.000,- storting

- 17-11 € 60,- storting

- 01-12 € 200,- storting

- 11-01 € 200,-

storting

- 24-01€ 500,- storting

- 20-02 € 290,- storting

- 26-02 € 100,- storting

- 12-04 € 1.100,- storting

- 31-05 € 900,- storting

- 07-11 € 286,98 storting

Totaal overzicht

2013

2015

2016

2017

2018

Totaal ontvangen bedragen direct van de man:

€ 12.000,-

€ 8.000,-

€ 1.000,-

€ 1.500,-

€ 0,-

Totaal bedragen gestort:

€ 0,-

€ 3.550,-

€ 7.420,-

€ 3.240,-

€ 3.376,98

3.3.9.

Uit het voorgaande blijkt dat de vrouw vooral in 2013 structureel een bijdrage van de man kreeg van € 1.000,- per maand. Dit bedrag is door de jaren heen minder geworden. De vrouw heeft weliswaar op de zitting verklaard dat de gestorte bedragen eveneens afkomstig waren van de man maar dit is door de man op de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist en niet meer door de vrouw nader onderbouwd. Hoewel het opvalt dat vanaf het moment dat de man niet langer geld naar de vrouw overmaakt, de vrouw vaker contant geld op haar rekening stort, is aan de hoogte van de stortingen of de datum waarop de bedragen zijn gestort niet af te leiden dat deze bedragen een voortzetting waren van de onderhoudsbijdragen die eerder door de man digitaal werden overgemaakt. De rechtbank zal daarom de gestorte bedragen niet mee nemen in de berekening van de behoefte van de vrouw.

3.3.10.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat hij sinds het uiteengaan van partijen in 2014 niet meer heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de vrouw, althans slechts nog incidenteel en dat deze incidentele bedragen bestemd waren voor de kinderen van de vrouw. De rechtbank kan de man in dit standpunt niet volgen. Zoals reeds hiervoor is weergeven is er in ieder geval in 2015 nog € 8.000,- onder de noemer huishoudgeld door de man overgemaakt aan de vrouw, heeft de man ook in 2016 en 2017 geld overgemaakt als bijdrage in de kosten huishouding en heeft de man in 2019 tandartskosten voor de vrouw voldaan van ten minste € 1.704,-. De rechtbank is daarmee van oordeel dat het niet om incidentele bedragen ging en dat de man wel degelijk de vrouw in meer of mindere mate ook na 2014 financieel heeft ondersteund. Ook aan de stelling van de man dat deze bedragen voor de kinderen van de vrouw waren en niet voor de vrouw zelf, gaat de rechtbank voorbij, nu deze stelling is betwist en niet nader onderbouwd. Dit maakt dat de rechtbank tot het oordeel komt dat er bij berekening van de behoefte van de vrouw eveneens rekening moet worden gehouden met een bijdrage die zij ontving van de man. Nu zoals reeds hiervoor overwogen in rechte niet is vast komen te staan dat de gestorte bedragen eveneens van de zijde van de man zijn gekomen, zal de rechtbank slechts rekening houden met de bedragen die direct door de man zijn overgemaakt en daarvan het gemiddelde te nemen over de laatste drie jaren waarvan de rechtbank beschikt over gegevens, te weten de jaren 2017, 2018 en 2019. Zoals reeds hiervoor weergegeven heeft de vrouw in 2017 € 1.500,- van de man ontvangen, in 2018 niets en heeft de man in 2019 tandartskosten van de vrouw voldaan van ten minste € 1.704,-. Gelet hierop heeft de vrouw gemiddeld afgerond € 1.068,- per jaar van de man aan huishoudgeld ontvangen, wat neer komt op een bedrag van € 89,- per maand.

3.3.11.

Uit de stukken en de verklaringen op de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw al jaren een uitkering krachtens de Participatiewet genoot. In het jaar 2018 ontving zij een bedrag van € 15.229,- bruto en in 2020 € 15.877,- bruto. Nu de vrouw heeft verklaard dat zij voor het overgrote deel van het huwelijk deze uitkering heeft ontvangen en de man dit onvoldoende gemotiveerd heeft betwist mede gezien de stelling dat partijen gezamenlijk belastingaangiften deden, zal de rechtbank bij berekening van de behoefte van de vrouw ook de uitkering in aanmerking nemen. Aangezien de rechtbank niet beschikt over jaaropgaven van andere jaren dan 2018 en 2020, zal de rechtbank aansluiten voor de berekening van de hoogte van de behoefte bij het gemiddelde van de twee bovengenoemde bedragen van 2018 en 2020 (€ 15.229 + € 15.877 = € 31.106 : 2 = € 15.553,-). De rechtbank zal dan ook rekening houden met een bruto maandsalaris van € 1.296,- of te wel € 1.052,- netto per maand. Rekening houdend met de voornoemde bijdrage van de man van € 89,- per maand berekent de rechtbank de behoefte van de vrouw op € 1.141,- netto per maand.

Verdiencapaciteit

3.3.12.

Voor zover de man heeft willen aanvoeren dat er aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit, nu volgens hem de vrouw zou kunnen werken en in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, gaat de rechtbank hieraan voorbij. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij gedurende het grootste gedeelte van haar huwelijk een uitkering krachtens de Participatiewet heeft ontvangen en thans nog ontvangt. Dit betekent dat zij al zeker bijna 10 jaar niet dan wel weinig heeft gewerkt. Daar komt bij dat de vrouw op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het door Corona nog lastiger is al hiervoor om als zangeres een betaalde baan te vinden. Deze omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank het niet redelijk aan de zijde van de vrouw rekening te houden met een verdiencapaciteit. Dit neemt uiteraard niet weg dat het de vrouw zich moet blijven inspannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Aanvullende behoefte van de vrouw

3.3.13.

Op de hiervoor genoemde behoefte van de vrouw dient het huidige inkomen van de vrouw in mindering te worden gebracht. De vrouw ontvangt nog altijd een uitkering krachtens de Participatiewet. De rechtbank is echter van oordeel dat de vrouw zodra zij in aanmerking kan komen voor partneralimentatie hier geen recht op heeft zodat de rechtbank aan de zijde van de vrouw geen rekening zal houden met enig eigen inkomen. Gelet hierop heeft de vrouw een netto behoefte van € 1.141,- per maand of te wel € 1.583,- bruto per maand.

Draagkracht man

3.3.14.

De vrouw heeft aangevoerd dat de man aan zijn zijde ten onrechte rekening houdt met een ABP Pensioen van € 30.500,- per jaar aangezien uit de stukken blijkt dat de man minimaal een Pensioen ontvangt van € 34.831,- per jaar. Voorts heeft ze aangevoerd dat de man zijn bedragen die hij ontvangt uit het pensioen van Zorg en Welzijn en Loyalis niet heeft onderbouwd. Ten aanzien van het vermogen van de man acht de vrouw het redelijk dat rekening wordt gehouden met een rendement van 4% over een vermogen van € 625.294,- en heeft de vrouw de door de man opgenomen post aan VvE kosten van € 292,- per maand betwist. Tot slot heeft de vrouw benadrukt dat geen rekening moet worden gehouden met lasten van het onroerend goed in Amsterdam, nu deze lasten niet zijn onderbouwd en daarnaast voor een deel rentebetalingen betreffen voor de woning van de zoon van de man. Tot slot geeft de vrouw nog aan dat de man voornemens is het pand in Amsterdam te verkopen en als dat niet lukt dat de man dit pand dan voor veel geld kan verhuren.

3.3.15.

De man heeft aangevoerd dat in verband met conversie rekening moet worden gehouden met een Pensioen van ABP van € 30.500,- per jaar en niet het bedrag dat hij op dit moment ontvangt. Hij betwist dat hij het pand wat thans te koop staat zou kunnen verhuren en vindt het redelijk, zolang het pand nog niet is verkocht, dat de waarde mee wordt genomen in Box 3. Tot slot heeft hij nog verklaard dat hij geen inkomen heeft uit dit vermogen.

3.3.16.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals eerder aangegeven gaat de rechtbank ervan uit dat er ten aanzien van het pensioen van de man conversie zal plaatsvinden. Dat bij conversie het inkomen van de man uit pensioen zal dalen, acht de rechtbank dan ook aannemelijk. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het niet redelijk is bij berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van zijn huidige inkomen uit pensioen. Bij gebrek aan recente gegevens van het inkomen uit pensioen na conversie, zal de rechtbank derhalve aansluiten bij het door de man opgevoerd bedrag van € 30.500,-. Hiermee rekening houdend en eveneens rekening houdend met het inkomen uit het Pensioen van Zorg en Welzijn en Loyalis berekent de rechtbank – net als de man in zijn berekening – het bruto inkomen uit Pensioen op € 52.148,- per jaar.

3.3.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een woning in [woonplaats 2] heeft en bewoont. Voorts bezit de man nog een pand in Amsterdam. Tussen partijen is in geschil hoeveel het pand op kan brengen, hoeveel het pand thans kost en of er rekening moet worden gehouden met een rendement uit vermogen. Uit de stukken en hetgeen is besproken op de mondelingen behandeling blijkt dat de woning enige tijd te koop staat en dat deze onlangs in prijs is verlaagd. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk, zeker gelet op de woningmarkt van deze tijd, dat de woning op korte termijn verkocht zal zijn en de rechtbank zal derhalve geen rekening houden met dit pand bij berekening van de draagkracht van de man. De rechtbank zal tevens geen rekening houden met rendement uit vermogen op basis van verkoop van die woning en overweegt daartoe als volgt. De woning staat thans te koop voor € 800.000,-. De man heeft in zijn pleitnota verklaard voornemens te zijn de verkoopopbrengst te gebruiken om de hypotheek op zijn woning in [woonplaats 2] af te lossen. Door het aflossen van deze hypotheek zal de man over voldoende draagkracht beschikken om in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voorzien. Wellicht houdt de man nog iets over aan vermogen waarover hij rendement kan behalen maar dat speelt in het kader van deze berekening geen rol meer. De rechtbank acht het dan ook redelijk bij berekening van zijn draagkracht uit te gaan van de situatie waarin hij zijn hypotheek op de woning in [woonplaats 2] volledig aflost en geen rekening te houden met enige woonlast aan de zijde van de man.

Conclusie

3.3.18.

Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 3.164,- per maand. De rechtbank houdt voorts onder de streep rekening met de door de man opgevoerde lasten zoals dat blijkt uit de door de man overgelegde berekening, met uitzondering van de door de man opgevoerde woonlasten.

3.3.19.

Gezien het voorgaande en onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen is de rechtbank van oordeel dat een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw van € 1.583,- bruto per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/682157 / FA RK 20-1893:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 21 juni 2009;

4.2.

bepaalt dat de man € 1.583,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud,

4.3.

verklaart de beslissing met betrekking tot de partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/699547 / FA RK 21-1931:

4.6.

verklaart voor recht dat het tussen partijen te verevenen ouderdomspensioen zal zijn het pensioen dat is opgebouwd in de periode vanaf 29 september 1998 tot aan het einde van het huwelijk;

4.7.

verklaart voor recht dat het tussen partijen te verevenen nabestaandenpensioen zal zijn het pensioen dat is opgebouwd in de periode vanaf 6 augustus 2008 tot 22 oktober 2019;

4.8.

verklaart voor recht dat het ouderdomspensioen zoals opgebouwd vanaf 29 september 1998 dient te worden geconverteerd als bedoeld in artikel 9.2 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 5 van de WVPS en gelast de man hieraan zijn volledige en onbelemmerde medewerking te verlenen, onder meer inhoudende het invullen en de ondertekening van het mededelingsformulier in verband met verdeling van het ouderdomspensioen bij scheiding;

4.9.

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

4.10.

bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

4.11.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.A. Kuijper op 14 april 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature