< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een man die in een Media Marktfiliaal in januari 2018 een driejarig energiecontract afsloot, hoeft maar een deel van het bedrag te betalen (ruim 79 euro) dat Budgetenergie eiste nadat hij de overeenkomst eind 2019 opzegde.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8812606 CV EXPL 20-18332

vonnis van: 29 januari 2021

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nutsservices B.V.

handelend onder de naam Budgetenergie

gevestigd te Amsterdam

eiseres

nader te noemen: Nutsservices of Budgetenergie

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het procesdossier bestaat uit:

- de dagvaarding van 28 september 2020, met producties;- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord van 15 oktober 2020;- het instructievonnis van 30 oktober 2020;- de dagbepaling mondelinge behandeling;

- de akte vermindering van eis van Nutsservices.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 december 2020. Voor Nutsservices is [naam] namens de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. Nutsservices is gehoord en heeft vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

Nutsservices heeft sinds 1 januari 2018 in iedere Media Markt winkel in Nederland een zogenaamde ‘shop-in-shop’. Dat is een ruimte binnen de Media Markt die Nutsservices gebruikt, waar vanuit zij klanten van de Media Markt benadert om een energieleveringsovereenkomst af te sluiten, al dan niet onder verstrekking van een direct bij de Media Markt te besteden cadeaubon.

1.2.

Nutsservices en [gedaagde] , geboren op [geboortedag] 1944, hebben op of omstreeks 7 januari 2018 in de shop-in-shop in de Media Markt een overeenkomst tot levering van energie gesloten ten behoeve van het (huidige) woonadres van [gedaagde] . Daarbij ontving [gedaagde] een direct in de Media Markt te besteden cadeaukaart van € 150,00.

1.3.

[gedaagde] heeft de overeenkomst eind 2019 opgezegd. Naar aanleiding van de opzegging heeft Nutsservices op 29 januari 2020 een eindnota opgemaakt, waarin is te lezen dat de einddatum van de overeenkomst 30 december 2019 is.

1.4.

In de eindnota is een opzegvergoeding van € 100,00 bij [gedaagde] in rekening gebracht vanwege voortijdige beëindiging. Bij akte vermindering van eis heeft Nutsservices haar vordering verminderd met de in rekening gebrachte opzegvergoeding.

Geschil

2. Nutsservices vordert, na vermindering van de eis, dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:a. € 159,81 aan hoofdsom; b. € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; c. € 3,75 aan rente, berekend tot 28 september 2020; d. rente over € 259,81 vanaf 28 september 2020;e. de proceskosten.

3. Nutsservices stelt hiertoe dat [gedaagde] als consument in de Media Markt een energieleveringsovereenkomst voor de duur van drie jaar met haar is aangegaan. De ‘shop-in-shop’ ruimte in de Media Markt is een verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 sub g BW, omdat Nutsservices in deze ruimte gewoonlijk haar activiteiten uitvoert. De overeenkomst is volgens haar dan ook niet op afstand of buiten de verkoopruimte van Nutsservices gesloten. Nutsservices verwijst naar de bij dagvaarding overgelegde schermafdrukken, die de medewerker in de shop-in-shop samen met [gedaagde] heeft doorlopen. [gedaagde] heeft ingestemd met het aanbod van Nutsservices. Alle relevante informatie, de overeenkomst, een link met de algemene voorwaarden en de mededeling dat [gedaagde] binnen veertien dagen kosteloos kan herroepen zijn per e-mail naar [gedaagde] verzonden. Door opzegging heeft [gedaagde] de overeenkomst voortijdig beëindigd. Hij is daarom op grond van de algemene voorwaarden een opzegvergoeding verschuldigd. De in rekening gebrachte opzegvergoeding is in overeenstemming met het besluit van de ACM en daarom niet onredelijk. [gedaagde] heeft de termijnnota van 1 december 2019, de termijnnota van 1 januari 2020 en de eindnota onbetaald gelaten. In totaal gaat dat om een bedrag van € 259,81. Nadat Nutsservices haar eis heeft verminderd met de in rekening gebrachte opzegvergoeding resteert een nog te betalen bedrag van € 159,81.

4. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij waarschijnlijk in januari 2018 een energiecontract heeft gesloten met Budgetenergie. Dat was in de Media Markt. De medewerker heeft [gedaagde] toen niet verteld dat het om een contract van drie jaar ging. [gedaagde] heeft steeds alle premies betaald. [gedaagde] weet niet meer wanneer hij het contract heeft beëindigd. [gedaagde] heeft nooit enig bericht ontvangen van Budgetenergie waarin stond dat het ging om een contract van drie jaar. Daar is [gedaagde] het in ieder geval niet mee eens. De e-mail met bijlagen die achter de dagvaarding zit en is gestuurd naar [emailadres] heeft [gedaagde] nooit ontvangen. Deze stukken heeft hij pas onder ogen gekregen bij ontvangst van de dagvaarding. [gedaagde] heeft geen computer en gebruikt geen e-mail. Op dit moment heeft [gedaagde] een nieuwe energieleverancier . Hij begrijpt niets van de vordering.

Beoordeling

5. [gedaagde] is aan te merken als consument.

6. Vaststaat dat op of omstreeks 7 januari 2018 een energieleveringsovereenkomst tot stand is gekomen in een ‘shop-in-shop’ ruimte binnen de Media Markt.

7. Nutsservices stelt dat de shop-in-shop ruimte binnen de Media Markt als een verkoopruimte in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub g BW is te kwalificeren. De kantonrechter volgt Nutsservices hierin niet. In overweging 21 van de Richtlijn 2011/83/EU (hierna: de Richtlijn) staat dat verkoopsituaties waarbij de consument persoonlijk en individueel wordt aangesproken, waarna de overeenkomst onmiddellijk daarna wordt gesloten in een verkoopruimte van de handelaar of met behulp van een middel voor communicatie op afstand, onder de definitie ‘buiten verkoopruimte gesloten overeenkomst’ vallen. Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Het gaat bovendien om een verkoopsituatie waarbij de consument, door het aanbieden van een forse cadeaubon, mogelijk onder psychologische druk komt te staan of te maken krijgt met een verrassingselement, te meer nu een bezoeker van de Media Markt niet zonder meer hoeft te verwachten dat daar energiecontracten worden afgesloten. Ook in dat geval gaat het om een overeenkomst buiten de verkoopruimte, zo volgt uit dezelfde overweging uit de Richtlijn.

8. [gedaagde] is in de Media Markt benaderd door een medewerker van Nutsservices, waarbij hem een in de Media Markt te besteden cadeaubon is voorgehouden om hem te bewegen tot het sluiten van een energieleveringsovereenkomst. De overeenkomst is vervolgens tot stand gekomen met behulp van een middel voor communicatie op afstand, nu Nutsservices in dat kader stelt dat een medewerker samen met [gedaagde] de overgelegde schermafdrukken is doorgelopen. De feitelijke totstandkoming van de overeenkomst is aldus gelijk te stellen aan een overeenkomst die online tot stand komt: in de computer worden enkele basisgegevens ingevuld, moeten een paar (soms slecht leesbare) schermen worden doorgeklikt en moet een vinkje worden gezet bij akkoord. Juist onder die omstandigheden is het voor (de bescherming van) consumenten van groot belang dat de handelaar zich houdt aan de wettelijke informatieverplichtingen die in het leven zijn geroepen voor een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Daarbij moet ook niet uit het oog worden verloren dat de gemiddelde consument zich doorgaans niet in de Media Markt begeeft om een energiecontract te sluiten.

9. Geoordeeld wordt daarom dat sprake is van een overeenkomst die tot stand is gekomen buiten verkoopruimte (in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub f onder 1 BW ), met als gevolg dat Nutsservices moet voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW en aan de aanvullende verplichtingen voortvloeiend uit artikel 6: 230 t BW. Daarnaast moet Nutsservices de draagkracht van [gedaagde] toetsen op grond van artikel 6:230 u BW.

10. De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of Nutsservices aan de hiervoor bedoelde wettelijke verplichtingen heeft voldaan, maar ook dat Nutsservices zich niet schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken of zich beroept op een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden.

11. Nutsservices moet [gedaagde] op grond van artikel 6:230m lid 1 jo. 6:230t lid 1 BW op duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6: 230m lid 1 BW bedoelde informatie op papier verstrekken voordat [gedaagde] aan de overeenkomst is gebonden. Gesteld noch gebleken is dat Nutsservices de in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie op papier aan [gedaagde] heeft verstrekt, mede gelet op het verweer van [gedaagde] , zodat er vanuit moet worden gegaan dat Nutsservices niet heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieverplichtingen. Weliswaar heeft Nutsservices gesteld dat haar medewerker de informatie als weergegeven op de overgelegde schermafdrukken samen met [gedaagde] is langsgelopen, maar daarmee is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 6:230t lid 1 BW : de informatie moet schriftelijk, of met instemming van de consument op een andere duurzame gegevensdrager, worden verstrekt. Bovendien, als verstrekking van de informatie op digitale wijze zou volstaan, dan nog kan niet worden vastgesteld dat Nutsservices alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze aan [gedaagde] heeft verstrekt, gelet op het verweer van [gedaagde] dat hij niet wist dat hij een overeenkomst van drie jaar aanging en gelet op de onleesbaarheid van enkele schermafdrukken vanwege kleine lettertjes.

12. Verder moet Nutsservices op grond van artikel 6:230t lid 2 BW aan [gedaagde] op papier, of, indien [gedaagde] hiermee instemt op een andere duurzame gegevensdrager, een afschrift van de ondertekende overeenkomst of een bevestiging van de overeenkomst verstrekken. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat Nutsservices zich aan deze verplichting heeft gehouden. Alle belangrijke informatie, waaronder de overeenkomst en een link naar de algemene voorwaarden, stelt Nutsservices per e-mail aan [gedaagde] te hebben verstuurd. Weliswaar kan e-mail als een andere duurzame gegevensdrager worden gekwalificeerd, maar van instemming van [gedaagde] om de informatie op deze wijze in plaats van schriftelijk te verstrekken is niet gebleken, temeer nu [gedaagde] aanvoert dat hij, gezien zijn leeftijd, geen computer heeft en geen e-mail gebruikt. De ontvangst van de e-mail die Nutsservices stelt aan [gedaagde] te hebben verstuurd wordt door [gedaagde] in ieder geval gemotiveerd betwist. Niet is komen vast te staan dat de e-mail [gedaagde] heeft bereikt.

13. Op grond van het voorgaande kan dus ook niet worden vastgesteld dat Nutsservices heeft voldaan aan de op haar rustende contractuele informatieverplichtingen.

14. Tot slot is niet gesteld en ook niet gebleken dat Nutsservices voor de totstandkoming van de overeenkomst is nagegaan of de verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien in overeenstemming zijn met de draagkracht van [gedaagde] .

15. Geconcludeerd wordt daarom dat niet is voldaan aan de essentiële informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 jo. 6:230t BW. Deze wettelijke verplichtingen vloeien voort uit het Europese recht. Gelet op artikel 24 van de Richtlijn dienen de lid staten regels vast te stellen inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens die richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

16. Hoewel de uitspraken van het Europese Hof van Justitie weinig concrete aanknopingspunten bieden voor de wijze waarop het niet voldoen aan de informatieverplichtingen op grond van de richtlijn en jurisprudentie moet worden gesanctioneerd en in hoeverre een vordering in voorkomende gevallen kan worden toegewezen, is de kantonrechter van oordeel dat de vordering niet zonder meer kan worden toegewezen. Daarvan zou immers een onjuist signaal uitgaan naar handelaren die wel volledig aan hun verplichtingen voldoen. Anderzijds kan een algehele afwijzing van de vordering niet als evenredig worden aangemerkt. Verder wordt in aanmerking genomen dat, in het geval Nutsservices wel volledig aan haar informatieverplichtingen zou hebben voldaan, meer in het bijzonder het schriftelijk of op een andere duurzame gegevensdrager verstrekken van de overeenkomst waardoor dat de essentiële informatie [gedaagde] zou hebben bereikt en hij op duidelijke en begrijpelijke wijze zou zijn geïnformeerd over de voornaamste verplichtingen, er een gerede kans zou zijn geweest dat [gedaagde] de overeenkomst zou hebben ontbonden, nu hij naar eigen zeggen geen overeenkomst voor drie jaar wenste. Deze kans dient in de sanctie te worden verdisconteerd. Een en ander geeft de kantonrechter aanleiding de gevorderde hoofdsom – die op zichzelf voldoet aan de voorwaarden van toewijsbaarheid – te sanctioneren met 50% afwijzing vanwege het niet voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. De kantonrechter acht dit onder de gegeven omstandigheden een afschrikwekkende, evenredige en – voor het bereiken van het voor de gemeenschapswetgever gewenste beschermingsniveau – doeltreffende sanctie als hiervoor bedoeld.

17. Aan hoofdsom wordt daarom een bedrag van € 79,90 toegewezen. De rente wordt over dit bedrag toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.

17. Nu [gedaagde] is aangemaand voor een onjuist bedrag, wordt geoordeeld dat de buitengerechtelijke incassokosten niet in redelijkheid zijn gemaakt. De buitengerechtelijke kosten worden daarom afgewezen.

17. Gelet op deze uitkomst worden de proceskosten gecompenseerd.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Nutsservices van € 79,90 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 september 2020 tot de dag van de voldoening;

compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;

verklaart de veroordeling onder I. uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature