< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Videoclip met drillrap. Verdachte heeft niet alleen wapens, munitie en verdovende middelen voorhanden gehad; hij heeft de (nep)wapens ook gebruikt voor een videoclip.

Uitspraak



proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/173293-20 Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 02/665265-18

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in bovengenoemde rechtbank op 20 oktober 2020.

Tegenwoordig zijn:

mr. S. Ju, politierechter

en C. Dede, griffier.

Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. B. Grünfeld, officier van justitie.

De politierechter doet de zaken uitroepen.

De verdachte, genaamd:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

wonende op het adres [adres]

is niet verschenen.

Als raadsman is aanwezig mr. R.J.H. Titahena, advocaat te Amsterdam, die verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De politierechter stemt daarmee in.

De officier van justitie draagt de zaak voor en maakt melding van de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling.

Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven.

De officier van justitie vordert een wijziging van de tenlastelegging. De officier van justitie wenst de pleegperiode in de tenlastelegging van feit 1 te wijzigen naar:

op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 8 mei 2020.

De politierechter hoort de raadsman over deze vordering. De raadsman verzet zich niet tegen wijziging van de tenlastelegging zoals gevorderd door de officier van justitie. De politierechter wijst de vordering toe en beveelt dat de tenlastelegging zal worden gewijzigd zoals in die vordering staat omschreven. De griffier overhandigt een door haar gewaarmerkt afschrift van de wijziging aan de raadsman. Een kopie van de wijziging van de tenlastelegging is aan dit proces-verbaal gehecht.

Met toestemming van de raadsman die op grond van artikel 279 lid 1 Sv uitdrukkelijk is gemachtigd wordt het onderzoek voortgezet.

De politierechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee, waaronder:

Ten aanzien van feit 1:

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020098270-2 van 8 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , (doorgenummerde pagina’s 01-06).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Op maandag 11 mei 2020, kreeg ik van een onderzoeksteam het verzoek om een internetonderzoek naar een subject. Ik, verbalisant, was tijdens mijn onderzoek bezig met het onderzoeken van verschillende soorten social media platforms. Tijdens dit onderzoek trof ik op YouTube een opvallende video aan genaamd:

Videonaam: [videonaam] https://www.youtube.com/ [link]

Ik, verbalisant, heb vervolgens de YouTube video gezien. Ik, verbalisant, zag op de video een manspersoon met vuurwapen gelijkende voorwerpen in zijn hand. Ik, verbalisant, zag tevens dat deze video op 8 mei 2020 gepubliceerd was. Ik, verbalisant, heb van deze YouTube video schermafdrukken gemaakt.

Ik, verbalisant, herken naar aanleiding van (SKDB) Strafrechtsketendatabank foto (SKDB: 07-03-2018) de manspersoon afgebeeld op afbeeldingen 8, 7 en 11 als zijnde:

*** [verdachte] ***

Geboren [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]

Ik, verbalisant, ken de bovengenoemde persoon ambtshalve door een eerder gedraaid onderzoek.

2. Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2020098270-04 van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] , (doorgenummerde pagina’s 07-13).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Aanleiding

Naar aanleiding van dit onderzoek [naam] , kwam een verzoek om een aantal

afbeeldingen van openbare bron YouTube te onderzoeken op herkenning vuurwapen

gelijkend voorwerpen. Hierbij werden afbeeldingen ter beschikking gesteld om een proces-verbaal op te stellen.

Herkenning vuurwapen

Op donderdag 14 mei 2020 werden voornoemde afbeeldingen, naar aanleiding van het verzoek of ik vuurwapen gelijkende voorwerpen kon herkennen, door mij nader onderzocht. Daaruit bleek mij het volgende:

Op deze afbeelding zijn drie vuurwapen gelijkende voorwerpen te zien. Wapen nummer 1 is dusdanig onduidelijk om daarvan een juiste merk/model te omschrijven. Wapen nummer 2 is vermoedelijk een automatisch vuurwapen voorzien van een geluiddemper en een lange patroonmagazijn.

Wapen nummer 3:

Vermoedelijk gaat het om een pistool met Beretta model 92 serie F of serie S.

Juridische omschrijving vuurwapengelijkend voorwerp

Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7e van de Wet wapen en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie .

Afbeeldingen 2.1, 4.1 en 6.1

Op deze afbeeldingen is een vuurwapen gelijkend voorwerp merk IMI model Micro

Uzi te zien. Vermoedelijk hetzelfde wapen als op afbeelding 1.1.

Juridische omschrijving vuurwapengelijkend voorwerp

Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7e van de Wet wapen en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie .

Op afbeelding 8.1 is een pistool te zien.

Vermoedelijk gaat het om een pistool merk Beretta model 92 serie F of serie S

Juridische omschrijving vuurwapengelijkend voorwerp

Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie 1 onder 7e van de Wet wapen en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie .

Ten aanzien van feiten 2 en 3:

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020098270-7 van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] , (doorgenummerde pagina’s 15-16).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Hoedanigheid en rechtmatigheid

Op 14 mei 2020, bevonden wij, verbalisanten [opsporingsambtenaar 4] en [opsporingsambtenaar 3] belast met een Wet wapens en munitie doorzoeking, ons in de woning gelegen aan [adres] . Hier kregen wij de opdracht een doorzoeking te doen in de woonkamer en de kelderbox van deze woning.

Aantreffen drugs

Ik, verbalisant [opsporingsambtenaar 4] , zag in de woonkamer een zwart- en grijskleurige schoudertas op de bank liggen, van het merk LOUIS VUITTON. Ik opende vervolgens de ritssluiting aan de voorzijde van deze schoudertas. Ik zag dat er in dit voorvakje iets was ingewikkeld met vershoudfolie, dit bleek later een blok hasj te zijn ter grootte van een pak sigaretten.

Aantreffen munitie

Na de inbeslagname van dit blok hasj, werden wij, verbalisanten, verzocht om de kelderbox behorende bij deze woning te doorzoeken. Ik, verbalisant [opsporingsambtenaar 3] , zag op het kinderzitje van de fiets een zwartkleurig doosje van het merk Emporio Armani liggen. Toen ik dit doosje opende, zag ik twee patronen in het doosje zitten. Ik heb dit doosje met inhoud zo snel mogelijk overgedragen aan collega [opsporingsambtenaar 5] ([opsporingsambtenaar 5]) van de afdeling Wapens Munitie en Explosieven voor de verdere afhandeling.

Goederen:

PL1300-2020098270-5918395, verdovende mid (Hasjiesj), 1 blok ter grootte van een pak sigaretten

PL1300-2020098270-5918371, munitie (Hagelpatroon), 2 stuks.

4. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer 2020098270 van 14 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] , (doorgenummerde pagina’s 24-25).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Onderzoek hagelpatronen

Op donderdag 14 mei 2020 werden de inbeslaggenomen hagelpatronen door mij nader onderzocht.

Uit het onderzoek bleek mij het volgende;

Itemnummer 5918371 - munitie

Voorwerp: hagelpatroon

Kaliber: 12

Model projectiel: 1x hagel 6 / 1x brenneke

Aantal: 2

Bodemstempel: Spartan 12-12 France + Browning 12-12 Browning

Juridische omschrijving - munitie

De patroon is munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid

2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

5. Een geschrift, te weten een rapport laboratoriumonderzoek van 15 juni 2020, opgemaakt door forensisch expert drs. [persoon] van het politielaboratorium te Amsterdam, (doorgenummerde pagina 23).

Dit geschrift houdt in, zakelijk weergegeven:

Omschrijving van het materiaal en identiteit

Item Omschrijving M Bevat

5918395 1 stukje plastic folie met 93,6 g bruine substantie 1,2,4 is hasjiesj

De politierechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden, waaronder een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 september 2020 en een reclasseringsrapport (in een andere zaak) van 3 september 2018.

De raadsman voert het woord:

De laatste keer dat cliënt met justitie in aanraking is gekomen is lang geleden. Ook in het reclasseringsrapport is te lezen dat het goed met hem gaat. Cliënt heeft zijn eigen platenlabel en houdt zich daar intensief mee bezig. Hij wil zijn oude leven achter zich laten en heeft dat ook gedaan.

De officier van justitie voert het woord:

Feit 1

Verdachte is in een videoclip op YouTube te zien met vuurwapens. Deze videoclip is op 18 mei 2020 op YouTube verschenen. De woning van verdachte is doorzocht, maar de vuurwapens zijn daar niet aangetroffen. Op de videoclip is het niet vast te stellen of de vuurwapens echt waren of niet, maar deze lijken zodanig op echte vuurwapens dat zij geschikt zijn voor bedreiging of afdreiging en daarmee vallen zij onder categorie I van de Wet wapens en munitie. Het is duidelijk dat verdachte ten tijde van de videoclip deze wapens voorhanden had. Het nummer van de videoclip gaat over quarantaine en over COVID-19, dus het kan niet anders dan dat de videoclip ergens tussen 1 december 2019 en 8 mei 2020 is opgenomen. Op 1 december 2019 werd het eerste COVID-19 geval op de wereld bekend.

Feit 2

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is een doosje met daarin hagelpatronen aangetroffen in de kelderbox. Verdachte heeft daar verder geen verklaring over afgelegd, maar aangezien het goed in zijn woning is gevonden is ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Ook de hasj is bij de doorzoeking van de woning van verdachte gevonden. Het rapport van het laboratorium van 15 juni 2020 wijst uit dat de gevonden substantie hasj betreft. Ook dit feit vind ik daarom wettig en overtuigend bewezen.

Het gaat hier om een videoclip waarin zogeheten drillrap te horen is. De verheerlijking van geweld en het tonen van wapens alsof dat normaal is, zoals dat in drillrap wordt gedaan, is onacceptabel. Er zijn veel geweldsdelicten rondom drillrap, met name schiet- en steekpartijen, vooral als gevolg van de geweldsverheerlijking in deze videoclips. Wat in drillrap wordt aangekondigd, wordt vaak ook uitgevoerd. Daarom is het van belang dat hier stevig tegen wordt opgetreden. Verdachte heeft een groot bereik met zijn videoclips, die vooral bestaat uit de jeugd. Gisteren, op 19 oktober 2020, was de videoclip al ruim 47.000 keer bekeken. Verdachte heeft uitgebreide justitiële documentatie op het gebied van delicten betreffende de Wet wapens en munitie. In 2016 is verdachte nog veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden voor dergelijke feiten. Verdachte was een gewaarschuwd man en er is sprake van recidive. Ik neem ook in overweging dat het gaat om vijf imitatiewapens en dat verdachte ten tijde van de feiten nog in een proeftijd zat. Gelet op deze omstandigheden vind ik een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Ik vorder daarom een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis bij niet uitvoeren en een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vraag ik u de vordering tenuitvoerlegging toe te wijzen en het beslag te onttrekken aan het verkeer.

De officier van justitie legt de vordering over aan de politierechter.

De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:

Feit 1

Ten aanzien van dit feit verzoek ik u om cliënt vrij te spreken. Ten eerste gaat het hier om een verdenking die is gebaseerd op videobeelden. De officier van justitie zegt dat, omdat het nummer Quarantaine heet, het niet anders kan dan dat het feit binnen de ten laste gelegde pleegperiode moet zijn gepleegd. Die redenering volg ik niet. Op basis van het dossier zoals dat er ligt kan niet worden vastgesteld dat het gaat om omstandigheden die zich binnen de ten laste gelegde pleegperiode hebben voorgedaan.

Daarnaast kunnen we op basis van die beelden ook niet vaststellen of het feit is gepleegd in Nederland. Ook daarom verzoek ik u cliënt vrij te spreken.

Verbalisant [opsporingsambtenaar 2] schrijft in het proces-verbaal van technisch onderzoek dat hij op de beelden niet kon zien of het om echte, imitatie- of om airsoftwapens ging. Airsoftwapens zijn echter niet verboden, dus als het wel om dergelijke wapens gaat dan kan dat niet tot een veroordeling leiden.

Feit 2

De hagelpatronen zijn aangetroffen in een doosje waar normaal gesproken sieraden in zouden kunnen zitten in de kelderbox. Alleen al daarom kunnen we niet vaststellen dat cliënt de wetenschap had dat die hagelpatronen aanwezig waren in zijn kelderbox. Omdat de hagelpatronen in een sieradendoosje zaten was het niet meteen zichtbaar dat daarin munitie zat. Omdat deze wetenschap bij cliënt ontbrak, verzoek ik u ook op basis daarvan om hem vrij te spreken van dit feit.

Daarbij wil ik verwijzen naar twee recente uitspraken; een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2019:2703) en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2019:3357). In beide zaken zijn verdachten vrijgesproken, omdat de wetenschap van aanwezigheid van munitie of andere verboden goederen ontbrak. Op basis van dit dossier kan niet worden uitgesloten dat een ander dan cliënt die goederen in de kelderbox heeft neergelegd.

Feit 3

De hasj is aangetroffen in een tasje op de bank in de woning van cliënt. Dit is een plek waar cliënt bij uitstek zijn bezoek zou kunnen ontvangen. Er kan dus niet vastgesteld worden dat cliënt wist dat de hasj aanwezig was in zijn woning. Daarnaast zijn er ook geen technische sporen gevonden die erop kunnen duiden dat het cliënt was die de hasj in zijn bezit had. Om deze redenen vraag ik u ook ten aanzien van feit 3 cliënt vrij te spreken.

Mocht u, politierechter, hieraan voorbijgaan, dan verzoek ik u om een taakstraf op te leggen waarvan een gedeelte voorwaardelijk.

Ik verzoek u ook de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Cliënt zou hard geraakt worden als hij nu vast zou komen te zitten. Hij moet namelijk de huur van zijn woning betalen en hij heeft een baan waarbij hij goed bereikbaar moet zijn omdat hij veel samenwerkt met andere artiesten. Ik wil u ook vragen rekening te houden met het feit dat, gelet op zijn justitiële documentatie, het de laatste tijd veel beter gaat met cliënt dan voorheen. Als u vindt dat er nog een stok achter de deur moet komen, dan vraag ik u cliënt een proeftijd op te leggen.

De officier van justitie krijgt de gelegenheid om te reageren en voert het woord als volgt:

Feit 1

Het nummer heet Quarantaine en de videoclip gaat daar ook over. In het nummer vallen ook de woorden Corona, mondkapje en desinfecterende handgel. Het is dan ook meer dan duidelijk dat het nummer ziet op de situatie rondom COVID-19. De pleegperiode, zoals ten laste gelegd en ter terechtzitting gewijzigd, begint op het moment dat de eerste COVID-19 besmetting op de wereld is vastgesteld tot en met de dag waarop het filmpje op YouTube is verschenen. Het is dan ook onmogelijk dat de videoclip buiten de pleegperiode is geschoten. De pleegplaats is ten laste gelegd als ‘Amsterdam, in elk geval in Nederland’. Ik hoor de raadsman zeggen dat de videoclip ook ergens in het buitenland geschoten zou kunnen zijn, maar verdachte verklaart daar verder niet over. Het nummer is in het Nederlands en verdachte woont zelf in Amsterdam, dus is er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat de videoclip niet in Nederland is opgenomen. Dat verdachte in het buitenland zou verkeren is ook niet aangevoerd of onderbouwd.

Daarnaast hoor ik de raadsman zeggen dat de verbalisant die het technische onderzoek naar de wapens heeft uitgevoerd niet kan vaststellen of het om echte of imitatiewapens gaat en dat verdachte daarom zou moeten worden vrijgesproken. De wapens zijn goed te zien op de stills in het dossier en het rapport is opgesteld door de technische recherche van de politie die veel expertise over wapens heeft. Daarnaast heeft verdachte bij zijn voorgeleiding op 14 mei 2020 verklaard: ‘ik heb een bedrijfje, mijn videoclips gaan over geweld want dat verkoopt, die wapens zijn nepwapens en kan je gewoon huren.’ Er is dus geen reden om te twijfelen aan wat voor wapens het betreft.

Feiten 2 en 3

Verdachte is de enige persoon die woonachtig is aan de [adres] en verklaart verder niet over andere personen die daar mogelijk verbleven. Het enige wat wij weten is dat de munitie en hasj in zijn woning zijn aangetroffen. Er is dan ook geen enkele aanleiding om te twijfelen aan of het verdachte was die die goederen in zijn woning heeft ondergebracht.

Ik persisteer bij de eis. Ik vind niet dat er sprake is van dermate bijzondere persoonlijke omstandigheden dat die het rechtvaardigen om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, dus daarvan verzoek ik u die toe te wijzen.

De raadsman krijgt de gelegenheid om te reageren en voert het woord als volgt:

Feit 1

De officier van justitie neemt aan dat, omdat cliënt een Nederlandse staatsburger is en het nummer in het Nederlands opgenomen is, ook de videoclip in Nederland geschoten moet zijn. Dit kan echter niet worden vastgesteld. Ook is onduidelijk wanneer de videoclip precies geschoten is.

Er moet inderdaad wel voorkomen worden dat cliënt weer op deze manier videoclips gaat opnemen, maar ook met een voorwaardelijke straf zou dat bewerkstelligd kunnen worden. De reden dat cliënt de (nep)wapens voorhanden heeft gehad is het schieten van de videoclip. Over smaak valt te twisten, maar het is dus niet zo dat cliënt die wapens voorhanden heeft gehad met het oogmerk om daadwerkelijk een misdrijf te plegen.

De politierechter geeft de raadsman de gelegenheid namens verdachte het laatste woord te voeren.

De politierechter sluit het onderzoek en wijst mondeling vonnis.

AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat, zoals gewijzigd ter terechtzitting van 20 oktober 2020:

1.

hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 8 mei 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer wapen(s) van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten (een) door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp(en) dat/die een ernstige bedreiging van personen kon(den) vormen en/of dat/die zodanig op een wapen geleek/geleken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was/waren, namelijk vijf, althans een of meer voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en/of afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont/vertonen met (een) vuurwapen(s),voorhanden heeft gehad en/of gedragen en/of vervoerd;

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

twee, althans een of meer, hagelpatro(o)n(en) (kaliber 12) voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 14 mei 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 93,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De vordering na voorwaardelijke veroordeling

De zaak met parketnummer 02/665265-18 is aangebracht bij vordering van 18 september 2020. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige kamer te Zeeland-West-Brabant d.d. 17 mei 2019.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De politierechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.

Alle gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring

De inhoud van de processen-verbaal en het geschrift, voor zover hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting is weergegeven.

De bewijsoverwegingen

Feit 1

De politierechter acht het onder feit 1 ten laste gelegde bewezen op grond van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [opsporingsambtenaar 1] van 8 juni 2020 en het proces-verbaal van technisch onderzoek van [opsporingsambtenaar 2] van 14 mei 2020. Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat het verdachte was die voorwerpen voorhanden had die zodanig op wapens geleken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt waren.

Gelet op het feit dat het nummer van de videoclip over quarantaine gaat, past de videoclip bij de (na wijziging) ten laste gelegde periode van 1 december 2019 tot en met 8 mei 2020. In het nummer vallen woorden als corona, mondkapje en desinfecterende gel. Het kan dan ook niet anders dan dat de videoclip in die pleegperiode is geschoten en verdachte dus in die periode deze (nep)wapens voorhanden had. Ten aanzien van de pleegplaats is er geen aanleiding om aan te nemen dat de videoclip niet in Nederland is geschoten. Verdachte woont in Amsterdam, het nummer is in het Nederlands en door verdachte is niet aangevoerd dat hij in die periode in het buitenland zou zijn. Ook ten aanzien van het technische rapport betreffende het onderzoek naar de vuurwapens ziet de politierechter geen reden om te twijfelen aan de conclusie dat het gaat om vuurwapens of voorwerpen die gelijken op vuurwapens zoals strafbaar gesteld in categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie. Verdachte zelf heeft bovendien bij zijn voorgeleiding verklaard ‘dat het hier over nepwapens gaat die je gewoon kan huren’. De verweren van de raadsman slagen dan ook niet.

Feiten 2 en 3

De politierechter acht het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen op grond van de processen-verbaal met betrekking tot de doorzoeking en het onderzoek naar de hagelpatronen en het laboratoriumrapport. Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat het verdachte was die de hagelpatronen en de hasjiesj aanwezig heeft gehad in zijn woning.

De hasjiesj is aangetroffen in de woning van verdachte en de hagelpatronen zijn aangetroffen in een kelderbox behorend bij de woning van verdachte. Verdachte is de enige persoon die woonachtig is aan de [adres] en heeft niet verklaard over anderen die daar eventueel verblijven of gebruik van maken. Om die reden bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan of het verdachte was die kennis had over de goederen in zijn woning en kelderbox. De politierechter acht het dan ook voldoende bewezen dat het verdachte was die op 14 mei 2020 de hagelpatronen en de hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad in die woning.

De bewezenverklaring

De politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte

1. op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 december 2019 tot en met 8 mei 2020 in Nederland wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerpen die zodanig op een wapen geleken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt waren, namelijk vijf, voorhanden heeft gehad; 2. op 14 mei 2020 te Amsterdam, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten twee hagelpatronen (kaliber 12) voorhanden heeft gehad;

3. op 14 mei 2020 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 93,6 gram, hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a Wetboek van Strafrecht

3, 11 Opiumwet

13, 26, 55 Wet wapens en munitie

De op te leggen straffen

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de politierechter gelet op de aard van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft niet alleen wapens, munitie en verdovende middelen voorhanden gehad; hij heeft de (nep)wapens ook gebruikt voor een videoclip. Het gaat hier om een videoclip waarin zogeheten drillrap te horen is. De verheerlijking van geweld en het tonen van (nep)wapens, zoals dat in drillrap wordt gedaan, is zorgwekkend. Er vinden vele incidenten met wapens plaats die mogelijk mede het gevolg zijn van de toenemende geweldsverheerlijking in deze drillrap-videoclips. Verdachte heeft met zijn videoclips een groot bereik, vooral onder de jeugd. De mogelijke consequentie dat een bepaalde groep jongeren het normaal gaat vinden dat dit soort (nep)wapens worden getoond en/of gebruikt is dan ook verontrustend. Mede om die reden acht de politierechter dit een ernstig feit.

Gelet op de justitiële documentatie van verdachte, waarop meerdere veroordelingen voor overtreding van de Wet wapens en munitie staan, en gelet op het feit dat verdachte ten tijde van de feiten nog in een proeftijd liep, ziet de politierechter geen reden om af te wijken van de eis van de officier van justitie. De politierechter legt daarom op een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis bij niet uitvoeren en een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verbeurdverklaring van het beslag

met betrekking tot welke de feiten zijn begaan;

twee stuks munitie, te weten twee hagelpatronen (goednummer: 5918371);

één stuk verdovende middelen, te weten 93,6 gram hasjiesj (goednummer: 5918395).

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 02/665265-18

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De politierechter zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

DE UITSPRAAK

De politierechter verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

De politierechter verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet .

De politierechter verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren subsidiair 40 (veertig) dagen hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Voorwaarde daarbij is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten:

- twee stuks munitie, te weten twee hagelpatronen (goednummer: 5918371);

- één stuk verdovende middelen, te weten 93,6 gram hasjiesj (goednummer: 5918395).

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Zeeland-West-Brabant van 17 mei 2019, gewezen onder parketnummer 02/665265-18, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

De politierechter zegt tegen de raadsman van verdachte dat verdachte binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op het recht ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature