< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Weigering ligplaatsvergunningen. Nu de omgevingsvergunning niet verleend was en ook geen concreet uitzicht bestond dat deze verleend zou worden, is voldaan aan artikel 2.3.1, derde lid, van de Vob en diende verweerder de ligplaatsvergunning te weigeren. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/926

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de besloten vennootschap Mokumboot B.V., te Maarn, eiseres

(gemachtigde: mr. J. Monster),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Smaalders).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres zes ligplaatsvergunningen te verlenen voor zes passagiersvaartuigen voor de locatie [naam locatie] , tegenover de nummers 2 tot en met 10, te Amsterdam.

Bij besluit van 16 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vanwege de maatregelen rondom het coronavirus kon de zitting van 19 mei 2020 geen doorgang vinden. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te laten weten of zij op een zitting wilden worden gehoord. Partijen hebben vervolgens laten weten dat zonder zitting op het beroep kan worden beslist, nadat nog een schriftelijke ronde had plaatsgevonden. Hierna heeft de rechtbank die gelegenheid gegeven aan partijen en bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres wil een ligplaats voor haar zes passagiersvaartuigen voor de locatie [naam locatie] , tegenover de nummers 2 tot en met 10, te Amsterdam. De ligplaatsvergunningen zijn geweigerd omdat het gebruik als ligplaats voor passagiersschepen in strijd is met het bestemmingsplan en eiseres geen omgevingsvergunning heeft voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan. Er kan op grond van artikel 2.3.1, derde lid, van de Verordening op het binnenwater 2010 (Vob) alleen een ligplaatsvergunning worden verleend, als de overige vergunningen zijn of worden verleend, aldus verweerder. Eiseres meent dat verweerder de ligplaatsvergunning niet op deze grond had kunnen weigeren.

Beroepsgronden en omvang van het geding

2.1.

Eiseres voert – zakelijk weergegeven – aan dat de weigering van de ligplaatsvergunning op grond van het feit dat de wabo-vergunning niet is verleend, niet rechtmatig is. De koppeling die verweerder legt tussen ligplaatsvergunningenprocedure en de omgevingsvergunningenprocedure is in strijd met de eisen van de Dienstenrichtlijn en de beginselen van behoorlijk bestuur. Primair zou dat moeten leiden tot de conclusie dat de weigering op grond van artikel 2.3.1, derde lid, van de Vob in strijd is met het recht en subsidiair dat eiseres in ieder geval op de hoogte had moeten worden gesteld van het vereiste van een wabo-vergunning en in de gelegenheid om die omissie te herstellen.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de ligplaatsvergunning heeft geweigerd op de grond dat het gebruik als ligplaats voor passagiersschepen in strijd is met het bestemmingsplan en eiseres geen omgevingsvergunning heeft voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan. Deze weigeringsgrond ligt derhalve bij de rechtbank ter beoordeling voor. De beroepsgronden die zien op een andere in artikel 2.3.1, tweede lid van de Vob genoemde weigeringsgrond, namelijk de weigering in het belang van ‘de ordening’, blijven daarom buiten bespreking. Het betreft dan bijvoorbeeld de beroepsgronden van eiseres over schaarse vergunningen en het uitgiftebeleid van verweerder.

Wettelijk kader

3.1.

Op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, van de Vob “Ligplaatsvergunning bedrijfsvaartuig” is het verboden, zonder of in afwijking van vergunning van het college met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats-, bedrijfs- en vaartuiggebonden. Op grond van het vierde lid zijn artikel 2.3.1, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

3.2.

Op grond van artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vob kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de welstand, de ordening, de veiligheid, het milieu, het bestemmingsplan en de vlotte en veilige doorvaart. Op grond van het derde lid kan de vergunning alleen worden verleend, indien de overige vergunningen of ontheffingen zijn of worden verleend.

Beoordeling door de rechtbank

4.1.

De rechtbank stelt vast dat het in strijd is met de bestemming als genoemd in artikel 9.1 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan [bedrijventerrein] om ligplaats in te nemen op de verzochte locatie.

4.2.

De stelling van eiseres dat het bestemmingsplan op deze locatie wel ligplaatsen toelaat, omdat het Ruimtelijk Afwegingskader Passagiersvaart Zuid van 14 januari 2014 (RAK) deze locatie noemt als mogelijkheid voor ligplaatsen, volgt de rechtbank niet. In het RAK staat over de betreffende locatie het volgende: “Voor het gebied is in 2013 het bestemmingsplan [bedrijventerrein] vastgesteld. Passagiersvaart is niet opgenomen in de bestemmingsomschrijving. Voor het realiseren van ligplaatsen is een afwijkingsprocedure noodzakelijk.” Deze overweging in het RAK maakt duidelijk dat de locatie weliswaar geschikt is als ligplaats voor passagiersvoertuigen, maar ook dat het innemen van ligplaats niet is opgenomen in de bestemmingsomschrijving in het bestemmingsplan.

4.3.

Voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan is een vergunning vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo , gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a. Een dergelijke omgevingsvergunning is aan eiseres niet verleend.

4.4.

Nu de omgevingsvergunning niet verleend was en ook geen concreet uitzicht bestond dat deze verleend zou worden, is voldaan aan artikel 2.3.1, derde lid, van de Vob en diende verweerder de ligplaatsvergunning te weigeren. Dat de omgevingsvergunning, anders dan eiseres kennelijk meent, onder de overige vergunningen als bedoeld in het derde lid van artikel 2.3.1 van de VOB 2010 valt, wordt bevestigd in een uitspraak van de Afdeling waarnaar de rechtbank kortheidshalve verwijst. Hetzelfde geldt voor de vaste jurisprudentie waarin is geoordeeld dat ligplaatsvergunningen niet vallen onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. De beroepsgronden dat de koppeling tussen de ligplaatsvergunning en de omgevingsvergunning in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn, dan wel enig (ander) voorschrift of eisen van behoorlijk bestuur, falen dus.

4.5.

Dat het eiseres niet bekend was dat ook een omgevingsvergunning noodzakelijk was voor het verkrijgen van een ligplaatsvergunning, volgt de rechtbank niet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook op het aanvraagformulier staat vermeld onder nummer 3: ‘Vergunningen die u heeft aangevraagd of wilt aanvragen die samenhangen met deze aanvraag voor een ligplaatsvergunning’, waarop de aanvrager op het formulier heeft geschreven: ‘volgt’.

4.6.

Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, met dien verstande dat in andere gevallen geen omgevingsvergunning nodig is, faalt dit, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat wanneer er geen strijdig gebruik is met het ter plekke geldende bestemmingsplan, er ook geen omgevingsvergunning vereist is alvorens een ligplaatsvergunning kan worden verleend. Deze grond slaagt dan ook niet.

4.7.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de ligplaatsvergunning op basis van artikel 2.3.1, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 2.4.1, vierde lid, van de Vob terecht geweigerd.

5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Sloot, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken o

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 9.1 van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Schinkel en Aalsmeerplein e.o.’

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2017:3046


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature