< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een nieuw bedrijfspand van 8 meter hoog op een industrieterrein in Amsterdam-Zuidoost is te dicht op het buurpand gebouwd. Dat is onrechtmatig, want het leidt tot hinder door het onthouden van veel daglicht.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/679181 / HA ZA 20-163

Vonnis van 18 november 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.D. Poot te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M. Kashyap te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde 1] c.s. (en afzonderlijk de [gedaagde 1] , [gedaagde 2] sr en [gedaagde 3] jr) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 januari 2020, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 2 september 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 oktober 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van een bedrijfspand aan de [adres pand I] (hierna: pand I), dat sinds 2013 wordt verhuurd aan Keukenloods 5 B.V. (hierna: Keukenloods).

2.2.

Pand I is in 1980 gebouwd en lag toen zowel aan de achterkant als met een zijgevel aan de openbare weg, de Sijsjesbergweg, die daar een bocht maakte. In die zijgevel zitten op de begane grond vijf ramen en op de eerste verdieping acht. In de andere zijgevel, die direct grenst aan een buurperceel, zitten geen ramen. Hieronder een tekening van de oude situatie (het gearceerde deel is pand I):

2.3.

Bij een herindeling in 2011 is een deel van de Sijsjesbergweg verplaatst waarbij de bocht als het ware is opgeschoven. Sindsdien loopt de Sijsjesbergweg niet meer direct langs de zijgevel van [adres pand I] , maar een eind daarvan af, waardoor tussen pand I en de openbare weg een nieuw perceel grond voor uitgifte is vrijgekomen (hierna: perceel). Hierna is een foto opgenomen van de huidige situatie waarbij pand I is aangeduid met “Keukenloods”:

2.4.

Op 14 augustus 2018 heeft [eiser] een brief verzonden aan de toenmalig eigenaar van het perceel, waarin is opgenomen, voor zover van belang:

“(...) Ik wil graag uw aandacht voor het volgende.

Ik ben eigenaar van het bedrijfspand op de [adres pand I] . Dit pand was vroeger een hoekpand, direct grenzend aan de stoep en de weg. Na een herinrichting van het terrein door de gemeente Amsterdam en Borghese is de weg verlegd, zodat er een perceel grond naast mijn pand is ontstaan, die eigendom is van Borghese.

Het perceel grond is te koop aangeboden en naar ik begreep zijn er inmiddels gegadigden waarmee een vergaande onderhandeling gaande is. Gelet op die onderhandelingen leek het me goed u erop te wijzen, dat een gedeelte van het perceel niet bebouwd kan worden. Dit in verband met de ramen aan de zijkant van mijn pand, die uitkeken over de stoep en inmiddels over uw perceel.

Het is voor (toekomstige) verhuur van groot belang dat de lichtinval vanuit deze ramen gewaarborgd blijft. Bij bebouwing door een geïnteresseerde partij is het dus van belang dat deze zich hier rekenschap van geeft. Omdat te voorkomen dat u dit wellicht over het hoofd ziet en in conflict met een koper belandt, leek het me goed u dit op voorhand mee te delen. Zo kunt u deze omstandigheden meenemen in uw onderhandelingen.

Volledigheidshalve zal ik een afschrift van deze brief eveneens aan de verkopend makelaar sturen, zodat alle bekende betrokken partijen op de hoogte zijn. (…)”.

2.5.

Het perceel, inmiddels [adres 2] , is vervolgens gekocht door [gedaagde 1] c.s. In augustus en september 2018 heeft overleg plaatsgevonden tussen beheerder [naam beheerder] (namens [eiser] ) en [gedaagde 1] c.s. over de voorgenomen bouwplannen van [gedaagde 1] c.s. en met name de afstand tussen de te bouwen loods op het perceel en pand I. Op 17 september 2018 heeft [eiser] via zijn raadsman aan [gedaagde 1] sr geschreven, voor zover van belang:

“(…) Toen cliënt vernam dat het perceel grond verkocht was en er eveneens een bedrijfspand zou worden gerealiseerd, heeft hij via zijn beheerder, de heer [naam beheerder] , contact opgenomen. Het pand van cliënt heeft namelijk een aantal ramen, zowel op de begane grond als op de eerste verdieping, die direct grenzen aan het door u gekochte perceel. Reden van deze situatie is, dat in het verleden in plaats van het door u gekochte perceel, de openbare weg was gerealiseerd. Een aantal jaar geleden is deze openbare weg echter verlegd, waardoor het door u gekochte perceel is ontstaan.

(…)

Waar de gesprekken in eerste instantie vriendelijk verliepen, werden de antwoorden op de vragen van de heer [naam beheerder] steeds ontwijkender. De heer [naam beheerder] wilde logischerwijs weten hoe omgegaan werd met de lichtinval in de ramen van cliënt en hoe daar met het bouwplan rekening was gehouden. Tot op heden is hier geen ander antwoord op gekomen dan dat de door u ingeschakelde partij hiernaar zou hebben gekeken. Uit de tekening lijkt dit echter niet te volgen.

(…)

Voor een goede lichtinval is noodzakelijk dat een afstand van tenminste 4 meter blijft bestaan tussen de beide panden. Dat betekent dat uw pand een aantal meter opgeschoven of verkleint dient te worden.

In de huidige opzet is sprake van zogenaamde onrechtmatige hinder, door het ontnemen van licht uit het bedrijfspand van cliënt. (…) Zonder deze lichtinval zal cliënt schade lijden. Deze schade bestaat uit het verminderde verhuurbaarheid van het pand.

(…)”.

2.6.

Nadat op 28 november 2018 een omgevingsvergunning was verkregen, is de door [gedaagde 1] c.s. ingeschakelde aannemer op 16 mei 2019 gestart met de bouw van een pand op het perceel (hierna: pand II).

2.7.

Bij de stukken bevindt zich het rapport daglichtberekening volgens NEN 2057 van Genie, Ingenieursbureau voor bouwfysica en installatietechniek, van 2 mei 2019. [eiser] heeft opdracht gegeven voor deze berekeningen. In het rapport staat, voor zover relevant, het volgende:

“(…) 1. Equivalente daglicht berekening

1.1

Daglicht eisen

Een daglichtberekening dient te voldoen aan NEN 2057.

1.2

Uitgangspunten

Op de eerste verdieping zijn acht kozijnen aanwezig met de afmeting 1,75 mˡ × 1,35 mˡ(bxh). In de berekening raam A genoemd.

Op de begane grond zijn vijf kozijnen aanwezig met de afmeting 1,2 mˡ × 2,25 mˡ (bxh). In de berekening raam B genoemd.

Op de begane grond is één kozijn aanwezig met de afmeting 1,75 mˡ ×0,7 mˡ (bxh). In de berekening raam C genoemd.

De toekomstige nieuwbouw wordt 8,6 of 8,8 meter hoog. De belemmeringsafstand is bepaald op 0,7 t.o.v. de bestaande zuid-oostgevel van [adres pand I] .

Zie voor gevelbeeld bijlage 2.

1.3

Resultaat

Eerst is de totale equivalente daglichttoetreding berekend van de bestaande situatie, zonder belemmering.

Vervolgens is bij de belemmeringsafstand met twee verschillende belemmeringhoogten de equivalente daglichttoetreding (Aeq) bepaald.

Achter de hoeveelheid daglichttoetreding is procentueel aangegeven hoeveel daglicht er nog aanwezig is bij de betreffende belemmering, ten opzichte van de 100% daglichttoetreding van de bestaande situatie zonder belemmering.

Daglichtberekening 1: bestaande situatie zonder belemmering

begane grond: Aeq = 8,83 m² / 100%

eerste verdieping: Aeq = 11,34 m² / 100%

Daglichtberekening 2: met belemmerende nieuwbouw, gebouwhoogte 8,8 mˡ en op 0,7 mˡ afstand van de zuid-oostgevel [adres pand I] .

begane grond Aeq = 0,34 m² / 4 %

eerste verdieping Aeq = 5,81 m² / 52 %

Daglichtberekening 3: met belemmerende nieuwbouw, gebouwhoogte 8,6 mˡ en op 0,7 mˡ afstand van de zuid-oostgevel [adres pand I] .

begane grond: Aeq = 0,34 m² / 4 %

eerste verdieping: Aeq = 5,81 m² / 52 % (…)”.

2.8.

In opdracht van [gedaagde 1] c.s. heeft bouwkundig bureau [naam bureau] berekend wat de gevolgen zijn van de beoogde bouw voor de lichtinval en de schaduwwerking. Hierbij gaat het om de afstand tussen beide panden, waarbij drie scenario’s zijn getekend met een onderlinge afstand van 0,7 meter, 1 meter en 2 meter. Uit het rapport van [naam bureau] volgt dat bij een afstand van 0,7 meter tussen beide panden het percentage daglicht op de gevel van pand I 16% bedraagt, bij 1 meter 22% en bij 2 meter 40%.

2.9.

[eiser] heeft tijdens de bouw van pand II de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verzocht om [gedaagde 1] c.s. per direct te veroordelen alle bouwwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden, totdat in de bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist dat de bouwwerkzaamheden geoorloofd zijn. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 31 mei 2019 de gevraagde voorziening geweigerd.

2.10.

De bouw van pand II is in de loop van 2019 voltooid. Pand II is gebouwd op 1 meter afstand van pand I, langs de zijgevel met ramen. Pand II is 8 meter hoog, iets hoger dan pand I.

2.11.

[eiser] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 31 mei 2019. Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 1 oktober 2019 het vonnis van 31 mei 2019 bekrachtigd.

2.12.

[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de aan [gedaagde 1] c.s. verstrekte omgevingsvergunning. In oktober 2019 heeft de hoorzitting bij de gemeente plaatsgevonden. Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze procedure was nog geen beslissing op bezwaar genomen.

2.13.

Bij de stukken bevindt zich een e-mail van [naam 2] van Colliers International van 5 december 2019 aan [eiser] . In die e-mail staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…) Naar aanleiding van ons bezoek aan de [adres pand I] vinden wij het volgende:

a. huurvermindering

daar er op c.a. 1 meter afstand langs de gehele zijgevel van de Sijsjesberg een nieuw pand is gebouwd is de lichtinval van 100% tot zeer beperkt gereduceerd., hierdoor is de courante verhuurbaarheid per m2 van 135 euro gedaald naar 100 euro voor de helft van het gehuurde.

(…)

b. waardevermindering

daar het nieuwe pand (no [adres 2])te dicht (1m) naar [adres pand I] is neer gezet is de courantheid sterk afgenomen, niet alleen een lagere huuropbrengst, maar ook groot onderhoud zoals ramen/ruiten vernieuwen, schilderwerk en loodgieterswerk aan de zijgevel uitvoeren moet allemaal met speciaal smalle steigers worden uitgevoerd.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de rechtbank

I. voor recht verklaart dat sprake is van onrechtmatige hinder ex artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) c.q. een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW van (een van) [gedaagde 1] c.s. jegens [eiser] , bestaande uit het oprichten en opgericht houden van een blinde muur van meer dan 8 meter hoog op circa 1 meter afstand van het pand en de zich daarin bevindende ramen van [eiser] ;

II. [gedaagde 1] c.s. (hoofdelijk) veroordeelt om, binnen 2 maanden na het door uw rechtbank in deze te wijzen vonnis, althans op een door uw rechtbank te bepalen termijn, hun pand (partieel) te verwijderen zodat tussen beide panden een afstand zal bestaan van 4 meter, althans 2 meter, althans een door uw rechtbank te bepalen afstand, op straffe van een dwangsom van € 10.000, althans een door uw rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] c.s. in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen;

III. [gedaagde 1] c.s. (hoofdelijk) te veroordelen om de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, te voldoen, welke schade nader opgemaakt dient te worden in een schadestaatprocedure waar [eiser] verwijzing naar vordert;

IV. [gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de proces- en nakosten.

3.2.

[gedaagde 1] c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan

4 De beoordeling

artikel 5:40 lid 4 BW

4.1.

[eiser] heeft zijn vorderingen in de eerste plaats gebaseerd op artikel 5:50 lid 4 BW . Dit artikel kan geen grondslag vormen voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Artikel 5:50 lid 1 BW bepaalt dat het, behoudens toestemming van de eigenaar van het naburige erf, niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van een naburig erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dat erf uitzicht geven. Dit artikel strekt ertoe de nabuur te beschermen tegen de mogelijkheid dat er onopvallend en voor de ander onwillekeurig inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke privacy. In lid 2 worden uitzonderingen hierop geformuleerd. Zo zijn er een drietal situaties waarin de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige openingen of werken. In lid 4 wordt verder bepaald dat wanneer een nabuur als gevolg van verjaring geen wegneming van een opening of werk meer kan vorderen, hij verplicht is binnen een afstand van twee meter daarvan geen gebouwen of werken aan te brengen die de eigenaar van het andere erf onredelijk zouden hinderen.

4.3.

In dit geval gaat het niet om uitzicht vanaf het perceel van [gedaagde 1] c.s. waartegen [eiser] op grond van artikel 5:50 BW op zou kunnen komen, maar over vermindering van lichtinval bij [eiser] , zodat artikel 5:50 BW om die reden geen toepassing vindt. Datzelfde geldt voor artikel 5:50 lid 4 BW , waarop [eiser] zich specifiek beroept, welk artikel bovendien ziet op verjaring waarvan in dit geval evenmin sprake is.

artikel 5:37 BW

4.4.

[eiser] heeft in de tweede plaats zijn vorderingen gebaseerd op artikel 5:37 BW . De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop.

4.5.

Artikel 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen. In deze bepalingen zijn enkele vormen van hinder met name genoemd, waaronder het onthouden van licht.

4.6.

De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 BW hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.8.

De aard van de hinder is gelegen in het onthouden van lichtinval. Dat sprake is van een substantiële vermindering van lichtinval is tussen partijen niet in geschil. Uit het door [eiser] overgelegde rapport van Genie (2.7), waarin voorafgaand aan de bouw verschillende scenario’s zijn doorgerekend, volgt dat door de bouw van pand II de lichtinval op de eerste verdieping van pand I met 48% vermindert en op de begane grond met 96%. [gedaagde 1] c.s. hebben een bezonningsstudie van [naam bureau] ingebracht, waaruit volgt dat bij een afstand van 1 meter tussen beide panden het percentage daglicht op de gevel van [eiser] 22% bedraagt en bij een afstand van 2 meter 40%, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen de 1e verdieping en begane grond. Uit beide studies volgt aldus een substantiële vermindering van lichtinval en deze duurt naar zijn aard voort.

4.9.

Deze substantiële en voortdurende vermindering van lichtinval schaadt het belang van [eiser] als eigenaar en verhuurder van pand I. Een dergelijke vermindering van lichtinval leidt immers tot direct nadeel voor [eiser] . Directe schade lijdt [eiser] nu nog niet, zijn huurder (Keukenloods) zit nog in zijn pand, maar [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de verhuurbaarheid van zijn pand is verslechterd en dat dit in de toekomst tot financiële schade kan leiden. De ramen in zijn pand aan de zijgevel hebben hun functie voor lichtinval, zeker op de begane grond, immers in grote mate verloren. Dat Keukenloods, de huidige huurder, de bovenverdieping op dit moment niet gebruikt en de ramen op de begane grond heeft afgeplakt, maakt dit niet anders. [eiser] heeft als eigenaar en verhuurder van het pand immers belang bij behoud van genoemde functie van de ramen, nu mogelijk is dat Keukenloods (of een andere huurder) in de toekomst wel gebruik gaat maken van de lichtinval door de ramen. In zoverre is dus ook de uitgebreide discussie die partijen hebben gevoerd over de huidige plannen van Keukenloods en de vraag of Keukenloods nu hinder ervaart, niet relevant.

4.10.

Hier tegenover staat het belang van [gedaagde 1] c.s. dat bestaat uit ruimteverlies en financieel nadeel als de vorderingen worden toegewezen. [gedaagde 1] c.s. hebben erop gewezen dat iedere meter extra afstand tussen pand I en pand II een verlies van 46 m² bedrijfspand betekent. Pand II is namelijk 23 meter lang, heeft twee verdiepingen en kan niet worden ‘verschoven’ van pand I af in verband met aanwezige kabels en leidingen in de gemeentegrond aan de andere zijkant van pand II. Volgens [gedaagde 1] c.s. zullen zij daarnaast financiële schade lijden als zij pand II moeten veranderen. Afbraak en opbouw van pand II zou honderdduizenden euro’s kosten, aldus [gedaagde 1] c.s. Bovendien zouden zij pand II pas later in gebruik kunnen nemen (of tijdelijk niet kunnen gebruiken) met dubbele lasten tot gevolg.

4.11.

Naast deze belangen van [eiser] en [gedaagde 1] c.s. heeft de rechtbank ook de volgende omstandigheden betrokken bij haar oordeel.

4.12.

[gedaagde 1] c.s. wisten dat zij een perceel kochten naast een bestaand pand (pand I) dat als enige in de straat jarenlang een zijgevel met ramen aan de straatkant had. Pand I was immers als hoekpand gebouwd. In dit opzicht verschilt pand I van de andere panden in de straat, zodat het (al dan niet wisselende) beeld in afstanden tussen de andere panden in de straat van beperkte relevantie is voor de vraag of het bouwen op een afstand van 1 meter in dit geval onrechtmatige hinder oplevert.

4.13.

Bovendien heeft [eiser] , zowel bij de vorige eigenaar als bij [gedaagde 1] c.s. direct nadat [gedaagde 1] c.s. het perceel hadden aangekocht (2.4 en 2.5), aangegeven dat hij vreesde voor de vermindering van lichtinval en verzocht daarmee rekening te houden bij de bouw van pand II. [gedaagde 1] c.s. waren dus op de hoogte van dit belang. Partijen zijn daarop in overleg gegaan. Zonder dat dit overleg tot overeenstemming heeft geleid over de afstand tussen de panden, hebben [gedaagde 1] c.s. besloten te gaan bouwen op een afstand van 1 meter (in plaats van de oorspronkelijk geplande 70 cm) van pand I. Daarmee hebben [gedaagde 1] c.s. bewust het risico genomen dat zij pand II zouden moeten aanpassen als later vast zou komen te staan dat de gekozen afstand van 1 meter onrechtmatige hinder oplevert en dat zij daarvoor kosten moeten maken. Datzelfde geldt overigens voor het gegeven dat [gedaagde 1] c.s. zijn gaan bouwen op basis van een omgevingsvergunning waartegen (nog steeds) een bezwaarprocedure loopt. Ook daarvoor geldt dat als na bezwaar of beroep de omgevingsvergunning wordt gewijzigd en [gedaagde 1] c.s. aanpassingen moeten verrichten dit voor rekening en risico van [gedaagde 1] c.s. is.

4.14.

De omstandigheid dat [eiser] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de herindeling in 2011, toen zij als gevolg van verlegging van de Sijsjesbergweg een nieuw uit te geven bouwperceel naast zich kreeg, maakt niet dat [eiser] alles heeft te dulden wat naast haar gebeurt, zoals [gedaagde 1] c.s. in essentie heeft aangevoerd. Ook los hiervan hebben [gedaagde 1] c.s. de plicht om bij het ontwikkelen van de bouwplannen voor pand II rekening te houden met de belangen van de buren en zich te onthouden van onrechtmatige hinder. Feit is nu eenmaal dat [gedaagde 1] c.s. een nieuw uitgegeven onbebouwd perceel hebben gekocht naast een bestaand gebouw met zijramen.

4.15.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen de [eiser] onbetwist heeft gesteld dat [gedaagde 1] c.s. maximaal 75% van hun perceel mochten bebouwen. Daarmee hadden [gedaagde 1] c.s. (binnen zekere grenzen) een keuze over hoe het perceel werd ingedeeld en hadden zij ook de mogelijkheid pand II binnen de bestaande perceelgrenzen anders te situeren met grotere afstand tot pand I.

4.16.

Tot slot heeft [gedaagde 1] c.s. nog aangevoerd dat [eiser] in de toekomst geen schade zal lijden als gevolg van verminderde lichtinval vanwege de beperkte gebruiksmogelijkheden van pand I op grond van het vigerende bestemmingsplan en de van toepassing zijnde erfpachtvoorwaarden. Kort gezegd brengt dit bestemmingsplan mee dat met name bedrijven met een industriefunctie zijn toegestaan en nadrukkelijk geen bedrijven met uitsluitend een kantoorfunctie. Per bedrijfsvestiging is maximaal 50% van het totale bruto vloeroppervlakte als ondersteunende kantoorfunctie toegestaan. Daarnaast is volgens de erfpachtvoorwaarden het gebruik thans beperkt tot ‘showroom (…)’, aldus steeds [gedaagde 1] c.s. Los van de vraag hoe deze beperking van gebruik in de praktijk uitpakt – partijen zijn het daar niet over eens – geldt dat niet is uit te sluiten dat ook bij de huidige bestemming (showroom) lichtinval gewenst is en dat maximaal 50% van de bruto vloeroppervlakte als kantoorruimte gebruikt mag worden waarvoor de 1e etage zich op zichzelf prima leent. Daarmee is het belang van [eiser] bij lichtinval, in het bijzonder op de 1e etage, gegeven.

4.17.

De bovengenoemde omstandigheden tezamen, in combinatie met een weging van de weergegeven belangen van [gedaagde 1] c.s. en [eiser] , leiden tot de conclusie dat in dit concrete geval sprake is van onrechtmatige hinder die bestaat uit het bouwen en instandhouden van een ruim 8 meter hoge muur op een afstand van 1 meter van pand I. Vordering I (verklaring voor recht) zal daarom worden toegewezen, zonder de verwijzing naar artikel 6:162 BW nu dit reeds uit artikel 5:37 BW volgt.

4.18.

Ook vordering II (gebod tot verwijdering), die in het verlengde van vordering I ligt, zal worden toegewezen. Welke afstand niet langer onrechtmatige hinder oplevert, is voor een deel arbitrair: er bestaat geen rekenkundig model en partijen hebben geen handvaten aangedragen waarom 2 of 4 meter of een andere afstand, zoals gevorderd, de juiste afstand zou zijn. Uit het rapport van [naam bureau] (2.8) volgt dat bij een afstand van 2 meter tussen beide panden het percentage daglicht op de gevel van [eiser] 40% bedraagt (i.p.v. 22% daglicht bij 1 meter). [eiser] heeft op basis van dit rapport zelf benadrukt dat bij 2 meter ook rechtstreeks zonlicht op de eerste verdieping binnenkomt (wat nu niet het geval is) wat volgens haar de bruikbaarheid en verhuurbaarheid veel beter waarborgt. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank het gebod toewijzen tot 2 meter. De dwangsom wordt gemaximeerd zoals in de beslissing vermeld.

4.19.

Tot slot vordert [eiser] verwijzing naar de schadestaatprocedure. De rechtbank zal dit toewijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat het bestaan of de mogelijkheid van schade aannemelijk is en daaraan is voldaan (4.9).

de proceskosten

4.20.

[gedaagde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 100,89

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2,0 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 1.490,89

4.21.

[gedaagde 1] c.s. zullen tevens worden veroordeeld in de nakosten op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

de rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat sprake is van onrechtmatige hinder ex artikel 5:37 BW van [gedaagde 1] c.s. jegens [eiser] , bestaande uit het oprichten en opgericht houden van een blinde muur van meer dan 8 meter hoog op circa 1 meter afstand van pand I en de zich daarin bevindende ramen van [eiser] ;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s., hoofdelijk, om binnen 2 maanden na heden, hun pand (partieel) te verwijderen, zodat tussen beide panden een afstand zal bestaan van 2 meter, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] c.s. in

gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 50.000 is bereikt;

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s., hoofdelijk, om de door [eiser] geleden en nog te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.490,89;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020.

type: PP

coll:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature