< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Wijziging kinderbijdrage, partneralimentatie , wijziging van omstandigheden, vermijdbaarheid en verwijtbaarheid inkomensverlies, kosten van de kinderen voldoen uit vermogen, limitering partneralimentatie, aftrekbaarheid partneralimentatie.

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/680889 / FA RK 20-1224 (HE/SM)

Beschikking van 4 november 2020 betreffende wijziging van alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.L.P. Heuts te Breda,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.L.J. Leijendekker te Wijk bij Duurstede.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoek van de man, ingekomen op 26 februari 2020;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 7 april 2020;

een F9-formulier met bijlage van de vrouw van 29 juni 2020;

een F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 19 augustus 2020;

een F9-formulier met bijlagen van de man van 24 augustus 2020;

de faxbericht van 25 en 28 augustus 2020 van de man;

een F9-formulier met bijlagen van de man van 1 september 2020;

een F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 2 september 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 september 2020. Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 25 oktober 2008. Hun huwelijk is op 9 oktober 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 juni 2018 van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;

- [minderjarige 2],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012.

2.3.

Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit. De minderjarigen verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.

2.4.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.5.

Bij beschikking van 13 februari 2019 heeft deze rechtbank onder andere bepaald dat:

- de man gehouden is vanaf 9 oktober 2018 een kinderbijdrage te voldoen van € 725,-- per kind per maand (thans na indexering € 757,99 per kind per maand), bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

- de man gehouden is vanaf 9 oktober 2019 een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen van

€ 1.645,-- per maand (thans na indexering € 1.719,85 per maand).

2.6.

Bij beschikking van 3 juli 2020 van deze rechtbank is in de zaak met nummer C/13/684775/ JE RK 20-477 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de kinderen van partijen onder toezicht te stellen voor de duur van 12 maanden afgewezen.

2.7.

Bij beschikking van 8 juli 2020 van deze rechtbank is in de zaak met nummer C/13/670304/FA RK 19/4704 bepaald dat:

- de bij beschikking van 16 oktober 2019 voorlopig bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders wordt gehandhaafd met dien verstande dat de kinderen een weekend per veertien dagen van zaterdag 9:30 uur tot maandag naar school bij de man verblijven en in de week voorafgaande aan het omgangsweekend op de woensdag uit school tot 19:30 uur;

- de behandeling van de definitieve zorgregeling en de benoeming van de bijzondere curator pro forma wordt voortgezet op 6 januari 2021 in afwachting van het verloop van Ouderschap Blijft;

- partijen zich uiterlijk veertien dagen voor voornoemde datum uit dienen te laten over de gewenste voortgang van de procedure;

- iedere verdere beslissing is aangehouden.

3 De verzoeken, verweren en het zelfstandig verzoek

3.1.

De man verzoekt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 13 februari 2019 van deze rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad;

- te bepalen dat hij met ingang van 1 februari 2020 een bijdrage in de opvoeding en verzorging van de kinderen van partijen zal voldoen van € 190,-- per kind per maand en hij vervolgens met ingang van

1 september 2020 een bijdrage van € 553,-- per kind per maand zal dienen te voldoen;

- te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 februari 2020 op nihil wordt gesteld;

Dan wel bij voorwaardelijk verzoek, indien de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van behoefte, behoeftigheid en draagkracht en de rechtbank thans een door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vaststelt, die bijdrage op nihil te stellen met ingang van

1 september 2023.

3.2.

De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man en verzoekt de rechtbank alle verzoeken van de man niet ontvankelijk te verklaren, danwel te ontzeggen. Daarnaast verzoekt zij de rechtbank bij wijze van zelfstandig verzoek de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder haar advocaatkosten begroot op een bedrag van € 5.000,-- exclusief BTW (derhalve inclusief € 6.050,--).

3.3.

Op de stelling van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Wijziging van omstandigheden

4.1.1.

De man doet een beroep op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Hij stelt dat de belangrijkste wijziging van zijn omstandigheden is gelegen in het feit dat hij met ingang van

4 december 2019 weer in Nederland woont, in plaats van in de Verenigde Staten. De man stelt naar Nederland te zijn verhuist voor de kinderen. Hij maakte zich ernstig zorgen om de kinderen en wenste een beter, uitgebreider, meer structureel en persoonlijker contact met de kinderen. Gelet daarop stelt de man dat hem niet verweten kan worden dat hij heeft besloten naar Nederland te emigreren.

Vanaf 15 januari 2020 heeft de man een eigen appartement in Amsterdam. Thans is er bij beschikking van 16 oktober 2019 een (voorlopige) zorgregeling vastgelegd tussen de man en de kinderen en is er eveneens een vakantiezorgregeling vastgelegd.

De man heeft door zijn verhuizing naar Nederland vanaf 1 december 2019 zijn baan in de VS moeten opzeggen. Tot recent kon hij in Nederland geen werk vinden, ondanks zijn diverse pogingen daartoe. De man was de afgelopen 11 jaar in de VS werkzaam in de trustindustrie. In die sector kon hij in Nederland moeilijk een baan vinden en daarbij komt dat de Coronacrisis de zoektocht van de man naar een baan ernstig heeft bemoeilijkt. De man heeft inmiddels per 1 september 2020 een baan gevonden bij [naam werkgever 1] op fulltime basis en voor de duur van één jaar. Zijn bruto jaarinkomen bij deze werkgever zal € 140.000,--, inclusief vakantietoeslag, gaan bedragen.

Daarnaast voert de man aan dat hij aan de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen een bedrag van € 151.914,30 heeft overgehouden en de vrouw heeft hieruit een bedrag van € 160.235,30 ontvangen. De man stelt nu noodgedwongen op dit vermogen te moeten interen, door de hoge kosten van zijn internationale verhuizing, het feit dat hij langere tijd geen werk had en zijn alimentatieverplichtingen in de afgelopen periode gewoon door lopen.

Gelet op voornoemde veranderingen is de man van oordeel dat de eerder door de rechtbank bij beschikking van 13 februari 2019 opgelegde kinder- en partneralimentatie gewijzigd dienen te worden.

4.1.2.

De vrouw denkt primair dat de man nog steeds werkzaamheden verricht c.q. een baan heeft in de VS. Zij heeft bij haar stuk van 19 augustus 2020 stukken overgelegd waaruit volgens haar zou blijken dat de man nog werkzaamheden verricht in de VS. Uit het feit dat de man betalingen doet van zijn Amerikaanse rekeningen, kan daarbij volgens de vrouw worden afgeleid dat het leven van de man zich nog in de VS afspeelt.

De vrouw stelt subsidiair, voor het geval de rechtbank tot de conclusie komt dat de man bij aankomst in Nederland geen inkomsten meer had uit arbeid, dat de man zich niet kan beroepen op zijn verhuizing naar Nederland als zijnde een wijziging van omstandigheden. De man is willens en wetens uit [woonplaats 2] vertrokken. Hij wist op het moment van zijn vertrek welke alimentatieverplichtingen hij had jegens de vrouw en kinderen en hij wist dat hij nog geen baan had in Nederland. De man was daarnaast voor zijn vertrek reeds op de hoogte van zijn kansen op de Nederlandse arbeidsmarkt en de hoogte van de salarissen in Nederland. Dit heeft de man er niet van weerhouden toch naar Nederland te vertrekken.

Daarnaast merkt de vrouw op dat de man, toen hij in Nederland kwam, voor veel geld een appartement voor zichzelf heeft gehuurd. Hij betaalt € 2.500,-- per maand aan huur en hij moest een borg betalen. Dit was eveneens een eigen keuze van de man. De man bezuinigt sinds hij in Nederland is niet op zijn uitgaven. De vrouw merkt tevens op dat de voorlopige contactregeling tussen de man en de kinderen niet goed verloopt en zij maakt zich grote zorgen over de uitvoering van deze regeling.

De door de man gestelde wijziging is de vermogenspositie van partijen kan volgens de vrouw ook niet leiden tot een wijziging van omstandigheden. De man wist reeds hoe deze vermogenspositie er uit zou gaan zien voor zijn vertrek naar Nederland.

Voorts stelt de vrouw dat de man in staat moet worden geacht een inkomen uit arbeid te verwerven in Nederland of de VS. De man kan in Nederland ook in een andere sector gaan werken dan de trustsector en moet in staat worden geacht een vergelijkbaar inkomen te verwerven als in de VS.

Gelet op het voorgaande stelt de vrouw dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu niet is gebleken dat de man geen inkomen meer heeft. Indien de rechtbank er echter vanuit gaat dat de man geen inkomen meer had na zijn aankomst in Nederland, dan stelt de vrouw dat man verwijtbaat geen inkomen meer heeft en dit voor zijn eigen rekening en risico dient te blijven. De verzoeken van de man dienen dan ook te worden afgewezen en de man dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.1.3.

Gelet op de wijzigingen in de omstandigheden van de man – zijnde zijn emigratie naar Nederland – en de wijziging van de zorgregeling die dit met zich mee heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat zich een relevante wijziging van omstandigheden voorgedaan, die een herbeoordeling van de eerder door de rechtbank vastgestelde onderhoudsplichtigen rechtvaardigt. De rechtbank acht dat man dan ook ontvankelijk in zijn verzoeken met betrekking tot de kinderbijdrage en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en zal deze verzoeken inhoudelijk beoordelen.

4.2.

Juridisch kader

4.2.1.

De rechter heeft een zelfstandige taak bij het vaststellen van de financiële middelen waarover de alimentatieplichtige kan beschikken en is daarin volgens vaste rechtspraak in hoge mate vrij. De feitelijke rechter is ook vrij in de mate waarin hij de aanwezigheid van schulden bepalend doet zijn voor de draagkracht.

4.2.2.

Het is vaste rechtspraak dat het bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aankomt op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven. Daarnaast is voor de bepaling van de draagkracht ook de omvang van het vermogen van belang. Interen daarop kan zeer wel gerechtvaardigd zijn.

4.2.3.

In de onderhavige zaak dient de rechtbank allereerst te onderzoeken of er sprake is van inkomensverlies, of het inkomensverlies van de man herstelbaar is, dus of de man redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijk inkomen te verwerven en of de vrouw dit ook van hem kan vergen. Is dat het geval, dan blijft het inkomensverlies buiten beschouwing en wordt uitgegaan van een fictieve draagkracht. Het is dan niet relevant of het inkomensverlies verwijtbaar is. Is sprake van onherstelbaar inkomensverlies dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of de inkomensverandering geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet worden bezien of de man uit hoofde van zijn verhouding tot de vrouw en de kinderen zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Indien de man ten aanzien van het inkomensverlies een verwijt kan worden gemaakt, dan kan de rechter het inkomensverlies buiten beschouwing laten. De rechtbank gaat dan uit van een fictief inkomen.

4.3.

Ingangsdatum

De rechtbank acht het redelijk de wijziging van de eventuele door de man te betalen kinderbijdrage en partneralimentatie in te laten gaan vanaf 26 februari 2020, zijnde de datum van indiening van zijn verzoek, nu de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met het feit dat de door de man te betalen bijdragen gewijzigd konden worden.

4.4.

Inkomensverlies man, vermijdbaarheid en verwijtbaarheid

4.4.1.

De man stelt dat het verlies van zijn inkomen niet vermijdbaar en verwijtbaar was. De man stelt de keuze te hebben gemaakt om terug te komen naar Nederland, omdat het niet goed ging met de kinderen van partijen. Hij wilde meer tijd met de kinderen doorbrengen en er meer voor hen zijn.

Als gevolg van zijn emigratie naar Nederland was hij gedwongen om zijn baan in de VS bij [naam werkgever 2] met ingang van 1 december 2010 op te zeggen. Het was volgens hem niet mogelijke deze baan te behouden en zijn werkzaamheden voor [naam werkgever 2] vanuit Nederland te verrichten.

De man stelt dat hij vanaf het moment dat hij in de VS heeft besloten terug naar Nederland te emigreren veelvuldig heeft gesolliciteerd op functies in Nederland. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling een overzicht van zijn sollicitaties overgelegd. Ook stelt hij door middel van headhunters en het benaderen van zijn contacten in de VS en de Benelux te hebben geprobeerd een baan te krijgen. De sollicitaties van de man zijn echter niet succesvol geweest. Daarbij heeft de afstand tussen de VS en Nederland tot 4 december 2020 een rol gespeeld en ook speelt daarin mee dat de man ruim 11 jaar in de VS heeft gewerkt waardoor hij vervreemd is geraakt van de Nederlandse arbeidsmarkt. Ook heeft de Coronacrisis er voor gezorgd dat er minder aanbod was van banen. De man werkte in de VS in de trustsector, welke sector in Nederland volledig ‘on hold’ staat, nu deze sector in Nederland aan strengere eisen en wetgeving onderhevig is. Dit maakt dat er in Nederland in deze sector weinig banen beschikbaar zijn. Tevens merkt de man op dat de inkomens in deze sector in Nederland aanzienlijk lager liggen, dan in de VS. Vlak voor de mondelinge behandeling heeft de man een nieuwe baan gevonden. Hij gaat vanaf 1 september 2020 bij zijn nieuwe werkgever aan de slag.

4.4.2.

De vrouw stelt dat dat de man altijd werkzaam is gebleven bij zijn voormalige werkgever(s) en hij vanaf 1 december 2020 een inkomen genereert gelijk aan het inkomen dat hij had toen hij nog in de VS woonde. De man heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn dienstverband bij [naam werkgever 2] ook daadwerkelijk is beëindigd. De overgelegde opzegging per email is daartoe onvoldoende. De man kan ook vanuit Nederland zijn werkzaamheden hebben verricht of online. Ter onderbouwing van haar stelling voert de vrouw aan dat de man tot voorkort feitelijk nog steeds in de VS leefde. Dit blijkt volgens haar ook uit het betalingsverkeer van de man. Hij verricht vrijwel al zijn betalingen door middel van Amerikaanse (credit)cardrekeningen en zijn vriendin woont nog in de VS.

Hierbij komt dat de man in Nederland een woning gehuurd van € 2.500,-- per maand, wat niet mogelijk is voor iemand die geen inkomen heeft, en heeft de man zijn luxe levensstijl na aankomst in Nederland gewoon voortgezet. Ook voert de vrouw aan dat de man in staat kan worden geacht, bijvoorbeeld door middel van werk als ZZP-er, een inkomen uit arbeid te verwerven dat gelijk is aan zijn inkomen in de VS. Gelet daarop stelt de vrouw in eerste instantie dat er geheel geen sprake is van een inkomensverlies aan de zijde de man.

Mocht de rechtbank echter van oordeel zijn dat er wel sprake is van inkomensverlies aan de zijde van de man, dan stelt de vrouw dat dit verlies van inkomen vermijdbaar en verwijtbaar was. De man heeft bewust de keuze gemaakt naar Nederland te emigreren, terwijl hij wist dat hij geen inkomen had in Nederland en daarbij wist hij dat hij in Nederland niet eenvoudig een baan zou kunnen vinden waarmee hij een vergelijkbaar inkomen zou kunnen genereren als zijn inkomen in de VS. Gelet op de onderhoudsplicht die de man heeft jegens de vrouw en kinderen, had van hem verwacht mogen worden dat hij niet of pas op een later moment naar Nederland zou emigreren.

4.4.3.

Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de man tot heden nog werkzaam zou zijn voor zijn werkgever [naam werkgever 2] , overweegt de rechtbank als volgt. De man heeft een mail overgelegd van

1 november 2019 waaruit blijkt dat hij zijn dienstverband bij [naam werkgever 2] beëindigd en daarbij heeft hij een uitdraai overgelegd van de website van [naam werkgever 2] waaruit blijkt dat de heer [naam] zijn oude functie bij [naam werkgever 2] heeft overgenomen. Ook heeft de man stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij reeds voor zijn vertrekt uit de VS tot recent actief op zoek is geweest naar een andere baan.

Gelet op de inhoud van deze stukken en hetgeen de man ter zitting naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende heeft aangetoond dat hij in ieder geval vanaf het moment dat hij in Nederland is komen wonen tot 1 september 2020 geen inkomsten uit arbeid heeft gehad.

De rechtbank dient thans dan ook te beoordelen of het inkomensverlies van de man herstelbaar was, dus of de man redelijkerwijs in staat moest worden geacht in de periode van 4 december 2020 tot

1 september 2020 een vergelijkbaar inkomen te verwerven als zijn inkomen in de VS en de vrouw dit ook van hem kon vergen. Indien blijkt dat het inkomensverlies onherstelbaar is dient de rechtbank te beoordelen of de man een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van dit inkomensverlies.

Ten aanzien van deze vragen overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de man een gerechtvaardigd belang had om terug naar Nederland te verhuizen, om zodoende meer tijd met de kinderen te kunnen doorbrengen. In beginsel is het in het belang van de kinderen dat zij goed en regelmatig contact hebben met hun beide ouders en dat is alleen mogelijk als beide ouders in Nederland wonen. Daarbij komt dat partijen beide van origine Nederlanders zijn en de vrouw reeds in 2016 het besluit heeft genomen om met de kinderen naar Nederland te verhuizen. De vrouw verwijt de man dat hij naar Nederland is verhuist zonder dat hij zeker wist dat hij in Nederland op korte termijn een baan zou kunnen vinden met een vergelijkbaar salaris. Hiermee heeft de man volgens de vrouw bewust zijn financiële verplichtingen afgewenteld op de vrouw en kinderen. Gebleken is echter dat de man ruim voor zijn vertrek heeft gezocht naar een andere baan en daarbij staat vast dat de man ten tijde van zijn vertrek naar Nederland een aanzienlijke financiële buffer had opgebouwd, waarmee hij in staat was gedurende de eerste periode na zijn aankomst in Nederland aan al zijn financiële verplichtingen te voldoen. In dit licht is de rechtbank dan ook van oordeel dat de man niet verweten kan worden dat hij begin december 2020 naar Nederland is verhuisd, zonder dat hij zekerheid had over zijn inkomen. Ook heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij er in de periode vanaf zijn aankomst in Nederland alles aan heeft gedaan een baan te vinden. Dit is de man echter niet gelukt, mede door het feit dat de Coronacrisis zich in maart 2020 aandiende. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat zijn inkomensverlies niet verwijtbaar was.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat de man vanaf het moment dat hij in Nederland is komen wonen tot 1 september 2020 geen inkomen had.

4.5.

Behoefte kinderen

De rechtbank heeft in de beschikking van 13 februari 2019 de behoefte van de kinderen vastgesteld op € 1.450,-- per maand (in 2018), na indexering is dit in 2020 een bedrag van € 1.515,98 per maand voor twee kinderen. Partijen zijn het er over eens dat dit de huidige behoefte is van de kinderen. De rechtbank zal hier dan ook van uitgaan.

4.6.

De kinderbijdrage

Draagkracht van de vrouw

4.6.1.

De vrouw stelt dat het feit dat zij geen inkomen genereert niet relevant is voor de vaststelling van de door de man te betalen kinderbijdrage. De vrouw stelt dat de rechtbank eerder in de beschikking heeft vastgelegd dat zij, naast de verplichting van de man om de kinderbijdrage en partneralimentatie te betalen, onbeperkt werkzaamheden mag verrichten zonder dat dit invloed heeft op de kinderbijdrage en partneralimentatie. De man betwist dit. De vrouw heeft daarbij tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij gelet op de zorg voor de kinderen en de diverse contacten die zij met de hulpverlening voor de kinderen dient de onderhouden, niet in de gelegenheid is te werken.

4.6.2.

De rechtbank is van oordeel dat op termijn van de vrouw verwacht mag worden dat zij zich ten volle inspant om zoveel als mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dit is ook eerder door de rechtbank overwogen in r.o. 2.4.8. van de beschikking van 13 februari 2019. In de voornoemde echtscheidingsbeschikking is echter ook overwogen dat door het vertrek van partijen naar [woonplaats 2] in 2008, alsmede door de geboorte van de kinderen, een langdurig gat is ontstaan in het arbeidsverleden van de vrouw. Daarbij is destijds ook meegenomen dat de man ten tijde van de echtscheiding in [woonplaats 2] woonde en werkte, waardoor de vrouw grotendeels alleen de zorg diende te dragen voor de kinderen. Dit alles maakt dat de terugkeer van de vrouw op de arbeidsmarkt bemoeilijkt wordt. Gelet op het voorgaande kan volgens de rechtbank uit de beschikking van

13 februari 2019 niet worden afgeleid dat de rechtbank zou hebben vastgesteld dat de vrouw onbeperkt werkzaamheden zou mogen verrichten zonder dat dit invloed heeft op de kinderbijdrage en partneralimentatie, danwel dat haar draagkracht niet van belang zou zijn voor de bepaling van de kinderbijdrage en partneralimentatie.

Inmiddels is de man vanaf december 2019 weer woonachtig in Nederland en kan de man de vrouw deels ondersteunen bij de zorg voor de kinderen. De rechtbank is gelet op de huidige situatie van partijen, het arbeidsverleden van de vrouw en de opleidingen die de vrouw in het verleden heeft gedaan, van oordeel dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij in ieder geval vanaf 1 september 2021 een inkomen uit arbeid genereerd ter hoogte van een fulltime minimumloon, thans zijnde

€ 1.680,-- bruto per maand.

4.6.3.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanaf 1 september 2021 vanuit dat de vrouw met een inkomen van € 1.680,-- bruto per maand een draagkracht heeft van € 426,-- per maand. Voor de periode tot 1 september 2021 gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouw maandelijks in staat is een minimale bijdrage te voldoen voor de kinderen van € 25,-- per kind per maand.

Draagkracht van de man over de periode van 26 februari 2020 tot 1 september 2020

4.6.4.

Zoals hiervoor onder r.o. 4.4.3 overwogen had de man in de periode van 26 februari 2020 tot

1 september 2020 geen inkomen. Uitgaande van deze situatie stelt de man voor dat partijen de kosten van de kinderen uit hun beider vermogen voldoen. De man berekent zijn vermogen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift op € 115.000,--, waarbij geen rekening is gehouden met zijn creditcardschulden en de verplichtingen daaromtrent. De man verwacht dat partijen destijds een vergelijkbaar vermogen hadden. Gelet op het voorgaande stelt de man voor dat zowel de man als de vrouw – in de periode dat hij geen inkomen heeft – de helft van de behoefte van de kinderen van in totaal € 1.515,98 per maand dienen te dragen, zijnde afgerond € 758,-- per maand. De man maakt daarbij aanspraak op een zorgkorting van 25% van de totale behoefte van de kinderen, zijnde een bedrag van € 379,-- per maand. De kinderen verblijven immers een weekend per veertien dagen, een doordeweekse dag en de helft van alle vakanties en feestdagen bij de man. Gemiddeld genomen komt dit volgens de man neer op twee dagen per week. Hierdoor blijft er een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen over van € 190,-- per kind per maand. Hij stelt bereidt te zijn dit bedrag te betalen vanaf 1 februari 2020.

De kinderbijdrage over de periode van 26 februari 2020 tot 1 september 2020

4.6.5.

Zoals hiervoor reeds overwogen staat de hoogte van de maandelijkse kosten van de kinderen vast. De rechtbank merkt voorts op dat de vrouw geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen het voorstel van de man om de kosten van de kinderen gedurende de periode dat zij beiden geen inkomen hadden gelijk te dragen uit hun vermogen. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk dat partijen tot september 2020 de kosten van de kinderen gelijk verdelen, te weten ieder betaald een bedrag van € 758,-- per maand voor de kosten van de kinderen. Daarbij komt dat de man gelet op de omvang van de lopende zorgregeling aanspraak kan maken op een zorgkorting van 25%, zijnde

€ 190,-- per kind per maand. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de door de man te betalen kinderbijdrage voor de periode van 26 februari 2020 tot 1 september 2020 vast op een bedrag van

€ 190,-- per kind per maand.

Draagkracht van de man over de periode vanaf 1 september 2020

4.6.6.

De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf 1 september 2020 in dienst is getreden bij [naam werkgever 1] . Zijn bruto jaarloon zal € 140.000,--, inclusief vakantiegeld, gaan bedragen. Tevens is uit de door de man overgelegde stukken gebleken dat hij over dit inkomen een pensioenpremie dient af te dragen van € 392,-- per maand. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de berekening van de draagkracht van de man. De man berekend zijn draagkracht ten behoeve van de kinderbijdrage vanaf 1 september 2020 op € 553,-- per kind per maand.

4.6.7.

Nu de vrouw geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de voornoemde draagkrachtberekening van de man en de rechtbank de draagkracht van de man vanaf 1 september 2020 eveneens berekend op het bedrag van € 553,-- per kind per maand, zal de rechtbank dit bedrag vastleggen in deze beschikking.

Draagkracht partijen vanaf 1 september 2021

4.6.8.

Voor de periode vanaf 1 september 2021 gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouw een draagkracht heeft van € 426,-- per maand, zoals overwogen onder r.o. 4.6.3. Vanaf die datum zal de vrouw dan ook vanuit haar eigen inkomen dienen bij te dragen aan de kosten van de kinderen en berekend de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen op € 456,-- per kind per maand. Deze bijdrage zal worden vastgelegd in het dictum van de beschikking.

4.7.

Partneralimentatie

Verdiencapaciteit, behoefte en behoeftigheid vrouw

4.7.1.

De rechtbank heeft onder r.o. 4.6.2. reeds bepaald dat de vrouw vanaf 1 september 2021 in staat wordt geacht een inkomen te genereren van € 1.680,-- bruto per maand. Tot die tijd gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouw geen inkomsten heeft.

4.7.2.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie overweegt de rechtbank als volgt. In de beschikking van de rechtbank van 13 februari 2019 heeft de rechtbank in r.o. 2.4.14. overwogen dat de man destijds een bruto draagkracht had ten behoeve van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw van € 1.645,-- per maand. Daarna heeft de rechtbank overwogen dat zelfs in het geval de vrouw een inkomen zou gaan genereren ter hoogte van het minimumloon, zij naast dit inkomen minimaal een behoefte heeft van € 1.645,-- bruto per maand, zijnde het bedrag dat de man aan draagkracht heeft. Deze twee bruto bedragen samen zouden volgens de rechtbank destijds resulteren in een netto besteedbaar inkomen van in ieder geval € 2.500,-- netto per maand, aan welk inkomen de vrouw gelet op de welstand ten tijde van het huwelijk van partijen en haar te verwachten bestedingspatroon in Amsterdam volgens de rechtbank minimaal behoefte had. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dan ook dat de vrouw in 2019 een minimale huwelijksgerelateerde behoefte had van € 2.500,-- netto per maand, zijnde geïndexeerd naar 2020

€ 2.562,50.

4.7.3.

Gelet op het feit dat het inkomen van de man thans lager ligt dan ten tijde van de echtscheidingsprocedure, zal de draagkracht van de man ten behoeve van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw de beperkende factor zijn voor de vaststelling van de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen noodzaak de behoefte van de vrouw alsnog nader vast te stellen aan de hand van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht ten aanzien van de behoefte van de vrouw laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.

De periode van 26 februari 2020 tot 1 september 2020

4.7.4.

Nu de man in de periode van 26 februari 2020 tot 1 september 2020 geen inkomen had, stelt de rechtbank vast dat de man in deze periode geen draagkracht had om een bijdrage te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank zal de partneralimentatie in deze periode dan ook op nihil stellen. Daarbij merkt de rechtbank op dat partijen uit de afwikkeling van hun huwelijkse vermogen een vergelijkbaar vermogen hebben overgehouden en niet verwacht kan worden dat de man in tegenstelling tot de vrouw zijn vermogen, naast de betaling van de kinderbijdrage die hij reeds uit dit vermogen zal voldoen, aanwendt om in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voorzien.

De periode vanaf 1 september 2020

4.7.5.

Voor de periode vanaf 1 september 2020 gaat de rechtbank uit van de inkomensgegevens van de man zoals in r.o. 4.6.6. uiteengezet. Ten aanzien van de lasten van de man staat vast dat hij een bedrag van € 2.450,-- per maand aan huur betaald en hij een premie voor zijn zorgverzekering voldoet van

€ 117,-- per maand.

4.7.6.

De man verzoekt de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht in het kader van de partneralimentatie rekening te houden met de aflossingen die hij betaalt aan (huwelijkse) schulden. Hij stelt dat de huwelijkse schulden, die hem bij beschikking van 13 februari 2019 zijn toebedeeld, in totaal € 22.029,-- bedroegen en dat hij op deze schulden maandelijks een bedrag van € 647,-- aflost. Daarbij stelt de man dat hij in het afgelopen jaar een schuld heeft opgebouwd door zijn gebrek aan inkomen, de kosten van zijn verhuizing en de alimentatiebetalingen. Voor deze schuld stelt de man maandelijks een bedrag van € 573,-- af te lossen.

4.7.7.

De rechtbank is van oordeel dat de aflossingen van de huwelijkse schulden niet meegenomen dienen te worden in de berekening van de draagkracht van de man in het kader van de partneralimentatie. De huwelijkse schulden zijn in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen aan de man toebedeeld. Indien de rechtbank de aflossing van deze schulden nu mee zou nemen in de berekening van de draagkracht van de man, zou dat betekenen dat de vrouw alsnog mee zou moeten betalen aan de aflossing van deze schulden, hetgeen niet redelijk is.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het feit dat de man nog over vermogen beschikt, het niet redelijk is dat de man de schuld die hij in het afgelopen jaar heeft laten ontstaan afgewenteld op de vrouw. Deze schulden zijn vermijdbaar. De man kan deze aflossen. Met de aflossing van deze schuld zal de rechtbank eveneens geen rekening houden.

4.7.8.

Uitgaande van voornoemde inkomsten en uitgaven van de man, de door de man te betalen kinderbijdrage van € 553,-- per kind per maand en het feit dat rechtbank er vanuit gaat dat de vrouw tot 1 september 2021 geen inkomsten heeft, stelt de rechtbank de draagkracht van de man ten behoeve van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw voor de periode van 1 september 2020 tot

1 september 2021 vast op € 607,-- bruto per maand. Nu dit bedrag de behoefte van de vrouw niet te boven gaat, zal de rechtbank bepalen dat de man gehouden in dit bedrag aan de vrouw te betalen als bijdrage in haar levensonderhoud.

De periode vanaf 1 september 2021

4.7.9.

Nu de rechtbank onder r.o. 4.6.2. reeds heeft bepaald dat de vrouw vanaf 1 september 2021 in staat moet worden geacht een inkomen te genereren van € 1.680,-- bruto per maand, zal de rechtbank een berekening maken van de draagkracht van partijen vanaf 1 september 2021. Daarbij zal de

rechtbank aan de zijde van de vrouw uitgaan van een bedrag aan huur van € 1.500,-- per maand en een bedrag van € 135,-- per maand aan premie ziektekosten, zoals de vrouw ook heeft opgevoerd in haar behoeftelijst.

4.7.10.

Uitgaande van voornoemde inkomsten en uitgaven van beide partijen en de kosten van de kinderen, stelt de rechtbank de draagkracht van de man ten behoeve van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw voor de periode vanaf 1 september 2021 vast op € 968,-- bruto per maand. Nu dit bedrag de behoefte van de vrouw – na aftrek van het voornoemde inkomen van

€ 1.680,-- bruto per maand – niet te boven gaat, zal de rechtbank bepalen dat de man gehouden in dit bedrag aan de vrouw te betalen als bijdrage in haar levensonderhoud.

Aftrek partneralimentatie

4.7.11.

De man verzoekt de rechtbank bij de vaststelling van de door hem te betalen partneralimentatie rekening te houden met het feit dat de partneralimentatie in de komende jaren beperkter aftrekbaar zal worden in Box I.

4.7.12.

De rechtbank overweegt daartoe dat de hoogte van de alimentatie afhangt van meer factoren dan alleen het fiscaal voordeel voor betaalde partneralimentatie en hypotheekrente . Deze toekomstige factoren zoals inkomsten en andere fiscale voorzieningen zijn nu nog onbekend. Een ander punt is volgens de rechtbank dat de exacte tarieven waartegen de aftrek plaats kan vinden pas in de laatste weken van het jaar definitief worden vastgesteld, wat een praktische belemmering vormt voor het maken van de berekening. Bovendien hangt het volgens de rechtbank sterk van de zaak af of de herziening van het belastingstelsel er daadwerkelijk toe zal leiden dat de onderhoudsbijdrage op een ander bedrag bepaald dient te worden dan thans wordt vastgesteld.”

Limitering partneralimentatie

4.7.13.

De man heeft de rechtbank verzocht de door hem te betalen partneralimentatie vanaf

1 september 2023 op nihil te stellen, gelet op het feit dat hij van mening is dat de vrouw vanaf dat moment in staat moet worden geacht volledig in haar eigen behoefte te voorzien.

4.7.14.

Op grond van artikel 1:157, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek is uitgangspunt dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van voornoemd artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren. Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde - behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval - definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Daarom dient een verzoek tot limitering met terughoudendheid te worden beoordeeld. In het algemeen is vaststelling van partneralimentatie voor een kortere dan de wettelijke termijn van twaalf jaar redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de partneralimentatie bepaalde termijn op voor hem/haar passende wijze in zijn/haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

4.7.15.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om de duur van de onderhoudsverplichting te limiteren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in het licht van het hiervoor geschetste kader onvoldoende gesteld waarom vanaf 1 september 2023 - in afwijking van de hoofdregel - een definitief einde dient te worden gemaakt aan het recht van de vrouw op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank zal het verzoek van de man tot limitering dan ook afwijzen.

4.8.

Proceskosten

4.8.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank om de man te veroordelen in haar proceskosten.

4.8.2.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en niet is gebleken dat de man deze procedure onnodig heeft opgestart, is de rechtbank van oordeel de proceskosten tussen partijen gecompenseerd dienen te worden.

5 De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 13 februari 2019 in zoverre:

5.1.

bepaalt dat de man met ingang van 26 februari 2020 tot 1 september 2020 € 190,-- per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

5.2.

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2020 tot 1 september 2021 € 553,-- per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

5.3.

bepaalt dat de man vanaf 1 september 2021 € 456,-- per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

5.4.

stelt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud in de periode van 26 februari 2020 tot 1 september 2020 op nihil;

5.5.

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2020 tot 1 september 2021 € 607,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.6.

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2021 € 968,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

5.9.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op 4 november 2020.

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature