< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 24 mnd waarvan 9 mnd voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jrn. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering, gepleegd uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking. Als medewerker crediteuren bij Waternet heeft hij bijna 1,5 miljoen euro verduisterd door facturen aan te passen en zo geldbedragen op zijn bankrekening te laten storten.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650752-17 (Promis)

Datum uitspraak: 14 oktober 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboortegegevens] 1967,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres [adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 september 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.C. Wijburg naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 2 juni 2017 tot en met 1 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (totaal 1.484.156,70 euro), in elk geval enig(e) goed(eren)/geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Waternet (vestiging [vestiging] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) / geldbedrag(en) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als medewerker crediteuren, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(artikel 321/322 Wetboek van Strafrecht )

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank vindt, net als de officier van justitie en de raadsman, dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte en dat met een opgave van bewijsmiddelen kan worden volstaan. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal met nummer PL1300-2017262341-1 van 15 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina 001 tot en met 003, inhoudende de aangifte van [naam] .

2. De bekennende verklaring van verdachte op de zitting van 30 september 2020.

3 Een geschrift met proces-verbaal nummer 2017243773, zijnde een overzicht van bijschrijvingen Waternet op bankrekeningnummer [rekeningnummer] (niet genummerd).

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 2 juni 2017 tot en met 1 januari 2018 te Amsterdam, telkens opzettelijk een geldbedrag (totaal 1.484.156,70 euro), dat toebehoorde aan Waternet (vestiging [vestiging] ), en welke geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker crediteuren, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de soort en hoogte van de straf rekening te houden met de persoon van verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de ouderdom van de zaak. Verdachte heeft geen strafblad en heeft het feit meteen toegegeven. Zijn verslavings-problematiek heeft een belangrijke rol gespeeld bij het plegen van het feit. Daarnaast vallen ook ING bank en Waternet verwijten te maken in deze zaak. Deze omstandigheden maken volgens de verdediging dat een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, op zijn plaats is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan rekening gehouden met de ernst van het feit en de persoon van verdachte en overweegt daartoe het volgende.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van bijna € 1,5 miljoen. Dat is een enorm bedrag en verduistering daarvan is op zichzelf al een ernstig feit. In dit geval heeft verdachte dit geld ook nog eens verduisterd uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij Waternet en gaat het om belastinggeld. Het verduisterde geld heeft verdachte grotendeels vergokt. Verdachte is berekenend te werk gegaan. Hij wist weliswaar dat de verduistering eind 2017 / begin 2018 uit zou komen, maar heeft ook handelingen verricht om te voorkomen dat dit eerder bekend zou worden. Dit zijn voor de rechtbank strafverzwarende omstandigheden.

De rechtbank vindt dat verdachte alleen zelf verantwoordelijk is voor zijn daden. Het is zijn keuze geweest om gebruik te maken van een gelegenheid in het systeem van Waternet en op die manier een strafbaar feit te plegen. Verdachte heeft zelfs gezegd dat hij zijn werkgever hiermee een hak wilde zetten. Het is opmerkelijk dat de bank niet eerder heeft ingegrepen, maar dat mocht voor verdachte geen reden zijn om door te gaan met het plegen van strafbare feiten.

Persoon van verdachte

Op de zitting heeft verdachte verteld over zijn persoonlijke situatie en zijn gokverslaving. De rechtbank vindt het aannemelijk dat het water verdachte eind april 2017 aan de lippen stond en dat dit een reden is geweest om het geld te verduisteren. Zijn verslavingsproblematiek heeft vermoedelijk ook een rol gespeeld bij het voortzetten van dit strafbare feit. Verdachte heeft enkele gesprekken gevoerd bij Jellinek over zijn gokverslaving maar dat traject is eind 2019 gestopt vanwege gebrek aan motivatie bij verdachte. Verdachte is nu wel gestopt met gokken omdat hij onder bewind staat en geen middelen heeft om mee te gokken.

Verdachte is volgens zijn strafblad van 8 september 2020 niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit.

De reclassering heeft geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij interventies of toezicht niet nodig vindt. Er is volgens de reclassering een contra-indicatie voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat verdachte dan zijn uitkering, en daarmee waarschijnlijk ook zijn woning, zal verliezen.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij na ontdekking van de verduistering direct openheid van zaken heeft gegeven en het feit inmiddels bijna 3 jaar geleden is gepleegd.

Op te leggen straf

De rechtbank zal bij de straftoemeting aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in het bijzonder bij de oriëntatiepunten voor fraude. Als oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag van € 1 miljoen en hoger geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden tot het wettelijke maximum, in dit geval 4 jaar .

Gelet op de hiervoor genoemde strafverminderende omstandigheden vindt de rechtbank in dit geval een gevangenisstraf van 24 maanden op zijn plaats. In de strafverzwarende omstandigheden ziet de rechtbank wel aanleiding om enigszins af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank vindt alles afwegend een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk passend en geboden. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank hoopt wel dat verdachte hulp zoekt bij zijn verslavings- en sociale problematiek, maar vindt niet dat dit binnen een strafrechtelijk kader moet plaatsvinden.

De rechtbank zal in verband met de verslavingsgevoeligheid van verdachte een proeftijd van 3 jaar opleggen. Verdachte heeft daarmee een stok achter de deur om, als hij weer zelf zijn financiën beheert, geen strafbare feiten te plegen om eventuele schulden te betalen of aan een verslaving toe te geven.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 322 van het Wetboek van Strafrecht .

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat 9 (negen) maanden van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. Breugem, voorzitter,

mrs. J.V. Vegter en Ch.A. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature