< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een man met een vitaal beroep reist dagelijks met het openbaar vervoer (ov) tussen zijn woonplaats en zijn werkplek in Amsterdam. De man vindt dat NS de Covid-19-Noodverordening overtreedt omdat anderhalve meter afstand tussen reizigers niet mogelijk is. Hij vraagt de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland daarom om handhaving. De Veiligheidsregio vindt het belang van de man niet anders dan het belang van alle andere ov-reizigers. De voorzieningenrechter is het daarmee eens.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/5192

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

de voorzitter van de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker laten weten dat hij geen inhoudelijk besluit neemt op zijn handhavingsverzoek.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de Nederlandse Spoorwegen (NS). Dit heeft hij gedaan omdat hij voor zijn werk dagelijks met het openbaar vervoer tussen [woonplaats] en Amsterdam reist en de NS volgens verzoeker artikel 2.7, eerste lid, van de Noodverordening overtreedt. In dat artikellid staat dat vervoerders voorzieningen voor openbaar vervoer zodanig inrichten dat reizigers in staat worden gesteld zoveel mogelijk een afstand van tenminste anderhalve meter ten opzichte van anderen in acht te nemen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het belang van verzoeker is namelijk niet te onderscheiden van dat van alle andere reizigers die gebruik maken van het openbaar vervoer of de NS. Daarom heeft verweerder geen inhoudelijk besluit genomen op het handhavingsverzoek.

3. Verzoeker voert aan dat hij wel belanghebbende is in de zin van de Awb. Zijn belang is voldoende persoonlijk en onderscheidend, omdat een ernstige inbreuk op zijn gezondheid wordt gemaakt. Door het beleid van de NS en door het niet handhaven van verweerder wordt het te druk in de trein en worden mensen te weinig in staat gesteld om afstand te kunnen houden. Daardoor neemt het gevaar op besmetting met COVID‑19 aanzienlijk toe. Verzoeker gebruikt de trein voor essentiële reisbewegingen. Hij heeft een vitaal beroep. Verzoeker heeft geen auto en zijn werkgever wil het gebruik van eigen vervoer niet vergoeden. Gebruik van het openbaar vervoer is voor hem daarom noodzakelijk, in tegenstelling tot voor andere reizigers.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

5. De voorzieningenrechter acht het niet onjuist dat verweerder verzoeker niet heeft aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb. Daarbij is van belang dat verzoeker vooralsnog onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een eigen en persoonlijk belang heeft bij het handhavingsverzoek, dat hem in voldoende mate onderscheidt van andere reizigers. Verzoeker voert aan dat het gevaar op besmetting met COVID‑19 aanzienlijk toeneemt, maar het is de voorzieningenrechter onduidelijk waarom dit voor andere reizigers niet zou gelden.

6. Verzoeker stelt voorts dat alternatief vervoer redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Hierin ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het in de eerste plaats op de weg van verzoeker ligt om zijn reisprobleem op te lossen. De omstandigheid dat verzoeker op zijn werkplek in Amsterdam aanwezig moet zijn, maakt het vorenstaande niet anders. Uit het aangevoerde kan de voorzieningenrechter niet opmaken dat verzoeker daar niet toe in staat is.

7. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.C.H. Hersbach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzoeker heeft zich eveneens met een vergelijkbaar verzoek tot de voorzitter van de veiligheidsregio Gelderland-Zuid gewend. Dit verzoek is niet ingewilligd. Bij uitspraak van 14 september 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4683, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland het verzoek om voorlopige voorziening in de procedure over dat handhavingsverzoek afgewezen.

Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland van 1 juli 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature