< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

HBC, het moederbedrijf van het inmiddels failliete warenhuisconcern Hudson’s Bay Netherlands, moet de verhuurder van het pand waarin het warenhuis was gevestigd in Almere ruim 1,3 miljoen euro aan huur betalen. Het is namelijk niet bij voorbaat aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt vastgesteld dat de verhuurder zich niet aan de mededingingsregels heeft gehouden op grond waarvan HBC minder huur zal hoeven te betalen en dat de concerngarantie die HBC heeft afgegeven voor de huurovereenkomsten van de winkelpanden nietig wordt verklaard. Dat heeft de rechter in kort geding bepaald. In een eerder vonnis in een bodemprocedure in een zaak van HBC is geoordeeld dat het bedrijf zich moet houden aan de concerngarantie. Die verplichting geldt nog steeds.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8497797 KK EXPL 20-276

vonnis van: 7 oktober 2020

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Unibail-Rodamco Nederland Winkels B.V.

gevestigd te Schiphol

eiseres

nader te noemen: Unibail

gemachtigde: mr. W. Raas

t e g e n

de vennootschap naar buitenlands recht

Hudson's Bay Company

gevestigd te Ontario (Canada)

gedaagde

nader te noemen: HBC

gemachtigde: mr. J.Ph. de Korte

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 19 mei 2020 met producties heeft Unibail een voorziening gevorderd. HBC heeft een conclusie van antwoord met producties ingediend. Partijen hebben ieder aanvullende producties in het geding gebracht.

Ter terechtzitting van 23 september 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Unibail verscheen bij [naam 1] (head of legal), vergezeld door haar gemachtigde en haar kantoorgenoot mr. J.A. le Clercq. HBC werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde, alsmede zijn kantoorgenoten mr. T. Minovic en mr. G.J. Wilts.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt aan de hand van een pleitnotitie nader toegelicht. Na debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende

1.1.

Unibail en Hudson’s Bay Netherlands B.V. hebben in 2016 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte van ruim 10.000 m2 aan de [adres] . In artikel 7.2 van de overeenkomst is bepaald dat Hudson ’s Bay Netherlands een parent company guarantee (PCG, hierna concerngarantie) van moedermaatschappij HBC zal overleggen.

1.2.

HBC heeft een concerngarantie aan Unibail afgegeven. De garantieovereenkomst houdt kort weergegeven en vertaald in dat HBC voor een periode van 10 jaar de nakoming heeft gegarandeerd van de maandelijkse huurbetalingsverplichting van Hudson’s Bay Netherlands aan Unibail. In de overeenkomst is verder het volgende opgenomen, eveneens kort weergegeven en vertaald:

artikel 1. 2: (..) HBC is niet meer betalingsplichtig zodra Unibail met betrekking tot het gehuurde een huurovereenkomst met een derde partij is aangegaan. Indien de nieuwe huur gedurende de periode van 10 jaar lager is dan de met Hudson’s Bay Netherlands overeengekomen huur, dan is HBC aansprakelijk voor het verschil. Unibail dient redelijke commerciële inspanningen te verrichten om haar schade te beperken.

artikel 6. 5: “The District Court (rechtbank) of Amsterdam” is exclusief bevoegd kennis te nemen van geschillen die uit de garantieovereenkomst voortvloeien.

1.3.

Hudson’s Bay Netherlands heeft een achterstand in de maandelijkse huurbetaling laten ontstaan die ondanks aanmaning en sommatie niet is betaald.

1.4.

Hudson’s Bay Netherlands is op 31 december 2019 in staat van faillissement verklaard. De huurovereenkomst met Unibail is door de curator opgezegd en geëindigd per 1 maart 2020.

1.5.

Unibail heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen Hudson’s Bay Netherlands en HBC teneinde betaling van de achterstallige huur te verkrijgen. Op 21 april 2020 is door de kantonrechter in het bodemschil vonnis gewezen. HBC is veroordeeld tot betaling van in totaal € 3.825.092,09 aan achterstallige huur, berekend tot en met december 2019.

1.6.

HBC is in hoger beroep gegaan van het bodemvonnis van de kantonrechter. De appèlprocedure loopt nog.

1.7.

Unibail is in Canada een exequaturprocedure gestart teneinde het bodemvonnis in Canada ten uitvoer te kunnen leggen.

Vordering

2. Unibail vordert – samengevat – na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad HBC te veroordelen:

A. tot betaling aan Unibail van € 165.148,46 te vermeerderen met btw per maand vanaf 1 maart 2020 tot en met februari 2021, waarbij de veroordeling vanaf datum vonnis geldt als een repeterende voor tenuitvoerlegging vatbare titel voor iedere maand dat HBC na opeisbaarheid van de maandelijkse maandbetaling de veroordeling niet nakomt,

B. tot het stellen van zekerheid ten behoeve van Unibail, onder door Unibail in de dagvaarding opgenomen condities, van € 3.323.143,03 te vermeerderen met btw, en € 165.148,46 te vermeerderen met btw voor iedere maand vanaf maart 2020 tot en met vonnisdatum, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- per dag tot een maximum van 10 miljoen euro,

C. tot betaling aan Unibail van € 7.500,- ex btw wegens kosten ter verkrijging van voldoening in en buiten rechte,

D. tot betaling van de wettelijke handelsrente over de veroordelingen onder A en C,

E. binnen 7 dagen na vonnis, en vervolgens om de 90 dagen tot het moment dat HBC de vordering van Unibail in het geheel heeft voldaan, dan wel de vordering op andere wijze teniet is gegaan, aan Unibail schriftelijk, nauwkeurig en gespecificeerd een opgave te verstrekken van de omvang, samenstelling en allocatie van haar volledige binnen- en buitenlandse inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen, voorzien van een verklaring van een registeraccountant, welke opgave inzage geeft in:

de door HBC gehouden bankrekeningen, bankrekeningnummers en het daarop aanwezige saldo,

de door HBC in eigendom gehouden onroerende zaken, inclusief de kadastrale gegevens, dan wel de gegevens waaronder die onroerende zaken geregistreerd staan in het betreffende land,

de door HBC gehouden intellectuele eigendomsrechten, inclusief een gespecificeerde omschrijving van het kenmerk of registratienummer waaronder de intellectuele eigendomsrechten zijn geregistreerd in het betreffende land of continent,

vorderingen op derden, inclusief de hoogte en grondslag daarvan,

deelnemingen in binnen- en buitenlandse vennootschappen of andere rechtsvormen,

alles op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag dat HBC geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, waarbij elke ingetreden dag als een gehele dag geldt.

Verweer

3. HBC doet een beroep op de onbevoegdheid van de kantonrechter en verweert zich ook inhoudelijk tegen de vordering.

4. Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zoveel nodig ingegaan.

Beoordeling

Bevoegdheid

5. Unibail heeft haar vordering gebaseerd op de concerngarantie die HBC aan haar heeft afgegeven. De garantie houdt kort weergegeven in dat HBC als moedermaatschappij voor een periode van 10 jaar de nakoming heeft gegarandeerd van de maandelijkse huurbetalingsverplichting van Hudson’s Bay Netherlands zoals bepaald in artikel 7.2 van de huurovereenkomst met Unibail. Er bestaat een voldoende nauw verband tussen de onderhavige vordering en die huurovereenkomst. Daarmee is de kantonrechter bevoegd.HBC heeft nog aangevoerd dat partijen een forumkeuze voor uitsluitend de sector handel van de rechtbank Amsterdam hebben gemaakt. Dit standpunt gaat niet op, gelet op artikel 108 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Ook is die uitleg gelet op de bewoordingen van het beding onvoldoende aannemelijk. Het beroep van HBC op onbevoegdheid wordt verworpen.

Spoed

6. Unibail is ontvankelijk in haar vordering. Voldoende aannemelijk is dat HBC in financieel zwaar weer is terechtgekomen. Unibail heeft een spoedeisend belang bij een beslissing op korte termijn over de toewijsbaarheid van haar vordering.

Dit kort geding

7. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Unibail in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Bodemvonnis

8. In geschil is of, en zo ja in hoeverre, HBC de afgegeven concerngarantie moet nakomen. Bij vonnis van 21 april 2020 heeft de kantonrechter in de bodemprocedure tussen partijen geoordeeld dat de garantieovereenkomst dient te worden aangemerkt als een abstracte concerngarantie. Overwogen is dat HBC zich niet kan beroepen op de verweermiddelen die Hudson’s Bay Netherlands kan inroepen tegen Unibail. De verweren van HBC zijn om die reden gepasseerd en HBC is veroordeeld tot betaling aan Unibail van de volledige huurachterstand tot en met december 2019.

Afstemmingsregel

9. Vaste jurisprudentie is dat de rechter in kort geding de zogenaamde afstemmingsregel dient toe te passen. Die regel houdt in dat het vonnis moet worden afgestemd op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in de overwegingen of in het dictum, en ongeacht of het bodemvonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Een uitzondering daarop is aan de orde indien het vonnis klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat een beslissing in hoger beroep niet kan worden afgewacht, of als sprake is van zodanige wijziging van omstandigheden dat de bodemrechter, als hij daarvan op de hoogte was geweest, tot een andere beslissing was gekomen. Aan de afstemmingsregel ligt ten grondslag dat de rechtsverhouding tussen partijen in een bodemprocedure in beginsel bindend wordt vastgesteld.

Mededingingsrecht

10. HBC heeft in dit kort geding aangevoerd dat de huurovereenkomst en de verplichting tot afgifte van een concerngarantie in strijd met het mededingingsrecht tot stand zijn gekomen. Door onderlinge afstemming tussen verhuurders zou de huurprijs te hoog zijn vastgesteld, althans zou Hudson’s Bay Netherlands gedwongen zijn geweest om akkoord te gaan met voor haar nadelige condities. Voorzover HBC zich beroept op een verweermiddel dat Hudson’s Bay Netherlands in haar rechtsverhouding met Unibail heeft (gehad), geldt dat de kantonrechter in de bodemprocedure heeft geoordeeld dat HBC dat verweer niet kan voeren. Het bodemvonnis is duidelijk en de beslissing is gemotiveerd. Van een klaarblijkelijke misslag in het vonnis die niet kan wachten op de beslissing in hoger beroep is geen sprake. Het mededingingsverweer van HBC is niet in de bodemprocedure aan de kantonrechter voorgelegd. HBC heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden die zij aan haar nieuwe verweer ten grondslag heeft gelegd pas ná het bodemvonnis zijn opgekomen. Van een wijziging van omstandigheden die afwijking van de afstemmingsregel rechtvaardigt is dus geen sprake. Ook de andere stellingen van HBC die erop neer komen dat de voorzieningenrechter de beslissing niet zou moeten afstemmen op de overwegingen en het dictum van het bodemvonnis gaan om bovengenoemde reden niet op.

11. Voorzover HBC de schending van mededingingsrecht als zelfstandig verweer inroept tegen nakoming van de concerngarantie treft dit evenmin doel. Voorshands is niet aannemelijk dat sprake is van onrechtmatige benadeling van HBC. Dat Hudson’s Bay Netherlands en/of HBC door kartelvorming bij het aangaan van de huurovereenkomst gedwongen werden nadelige condities te accepteren blijkt onvoldoende. Zij werden tijdens de onderhandelingen over de huurovereenkomst met Unibail bijgestaan door een advocatenkantoor. Aannemelijk is dat de gangbare marktprijzen en condities in Nederland bekend waren. Er is tot begin 2020 nooit tegen een te hoge prijs of ongunstige voorwaarden geprotesteerd. Dat Hudson’s Bay Netherlands indertijd beperkt was in de keuze van winkelruimte op de Nederlandse markt blijkt niet, hetgeen onaannemelijk maakt dat potentiële verhuurders in staat waren druk uit te oefenen op Hudson’s Bay Netherlands of HBC om akkoord te gaan met ongunstige voorwaarden. Daarbij komt dat HBC niet heeft gereageerd op de stelling van Unibail dat als al sprake is van kartelvorming, het mededingingsrecht niet de rechtsverhouding tussen een karteldeelnemer en diens wederpartij met nietigheid bedreigt, maar de afspraken tussen karteldeelnemers onderling.

12. Gelet op het voorgaande strandt het verweer van HBC dat wegens strijd met het mededingingsrecht de concerngarantie voorshands als nietig moet worden aangemerkt, althans zou moeten leiden tot een verminderde huurprijsverplichting.

13. Onderstaand zal worden ingegaan op de andere verweren van HBC, voorzover de beslissing daarover niet reeds in het voorgaande besloten ligt.

Btw en wettelijke (handels)rente

14. Deze posten heeft Unibail niet in de bodemzaak gevorderd. HBC heeft de verschuldigdheid gemotiveerd betwist. Het debat daarover is nog onvoldoende gevoerd en zal in het hoger beroep dienen plaats te vinden. Er is nader onderzoek naar de feiten voor nodig waarvoor in dit kort geding geen plaats is. De vordering van Unibail zal op deze onderdelen worden afgewezen.

Faillissement veroorzaakt

15. Het standpunt van HBC dat Unibail het faillissement van Hudson’s Bay Netherlands mede zou hebben veroorzaakt, als gevolg waarvan HBC in redelijkheid niet gebonden is aan de concerngarantie, is voorshands niet aannemelijk. Het is gemotiveerd betwist door Unibail en in deze procedure zonder nader onderzoek niet goed genoeg te beoordelen.

Coronacrisis

16. Het beroep van HBC op de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid wordt gepasseerd. Het beroep op het ‘corona-akkoord’ gaat niet op omdat HBC geen huurder is en niet de verweermiddelen van Hudson’s Bay Netherlands kan inroepen, zoals hiervoor is overwogen. Dat de coronacrisis de vermogenspositie van HBC in Noord-Amerika heeft aangetast is tegenover de belangen van Unibail voorshands onvoldoende reden om HBC niet gebonden te achten aan haar verplichtingen op grond van de concerngarantie.

Onvoldoende verhuuractiviteiten

17. Voorzover HBC aanvoert dat Unibail onvoldoende heeft ondernomen om haar schade te beperken als bedoeld in artikel 1.2 van de concerngarantie geldt het volgende. Aannemelijk is dat Unibail zelf groot belang heeft om haar winkelruimte opnieuw te verhuren; leegstand heeft een negatieve uitstraling op de rest van het winkelcentrum dat ook van Unibail is. Dat Unibail vele kansen om tot verhuur te komen heeft gemist, zoals HBC aanvoert, heeft Unibail voldoende gemotiveerd betwist met ingebrachte producties, waaronder de verklaring van de heer O. Hoff en de overgelegde correspondentie. Ook hier geldt dat een verder onderzoek naar de feiten in dit kort geding niet kan plaatsvinden.

Het verweer van HBC wordt als voorshands onvoldoende aannemelijk verworpen.

Periode 1 maart 2020 – 1 maart 2021

18. De betalingsvordering van Unibail ziet op de maandelijkse termijnen vanaf 1 maart 2020 tot 1 maart 2021. Onjuist is dat de bodemrechter de vordering op dit onderdeel heeft afgewezen, zoals HBC aanvoert. De bodemrechter heeft daarover geen inhoudelijk oordeel gegeven. De conclusie is datde gevorderde betalingsveroordeling bij wege van voorschot toewijsbaar is zoals in het dictum vermeld, inclusief de gevorderde maar op datum vonnis nog niet opeisbare maandtermijnen. Deze termijnen beslaan nog een periode van vier maanden. Voldoende aannemelijk is dat Unibail binnen die periode geen nieuwe huurder zal hebben kunnen vinden.

Zekerheidstelling

19. Het standpunt van partijen kan als volgt worden samengevat. Unibail vordert dat HBC zekerheid dient te stellen voor de nakoming van de betalingsveroordeling in de onderhavige zaak en in de bodemzaak. Zij beroept zich daartoe op artikel 6:51 van het Burgerlijk wetboek (BW) en 6:162 BW. Unibail voert aan dat gebleken is dat de concerngarantie een ‘lege huls’ blijkt te zijn. HBC weigert te bevestigen dat zij de garantie zal nakomen ex artikel 6:80 BW en reageert niet op verzoeken en sommaties tot betaling. De financiële positie van HBC is slecht en verslechtert met de dag, mede door de coronacrisis. HBC is net van de beurs gehaald en het is duidelijk dat er een aanzienlijke hoeveelheid schulden is. In Canada, waar HBC is gevestigd, is beslaglegging pas mogelijk nadat een vonnis in een bodemzaak is verkregen. HBC heeft in Nederland geen bekende verhaalsobjecten. HBC wringt zich in alle mogelijke bochten om aan verhaal elders in de wereld te ontkomen. Zij maakt zich schuldig aan asset stripping. Zij heeft het winkelcomplex [adres] , waarvan zij eigenaar is, met een waarde van 1/3 van haar totale vermogen, inmiddels overgeheveld naar een vennootschap in Bermuda. Ook doet zij pogingen de Canadese erkenningsprocedure van het Nederlandse bodemvonnis te vertragen. Unibail vreest dat er uiteindelijk geen verhaal mogelijk zal zijn voor de bedragen die zij te vorderen heeft, aldus Unibail. HBC betwist dat zij gedwongen kan worden zekerheid te stellen en ontkent onrechtmatig te handelen.

20. Overwogen wordt als volgt. Voldoende aannemelijk is dat HBC financieel in zwaar weer verkeert. HBC heeft ter zitting erkend dat zij mede als gevolg van de coronacrisis financiële problemen heeft. Zij heeft geprobeerd een regeling te treffen met meerdere verhuurders waarbij zij als reden heeft opgegeven dat zij op termijn mogelijk niet meer in staat is aan haar verplichtingen te voldoen. HBC betaalt momenteel aan geen enkele verhuurder de door haar gegarandeerde maandelijkse huur. Op zich maken deze omstandigheden duidelijk dat Unibail groot belang heeft bij zekerheidstelling teneinde verhaal mogelijk te maken. Dit is echter niet voldoende om HBC daartoe te dwingen. Dat HBC vermogensbestanddelen aan verhaal tracht te onttrekken met geen ander doel dan haar schuldeisers te benadelen kan voorshands niet met voldoende mate van aannemelijkheid worden vastgesteld. Dat HBC zich op andere wijze schuldig maakt aan misbruik van recht of ander onrechtmatig handelen jegens Unibail is vooralsnog evenmin gebleken. De aanwijzingen die Unibail daarvoor heeft verstrekt zijn niet sterk genoeg.

21. Wat betreft het beroep van Unibail op artikel 6:51 BW en 6:162 BW betreft geldt het volgende. HBC heeft zich niet contractueel tot zekerheidstelling verplicht. Ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst is onderhandeld over de vorm van zekerheidstelling. Partijen werden tijdens die besprekingen ieder bijgestaan door advocaten. Er is gesproken over een bankgarantie . Unibail heeft daarvan welbewust afgezien omdat dit een te zware wissel trok op de financiële positie van Hudson’s Bay Netherlands en heeft genoegen genomen met een niet door zekerheid gedekte concerngarantie van HBC. Ook een wettelijke verplichting tot het stellen van zekerheid ontbreekt. Het beroep van Unibail op artikel 6:51 BW gaat dus niet op. Onder zeer bijzondere omstandigheden kan op grond van de redelijkheid en billijkheid een verplichting tot zekerheidstelling worden aangenomen. Die omstandigheden doen zich hier echter niet voor. De vordering tot het stellen van zekerheid wordt gelet op het voorgaande afgewezen.

Informatieverplichting

22. Nu HBC haar betalingsverplichting niet nakomt, daarnaast aannemelijk is dat zij in financiële problemen zit of mogelijk op korte termijn zal raken, er inmiddels een betalingsveroordeling in de bodemzaak jegens haar is verkregen die zal worden aangevuld met de in dit kort geding uit te spreken betalingsveroordeling en naast dit alles in Canada een tenuitvoerleggingsprocedure is gestart, bestaat aanleiding de door Unibail gevorderde informatieverplichting ter zake haar voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen in binnen- en buitenland toe te wijzen. Unibail heeft daarbij een voldoende groot en gerechtvaardigd belang. Ter zitting heeft HBC desgevraagd verklaard die informatie niet vrijwillig te willen verstrekken. De redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW jo. artikel 444 Rv zoals dit in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie wordt uitgelegd biedt voldoende basis voor het opleggen van de verplichting, ook voor wat betreft de te verstrekken informatie over vermogensbestanddelen in het buitenland, en de herhaling om de 90 dagen.

Accountant

23. De gevorderde verplichting tot het overleggen van een controleverklaring van de registeraccountant wordt na afweging van de betrokken belangen afgewezen. Aannemelijk is dat een registeraccountant een dergelijke verklaring niet kan afleggen, dan wel slechts na kostbaar en tijdrovend onderzoek. De termijn om te voldoen aan de informatieverplichting die onderstaand wordt opgelegd zal in redelijkheid worden bepaald op drie weken na vonnisdatum.

Dwangsom

24. De beslissing tot het opleggen van een dwangsom ter nakoming van de informatieverplichting zal worden aangehouden, teneinde te bezien of dit noodzakelijk is. De meest gerede partij kan verzoeken om een schriftelijke, indien nodig mondelinge voortzetting van de behandeling voor het geval binnen drie maanden na heden een geschil over de nakoming van de informatieverplichting ontstaat. Alsdan wenst de voorzieningenrechter tevens informatie te ontvangen over de stand van de erkenningsprocedure in Canada en de hoger beroepsprocedure. Mocht binnen de termijn van drie maanden geen bericht zijn ontvangen, dan zal de vordering tot het opleggen van een dwangsom als ingetrokken worden beschouwd. Mocht daarna alsnog een conflict ontstaan, dan zal Unibail een nieuw kort geding aanhangig kunnen maken.

Buitengerechtelijke kosten

25. Voorzover Unibail heeft gevorderd dat HBC zal worden veroordeeld in gemaakte buitengerechtelijke kosten zal de vordering worden afgewezen. Voorshands is onvoldoende aannemelijk dat deze kosten gelet op de dubbele redelijkheidstoets voor vergoeding in aanmerking komen.

Proceskosten

26. HBC zal als de meest in het ongelijk gestelde partij worden belast met de proceskosten aan de zijde van Unibail. De vordering tot vergoeding van de reële proceskosten wordt afgewezen. Misbruik van recht of ander onrechtmatig handelen van HBC jegens Unibail is voorshands niet aannemelijk, zoals hiervoor reeds is overwogen.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt HBC bij wijze van voorschot tot betaling aan Unibail van € 165.148,46 per maand vanaf 1 maart 2020 tot en met februari 2021, zodat per datum vonnis verschuldigd is (8 x 165.148,46 = ) € 1.321.187,68 en waarbij de betalingsveroordeling vanaf datum vonnis geldt als een repeterende voor tenuitvoerlegging vatbare titel voor iedere maand dat HBC na opeisbaarheid van de maandelijkse betaling de veroordeling niet nakomt;

veroordeelt HBC binnen drie weken na heden en vervolgens op het eerste verzoek van Unibail na het verstrijken van telkens minimaal 90 dagen nadat aan een eerder verzoek is voldaan, tot het moment dat HBC de vordering van Unibail in het geheel heeft voldaan, dan wel de vordering op andere wijze teniet is gegaan, aan Unibail schriftelijk, nauwkeurig en gespecificeerd een opgave te verstrekken van de omvang, samenstelling en allocatie van haar volledige binnen- en buitenlandse inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen, welke opgave inzage geeft in:

de door HBC gehouden bankrekeningen, bankrekeningnummers en het daarop aanwezige saldo,

de door HBC in eigendom gehouden onroerende zaken, inclusief de kadastrale gegevens, dan wel de gegevens waaronder die onroerende zaken geregistreerd staan in het betreffende land,

de door HBC gehouden intellectuele eigendomsrechten, inclusief een gespecificeerde omschrijving van het kenmerk of registratienummer waaronder de intellectuele eigendomsrechten zijn geregistreerd in het betreffende land of continent,

vorderingen op derden, inclusief de hoogte en grondslag daarvan,

deelnemingen in binnen- en buitenlandse vennootschappen of andere rechtsvormen;

veroordeelt HBC in de proceskosten veroordeelt HBC in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Unibail begroot op:exploot € 83,38salaris € 960,00griffierecht € 996,00 -----------------totaal € 2.039,38voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt HBC in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat HBC niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing over het opleggen van een dwangsom op nakoming van de veroordeling onder II aan voor een termijn van drie maanden;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature