< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Overkreditering van kleine zakelijke klanten? Ook in 2011 en 2013 moest de kredietverstrekker een inschatting maken van de mogelijkheid dat de klanten de financiële verplichtingen van de gevraagde financiering konden nakomen. Die inschatting mag zich, nu het gaat om een zakelijke lening, beperken tot de vraag of die financiële verplichtingen uit de (verwachte) omzet van de onderneming kunnen worden voldaan. De kredietverlener heeft zo’n inschatting gedaan en geconcludeerd dat de lasten van de financiering naar verwachting uit de onderneming zouden kunnen worden voldaan. De klanten hebben niets aangevoerd waaruit blijkt dat de kredietverstrekker die conclusie niet had mogen trekken.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/665171 / HA ZA 19-435

Vonnis van 7 oktober 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING QREDITS MICROFINANCIERING NEDERLAND,

gevestigd te Almelo,

eiseres in conventie,

verweerster in het incident,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. Heijink te Renswoude,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in het incident,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.P.M. van Gilse te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Qredits en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 12 april 2019, met producties,

de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, tevens incidentele conclusie ex art. 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties,

het tussenvonnis van 5 februari 2020, waarbij een verschijning van partijen is gelast in de hoofdzaak en het incident op 21 april 2020,

de conclusie van antwoord in incident, met productie,

de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis, met productie,

de antwoordakte van [gedaagden] ,

het proces-verbaal van de niet gehouden zitting op 21 april 2020 (hierna: het proces-verbaal),

de conclusie van repliek (in conventie), met producties,

de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, met producties,

de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Qredits is een stichting die ondernemers kleine bedrijfskredieten (microfinanciering) verstrekt.

2.2.

[gedaagden] zijn echtgenoten. Op enig moment zijn zij onder de naam [bedrijf] een onderneming begonnen. Deze naam is in het handelsregister ingeschreven als handelsnaam van [gedaagde sub 1] .

2.3.

In 2011 hebben [gedaagden] Qredits verzocht om een krediet van € 35.000,- voor hun onderneming [bedrijf] . Op 4 november 2011 heeft Qredits [gedaagden] een offerte toegezonden. Aangeboden werd een 4-jarige lening van € 20.000,-, waarover maandelijks rente moest worden betaald, en vanaf een half jaar na aanvang maandelijks op moest worden afgelost. [gedaagden] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de lening. [gedaagden] hebben deze offerte en de bijbehorende leningsovereenkomst voor akkoord getekend en teruggezonden aan Qredits, waarop Qredits het leningbedrag aan hen heeft overgemaakt.

2.4.

In 2012 hebben [gedaagden] Qredits tweemaal verzocht om een aanvullend krediet. Die verzoeken zijn door Qredits afgewezen.

2.5.

In 2013 hebben [gedaagden] opnieuw verzocht om een aanvullend krediet. Op 26 februari 2013 heeft Qredits een offerte toegezonden voor een nieuw krediet van € 15.000,-, ook met een looptijd van vier jaar. [gedaagden] hebben ook deze offerte en de bijbehorende leningsovereenkomst voor akkoord getekend en teruggezonden aan Qredits, waarop Qredits het leningbedrag aan hen heeft overgemaakt. Ook hier zijn [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk.

2.6.

[gedaagden] hebben niet (volledig) voldaan aan hun betalingsverplichtingen (aflossing en rente) onder de leningsovereenkomsten. Qredits heeft op 16 januari 2017 de leningsovereenkomst(-en) opgezegd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Qredits vordert na wijziging van eis samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een hoofdsom van € 30.423,06, te weten het per datum opzegging onder de beide leningen uitstaande bedrag, vermeerderd met contractuele rente van 9,75% vanaf de vervaldatum van de verschuldigde termijnen tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.079,23, te verhogen met btw, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten. [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in het incident

3.2.

[gedaagden] vorderen in het incident – samengevat – dat Qredits wordt veroordeeld afschriften van diverse bescheiden te overleggen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in reconventie

3.3.

[gedaagden] vorderen in reconventie – samengevat – de kredietovereenkomsten tussen partijen te ontbinden en Qredits te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [gedaagden] , gelijk aan de reeds door [gedaagden] betaald rente over de beide kredietbedragen, met veroordeling van Qredits in de kosten. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

In het proces-verbaal heeft de rechtbank overwogen dat en waarom het haar voorshands voorkomt dat het in het incident gevorderde moet worden afgewezen. Partijen zijn uitgenodigd zich naar aanleiding van dat voorlopige oordeel uit te laten. [gedaagden] hebben zich hier niet over uitgelaten, zodat de rechtbank, gelet op wat zij al in het proces-verbaal heeft overwogen, de vorderingen in het incident afwijst.

4.2.

[gedaagden] worden in de proceskosten van Qredits veroordeeld, tot op heden begroot op (1 punt x tarief € 543,-=) € 543,- aan salaris advocaat.

in conventie

4.3.

[gedaagden] erkennen dat zij gehouden zijn het krediet terug te betalen, maar zij stellen dat (i) Qredits in ernstige mate haar zorgplicht jegens hen heeft geschonden door [gedaagden] niet tegen zichzelf te beschermen en het krediet te weigeren en (ii) het daardoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aan hun betalingsverplichtingen gehouden worden.

4.4.

[gedaagden] stellen dat sprake is van overkreditering, die Qredits had moeten voorkomen. Voorafgaand aan het verstrekken van een lening zou Qredits moeten onderzoeken of haar klant de lasten wel kan dragen door een inkomens- en vermogenstoets uit te voeren. Gelet op in het bijzonder het onbestendige inkomen van [gedaagde sub 1] (die werkte als waarnemer voor huisartsen) en de hoge hypotheeklasten ( [gedaagden] hadden twee woningen en twee hypotheken, omdat zij er maar niet in slaagden hun vorige woning in Amsterdam te verkopen) zou Qredits de lening niet hebben mogen verstrekken, aldus [gedaagden]

4.5.

[gedaagden] zijn de beide kredieten niet aangegaan als consumenten, maar als ondernemers. De kredieten waren uitsluitend bestemd voor (het opzetten van) hun onderneming [bedrijf] . De wet- en regelgeving die consumenten beschermt tegen overkreditering (o.a. art. 4:34 Wet op het financieel toezicht) – waar [gedaagden] gelet op hun betoog aansluiting bij lijken te zoeken – mist dus toepassing. In het proces-verbaal heeft de rechtbank [gedaagden] uitgenodigd hun juridische betoog met betrekking tot de gestelde zorgplichtschending, gelet op dit feit, nader te concretiseren. [gedaagden] hebben dat niet gedaan.

4.6.

Een en ander laat onverlet dat een financier als Qredits ook bij kleine zakelijke klanten als [gedaagden] gehouden is overkreditering tegen te gaan. Sinds 1 juli 2018 geldt de NVB Gedragscode Kleinzakelijke Financiering, waarin (onder 5.c) is bepaald dat een financier een inschatting moet maken van de mogelijkheid dat een klant de financiële verplichtingen van de gevraagde financiering kan nakomen. Het is de rechtbank niet bekend of Qredits zich aan deze gedragscode heeft verbonden; daarnaast speelt deze zaak zich vóór de inwerkingtreding van die gedragscode af. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat Qredits in 2011 en 2013 jegens [gedaagden] gehouden was de genoemde inschatting te maken. Deze verplichting vloeit voort uit de zorgvuldigheid die kredietaanbieders als Qredits in het maatschappelijke verkeer jegens (potentiële) kleine zakelijke klanten als [gedaagden] in acht hadden te nemen. Dat de verplichting later pas expliciet is vastgelegd in een gedragscode van de NVB laat onverlet dat de norm naar het oordeel van de rechtbank in 2011 en 2013 al bestond; de latere vastlegging in een gedragscode moet vooral gezien worden als een bevestiging van de al bestaande norm (vergelijk Hoge Raad 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, rov. 4.2.7).

4.7.

De inschatting of een kleine zakelijk klant de financiële verplichtingen onder de kredietovereenkomst kan nakomen mag zich naar het oordeel van de rechtbank beperken tot de vraag of die financiële verplichtingen uit de (verwachte) omzet van de onderneming kunnen worden voldaan. Het gaat immers om een zakelijke lening en de bedoeling is evident dat de lasten vanuit de onderneming worden voldaan. Dat wordt niet anders doordat, zoals [gedaagden] betogen, de onderneming nog niet operationeel was. Hetzelfde geldt voor vele andere financieringsaanvragen; de inschatting moet dan worden gemaakt op basis van het ondernemingsplan. De kredietverlener zal op basis van het ondernemingsplan en de prognoses die de ondernemer aanlevert moeten inschatten of de onderneming aan de renteverplichtingen en aflossingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Bij het maken van een dergelijke inschatting hoort dat de financier tot op zekere hoogte beoordeelt of de prognoses van de ondernemer realistisch zijn, maar aan die beoordeling mogen geen hoge eisen worden gesteld. Het ligt niet op de weg van de kredietverlener om het ondernemingsplan kritisch te toetsen (vergelijk het vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6232, rov. 4.4).

4.8.

Naar aanleiding van de vragen van de rechtbank in het proces-verbaal stelt Qredits dat zij op basis van omzetprognoses de inschatting heeft gemaakt dat de onderneming van [gedaagden] aan de verplichtingen van de financiering (en, later, van de extra financiering) zouden kunnen voldoen. Qredits stelt dat zij zowel in 2011 als in 2013 bij de beoordeling van de aanvragen de omzetprognoses van [gedaagden] fors naar beneden heeft bijgesteld, en in 2011 maar een deel van de gevraagde financiering heeft verstrekt. De conclusie was evenwel dat, na deze correcties, de lasten van de daadwerkelijk verstrekte financiering naar verwachting uit de onderneming zouden kunnen worden voldaan.

4.9.

[gedaagden] hebben niets gesteld dat afbreuk kan doen aan die conclusie. Zij stellen slechts dat het stuk met daarin de omzetprognoses door Qredits is gemaakt en dat zij het niet kennen, en dat een omzetprognose van een nog niet operationele onderneming puur nattevingerwerk is. Dat [gedaagden] het als productie 20 door Qredits overgelegde stuk niet zelf hebben opgesteld doet niet ter zake, nu daaruit (in het bijzonder de tekst onder “Opbouw prognose”) duidelijk wordt dat de prognoses afkomstig zijn van [gedaagden] stellen niets waaruit blijkt dat Qredits – die nota bene juist kritisch is geweest omdat zij niet wilde afgegaan op de prognoses van [gedaagden] en die naar beneden heeft bijgesteld – een onjuiste inschatting heeft gemaakt. Dat een omzetprognose van een nog niet operationele onderneming onzeker is, is juist, maar dat komt niet voor risico van de financier, maar voor risico van de ondernemer. Het is in de eerste en laatste plaats aan [gedaagden] om in te schatten of het iets gaat worden met de onderneming, en of zij zich willen blootstellen aan het financiële risico dat het daar niet goed mee afloopt. Zij zijn verantwoordelijk en zij zijn degenen die het ondernemersrisico lopen. Op de financier rust slechts de verplichting de hierboven onder 4.6. genoemde inschatting te maken, en de rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat Qredits niet aan die verplichting heeft voldaan. Voor het overige herhalen [gedaagden] hun betoog over het rekening moeten houden met privé-inkomsten en privé-lasten maar dat kan, gegeven wat de rechtbank hiervoor onder 4.7. heeft overwogen, nergens toe leiden.

4.10.

Uit het voorgaande blijkt dat het betoog dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagden] de lening moeten terugbetalen faalt. De vordering tot betaling van het uitstaande bedrag zal worden toegewezen.

4.11.

Qredits vordert contractuele rente van 9,75% over de hoofdsom vanaf, zo luidt het petitum, “de vervaldatum van de verschuldigde termijnen”. Voor de wijziging van eis werd rente gevorderd vanaf “de vervaldatum van de facturen”. Er wordt geen verweer gevoerd, maar de rechtbank kan uit het petitum niet opmaken op welk aanvangsmoment Qredits doelt. In het lichaam van de dagvaarding stelt Qredits evenwel aanspraak te maken op rente over de hoofdsom vanaf de dag van opzegging van de lening (16 januari 2017). De rechtbank begrijpt het petitum dan ook zo dat er vanaf deze datum rente wordt gevorderd, en zal die vanaf deze datum toewijzen.

4.12.

Ten slotte vordert Qredits € 1.079,23, vermeerderd met btw (in het lichaam van de dagvaarding begroot op € 226,64), aan buitengerechtelijke incassokosten, plus wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum van dagvaarding. Er wordt geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de som van de bedragen, te weten € 1.305,87, en de gevorderde rente toewijzen.

4.13.

[gedaagden] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Qredits worden begroot op:

- dagvaarding € 105,78

- griffierecht 1.992,00

- salaris advocaat 1.390,00 (2 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 3.487,78

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten komen ook, zoals hierna weergegeven, voor toewijzing in aanmerking.

in reconventie

4.14.

Uit wat de rechtbank in conventie heeft overwogen blijkt dat Qredits niet tekort is geschoten, zodat ontbinding door [gedaagden] van de kredietovereenkomsten niet aan de orde is en [gedaagden] geen aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. De vorderingen in reconventie worden daarom afgewezen.

4.15.

[gedaagden] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van Qredits begroot op (2 punten x factor 0,5 x tarief € 695,- =) € 695,- aan salaris advocaat. Ook de nakosten komen, zoals hierna berekend, voor toewijzing in aanmerking.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Qredits tot op heden begroot op € 543,-,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie

5.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Qredits te betalen een bedrag van € 30.423,06 (dertigduizendvierhonderddrieëntwintig euro en zes cent), vermeerderd met de contractuele rente van 9,75% per jaar met ingang van 16 januari 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Qredits te betalen een bedrag van € 1.305,87 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over dit bedrag met ingang van 12 april 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Qredits tot op heden begroot op € 3.487,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

verklaart de veroordeling onder 5.4, 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.9.

wijst de vorderingen af,

5.10.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van Qredits tot op heden begroot op € 695,-,

5.11.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en reconventie

5.12.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis aan de zijde van Qredits ontstane kosten, begroot op € 246,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis is betekend, met (a) een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat, (b) de explootkosten van betekening van het vonnis en (c) de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over alle genoemde bedragen vanaf de datum van betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.13.

verklaart deze nakostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature