< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Diefstal met valse sleutel (creditcard/creditcardgegevens). Vrijspraak diefstal in vereniging met valse sleutel, vrijspraak poging diefstal in vereniging met valse sleutel, vrijspraak heling. Vrijspraak medeplegen vernieling.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/038488-20

Datum uitspraak: 26 mei 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres.

[adres]

Z

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 mei 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. P. van Laere, en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. S.R. Nahar, naar voren hebben gebracht. Verdachte was zelf niet aanwezig. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen mevrouw [persoon] als vertegenwoordiger van de benadeelde partij, [naam winkel] , naar voren heeft gebracht.

De strafzaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte] (13/038492-20) en de rechtbank doet in beide zaken gelijktijdig uitspraak.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij op 8 februari 2020 samen met anderen geld en/of goederen heeft gestolen van hotel [naam hotel 1] , waarbij gebruik gemaakt is van een valse sleutel, namelijk een creditcard die zij niet mochten gebruiken (feit 1 primair, eerste cumulatief/alternatief). Verder wordt hij er van beschuldigd dat hij op 10 februari 2020 geprobeerd heeft hetzelfde feit te plegen (feit 1 primair, tweede cumulatief/alternatief). Onder feit 1 subsidiair wordt hij er van beschuldigd dat hij een creditcard en/of geld in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist of had moeten vermoeden dat die kaart en/of dat geld van een misdrijf afkomstig was.

Ook wordt verdachte er van verdacht dat hij in de periode van 13 november 2018 tot en met 14 augustus 2019 geld of goederen heeft gestolen van drie aangevers (hotel [naam hotel 2] , [naam winkel] en [naam café] ) met gebruikmaking van een creditcard die hij niet mocht gebruiken (feit 2).

Verder is verdachte ten laste gelegd dat hij op 10 februari 2020 samen met anderen vernielingen en/of beschadigingen heeft aangebracht aan een hotelkamer van [naam hotel 1] (feit 3).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde diefstal op 8 februari 2020. Zij vordert verdachte te veroordelen voor de alternatief/cumulatief tenlastegelegde poging diefstal in vereniging met een valse sleutel op 10 februari 2020. Zij stelt dat het gaat om diefstal van op geld te waarderen goederen van [naam hotel 1] , namelijk de overnachting in de hotelkamer en de genoten consumpties, dan wel geldbedragen van een ander.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ook feit 2 en feit 3 bewezen verklaard kunnen worden.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit vrijspraak voor alle tenlastegelegde feiten.

Uit niets blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de boeking van of betaling voor de hotelkamer op 8 februari 2020. Ten aanzien van de tenlastegelegde poging diefstal op 10 februari 2020 merkt de raadsvrouw op dat de tenlastelegging niet correct is omdat een hotelovernachting niet is te kwalificeren als een goed in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Het staat verder niet vast dat verdachte een foto van een identiteitsbewijs heeft getoond, van hemzelf of van een ander. Er is geen sprake van enige deelnemingshandelingen of betrokkenheid van verdachte. Hij heeft verder geen geldbedrag en/of creditcard voorhanden gehad.

Ook ten aanzien van hotel [naam hotel 2] stelt de raadsvrouw dat een hotelovernachting niet als een goed gekwalificeerd kan worden. Ook kan niet gesproken worden van een valse sleutel, nu onbekend is van wie de kaart is en het mogelijk is dat de rechtmatige eigenaar de kaart gebruikt heeft. Een aangifte door de creditcardhouder ontbreekt en ook is er geen melding gemaakt van een frauduleuze betaling. Er is niet betaald voor de hotelkamer en het gaat om een civielrechtelijk geschil. Verdachte ontkent dat hij bij het hotel is geweest. Hij is vaak zijn rijbewijs verloren. Het kan goed zijn dat iemand anders zich voor hem heeft uitgegeven. De persoon op de still kan niet op basis van voldoende onderscheidende gezichtskenmerken herkend worden.

Er is niet gestolen van [naam winkel] maar van de creditcardhouder, want er is in de winkel voor de schoenen betaald.

Ook is er niet gestolen van [naam café] maar van de creditcardhouder. Ook hier ontbreekt een aangifte door de creditcardhouder. Verder ontkent verdachte dat hij er is geweest en stelt hij dat iemand anders zich voor hem heeft uitgegeven. In het dossier staat niet dat getuigen hebben vastgesteld dat het uiterlijk van de persoon, die van het identiteitsbewijs gebruik heeft gemaakt, overeenkomt met de persoon op de foto. De handtekeningen komen niet overeen en zijn handtekening kan bovendien makkelijk worden nagemaakt.

Verdachte ontkent vernielingen te hebben aangebracht aan de kamer. Het is niet bekend wanneer de schade is ontstaan en het is mogelijk dat deze er al was.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van feiten 1 en 3

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – niet bewezen hetgeen onder 1 en 3 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Feit 1

Diefstal op 8 februari 2020 (primair, eerste cumulatief/alternatief)

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat op 8 februari 2020 voor de hotelovernachting bij [naam hotel 1] een aanbetaling is gedaan met een creditcard, tot het gebruik van welke creditcard geen van de afnemers van de huur van de hotelkamer waren gerechtigd. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte bij die betaling aanwezig was of anderszins hierbij betrokken was, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de tenlastegelegde diefstal.

Poging diefstal op 10 februari 2020 (primair, tweede cumulatief/alternatief)

Verdachten hebben geprobeerd om een hotelkamer te reserveren dan wel de reservering te verlengen met de creditcard van een ander, die hen geen toestemming voor het gebruik van die kaart heeft gegeven.

De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of de waarde van een hotelovernachting als een goed in de zin van de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dient te worden aangemerkt.

Volgens rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6575) komt aan het begrip “goed” een autonome strafrechtelijke betekenis toe. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat vatbaar is voor menselijke beheersing en als zodanig vatbaar voor afgifte of overdracht. De omstandigheid dat de hotelovernachting op geld waardeerbaar is en een bepaalde waarde vertegenwoordigt, is niet toereikend om een hotelovernachting als een goed in de zin van artikel 310 en 311 Sr aan te merken, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van dit tenlastegelegde feit.

De officier van justitie heeft ter zitting een alternatieve lezing van de tenlastelegging voorgesteld waardoor het vermeende handelen van verdachte volgens de officier van justitie onder het bereik van de artikelen 310 en 311 Sr. zou komen te vallen. De rechtbank zal dit standpunt echter niet volgen omdat dit neer zou komen op een denaturering van de tenlastelegging.

Subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte een van misdrijf afkomstige creditcard of een van misdrijf afkomstig geldbedrag voorhanden heeft gehad, zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

Feit 3

De rechtbank stelt vast dat de hotelkamer verhuurd werd aan de medeverdachten met ingang van 8 februari 2020. De aangeefster heeft verklaard dat tijdens het bezoek aan de hotelkamer op 10 februari 2020 een enorme ravage werd aangetroffen en zij heeft de vernielingen en beschadigingen beschreven. Ook de aanwezige verbalisanten hebben in een proces-verbaal de vernielingen en de toestand van de kamer beschreven. Het is een feit van algemene bekendheid dat hotelkamers in de regel schoon en onbeschadigd worden opgeleverd, zodat de rechtbank kan vaststellen dat de tenlastegelegde vernielingen en beschadigingen in de periode van 8 tot en met 10 februari 2020 moeten hebben plaatsgevonden. In het dossier bevinden zich geen aanwijzingen dat verdachte eerder dan op 10 februari 2020 op de hotelkamer aanwezig is geweest. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte op de kamer aanwezig is geweest op het tijdstip dat de vernielingen en de beschadigingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte daarbij betrokken is geweest.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 3 tenlastegelegde.

4.3.2

Bewezenverklaring ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde diefstal met valse sleutel

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 13 november 2018 tot en met 14 augustus 2019 goederen heeft gestolen van hotel [naam hotel 2] , winkel [naam winkel] en café [naam café] . Hij heeft daarbij telkens gebruik gemaakt van een valse sleutel, namelijk creditcards en/of creditcardgegevens die van een ander waren en voor het gebruik waarvan hij geen toestemming had gekregen.

Hotel [naam hotel 2]

Op basis van de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen over het uitkijken van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat verdachte op 14 november 2018 gebruik heeft gemaakt van de hotelkamer, dat hij eten en drinken van aangever heeft ontvangen en dat hij gebruik heeft gemaakt van de telefoon-, fax- dan wel internetverbinding van het hotel en dat hij zonder voor dit alles te betalen het hotel heeft verlaten. De toezegging om terug te komen om te betalen heeft hij niet gestand gedaan.

Aangezien de waarde van een hotelovernachting geen goed is in de zin van de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals hiervoor overwogen onder 4.3.1, acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake is van diefstal van de waarde van de hotelovernachting.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte van hotel [naam hotel 2] eten en drinken en de kosten voor het gebruik van de telefonievoorzieningen heeft gestolen door gebruik te maken van een valse sleutel, namelijk een creditcard en/of creditcardgegevens die niet van hem was en die hij niet mocht gebruiken.

[naam winkel]

Uit de aangifte volgt dat op 10 mei 2019 een klant in de winkel van aangeefster schoenen heeft gekocht met gebruikmaking van (gegevens van) een creditcard. In het e-mailbericht van [naam betalingsdienst] van 13 mei 2019 wordt aangegeven dat de gebruikte kaart op het moment van het versturen van de e-mail als gestolen is opgegeven en aangeefster wordt verzocht om de betaling terug te storten. Op basis van het proces-verbaal van bevindingen over het uitkijken van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat verdachte de betreffende klant is geweest en de rechtbank acht bewezen dat verdachte op 10 mei 2019 de schoenen heeft gestolen van [naam winkel] door gebruikmaking van een valse sleutel.

[naam café]

Op basis van de aangifte, de kopie van het identiteitsbewijs en de brief van [naam betalingsdienst 2] stelt de rechtbank vast dat verdachte met een valse sleutel eten en/of drinken ter waarde van € 12,80 van aangever heeft gestolen.

Partiële vrijspraak medeplegen

De rechtbank vindt dat er geen bewijs in het dossier aanwezig is dat verdachte de bovengenoemde diefstallen tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat de rechtbank verdachte van dat deel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

2.

in de periode van 13 november 2018 tot en met 14 augustus 2019 te Amsterdam goederen, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorden, te weten aan hotel [naam hotel 2] , winkel [naam winkel] en café [naam café] heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutel, door

- op 14 november 2018 onbevoegd gebruik te maken van een creditcard op de naam van een ander dan verdachte en/of van bijbehorende creditcardgegevens,

- op 10 mei 2019 onbevoegd gebruik te maken van een creditcard op de naam van een ander dan verdachte en/of van bijbehorende creditcardgegevens en

- op 14 augustus 2019 onbevoegd gebruik te maken van een creditcard op de naam van een ander dan verdachte en/of van bijbehorende creditcardgegevens.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1

Eis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Zij stelt daarbij dat de tijd, die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, als gevolg van de maatregelen in het kader van de coronacrisis zwaarder dient te wegen dan gebruikelijk.

9.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het stelen van goederen door gebruik te maken van een creditcard die niet van hem was en die hij ook niet mocht gebruiken. Dit levert schade en overlast op voor de direct betrokkenen. Daarnaast leidt het onbevoegd gebruik maken van een creditcard tot een inbreuk op het vertrouwen dat door de consument en de acceptant in het elektronisch betalingsverkeer wordt gesteld. Dit vertrouwen is van groot economisch en maatschappelijk belang. Wanneer dit vertrouwen niet meer aanwezig is, bestaat het risico van een ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. Verdachte heeft kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De feiten zijn gedurende een langere periode gepleegd en de goederen vertegenwoordigden een behoorlijke waarde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de ernst van het feit niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de Landelijke overleg vakinhoud Strafrecht (LOVS)-oriëntatiepunten waarin voor fraude met een benadelingsbedrag tot

€ 10.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen één week en 2 maanden is vermeld.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van 9 april 2020 van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld door een strafrechter. De rechtbank zal met die eerdere feiten rekening houden bij de bepaling van de hoogte van de straf. Uit dat strafblad volgt ook dat verdachte na de pleegdatum van deze feiten voor een ander feit is veroordeeld, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in straf verlagende zin af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde komt.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden in dit geval passend.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.1

Vorderingen

[naam winkel]

De benadeelde partij [naam winkel] vordert € 850,- aan vergoeding van materiële schade en

€ 400,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[naam hotel 2]

De benadeelde partij [naam hotel 2] vordert € 918,77 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

10.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

[naam winkel]

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van € 850,- ter vergoeding van materiele schade volledig kan worden toegewezen en een bedrag van € 200,- ter vergoeding van immateriële schade.

[naam hotel 2]

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot een bedrag van € 724,61 kan worden toegewezen op basis van de gegevens uit november 2018 die zich in het procesdossier bevinden.

10.3

Standpunt van de verdediging

[naam winkel]

De verdediging betwist de vordering. De raadsvrouw stelt dat er geen bewijs is dat er iets van de winkel is gestolen, zodat de vordering moet worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is niet voldaan aan het relativiteitvereiste. De verdediging ontkent niet dat de benadeelde partij emoties heeft ervaren maar er zijn geen bewijsstukken waar dat uit blijkt.

[naam hotel 2]

De verdediging betwist de vordering en verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu het onduidelijk is wat van het hotel is gestolen.

10.4

Oordeel van de rechtbank

[naam winkel]

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de schoenen aan verdachte heeft geleverd en dat de benadeelde partij geen betaling van de aankoopsom van de creditcardmaatschappij dan wel van een ander heeft ontvangen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van in totaal € 850,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Volgens de wet is het verhalen (op daders) van negatieve gevoelens alleen mogelijk als is gebleken van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Uit het voegingsformulier is van dergelijk letsel niet gebleken. De rechtbank heeft er geen twijfel over dat de benadeelde partij in deze situatie door het gedrag van verdachte psychisch onbehagen heeft ervaren, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

[naam hotel 2]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij aan verdachte via de roomservice eten en/of drinken heeft geleverd en dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de telefoon-, fax- dan wel internetverbinding van het hotel en dat verdachte hier niet voor heeft betaald. Dit is schade die rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van in totaal € 68,35 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van zijn vordering. Omdat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van diefstal van de hotelovernachting kan de schade die voortvloeit uit dat onderdeel van het feit in deze procedure niet op verdachte verhaald worden. De behandeling van het overige deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

10.5

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

[naam winkel]

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam winkel] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 850,-. Deze schade betreft materiële schade.

[naam hotel 2]

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam hotel 2], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 68,35. Deze schade betreft materiële schade.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Voorlopige hechtenis

Nu de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen waarvan de duur de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet zal overschrijden, heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 12 mei 2020 opgeheven. Deze beslissing is afzonderlijk schriftelijk vastgelegd.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam winkel] toe tot een bedrag van € 850,- (achthonderdvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 10 mei 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam winkel] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam winkel] aan de Staat € 850,- (achthonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (10 mei 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van

13 ( dertien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam hotel 2] toe tot een bedrag van

€ 68,35 (achtenzestig euro vijfendertig) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten

14 november 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam hotel 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam hotel 2] aan de Staat

€ 68,35 (achtenzestig euro vijfendertig) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 14 november 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei 2020.

[...]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature