< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

AWBZ / overgangsrecht / Wlz / herindicatie op grond van artikel 3.2.4 van de Wlz kan in meer situaties dan alleen bij de verbetering van de gezondheidssituatie / medisch rapport in dit geval niet concludent / beroep gegrond

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/2967 (voorlopige voorziening) en AMS 20/2968 (beroep)

AMS 20/3101 (voorlopige voorziening) en AMS 20/2919 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2020 in de zaken tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Baadoudi),

en

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder I,

hierna te noemen: het CIZ

(gemachtigde: mr. J.E. Koedood),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder II,

hierna te noemen: het Zorgkantoor

(gemachtigde: mr. S. Gezer).

Procesverloop

Met het besluit van 29 november 2019 (het primaire besluit I) heeft het CIZ het zorgprofiel waar verzoeker voor was geïndiceerd op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) herzien van VG3 naar VG1 met ingang van 28 februari 2020.

Met het besluit van 9 december 2019 (het primaire besluit II) heeft het Zorgkantoor de verstrekking van een persoonsgebonden budget (pgb) aan verzoeker beëindigd met ingang van 28 februari 2020.

Verzoeker heeft tegen beide primaire besluiten afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 29 april 2020 (het bestreden besluit I) heeft het CIZ het tegen het primaire besluit I gemaakte bezwaar van verzoeker deels gegrond verklaard en daarbij de herindicatie zoals opgenomen in het primaire besluit I gewijzigd naar zorgprofiel VG2 met ingang van 10 juni 2020.

Met het besluit van 18 mei 2020 (het bestreden besluit II) heeft het Zorgkantoor het tegen het primaire besluit II gemaakte bezwaar van verzoeker deels ongegrond verklaard en daarbij bepaald dat de verstrekking van een pgb aan verzoeker wordt beëindigd met ingang van

10 juni 2020.

Verzoeker heeft tegen beide bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld (hierna: beroep I en beroep II). Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter met twee verzoeken verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen, inhoudende:

- het CIZ te gelasten de indicatie op grond van de Wlz die hij tot 10 juni 2020 ontving in dezelfde omvang en vorm voort te zetten tot zes weken na uitspraak op zijn beroep;

- het Zorgkantoor te gelasten hem een pgb te verstrekken gedurende de looptijd van die indicatie.

Het Zorgkantoor heeft op 19 juni 2020 een verweerschrift ingediend en het CIZ op

22 juni 2020.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Zorgkantoor heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [persoon] .

Overwegingen

De voorzieningenrechter beslist met deze uitspraak ook op de beroepen van verzoeker

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op de verzoeken om voorlopige voorziening, maar ook op de beroepen van verzoeker

Aanleiding van deze procedures

2.1.

Verzoeker is geboren op [geboortedatum] en heeft een verminderd intelligentievermogen. Hij beschikt over een rijbewijs, werkt als chauffeur bij [bedrijf 1] en bij [bedrijf 2] en heeft een vriendin. Bij beschikking van de kantonrechter van 24 juli 2019 is [bedrijf 3] als opvolgend mentor van verzoeker benoemd. Eerder al is hij onder bewind gesteld. Sinds 10 november 2015 woont hij begeleid in een zorginstelling van [zorginstelling] aan de [adres] in Amsterdam. Daar krijgt hij twaalf uur per week begeleiding en verder is [zorginstelling] voor hem 24 uur per dag op afroep beschikbaar. Hij deelt zijn woning met één andere cliënt. Het wonen, de zorg en de begeleiding bij [zorginstelling] bekostigt hij met een aan hem toegekend pgb op grond van de Wlz.

2.2.

CIZ heeft verzoeker op 9 september 2010 geïndiceerd voor het zorgzwaartepakket VG3, op basis van de destijds geldende Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Na inwerkingtreding van de Wlz is het zorgzwaartepakket van verzoeker op basis van overgangsrecht voor onbepaalde tijd omgezet naar het zorgprofiel VG3 ‘Wonen met begeleiding en verzorging’ uit de Wlz.

2.3.

Op 4 september 2019 heeft het CIZ een ‘ambtshalve herindicatie onderzoek’ aangekondigd. Dit omdat de AWBZ inmiddels is overgegaan in de Wlz en om te kijken of de eerder gegeven indicatie nog actueel is. Dit onderzoek bestond onder meer uit een medisch advies dat op 26 november 2019 is uitgebracht door [arts 1] . Deze arts heeft een dossieronderzoek verricht en verzoeker op 30 oktober 2019 gezien en op basis daarvan geconcludeerd dat ten aanzien van verzoeker niet vastgesteld kan worden dat sprake is van een (blijvende) noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen.

2.4.1.

Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek heeft het CIZ met het primaire besluit I de indicatie van verzoeker herzien van zorgprofiel VG3 naar VG1. Dit betekent dat verzoeker op basis van overgangsrecht wel aanspraak houdt op Wlz-zorg, maar dat hij van ‘Wonen met begeleiding en verzorging’ naar ‘Wonen met enige begeleiding’ gaat met ingang van 28 februari 2020.

2.4.2.

Als gevolg van deze herziening heeft het Zorgkantoor bovendien het pgb van verzoeker met het primaire besluit II per 28 februari 2020 beëindigd. Met het zorgprofiel VG1 komt hij volgens de Regeling langdurige zorg (Rlz) niet meer in aanmerking voor een pgb, aldus het Zorgkantoor.

2.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit I heeft het CIZ [arts 2] - arts Indicatie en Advies i.o. KNMG - op 15 april 2020 een medisch advies uit laten brengen. Deze arts concludeert op basis van dossieronderzoek dat er ten aanzien van verzoeker wel gesproken kan worden van de grondslag verstandelijke handicap, maar dat zijn adaptief vermogen niet van een dermate laag niveau is dat er een noodzaak is voor 24 uur zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel.

2.6.1.

In lijn met dit medisch advies heeft het CIZ het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit I deels gegrond verklaard en daarbij het zorgprofiel voor verzoeker gewijzigd naar VG2, oftewel naar ‘Wonen met begeleiding’, met ingang van 10 juni 2020. Het CIZ motiveert dit als volgt: “In de situatie van [verzoeker] geeft de medisch adviseur aan dat de grondslag verstandelijke handicap is te stellen. De medisch adviseur is van oordeel dat er op basis van de beschikbare informatie geen noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid kan worden vastgesteld. Het beeld wat door de zorgaanbieder wordt geschetst is niet in lijn met de informatie van het eigen onderzoek van het CIZ en de overige informatie van [verzoeker] uit de indicatiegeschiedenis. De door het CIZ vastgestelde zorgbehoefte sluit aan bij een zwak begaafd intelligentie niveau. De noodzakelijke zorg zou op afspraak en op afroep geboden kunnen worden zonder dat er een ernstig nadeel ontstaat. Dat deze zorg intensief kan zijn, maakt dit niet anders. Hierom ziet het CIZ voldoende grond om te stellen dat [verzoeker] conform artikel 3.2.4 [van de ] Wlz niet langer op de geïndiceerde zorg is aangewezen. (…) [Verzoeker] voldoet niet aan de toegangscriteria vanwege het ontbreken van een (blijvende) noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid ter voorkoming van een ernstig nadeel. Er is wel toegang op basis van het overgangsrecht. (…) Vastgesteld is dat het zorgprofiel VG wonen met begeleiding (VG2) het meest passend is omdat dit zorgprofiel beter aansluit bij de stoornissen en beperkingen dan het primair geïndiceerde zorgprofiel. Dit zorgprofiel is voor onbepaalde tijd geldig. Gelet op de (grote) gevolgen voor [verzoeker], een mogelijke verhuizing, en het feit dat er sprake is van een belastend besluit, is het CIZ van mening dat een overgangstermijn van zes weken (…) redelijk is.“

2.6.2.

Het Zorgkantoor heeft vervolgens het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit II ook deels gegrond verklaard, in die zin dat verzoekers pgb wordt beëindigd met ingang van 10 juni 2020. Dit omdat verzoeker vanaf dat moment geïndiceerd is voor het zorgprofiel VG2 en hij met dat zorgprofiel geen aanspraak kan maken op een pgb, nu dat zorgprofiel niet is opgenomen in bijlage A bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Gelet op het overgangsrecht, artikel 9.9 van de Rlz, kan verzoeker alleen aanspraak maken op verblijf op grond van de Wlz, aldus het Zorgkantoor.

Spoedeisend belang

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in het geval van verzoeker voldoende spoedeisend belang aanwezig is om tot een inhoudelijke behandeling van zijn verzoeken om voorlopige voorziening over te gaan. Het is immers niet in geschil dat er vanaf 10 juni 2020 voor verzoeker een einde dreigt te komen aan zijn verblijf, verzorging en begeleiding bij [zorginstelling] . Dit als gevolg van de herziening van zijn indicatie en de beëindiging van zijn pgb, omdat [zorginstelling] - als niet met het CIZ gecontracteerde zorgaanbieder - geen zorg in natura kan aanbieden. Dat verzoeker, zoals het CIZ betoogt, al langere tijd op de hoogte is van zijn de herziening van zijn indicatie en van de beëindiging van zijn pgb, doet aan zijn spoedeisend belang niet af. Temeer niet nu de besluitvorming van het CIZ en het Zorgkantoor nog niet in rechte vaststaat en verzoeker het met die besluitvorming nadrukkelijk niet eens is.

Oordeel ten aanzien van de herziening van de indicatie (AMS 20/2967 en AMS 20/2968)

4.1.

Het CIZ heeft verzoeker op 9 september 2010 op grond van de AWBZ voor een duur van vijf jaar geïndiceerd voor het zorgzwaartepakket VG3. Vanwege deze AWBZ-indicatie is verzoeker destijds, na intrekking van de AWBZ, op grond van de overgangsbepaling uit artikel 11.1.1, eerste lid, van de Wlz gelijkgesteld met een verzekerde die voldoet aan de toegangscriteria voor de Wlz die zijn neergelegd in artikel 3.2.1, eerste of derde lid, van de Wlz . Verder is verzoekers eerdere AWBZ-indicatie in 2015, in lijn met artikel 9.8, eerste lid, van de Rlz, ambtshalve omgezet in het Wlz-zorgprofiel VG3: Wonen met begeleiding en verzorging.

4.2.

Het geschil ziet uitsluitend op de vraag of het CIZ in het concrete geval van verzoeker tot herindicatie van zijn Wlz-indicatie mocht overgaan, in die zin dat zijn zorgprofiel is herzien van VG3 naar VG2.

4.3.

Op grond van artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz kan het CIZ een indicatie herzien indien het CIZ vaststelt dat de verzekerde niet langer op de geïndiceerde zorg is aangewezen. Een dergelijke herziening is een belastend besluit. Het is daarom aan het CIZ om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt het CIZ zonder meer de bevoegdheid toe om de indicatie van verzoeker te herzien, indien hij niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg, zijnde het Wlz-zorgprofiel VG3. Partijen verschillen echter van mening over de vraag wanneer het CIZ die bevoegdheid mag aanwenden.

4.5.

Volgens verzoeker mag het CIZ uitsluitend tot herziening van zijn indicatie overgaan, in het geval er sprake is van een verbetering in zijn gezondheidssituatie. Van zo’n verbetering is volgens hem geen sprake, eerder van een verslechtering. Ter onderbouwing wijst hij op een aantal rechtbankuitspraken en op de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz : “Ook indien de verzekerde niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg kan het CIZ het indicatiebesluit intrekken (onderdeel b). Een dergelijke herziening zal naar verwachting niet of nauwelijks voorkomen, omdat de criteria voor de Wlz zo zijn geformuleerd dat in beginsel geen sprake kan zijn van zodanige verbetering van de gezondheidssituatie van de verzekerde, dat hij daardoor niet langer aan de voorwaarden voor Wlz-zorg zou voldoen.”

4.6.

Anders dan verzoeker leest de voorzieningenrechter noch in de tekst van artikel 3.2.4, aanhef en onder b, van de Wlz noch in de toelichting daarop dat het gebruik van de herzieningsbevoegdheid van het CIZ strikt is beperkt tot de situatie waarin er sprake is van een verbetering van de gezondheidssituatie van de verzekerde. Zo zijn er ook andere oorzaken denkbaar waardoor iemand niet langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg, zelfs als de eerdere indicatie wel correct was vastgesteld. Zo valt bijvoorbeeld te denken aan hulp door naasten, zonder dat gesproken kan worden van een daadwerkelijke verbetering van de gezondheidssituatie. Met de hierboven geciteerde tekst in de MvT heeft de wetgever naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet méér gezegd dan dat een herziening niet vaak voor zal komen, omdat de situatie van iemand die onder de zeer strenge toegangscriteria het Wlz-regime is ingestroomd doorgaans niet verbetert of verandert in een situatie waarin minder of geen Wlz-zorg meer nodig is. Met deze tekst lijkt de wetgever dan ook te doelen op personen die uitdrukkelijk aan de toegangscriteria uit artikel 3.2.1 van de Wlz zijn getoetst en niet op personen - zoals verzoeker - waarbij een verstrekte AWBZ-indicatie zonder een dergelijke toetsing ambtshalve is omgezet naar een Wlz-indicatie op grond van de onder 4.1. genoemde overgangsbepalingen.

4.7.

De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in het overgangsrecht dat specifiek voor personen in het leven is geroepen die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wlz over een AWBZ-indicatie beschikten. Op basis van dit overgangsrecht behouden die personen, voor zover zij vóór inwerkingtreding van de Wlz al in een instelling verbleven, levenslang recht op verblijf en bijbehorend best passende zorgprofiel op basis van de Wlz, ook als die personen niet aan de toegangscriteria uit artikel 3.2.1 van de Wlz zouden voldoen. Verblijf en zorg op basis van de Wlz is dus voor die personen gewaarborgd. Dit betekent volgens de voorzieningenrechter echter niet dat het CIZ binnen het regime van de Wlz niet middels een herziening mag onderzoeken of een iemand nog steeds is aangewezen op de geïndiceerde zorg en de Wlz-indicatie eventueel kan bijstellen (lees: het best passende zorgprofiel kan wijzigen) als daar aanleiding toe bestaat.

4.8.

Of iemand nog langer aangewezen is op de geïndiceerde zorg en/of wat het best passende zorgprofiel is, mag het CIZ naar het oordeel van de voorzieningenrechter beoordelen op basis van de toegangscriteria die zijn neergelegd in artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz . Immers, dat zijn juist de criteria om te (her)beoordelen of iemand (nog altijd) in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie, hetgeen in de kern neerkomt op een beoordeling van verzoekers feitelijke zorg- en begeleidingsbehoefte. Dit wordt bevestigd in hoofdstuk 9 van de Rlz, waarin is bepaald dat wanneer sprake is van een herindicatie het CIZ toetst aan de toegangscriteria van artikel 3.2.1 van de Wlz .

4.9.

Nu het CIZ naar het oordeel van de voorzieningenrechter de indicatie van verzoeker heeft mogen herzien, is de vraag aan de orde of het besluit daartoe inhoudelijk juist is. De voorzieningenrechter stelt vast dat ook in het concrete geval van verzoeker de Wlz-toegangscriteria een rol hebben gespeeld bij herziening en dus bij de vraag of hij nog langer is aangewezen op de geïndiceerde zorg. Het CIZ heeft het bestreden besluit I namelijk gebaseerd op het medisch advies van [arts 2] van 15 april 2020. Die arts concludeert dat het adaptief vermogen van verzoeker niet van een dermate laag niveau is dat er een noodzaak is voor 24 uur zorg in de nabijheid bestaat, zoals bepaald in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz .

4.10.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dit medisch advies waar het CIZ zich op baseert inhoudelijk niet concludent is, in die zin dat niet duidelijk blijkt waar de arts exact de conclusie op baseert dat er in het geval van verzoeker geen noodzaak bestaat voor 24 uur zorg in de nabijheid. In het medisch advies worden weliswaar een aantal terreinen beschreven, maar uit dit advies valt niet af te leiden waarom uit de beschrijvingen volgt dat verzoeker geen 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft. De enkele constatering dat verzoekers adaptief vermogen niet van een zodanig laag niveau is, is daarvoor onvoldoende. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het medisch advies hoofdzakelijk is gebaseerd op relatief oude medische stukken/informatie en op een spreekuurcontact. Verder blijkt uit het advies niet of en op welke wijze de recente door [zorginstelling] ingebrachte informatie daarbij is betrokken en is daarin over het geheel gezien onvoldoende in kaart gebracht wat verzoeker daadwerkelijk zelfstandig kan en waar hij juist wel hulp bij nodig heeft en op welke momenten. Zo is onduidelijk wat voor zorg en begeleiding verzoeker op dit moment bij [zorginstelling] krijgt, hoe vaak hij zorg of begeleiding inschakelt van [zorginstelling] buiten zijn vaste contacturen, om wat voor soort zorg of begeleiding het dan gaat buiten die vaste contacturen en of dit gaat om een zorg- of begeleidingsbehoefte waaraan gelet op zijn welzijn of gezondheid onmiddellijk tegemoet moet worden gekomen. Inzicht in deze feitelijk situatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter essentieel voor de beantwoording van de vraag of er in het geval van verzoeker een noodzaak bestaat voor 24 uur zorg in de nabijheid.

4.11.

Nu het medisch advies van 15 april 2020 niet aan de daarvoor geldende vereisten voldoet, mocht het CIZ zijn besluitvorming niet op dat advies baseren, waardoor het bestreden besluit II, in strijd met artikel 3:2 van de Awb , onzorgvuldig is voorbereid.

5.1.

Vanwege het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek is het beroep I gegrond en wordt het bestreden besluit I vernietigd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het CIZ is om de herziening van verzoekers indicatie te staven op deugdelijk (medisch) onderzoek, verricht op basis van afdoende recente informatie over de feitelijke zorg- en begeleidingsbehoefte van verzoeker. Het CIZ zal daarom een nieuw besluit op het bezwaar van verzoeker moeten nemen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

5.2.

Omdat bij deze uitspraak op het beroep I is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af dat door verzoeker is ingediend.

5.3.

Nu het bij de huidige stand van zaken nog de vraag is of de herindicatie wel in stand zal blijven en niet in geschil is dat verzoekers verblijf bij [zorginstelling] op het spel staat, terwijl er voor hem nog geen alternatieve zorginstelling is gevonden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij de beslissing op het beroep I een voorlopige voorziening te treffen op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb . In dat kader bepaalt de voorzieningenrechter dat het CIZ verzoeker met ingang van de datum van deze uitspraak een indicatie op grond van de Wlz moet verstrekken conform zorgprofiel VG3 tot zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van verzoeker is genomen. Het idee hierachter is dat, zoals hierna zal blijken, het Zorgkantoor gedurende die periode op basis van dat zorgprofiel een pgb aan verzoeker verstrekt, zodat zijn verblijf, zorg en begeleiding bij [zorginstelling] in die periode gecontinueerd kan worden.

5.4.

Omdat de voorzieningenrechter het beroep I gegrond verklaart en het verzoek om voorlopige voorziening, gelet op verzoekers spoedeisend belang, een legitiem doel diende, moet het CIZ aan verzoeker de door hem betaalde bedragen aan griffierecht (twee maal

€ 48,-) vergoeden. Om dezelfde reden veroordeelt de voorzieningenrechter het CIZ in de door verzoeker voor zowel dat beroep als voor het verzoek om voorlopige voorziening gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Oordeel ten aanzien van de beëindiging van het pgb (AMS 20/3101 en AMS 20/2919)

6.1.

Tussen het Zorgkantoor en verzoeker is niet in geschil dat de beëindiging van het pgb met ingang vanaf 10 juni 2020, zoals bepaald in het bestreden besluit II, rechtstreeks voortvloeit uit de herziening van de indicatie van zorgprofiel VG3 naar VG2, zoals is geschied door het bestreden besluit I. Aangezien het bestreden besluit I volgens de voorzieningenrechter geen stand kan houden en wordt vernietigd, valt ook de grondslag van het bestreden besluit II weg.

6.2.

Reeds daarom is het beroep II gegrond en wordt ook het bestreden besluit II vernietigd. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het Zorgkantoor een nieuw besluit op het bezwaar van verzoeker moet nemen binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De inhoud of strekking daarvan zal afhangen van het nieuw te nemen besluit door het CIZ, zoals is bepaald in rechtsoverweging 5.1. Dat is dan ook de reden dat aan het Zorgkantoor een termijn van acht weken wordt gegeven en aan het CIZ zes weken.

6.3.

Omdat bij deze uitspraak op het beroep II is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af dat door verzoeker is ingediend.

6.4.

Ook ten aanzien van beroep II ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb , om te garanderen dat verzoeker voorlopig bij [zorginstelling] daadwerkelijk gebruik kan maken van zijn Wlz-indicatie. In dat kader bepaalt de voorzieningenrechter dat het Zorgkantoor verzoeker op basis van het zorgprofiel VG3 een pgb moet verstrekken voor de duur dat hij een dergelijke indicatie op grond van de Wlz heeft.

6.5.

Tegen het Zorgkantoor wordt eenzelfde proceskostenveroordeling uitgesproken als tegen het CIZ. Voor de motivering en berekening van die proceskostenveroordeling verwijst de voorzieningenrechter naar rechtsoverweging 5.4.

Beslissing

De voorzieningenrechter, in de zaken met de zaaknummers AMS 20/2967 en AMS 20/2968:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit I;

draagt het CIZ op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van verzoeker met inachtneming van deze uitspraak;

treft een voorlopige voorziening, inhoudende dat het CIZ verzoeker met ingang van de datum van deze uitspraak een indicatie op grond van de Wlz moet verstrekken conform zorgprofiel VG3 tot zes weken nadat het nieuw te nemen besluit op het bezwaar van verzoeker is genomen;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker af;

draagt het CIZ op het betaalde griffierecht van € 96,- aan verzoeker te vergoeden;

veroordeelt het CIZ in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.312,50.

De voorzieningenrechter, in de zaken met de zaaknummers AMS 20/3101 en AMS 20/2919:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit II;

draagt het Zorgkantoor op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van verzoeker met inachtneming van deze uitspraak;

treft een voorlopige voorziening, inhoudende dat het Zorgkantoor verzoeker op basis van het zorgprofiel VG3 een pgb moet verstrekken voor de duur dat hij een dergelijke indicatie op grond van de Wlz heeft;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker af;

draagt het Zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 96,- aan verzoeker te vergoeden;

veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.312.50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

29 juni 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op de beroepen kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van de bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorzieningen. Tegen deze uitspraak, voor zover daarmee de verzoeken om voorlopige voorziening van verzoeker zijn afgewezen, staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 11.1.1 van de Wlz .

Zie de artikelen 5.5 en 5.6 van de Rlz.

De uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1076 en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1844.

Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3.

Zie paragraaf 11.1 van de Wlz en hoofdstuk 9 van de Rlz.

Zie de MvT bij paragraaf 11.1 van de Wlz, kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 3.

Zoals jeugd/school opleiding, werk, oriëntatie, psychisch functioneren, probleem gedrag, psychosociaal welbevinden, sociale redzaamheid en bewegen en verplaatsen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature