< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland hoeft een (ex-)werknemer niet meer in dienst te nemen nu zijn prepensioen afloopt.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2203

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: drs. S.H. Springer),

en

het Veiligheidsbestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J. Hofste).

Procesverloop

Bij brief van 7 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van [verzoeker] om hem met ingang van 1 juni 2020 weer op een functie te plaatsen afgewezen.

[verzoeker] heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Vanwege de landelijke maatregelen rondom de uitbraak van het coronavirus is een openbare zitting met instemming van zowel [verzoeker] als verweerder achterwege gebleven.

Verweerder heeft op 1 mei 2020 een verweerschrift ingediend. [verzoeker] heeft op 6 mei 2020 schriftelijk gereageerd. Verder heeft [verzoeker] op 18 mei 2020 per e-mail gereageerd op de eveneens per e-mail gestelde vragen van de voorzieningenrechter. Hierop heeft verweerder bij e-mailbericht van 18 mei 2020 gereageerd en [verzoeker] heeft daar weer op gereageerd bij e-mailberichten van 18 en 20 mei 2020. Vervolgens heeft verweerder bij e-mailbericht van 25 mei 2020 zijn standpunt nader toegelicht. [verzoeker] heeft hierop gereageerd bij e-mailbericht van 26 mei 2020.

Na ontvangst van het e-mailbericht van 26 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten, omdat zij zich op grond van het dossier en de e-mailberichten voldoende geïnformeerd om zonder zitting een uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Aanleiding voor deze procedure

2. [verzoeker] is sinds 1 september 1980 in dienst bij verweerder in een zogenoemde bezwarende functie. Omdat [verzoeker] werkzaam is in een bezwarende functie, heeft hij recht op een vervroegde pensioenregeling, het zogeheten FLO-overgangsrecht.

3. Het FLO-overgangsrecht bestaat voor [verzoeker] uit drie opeenvolgende fasen:

I. verlof met doorbetaling van 80% van de berekeningsgrondslag gedurende vier jaar;

II. onbetaald verlof tot aan het einde van het dienstverband (met een uitkering uit de levensloopregeling gedurende maximaal drie jaar);

III. ABP-keuzepensioen tot de AOW-gerechtigde leeftijd en daarna ABP-keuzepensioen met AOW-pensioen.

4. Vanaf 13 mei 2010, op 55-jarige leeftijd, kon [verzoeker] keuzes maken in het kader van het FLO-overgangsrecht. Zo kon [verzoeker] er voor kiezen om direct met verlof te gaan tegen een uitkering van 80% van zijn berekeningsgrondslag (fase I), of om door te werken. Bij doorwerken had [verzoeker] de keuze om voor 100% of 50% door te werken, óf het keuzemoment met één jaar opschuiven en tot die tijd doorwerken met behoud van arbeidsvoorwaarden in de bezwarende functie. [verzoeker] koos driemaal voor dat laatste.

5. Vanwege bezuinigingen heeft verweerder beleid langer doorwerken FLO-overgangsrecht ontwikkeld. Op grond hiervan was het voor [verzoeker] niet langer mogelijk om, zoals hij al driemaal eerder had gedaan, langer door te werken. Verweerder heeft op 12 september 2012 een besluit genomen inhoudende dat [verzoeker] na 1 juni 2013 niet langer mag doorwerken.

6. Met ingang van 1 juni 2013 is aan [verzoeker] vier jaar verlof verleend tegen doorbetaling van 80% van de voor hem geldende berekeningsgrondslag (fase I). Met ingang van 1 juni 2017 heeft [verzoeker] onbetaald verlof, met een uitkering uit zijn levensloop (fase II). Deze fase duurt tot 1 juni 2020.

7. In de tussentijd is de AOW-gerechtigde leeftijd verhoogd. Dit zorgt er in het geval van [verzoeker] voor dat hij, doordat hij van het FLO-overgangsrecht gebruik maakt, vanaf 1 juni 2020 tot aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd op 13 september 2021 een zogeheten slapend dienstverband zal hebben. Dat betekent geen verplichting tot werkzaamheden en geen uitbetaling van een salaris of uitkering. Het FLO-overgangsrecht voorziet in deze periode ook niet in een financiële tegemoetkoming. Fase III luidt immers: ABP-keuzepensioen tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Het FLO-overgangsrecht gaat er dus van uit dat de medewerker zelf ontslag neemt en zijn ABP-keuzepensioen aanvraagt, maar verplicht hem daar niet toe.

Wat wil [verzoeker] ?

8. [verzoeker] wil dat verweerder hem met ingang van 1 juni 2020 een fulltime functie met passend salaris aanbiedt totdat hij op 13 september 2021 zijn AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Tot die datum heeft hij immers geen inkomsten – op de AOW-compensatie na – want hij kan zijn AOW-uitkering nog niet aanspreken en hij krijgt ook geen financiële vergoeding op grond van het FLO-overgangsrecht. Hij zal van de AOW-compensatie à ongeveer € 510 netto dus niet kunnen rondkomen. [verzoeker] wil niet zijn ABP-keuzepensioen aanspreken omdat dat zal leiden tot een levenslang lager pensioen. Hij heeft nog altijd een dienstverband met verweerder, dus verweerder zal hem niet kunnen verplichten zijn ABP-keuzepensioen vervroegd te laten ingaan. Bovendien heeft [verzoeker] al vanaf 2014 aangegeven vanaf zijn 65e te willen doorwerken.

9. Verweerder heeft dit bij het bestreden besluit formeel geweigerd. [verzoeker] voert aan dat hij de bezwaarprocedure niet kan afwachten omdat hij geen financiële reserves heeft om in zijn levensonderhoud en vaste lasten te voorzien, en het toekennen van zijn ABP-keuzepensioen is onherroepelijk. Daarom verzoekt hij de voorzieningenrechter verweerder op te dragen hem zo spoedig mogelijk een functie binnen de organisatie van verweerder of de gemeente Amsterdam aan te bieden die in overeenstemming is met zijn kennis en ervaring of hem aan te wijzen als herplaatsingskandidaat met betaling van een passend salaris.

Wat is het standpunt van verweerder?

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het FLO-overgangsrecht ervan uitgaat dat na afloop van de levensloopuitkering (fase II) ontslag wordt ingediend en pensioen wordt aangevraagd. Verweerder heeft daartoe toen [verzoeker] 53 jaar was een zogenoemde storting versterkt ouderdomspensioen aan het ABP verricht. Het FLO-overgangsrecht, dat tot stand is gekomen door onderhandelingen tussen de sociale partners, kent geen verplichting tot het aanbieden van werkzaamheden of het uitvoeren van een plaatsingsonderzoek. Het FLO-overgangsrecht bevat volgens de sociale partners een gelijkwaardige regeling in vergelijking tot de oude FLO-regeling. De storting versterkt ouderdomspensioen is hier onderdeel van. Verweerder heeft alle door sociale partners overeengekomen afspraken correct en volledig op de situatie van [verzoeker] toegepast. Als [verzoeker] geen ontslag wil indienen, vangt het slapend dienstverband aan totdat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt op 13 september 2021 en het dienstverband van rechtswege eindigt.

Wat vindt de voorzieningenrechter?

11. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat [verzoeker] gebruik maakt van de vervroegde uitdiensttreding waarin het FLO-overgangsrecht voorziet. [verzoeker] heeft vanaf 2010 het FLO-overgangsrecht doorlopen en de daarbij behorende 80% van de berekeningsgrondslag gedurende fase I genoten. Sterker nog: op dit moment heeft [verzoeker] er al twee van de drie fasen van het FLO-overgangsrecht op zitten. Door van het FLO-overgangsrecht gebruik te maken, stevent hij sinds 2010 af op een vervroegde uitdiensttreding. Dit is vooralsnog onomkeerbaar, het FLO-overgangsrecht voorziet (op dit moment niet) niet in het terugdraaien van de eerder gemaakte keuze om vervroegd uit dienst te treden. Dat [verzoeker] de laatste fase vanwege de verhoogde AOW-leeftijd wil uitstellen is heel begrijpelijk, gezien de daaraan verbonden (nadelige) financiële gevolgen. Wellicht had [verzoeker] destijds andere keuzes gemaakt als hij had geweten dat de AOW-leeftijd zou worden verhoogd en wat dat voor gevolgen voor hem zou hebben. Echter, de verplichting voor verweerder om [verzoeker] een betaalde baan aan te bieden staat in principe haaks op het idee van de vervroegde uitdiensttreding waarin het FLO-overgangsrecht voorziet. De voorzieningenrechter ziet in het toepasselijke FLO-overgangsrecht dus geen verplichting voor verweerder [verzoeker] weer te werk te stellen en/of hem een salaris te betalen. Dat het versterkt pensioen, zoals [verzoeker] stelt, er niet toe heeft geleid dat het pensioen in het FLO-overgangsrecht op verglijkbaar niveau is als de oude FLO-regeling, kan hier niet aan afdoen.

12. [verzoeker] kan er in het kader van het FLO-overgangsrecht voor kiezen in fase III een ontslagverzoek in te dienen. Als hij dat niet doet, betekent dat niet dat verweerder vanwege het bestaande dienstverband een extra zorgplicht heeft om [verzoeker] vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap weer op een functie te plaatsen. [verzoeker] heeft immers door gebruik te maken van het FLO-overgangsrecht te kennen gegeven voortijdig te willen stoppen met werken. Dat hij zich heeft bedacht, levert geen zorgplicht voor verweerder op.

13. De voorzieningenrechter merkt op dat er thans onderhandelingen gaande zijn met verweerder om de (nadelige) gevolgen van de verhoogde AOW-leeftijd voor vervroegde uitdiensttreders te beperken. Echter, waar die onderhandelingen toe zullen leiden, is op dit moment nog niet duidelijk. De voorzieningenrechter kan daar dus niet op vooruit lopen en baseert haar oordeel op de regels zoals die thans luiden.

14 Een en ander betekent overigens ook niet dat verweerder [verzoeker] verplicht om zijn ABP-keuzepensioen vervroegd te laten ingaan. Zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft medegedeeld, staat het [verzoeker] vrij te solliciteren naar een functie bij verweerder of op een andere wijze in zijn inkomsten te voorzien.

Conclusie

15. Het bezwaar van [verzoeker] heeft op dit moment geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Omdat het Functioneel Leeftijdsontslag per 1 januari 2006 is afgeschaft, is sprake van overgangsrecht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature