< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

CBRE, een internationale vastgoedorganisatie die het technisch onderhoud van de Nederlandse tankstations van Shell verzorgde, moet een bedrag van bijna 121.800 euro betalen aan Hamer, een technisch installatiebedrijf dat de werkzaamheden aan de tankstations uitvoerde.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/673092 / HA ZA 19-1043

Vonnis van 20 mei 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAMER B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. T.M. Maters te Huissen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CBRE GWS INTEGRATED FACILITY MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk,

gedaagde,

advocaat mr. C. Jeloschek te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Hamer en CBRE genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 23 september 2019, met producties,

de conclusie van antwoord, met producties,

het tussenvonnis van 19 februari 2020,

het proces-verbaal van comparitie van 9 maart 2020 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hamer is een bedrijf dat zich bezighoudt met het ontwerpen, installeren en onderhouden van technische installaties en hieraan verwante technische dienstverlening.

2.2.

CBRE is een internationale vastgoedorganisatie met verschillende takken van dienstverlening.

2.3.

Vanaf 2005 heeft (een rechtsvoorganger van) CBRE voor Shell Retail Nederland het technisch onderhoud van haar (Nederlandse) tankstations verzorgd. In dat kader heeft CBRE met (een rechtsvoorganger van) Hamer op 21 mei 2012 een overeenkomst gesloten (hierna ook: de raamovereenkomst). Op grond van deze overeenkomst heeft Hamer sindsdien het technisch onderhoud van de Shell-tankstations verzorgd. De overeenkomst gold tot en met 31 december 2013 en is met een addendum verlengd tot en met 31 december 2015. Het addendum bevat enkele wijzigingen ten opzichte van de raamovereenkomst.

2.4.

De werkzaamheden aan de tankstations bestonden uit onderhoudswerkzaamheden en aangenomen werk, ook wel reactieve werkzaamheden genoemd.

2.5.

In de raamovereenkomst was een lump sum (vast bedrag) opgenomen voor de onderhoudswerkzaamheden. Voor de reactieve werkzaamheden waren uurtarieven vastgesteld. In beide gevallen werd daaraan toegevoegd “This pricing is fixed until December 31st 2015”. Ook bevatte de overeenkomst een ‘Respons & Fix-tijd’ (R&F tijd) en een bonus/malusregeling. De bonus/malus was afhankelijk van twee variabelen, waaronder de downtime. Downtime was het gemiddeld aantal minuten dat er niet verkocht kon worden als gevolg van een storing. Om in aanmerking te komen voor de bonus moest de downtime in 2012 niet meer zijn dan 40, in 2013 niet meer dan 36. De overeenkomst kon door CBRE op elk moment worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden.

2.6.

In het addendum golden dezelfde lump sums en dezelfde prijzen voor de reactieve werkzaamheden. Ook hier was opgenomen “This pricing is fixed until December 31st 2015”. De downtime voor 2014 was 25 en voor 2015 15.

2.7.

In een brief van 7 december 2015 heeft CBRE Hamer geschreven dat Shell het contract met CBRE heeft verlengd en dat er een nieuwe overeenkomst tussen CBRE en Shell wordt opgesteld. Omdat er wel het een en ander gaat veranderen, wil CBRE graag met Hamer in gesprek om voor 31 maart 2016 een nieuwe overeenkomst af te sluiten conform de nieuwe contractuele afspraken met Shell. CBRE vraagt Hamer om in de tussentijd (1 januari tot en met 31 maart 2016) de (geplande) preventieve onderhoudswerkzaamheden en, indien van toepassing, wettelijk vereiste inspecties aan de tankstations te continueren binnen de gestelde R&F-tijd conform prijspeil 2015. Andere werkzaamheden, bijvoorbeeld storingen, zullen op basis van de bij CBRE bekende uurtarieven verrekend worden. Hamer zal van CBRE op de gebruikelijke wijze een werkorder ontvangen.

2.8.

In een brief van 21 maart 2016 heeft CBRE Hamer geschreven dat de nieuwe contractuele afspraken met Shell nog niet beschikbaar zijn, waardoor het voor CBRE onhaalbaar is om nieuwe overeenkomsten met haar leveranciers af te sluiten voor 31 maart 2016. Daarom vraagt CBRE Hamer opnieuw om de dienstverlening aan de tankstations te blijven continueren op basis van de werkorders van CBRE en binnen de gestelde R&F-tijd conform prijspeil 2015.

2.9.

In de loop van 2016 hebben partijen gesproken over het sluiten van een nieuw lump sum-contract voor het jaar 2016. Dat heeft niet tot overeenstemming geleid.

2.10.

Hamer heeft gedurende 2016 de werkzaamheden aan de tankstations ten behoeve van CBRE voortgezet. In deze procedure gaat het alleen nog om het aangenomen werk, niet om de onderhoudswerkzaamheden. De werkwijze met betrekking tot het aangenomen werk was als volgt: Hamer kreeg een storingsmelding binnen. Aan de hand hiervan maakte Hamer een prijsopgave voor de uit te voeren werkzaamheden. In sommige gevallen werd een aantal vergelijkbare storingsmeldingen op verschillende tankstations gebundeld tot een project en werd één prijsopgave voor het hele project gemaakt. Indien de prijsopgave akkoord was, verstrekte CBRE een werkorder. Nadat de werkzaamheden waren verricht, stuurde Hamer CBRE een factuur conform de prijsopgave. In het geval van een project werden de facturen voor de werkzaamheden aan de verschillende tankstations in het project pas aan CBRE verstuurd nadat het hele project was afgerond.

2.11.

In 2016 heeft Hamer een prijsopgave gedaan voor het projectmatig vervangen van de luifelverlichting op diverse tankstations en een voor het projectmatig vervangen van LED-bars op enkele andere tankstations. Aan de hand van deze prijsopgaven heeft CBRE werkorders verstrekt. Daarnaast heeft CBRE werkorders verstrekt voor enkele andere werkzaamheden, waaronder het installeren van een compressor in Zevenaar en het installeren van een HVAC-installatie in Warnsveld.

2.12.

Op dinsdag 20 december 2016 heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van CBRE [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van Hamer een e-mail gestuurd met als onderwerp “CBRE projecten 2016 Hamer; overloop naar 2017 tot nader bericht op hold” en de volgende tekst:

“ [naam 2] ,

Ik heb hierover ook je voice mail ingesproken, graag even contact:

In bijgevoegde excel lijst zijn de projecten opgenomen welke op dit moment nog niet gereed gemeld zijn.

Graag alle projecten die niet in 2016 uitgevoerd worden, maar een overloop hebben naar 2017 tot nader bericht op HOLD zetten en nog niet inplannen voor 2017.

Wij zullen deze eerst bij Shell voor akkoord aanvragen om deze in 2017 uit te voeren.

Graag morgen (21/12/2016) einde dag aangeven welke projecten dit zijn en welke kosten tot heden gemaakt zijn ter voorbereiding van deze projecten (bestellingen van materialen), dan zullen we deze kosten bij Shell overleggen.”

2.13.

Op de bij de e-mail van 20 december 2016 gevoegde lijst stonden onder meer de tankstations waar de luifelverlichting moest worden vervangen en de tankstations waar de LED-bars moesten worden vervangen.

2.14.

Diezelfde dag heeft [naam 2] [naam 1] per e-mail geantwoord:

“ [naam 1] ,

Ik kom hier deze week op terug alleen zijn er veel bestellingen geplaatst welke deze en komende week binnen gaan komen

Luifel verlichting

(…)

Ledbars

Compressoren

(…)

Deze staan ingepland vanaf week 2”

2.15.

De volgende dag, woensdag 21 december 2016, heeft [naam 2] aan [naam 1] gemaild dat hij voor alle projecten inkoopverplichtingen is aangegaan, dat de materialen begin week 2-3 zullen worden geleverd en dat de uitrol aansluitend gebeurt. Voor Warnsveld zijn volgens [naam 2] afspraken gemaakt en staan vele partijen klaar om 9 januari 2017 te starten.

2.16.

Daarop heeft [naam 3] van CBRE diezelfde dag geantwoord:

“ [naam 2] ,

Graag ontvang ik een duidelijk overzicht van wat er is gepland en reeds besteld.

Per station graag aangeven:

 Stations nummer en naam

 Geplande werkzaamheden

 Reeds bestelde materialen (incl. bewijs dat deze reeds zijn besteld)

 De planning van de uit te voeren werkzaamheden.

Shell heeft aangegeven dat er GEEN overlopend (project gestart in 2016, uit te voeren in 2017) projectwerk mag worden uitgevoerd zonder uitdrukkelijke toestemming van [naam 4] of haar lijn management.

Ik zie bovenstaande graag voor het eind van de week tegemoet.”

2.17.

Op vrijdag 6 januari 2017 heeft [naam 2] [naam 1] een e-mail gestuurd met als onderwerp “werkzaamheden 2017” en de volgende tekst:

“ [naam 1] ,

Er waren wat onduidelijkheden over wel of niet uitvoeren van werkzaamheden.

Maandag gaan wij starten met vervangen van de HVAC op de locatie Warnsveld

Maandag gaan we starten met vervangen LED bar en luifelverlichting wij zullen de locaties over onze komst inlichten.

Tevens gaan de laatste onderhoudswerkzaamheden aan compressoren mee gestart worden

In week 4 gaan we de compressoren plaatsen.”

2.18.

Diezelfde dag heeft [naam 1] [naam 2] het volgende geantwoord:

“ [naam 2] ,

Op verzoek van Shell mogen de capex werken die in 2016 niet uitgevoerd zijn niet zonder aanvullend akkoord van Shell en met een nieuwe PO van Shell uitgevoerd worden, vandaar dat deze op hold gezet zijn (zie bijgevoegde mail).

Het kan dus niet zo zijn dat onderstaande planning aangehouden wordt.

Compressoren graag (voorlopig) laten staan voor week 4. De overige werkzaamheden nog niet inplannen. We komen hier zo snel mogelijk op terug.

M.b.t. Warnsveld heb ik dit ook gecommuniceerd (…), deze is ook verzet.

Ik heb hierover ook je voice mail ingesproken.”

2.19.

In het dossier bevindt zich een ongedateerde e-mail van [naam 2] aan [naam 1] met als onderwerp “RE: werkzaamheden 2017” en met een bijlage “cbre gereed 21-12-16.xlsx”. In deze e-mail staat:

“ [naam 1] ,

Zoals besproken gaat Utrecht wel door ivm gepland afzetting provincie

Tevens nogmaals de lijst bij gevoegd letop alle materialen zijn reeds aan geschaft en ook al betaald door hamer met uitzondering van HVAC materiaal dat staat gepland levering a.s. maandag dit kan ik niet meer annuleren.”

2.20.

Hamer heeft CBRE op 14 en 15 februari 2017 facturen gestuurd voor het vervangen van de luifelverlichting op zeventien tankstations. Op 2 maart 2017 heeft Hamer CBRE facturen gestuurd voor het vervangen van de LED-bars op acht tankstations, waaronder een tankstation in Utrecht. Op 23 maart 2017 zijn drie facturen gevolgd: een voor het vervangen van de compressor in Zevenaar, een voor het leveren en monteren van drie heaters in Rotterdam en een voor de eerste termijn (alleen materialen) voor het vervangen van de HVAC-installatie in Warnsveld. Op 20 maart 2017 heeft Hamer de performance bonus 2016 aan CBRE gefactureerd.

2.21.

In een brief van 17 maart 2017 heeft CBRE Hamer onder andere geschreven:

“Hierbij moeten wij u helaas mededelen dat wij de overeenkomst die wij met u hebben voor het leveren van diensten ten behoeve van Shell Retail Nederland, niet kunnen continueren. Dit is het gevolg van de beëindiging van de overeenkomst tussen Shell Retail en CBRE in Nederland per 31 maart 2017.

(…)

Wat betekent dit voor de facturatie:

Alle door CBRE in opdracht gegeven werkzaamheden ten behoeve van Shell Retail Nederland welke door u zijn uitgevoerd tot en met 31 maart 2017 dienen voor 7 april 2017 aan CBRE te zijn gefactureerd.”

2.22.

Alle bedragen in dit vonnis die betrekking hebben op de werkzaamheden zijn inclusief BTW, tenzij anders vermeld.

3 Het geschil

3.1.

Hamer heeft – samengevat – gevorderd dat CBRE wordt veroordeeld tot betaling van:

€ 214.632,22;

€ 44.323,08, aan wettelijke (handels)rente over € 214.632,22 vanaf 30 dagen na elke factuurdatum tot 1 september 2019;

de wettelijke (handels)rente over € 214.632,22 vanaf 1 september 2019;

€ 2.848,19 aan buitengerechtelijke kosten;

de proceskosten, nakosten en wettelijke rente over de kosten indien deze niet binnen veertien dagen na het vonnis geheel zijn voldaan.

Hamer heeft gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

3.2.

Op de zitting heeft Hamer haar eis verminderd met een bedrag van € 9.438,- dat CBRE op 26 februari 2020 heeft betaald. Op grond van artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW) strekt dit bedrag volgens Hamer eerst in mindering op de kosten en de rente.

3.3.

De hoofdsom van € 214.632,22 bestaat uit de volgende onderdelen:

€ 43.368,72 voor het vervangen van LED-bars aan zeven tankstations in 2016 (facturen PF104720 tot en met PF104725);

€ 7.929,92 voor het vervangen van een LED-bar in Utrecht in 2017 (factuur PF104719);

€ 9.438,-, voor factuur PF105616; dit bedrag is door CBRE erkend (en inmiddels betaald, zie onder 3.2);

€ 635,25 voor het installeren van de compressor in Zevenaar (factuur PF105574),

€ 14.480,07 voor de HVAC-installatie die zou worden geïnstalleerd in Warnsveld (factuur PF105661);

€ 27.225,- voor de bonus (factuur PF105413);

€ 111.557,16 voor het vervangen van luifelverlichting aan zeventien tankstations (facturen PF104014 tot en met PF104030).

3.4.

Hamer heeft aan haar vorderingen onder a tot en met e en g ten grondslag dat gelegd dat partijen voor die werkzaamheden een prijs zijn overeengekomen, dat CBRE opdracht heeft gegeven deze werkzaamheden uit te voeren en dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. CBRE moet daarom de overeengekomen prijs betalen. De vordering onder f (de bonus) heeft Hamer gebaseerd op de bij addendum verlengde raamovereenkomst uit 2012.

3.5.

CBRE heeft als verweer gevoerd dat CBRE de samenwerking heeft opgezegd met de mail van [naam 1] van 20 december 2016 (zie onder 2.12). Na die opzegging is CBRE op grond van artikel 7:764 BW nog wel de overeengekomen prijs verschuldigd, maar minus de besparingen die voor Hamer uit de opzegging voortvloeien, en tegen aflevering van het reeds voltooide werk. CBRE betwist dat zij over 2016 een bonus verschuldigd is. Nadat de looptijd van de raamovereenkomst op 31 december 2015 was verstreken, hebben partijen geen afspraken gemaakt over de verschuldigdheid van een bonus. CBRE heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Hamer in de proceskosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De raamovereenkomst en de bonus (de vordering onder f)

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de raamovereenkomst van 2012, met het addendum, een looptijd had tot en met 31 december 2015. Daarna hebben partijen de samenwerking voortgezet. CBRE heeft gesteld dat dit op een andere basis ging dan voorheen: er was geen lump sum meer afgesproken voor de onderhoudswerkzaamheden, maar alle werkzaamheden werden uitgevoerd op basis van de uurtarieven voor reactieve werkzaamheden. Hamer heeft gesteld dat de raamovereenkomst na 31 december 2015 is verlengd onder dezelfde voorwaarden, behoudens de lump sum constructie, maar dat heeft zij niet geconcretiseerd. Uit de e-mails van 7 december 2015 en 21 maart 2016 blijkt dit niet. Ook is niet gebleken dat Hamer in reactie op die e-mails nog voorwaarden heeft gesteld aan de voortzetting van de samenwerking. Met name met betrekking tot de bonus heeft Hamer onvoldoende gesteld. De bonus is immers afhankelijk van de downtime, die voor elk jaar afzonderlijk werd vastgesteld. Voor 2016 was geen downtime vastgesteld, zodat niet duidelijk is op welke basis de bonus dan moest worden berekend. Dat betekent dat er over 2016 geen contractuele verplichting tot het betalen van een bonus was. Ook de verklaring op zitting van Hamers adviseur dat voor de bonus een vaste prijs was afgesproken en dat de downtime niet verder was gekwalificeerd, maar was vastgesteld op € 22.500,-, is onvoldoende, omdat deze stelling nergens door wordt ondersteund.

4.2.

Het voorgaande betekent dat er geen grondslag is voor vergoeding van de bonus. De vordering onder g wordt dus afgewezen.

De e-mail van 20 december 2016

4.3.

Partijen hebben na 31 december 2015, ondanks het verstrijken van de looptijd van de raamovereenkomst, de samenwerking voortgezet. Partijen zijn het erover eens dat de grondslag voor deze samenwerking aanneming van werk (artikel 7:750 BW) was. De rechtbank kwalificeert elke afzonderlijke prijsopgave na 31 december 2015 met de daarop volgende werkorder als een afzonderlijke overeenkomst. Kern van de zaak is de vraag of CBRE die overeenkomsten met de e-mail van 20 december 2016 rechtsgeldig heeft opgezegd in de zin van artikel 7:764 lid 1 BW .

4.4.

In de e-mail van 20 december 2016 heeft CBRE Hamer opgedragen de werkzaamheden die (deels) in 2017 uitgevoerd zouden worden ‘on hold’ te zetten. Volgens CBRE is on hold stellen hetzelfde als opzeggen. Hamer heeft betwist dat on hold stellen hetzelfde is als opzeggen, en zich op het standpunt gesteld dat de on holdstelling kwalificeert als een opschorting , waarvoor geen geldige reden bestond. Ook heeft Hamer zich op het standpunt gesteld dat de samenwerking pas in de brief van 17 maart 2017 (zie onder 2.21) is opgezegd en dat uit die brief volgt dat CBRE alle werkzaamheden die vóór 31 maart 2017 waren uitgevoerd en voor 7 april 2017 waren gefactureerd, zou vergoeden.

4.5.

Met CBRE is de rechtbank van oordeel dat de on holdstelling is te kwalificeren als een opzegging van de overeenkomsten die (deels) pas in 2017 zouden worden uitgevoerd. CBRE heeft Hamer immers opgedragen bepaalde overeengekomen werkzaamheden (toch) niet uit te voeren. Dat op 17 maart 2017 nog een brief is gevolgd, waarin CBRE laat weten ‘de overeenkomst’ niet te continueren, doet daar niet aan af. De opzegging was toen immers al een feit. Verder kan uit de brief van 17 maart 2017 niet worden afgeleid dat CBRE alle facturen die nu in geding zijn, zou betalen. In de brief wordt immers gesproken van ‘alle door CBRE in opdracht gegeven werkzaamheden’. Daarvan is geen sprake meer indien de opdracht door CBRE tussentijds is opgezegd.

4.6.

Hamer heeft in reactie op het verweer nog aangevoerd dat als de on holdstelling zou kwalificeren als een opzegging, deze niet rechtsgeldig is omdat geen rekening is gehouden met de contractuele opzegtermijn van drie maanden. CBRE heeft betwist dat deze opzegtermijn van toepassing was. De opzegtermijn gold volgens CBRE voor tussentijdse opzegging van de raamovereenkomst, die voor bepaalde tijd was gesloten. Daarna gold geen opzegtermijn meer.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat na het einde van de looptijd van de raamovereenkomst geen opzegtermijn meer gold tussen partijen. In de e-mails van 7 december 2015 en 21 maart 2016 staat niets over de mogelijkheid van beëindiging van de samenwerking. Ook is niet gebleken dat Hamer in reactie op deze e‑mails nog nadere voorwaarden heeft gesteld, zoals een opzegtermijn. Dat betekent dat de samenwerking na 31 december 2015 op grond van de wet (artikel 7:764 lid 1 BW) kon worden beëindigd door opzegging zonder een opzegtermijn.

De gevolgen van de opzegging voor de vordering onder a

4.8.

De opzegging ziet alleen op de werkzaamheden die (deels) in 2017 zouden worden uitgevoerd. Hamer heeft gesteld dat de LED-bars bij zeven tankstations in 2016 zijn vervangen (vordering onder a). Alleen bij het tankstation in Utrecht zijn de werkzaamheden pas in 2017 uitgevoerd. CBRE heeft betwist dat de werkzaamheden aan de zeven tankstations in 2016 zijn uitgevoerd, en er in dat verband op gewezen dat de werkzaamheden op 20 december 2016 nog op de lijst met openstaande werkzaamheden stonden en dat de facturen voor al deze werkzaamheden pas in maart 2017 zijn verstuurd.

4.9.

Hamer heeft ter onderbouwing van haar stelling voorafgaand aan de zitting een verklaring van haar projectleider, de heer [naam 5] , overgelegd. Deze heeft verklaard dat hij in november, december en januari op diverse Shell-locaties de aanwezige luifelverlichting en LED-bars heeft laten vervangen door montageploegen van Hamer. Volgens [naam 5] is de planning destijds afgestemd met CBRE en locatiemanagers. Vervolgens heeft hij een lijst opgenomen met per locatie de aanduiding ‘november 2016’, ‘december 2016’, of ‘jan 2017’. Hieruit blijkt dat alle LED-bars, met uitzondering die van het tankstation in Utrecht, in 2016 zijn vervangen.

4.10.

CBRE heeft niet concreet gereageerd op de verklaring van [naam 5] , maar slechts haar eerder genoemde standpunt herhaald. De rechtbank is daarom van oordeel dat CBRE aldus de stellingen van Hamer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Tegenover de gemotiveerde stelling van Hamer, aangevuld met de verklaring van [naam 5] , had van CBRE mogen worden verwacht dat zij haar standpunt nader zou onderbouwen, bijvoorbeeld met verklaringen van toenmalige locatiemanagers over de planning van de werkzaamheden destijds.

4.11.

Het voorgaande betekent dat komt vast te staan dat Hamer de LED-bars bij zeven tankstations in 2016 heeft vervangen. De opzegging ziet dus niet op deze werkzaamheden. Dat betekent dat CBRE voor deze werkzaamheden de overeengekomen prijs moet betalen. Het is niet in geschil dat Hamer conform de prijsopgaven heeft gefactureerd. De vordering onder a wordt dus toegewezen. Dat gaat om een bedrag van € 43.368,72.

Gevolgen van de opzegging voor werkzaamheden voor de vordering onder b

4.12.

In reactie op het verweer van CBRE dat de overeenkomst is opgezegd, heeft Hamer gesteld dat CBRE na die opzegging uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om de LED-bars aan het tankstation in Utrecht (vordering onder b) nog wel te vervangen. Voor die werkzaamheden was immers speciaal bij de provincie een wegafzetting geregeld. Volgens Hamer heeft [naam 1] [naam 2] telefonisch laten weten dat het project in Utrecht door kon gaan. [naam 2] heeft dit vervolgens per e-mail bevestigd (zie onder 2.19).

4.13.

CBRE heeft betwist dat zij toestemming heeft gegeven om dit project alsnog uit te voeren. Zij heeft erop gewezen dat de e-mail waarnaar Hamer verwijst ongedateerd is, dat een specificatie van het project in Utrecht ontbreekt, evenals de bijlage waarnaar [naam 2] in die e-mail refereert.

4.14.

De e-mail waarnaar Hamer verwijst is inderdaad niet gedateerd. Het is dus niet duidelijk wanneer die is verzonden. Hamer baseert haar stellingen echter niet alleen op die e-mail, maar stelt ook dat daaraan voorafgaand een telefoongesprek heeft plaatsgevonden tussen [naam 2] en [naam 1] , waarin [naam 1] toestemming heeft gegeven de werkzaamheden in Utrecht uit te voeren. CBRE heeft slechts in algemene zin betwist dat zij toestemming heeft gegeven om de werkzaamheden in Utrecht alsnog uit te voeren. CBRE heeft echter niet betwist dat dit telefoongesprek tussen [naam 2] en [naam 1] heeft plaatsgevonden, en ook de gestelde inhoud van het gesprek niet betwist. Dat [naam 1] inmiddels niet meer bij CBRE werkt, zoals CBRE op de zitting heeft verklaard, is in dat verband niet relevant. Ook in eerdere correspondentie heeft Hamer ter onderbouwing van haar vordering voor de werkzaamheden in Utrecht al verwezen naar een afspraak met [naam 1] . Tegenover deze gemotiveerde stelling van Hamer had van CBRE mogen worden verwacht dat zij haar verweer nader had onderbouwd. Zij had bijvoorbeeld contact op kunnen nemen met [naam 1] om bij hem te informeren naar de gang van zaken rondom het tankstation in Utrecht. Nu CBRE dit niet heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat CBRE de stellingen van Hamer over de werkzaamheden in Utrecht onvoldoende heeft betwist.

4.15.

Het voorgaande betekent dat is komen vast te staan dat na de opzegging alsnog is overeengekomen dat de werkzaamheden in Utrecht moesten worden uitgevoerd. CBRE moet voor deze werkzaamheden dus de overeengekomen prijs betalen. Het is niet in geschil dat Hamer conform de prijsopgaven heeft gefactureerd. De vordering onder b wordt dus toegewezen.

Gevolgen van de opzegging voor werkzaamheden voor de vordering onder d

4.16.

Ook met betrekking tot het installeren van de compressor bij het tankstation in Zevenaar (vordering onder d) heeft Hamer gesteld dat CBRE hiervoor na de opzegging expliciet opdracht heeft gegeven. Zij heeft ook in dit verband gesteld dat [naam 1] heeft gezegd dat de compressoren in Zevenaar in week 4 konden worden geïnstalleerd. CBRE heeft deze vordering alleen in algemene zin betwist. In de e‑mail van [naam 1] aan [naam 2] van 6 januari 2017 (zie onder 2.18) staat echter uitdrukkelijk: “Compressoren graag (voorlopig) laten staan voor week 4.” De rechtbank is van oordeel dat daaruit voldoende duidelijk blijkt dat de opdracht om de compressor te installeren voorlopig bleef staan. Dat die opdracht naderhand alsnog is opgezegd, is niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat CBRE ook voor deze werkzaamheden de overeengekomen prijs, te weten het factuurbedrag, moet betalen. De vordering onder d wordt dus toegewezen.

Gevolgen van de opzegging voor de vordering onder e

4.17.

Op grond van artikel 7:764 lid 1 BW kan de opdrachtgever een overeenkomst van aanneming van werk te allen tijde opzeggen. Op grond van lid 2 moet hij in zo’n geval de gehele prijs betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien.

4.18.

Hamer heeft de HVAC-installatie voor het tankstation in Warnsveld na de opzegging niet meer geïnstalleerd en daarom alleen de materiaalkosten van de HVAC-installatie bij CBRE in rekening gebracht (vordering onder e).

4.19.

CBRE heeft in verweer ten eerste aangevoerd dat niet is gebleken dat Hamer deze installatie al vóór de opzegging had aangeschaft. Voor zover de installatie al wel eerder was aangeschaft, heeft CBRE aangevoerd dat Hamer deze op andere projecten kan gebruiken. Als dat niet kan moet zij de installatie op grond van artikel 7:764 lid 2 BV aan CBRE afleveren.

4.20.

Hamer heeft voorafgaand aan de zitting stukken van Mitsubishi Electric overgelegd, te weten een prijsopgave van 5 juli 2016 en een orderbevestiging van 21 september 2016. Bovendien heeft zij verwezen naar de factuur van 9 januari 2017. Volgens Hamer zien al deze stukken op de HVAC-installatie en blijkt daaruit dat die al voor de opzegging was besteld. Hamer heeft gesteld dat er niet zomaar een gelijkwaardig project is waarop zij de HVAC-installatie kan gebruiken. Zij heeft bovendien laten weten dat de installatie nog beschikbaar is voor CBRE en dat deze kan worden opgehaald.

4.21.

CBRE heeft op de zitting niet meer gereageerd op de nadere toelichting van Hamer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vast staat dat de HVAC-installatie voor de opzegging is besteld, dat deze niet zomaar op een ander project kan worden ingezet en dat uit de opzegging voor Hamer dus geen besparingen op de materiaalkosten voortvloeiden. Nu de installatie bovendien beschikbaar is voor aflevering aan CBRE, moet CBRE de materiaalkosten vergoeden. De vordering onder e wordt dus toegewezen.

De gevolgen van de opzegging voor de vordering onder g

4.22.

Deze vordering betreft het vervangen van de luifelverlichting bij zeventien tankstations. Hamer heeft gesteld dat de werkzaamheden aan vier van deze tankstations (Elst, Apeldoorn, Groningen en Leeuwarden) al in 2016 zijn verricht, zodat de opzegging voor deze werkzaamheden niet gold. Zij heeft in dit verband verwezen naar de verklaring van [naam 5] (zie onder 4.9).

4.23.

De rechtbank overweegt dat [naam 5] weliswaar heeft verklaard dat de luifelverlichting van de vier tankstations al in 2016 is vervangen, maar dat Hamer op de zitting heeft gesteld dat er in 2017 nog een kleine aanpassing moest worden gedaan omdat de inbouwmaat van de LED-verlichting iets afweek. CBRE heeft op de zitting niet gereageerd op de verklaring van [naam 5] en ook de stelling van Hamer over de aanpassingen in 2017 niet betwist. Daarmee staat dus vast dat het grootste deel van de werkzaamheden aan deze vier tankstations in 2016 is uitgevoerd. Uit de e-mail van Drost van 21 december 2016 (zie onder 2.16) volgt dat ook werk dat werd gestart in 2016 na de opzegging niet meer mocht worden afgerond zonder uitdrukkelijke toestemming van Shell. De opzegging had dus ook betrekking op de werkzaamheden aan deze vier tankstations. Dat neemt niet weg dat de besparingen die voortvloeien uit de opzegging alleen kunnen zien op de aanpassingen die in 2017 zijn gedaan. Voor de werkzaamheden die in 2016 zijn verricht, is CBRE dus de overeengekomen prijs verschuldigd.

4.24.

Uit de facturen in combinatie met de prijsopgave die als bijlage bij de verklaring van [naam 5] is overgelegd blijkt dat Hamer alleen de overeengekomen prijs in rekening heeft gebracht en niet apart heeft gefactureerd voor de aanpassingen die in 2017 aan de vier tankstations zijn gedaan. Dat betekent dat CBRE de facturen voor de vier genoemde tankstations moet betalen, tot een totaalbedrag van € 38.121,05. Dit gedeelte van de vordering onder g wordt toegewezen. Het toe te wijzen bedrag is als volgt opgebouwd:

Naam tankstation

Factuurnummer

Bedrag

Elst

PF104014

€ 9.861,50

Apeldoorn

PF104015

€ 9.323,05

Groningen

PF104016

€ 11.960,85

Leeuwarden

PF104023

€ 6.975,65

Totaal

€ 38.121,05

4.25.

Voor de dertien overige tankstations heeft Hamer geen gehoor gegeven aan de opzegging door CBRE en de werkzaamheden alsnog in 2017 uitgevoerd. Zij heeft toegelicht dat zij dit heeft gedaan omdat zij het materiaal voor die werkzaamheden al had ingekocht, omdat het materiaal ook al was geleverd en omdat de monteurs die de werkzaamheden zouden uitvoeren al waren ingepland en ook niet op korte termijn op een ander project konden worden ingepland. Er konden geen besparingen worden gerealiseerd en de monteurs waren beschikbaar. Dergelijke omstandigheden maken echter niet dat Hamer de opzegging door CBRE zomaar kon negeren. Op grond van artikel 7:764 lid 1 BW was CBRE immers bevoegd te allen tijde de overeenkomst op te zeggen. De kosten die Hamer niet meer kon besparen, had zij op grond van lid 2 in rekening kunnen brengen.

4.26.

De kosten die Hamer bij CBRE in rekening heeft gebracht blijken uit de prijsopgave die bij de verklaring van de heer [naam 5] is gevoegd. Het gaat om kosten voor armaturen en frames, kosten voor een hoogwerker, voorrijkosten en loonkosten (op de prijsopgave ‘montagekosten’ genoemd).

4.27.

Met betrekking tot de besparingen op materiaalkosten (armaturen en frames) heeft CBRE ten eerste aangevoerd dat niet is gebleken dat de materialen al waren ingekocht en ten tweede dat Hamer de ingekochte materialen op andere projecten had kunnen gebruiken en ten derde dat zij de materialen na de opzegging aan haar moest afleveren. Dat laatste is echter niet meer mogelijk omdat Hamer de materialen al in de tankstations heeft geïnstalleerd.

4.28.

Hamer heeft gesteld dat zij de materialen al voor de opzegging heeft ingekocht en aangeboden dat te bewijzen door het overleggen van inkooporders. Hamer heeft betwist dat deze materialen nog bruikbaar zouden zijn als zij ze niet in de tankstations had geïnstalleerd. Shell heeft nu andere LED-bars en verlichting. Bovendien waren de materialen specifiek voor Shell en dus niet bruikbaar bij andere tankstations.

4.29.

De rechtbank komt niet toe aan de vraag wanneer Hamer de materialen heeft ingekocht. Hamer heeft voldoende concreet gesteld dat de materialen die voor de dertien overgebleven tankstations waren ingekocht, niet bruikbaar waren op andere projecten. Indien Hamer de materialen al had ingekocht en niet op andere projecten kon gebruiken, kon zij op grond van artikel 7:764 lid 2 BW de overeengekomen prijs voor de materialen bij CBRE in rekening brengen, maar slechts tegen aflevering van het reeds voltooide werk. De rechtbank is met CBRE van oordeel dat onder het reeds voltooide werk ook de reeds ingekochte materialen moeten worden begrepen. Nu aflevering van de materialen niet meer mogelijk is, doordat Hamer de materialen ondanks de opzegging in de tankstations van Shell heeft geïnstalleerd, vervalt de verplichting van CBRE om daarvoor te betalen. Dit gedeelte van de vordering onder g wordt dus afgewezen.

4.30.

Met betrekking de voorrijkosten en de kosten hoogwerker overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013 volgt dat de stelplicht van de besparingen op de opdrachtgever rust, maar dat de aannemer een belangrijke mededelingsplicht heeft. Hamer heeft geen toelichting gegeven op de mogelijkheid om te besparen op de voorrijkosten en de kosten hoogwerker. Dit had wel op haar weg gelegen, omdat aannemelijk is dat voorrijkosten naar hun aard niet gemaakt hoeven worden als de werkzaamheden niet worden uitgevoerd. Met betrekking tot de kosten hoogwerker is niet duidelijk of deze van Hamer is of moest worden gehuurd. De rechtbank is daarom van oordeel dat Hamer niet aan haar mededelingsplicht heeft voldaan. Ook dit gedeelte van de vordering onder g wordt afgewezen.

4.31.

Dan resteert de vraag of Hamer na de opzegging had kunnen besparen op de loonkosten. Volgens CBRE had Hamer haar monteurs op andere klussen kunnen inzetten en aldus kunnen besparen. Drost van CBRE heeft in dit verband op de zitting gezegd dat hij het bijzonder curieus vindt dat Hamer haar planning niet kon aanpassen. Hamer doet namelijk nog veel meer werk en had nota bene capaciteitsproblemen, waardoor een externe partij werd ingeschakeld. Bovendien werden er ook altijd werkzaamheden op korte termijn verricht door Hamer.

4.32.

Hamer heeft gesteld dat de planning van de monteurs betrekking had op minimaal één maand werkzaamheden. Op de zitting heeft [naam 2] toegelicht dat Hamer op het moment van de opzegging eind december niets meer kon aanpassen aan de reeds gemaakte planning, omdat voor de kerst alles al plat ligt. Vanaf de eerste werkweek van januari had Hamer nog wel twee of drie weken nodig gehad om de planning aan te passen. Er was volgens [naam 2] geen sprake van capaciteitsproblemen. Hamer had geen externe partij ingehuurd. Er was wel een externe partij betrokken bij werkzaamheden aan de tankstations, maar dat was geen elektro-installateur. Die externe partij mocht daarom deze werkzaamheden ook helemaal niet doen. Het klopt volgens [naam 2] dat in de samenwerking tussen Hamer en CBRE ook wel werkzaamheden op korte termijn werden verricht, maar dat waren ander soort werkzaamheden met andere monteurs. Dat ging om onderhoudswerkzaamheden, niet om projecten. Monteurs die onderhoudswerkzaamheden doen, kunnen wel projecten doen, maar andersom niet. De planning voor deze projecten kon dus niet zo snel worden aangepast, aldus [naam 2] .

4.33.

De rechtbank verwijst opnieuw naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013 over de stelplicht en bewijslast van de besparingen (zie 4.30). CBRE heeft aan de stelplicht voldaan met haar stelling dat Hamer had kunnen besparen op de loonkosten door haar monteurs op andere werkzaamheden in te zetten.

4.34.

Hamer heeft op haar beurt voldaan aan haar mededelingsplicht met de toelichting dat zij haar monteurs niet direct na de opzegging op 20 december 2016 op andere projecten kon inzetten. Uit de verklaringen van [naam 2] leidt de rechtbank af Hamer pas vanaf maandag 9 januari 2017 aan de slag kon met het wijzigen van de planning. Hamer heeft voldoende toegelicht dat de planning voor de onderhoudswerkzaamheden een andere was dan die van projecten, en dat de externe partij geen elektroprojecten deed. CBRE heeft verder niet betwist dat er enige tijd nodig was om de planning aan te passen. In de omstandigheid dat Hamer echter niet eens heeft geprobeerd om de planning aan te passen, ziet de rechtbank aanleiding om de stellingen van Hamer wel kritisch te wegen. In dat verband valt niet in te zien dat Hamer op dinsdag 20 december 2016 niet een begin kon maken met het wijzigen van de planning, nu het kerstreces over het algemeen alleen de laatste week van december en de eerste week van januari omvat, en in 2016 – omdat kerst op zondag en maandag viel – mogelijk ook al donderdag 22 en vrijdag 23 december. Als Hamer op 20 december 2016 was begonnen met het aanpassen van de planning en daar vanaf 9 januari 2017 mee verder was gegaan, moet het naar het oordeel van de rechtbank mogelijk zijn geweest om haar monteurs vanaf maandag 23 januari 2017 op andere projecten in te zetten en aldus te besparen op loonkosten. Dat betekent dat alleen de loonkosten voor de werkzaamheden die tot en met 22 januari 2017 zijn verricht, voor vergoeding in aanmerking komen.

4.35.

Onbetwist is dat Hamer in februari/maart geen werkzaamheden meer heeft verricht en dat de werkzaamheden aan de luifelverlichting dus in januari 2017 zijn afgerond. Dat wordt ondersteund door de omstandigheid dat de facturen voor het vervangen van de luifelverlichting al op 14 en 15 februari 2017 zijn verzonden. Uit hetgeen door Hamer is aangevoerd, blijkt echter niet wanneer in januari de werkzaamheden precies zijn verricht. Omdat Hamer op de zitting heeft verklaard dat de planning niet meer kan worden achterhaald, ziet de rechtbank aanleiding de mogelijke besparingen op de loonkosten als volgt te begroten. De rechtbank gaat ervan uit dat de werkzaamheden na het kerstreces op 9 januari 2017 zijn begonnen en daarna ongeveer drie weken (de rest van januari) hebben geduurd, terwijl de monteurs vanaf de derde week van de werkzaamheden op andere projecten hadden kunnen worden ingezet. De rechtbank begroot de mogelijke besparingen daarom op twee derde van de loonkosten voor de dertien tankstations.

4.36.

Uit de prijsopgave die bij de verklaring van [naam 5] was gevoegd volgt dat de loonkosten voor die dertien tankstations (als montagekosten, en exclusief BTW) als volgt voor rekening van CBRE zijn gebracht:

Naam tankstation

Montagekosten

Inclusief BTW

Amsterdam

€ 1.000,00

€ 1.210,00

Amsterdam

€ 1.000,00

€ 1.210,00

Arnhem

€ 600,00

€ 726,00

Duiven

€ 600,00

€ 726,00

Ede

€ 400,00

€ 484,00

Heerhugowaard

€ 1.000,00

€ 1.210,00

Lelystad

€ 800,00

€ 968,00

Almere

€ 1.000,00

€ 1.210,00

Huizen

€ 1.000,00

€ 1.210,00

Zevenaar

€ 1.000,00

€ 1.210,00

Nieuw-Vennep

€ 400,00

€ 484,00

Wehe Den Hoorn

€ 600,00

€ 726,00

Wormerveer

€ 299,00

€ 361,79

Totaal

€ 11.735,79

4.37.

Twee derde van de totale loonkosten voor de dertien tankstations waarbij in 2017 de luifelverlichting is vervangen is € 7.823,86.

4.38.

Op grond van het voorgaande zal de vordering onder g worden toegewezen tot een bedrag van € 38.121,05 (zie onder 4.24) + € 7.823,86 (zie onder 4.37) = € 45.944,91.

De vordering die door CBRE is erkend (de vordering onder c)

4.39.

CBRE heeft de verschuldigdheid van de factuur met nummer PF105616 (de vordering onder c) al in haar correspondentie voorafgaand aan de procedure erkend. CBRE heeft de factuur pas na dagvaarding voldaan. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekt deze betaling eerst in mindering van de kosten, vervolgens van de verschenen rente. Omdat het bedrag van de betaling lager is dan de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de al verschenen rente, wordt de vordering onder c toegewezen, en het betaalde bedrag in mindering gebracht op de toe te wijzen kosten en rente.

Conclusie

4.40.

Uit het voorgaande volgt dat vordering f voor de bonus over 2016 wordt afgewezen. De vorderingen a tot en met e voor werkzaamheden en materialen worden toegewezen. De vordering onder g wordt toegewezen tot een bedrag van € 45.944,91. Het totaal toe te wijzen bedrag is dus € 121.796,87, opgebouwd als volgt:

€ 43.368,72 voor het vervangen van LED-bars aan zeven tanktsations in 2016 (facturen PF104720 tot en met PF104726);

€ 7.929,92 voor het vervangen van een LED-bar in Utrecht in 2017 (factuur PF104719);

€ 9.438,-, voor de erkende factuur PF105616;

€ 635,25 voor het installeren van de compressor in Zevenaar (factuur PF105574),

€ 14.480,07 voor de HVAC-installatie die zou worden geïnstalleerd in Warnsveld (factuur PF105661);

€ 45.944,91 voor het vervangen van luifelverlichting aan vier tankstations (facturen PF104014 tot en met PF104016 en PF104023) en voor een gedeelte van de loonkosten van de overige dertien tankstations (facturen PF104017 tot en met PF104022 en PF104024 tot en met PF104030).

Kosten en rente

4.41.

CBRE heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is en dat Hamer voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat een gedeelte van de vordering wordt afgewezen, zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank stelt de buitengerechtelijke incasso kosten op grond van de toe te wijzen hoofdsom vast op € 1.992,97.

4.42.

Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW moet de betaling door CBRE op 26 februari 2020 in mindering worden gebracht van de buitengerechtelijke kosten. Omdat het betaalde bedrag de hoogte van de buitengerechtelijke kosten overschrijdt, zal de vordering voor de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

4.43.

CBRE heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag is toewijsbaar vanaf 30 dagen na elke factuurdatum.

4.44.

Voor zover de betaling van 26 februari 2020 nog niet in mindering is gebracht op de buitengerechtelijke kosten, moet deze in mindering worden gebracht op de rente. Het gaat om een bedrag van € 9.438,00 - € 1.992,97 = € 7.445,03.

4.45.

CBRE zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Hamer op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 81,83

- griffierecht 4.030,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 7.525,83

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt CBRE om aan Hamer te betalen een bedrag van € 121.796,87 (honderdeenentwintigduizend zevenhonderdzesennegentig euro en zevenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het dat bedrag, telkens vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de CBRE de factuur heeft ontvangen, tot de dag van volledige betaling, terwijl op die rente per 26 februari 2020 een bedrag van € 7.445,03 in mindering moet worden gebracht;

5.2.

veroordeelt CBRE in de proceskosten, aan de zijde van Hamer tot op heden begroot op € 7.525,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de dag van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt CBRE in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat CBRE niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Goris, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2020.

ECLI:NL:HR:2013:BY8728.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature