< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

EAB België vervolging. Overlevering toegestaan. Verweer genoegzaamheid verworpen. Onschuldverweer verworpen. Artikel 13 OLW .

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751113-20

RK nummer: 20/812

Datum uitspraak: 1 mei 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 3 februari 2020 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

ter zitting opgegeven naam: [opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1998,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Justitieel Complex ‘ [locatie] ’ te [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 april 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, en door een tolk in de Litouwse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft, maar dat zijn voornaam moet zijn ‘ [naam 1] ’ en zijn achternaam ‘ [naam 2] ’. Er is hierdoor bij de rechtbank geen twijfel ontstaan dat de persoon die voor de rechtbank is verschenen dezelfde persoon betreft als waar het EAB op ziet.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot aanhouding bij verstek van

3 februari 2020. Uit Form A volgt dat dit bevel tot aanhouding is uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (referentienummer: 2020/006).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten de e-mail van 17 april 2020. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van deze onderdelen zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot overlevering ongegrond moet worden verklaard. Uit de omschrijving van het strafbare feit in het EAB blijkt enkel dat op het moment dat de heer [persoon] de BMX X5 in de gemeente Sluis aantreft, de opgeëiste persoon daar ook wordt opgemerkt. Op welke wijze en onder welke omstandigheden dit heeft plaatsgevonden, staat echter niet omschreven. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit is aldus onvoldoende beschreven.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het duidelijk is waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt gezocht in verband met de verdenking dat hij zich op 2 februari 2020 heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een voertuig. Het feit is daarmee genoegzaam omschreven.

De officier van justitie heeft het Nederlandse proces-verbaal van de politie (te weten :een mutatierapport) overgelegd waaruit de concrete betrokkenheid van de opgeëiste persoon zou blijken. De eigenaar van het gestolen voertuig heeft hem via GPS gevolgd tot aan Sluis. Daar zag hij de bestuurder van zijn voertuig uitstappen en weglopen. Hij heeft het signalement van de bestuurder en de richting waarin hij liep doorgegeven aan de Nederlandse politie, die hem vervolgens heeft aangehouden in de directe omgeving.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de raadsman niet kan slagen. De opgeëiste persoon wordt, kort gezegd, door de Belgische autoriteiten verdacht van diefstal in vereniging van een personenauto door middel van onder meer braak en/of valse sleutels in de nacht van 3 februari 2020 te Maldegem. Het is voor de opgeëiste persoon dan ook voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten.

4 Strafbaarheid, feit waarvoor de toets van dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2 °, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of inklimming en/of valse sleutels.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Voor toewijzing van een onschuldverweer is slechts plaats als de gestelde onschuld van de opgeëiste persoon tijdens het verhoor bij de rechtbank is aangetoond. Van een dergelijke situatie is geen sprake. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. De rechtbank verwerpt het verweer.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

het onderzoek is in België aangevangen;

het slachtoffer bevindt zich in België;

het bewijs bevindt zich grotendeels in België, en;

de rechtsorde is in België geschokt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 13 Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (België).

Aldus gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 1 mei 2020.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature