< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een 29-jarige man is veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan een jaar voorwaardelijk en een rijontzegging van vier jaar omdat hij als automobilist met te veel alcohol op in september 2018 in Amsterdam-Noord door zeer onvoorzichtig gedrag een fataal ongeluk heeft veroorzaakt.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/187191-18 (Promis)

Datum uitspraak: 27 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T. van Assendelft de Coningh naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat

1.

door zijn schuld op 15 september 2018 te Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden, door met de door hem bestuurde personenauto terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, niet te stoppen voor een rood verkeerslicht, maar met hoge snelheid rechtdoor te rijden en daarbij geen voorrang te verlenen aan de hem tegemoetkomende en bij een groen verkeerslicht links afslaande motorrijder [slachtoffer] , dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

2.

hij zich op 15 september 2018 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto na gebruik van een meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

Feit 2: ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat er sprake is van een schending van het ne bis in idem beginsel, zodat de officier van justitie met betrekking tot dit feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Het rijden onder invloed van alcohol wordt al vervolgd bij feit 1. Voor beide feiten geldt hetzelfde te beschermen rechtsbelang, te weten de verkeersveiligheid.

Volgens de officier van justitie is het rijden onder invloed van alcohol bij feit 1 alleen een omstandigheid die meeweegt bij de vraag over de vaststelling van de mate van schuld, en is van een dubbele vervolging voor hetzelfde feit geen sprake.

De rechtbank verwerpt het verweer. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat van een dubbele vervolging voor eenzelfde feit geen sprake is. Op een situatie als deze zullen bij een veroordeling voor beide feiten de samenloopbepalingen worden toegepast.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft zich zeer onoplettend en onachtzaam in het verkeer gedragen. Hij reed met een veel te hoge snelheid en met alcohol op door het rode verkeerslicht en heeft hierdoor de aanrijding veroorzaakt. Dit volgt uit technisch onderzoek en wordt ook door meerdere getuigen bevestigd. Er is aldus sprake van meerdere en zware verkeersfouten waardoor een aan verdachtes schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden dat het leven van een motorrijder heeft gekost.

Ook het onder 2 ten laste gelegde feit kan volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde bepleit.

Het ongeval vond plaats op een van de gevaarlijkste kruispunten van de Zaanstreek. Van belang is dat op de dag van het ongeval het linker verkeerslicht niet naar behoren functioneerde. Het straalde geen oranje licht uit. Verdachte zegt echter dat hij door oranje is gereden. Hij maakte de inschatting dat hij niet meer kon remmen en besloot toen voor de veiligheid om gas bij te geven zodat hij in ieder geval niet door rood zou rijden. Dit is niet anders uit te leggen dan dat verdachte op het niet goed functionerende linker verkeerslicht gericht is geweest en daardoor heeft gedwaald met betrekking tot de kleur van het licht. In het hoofd van verdachte is de vaste volgorde van groen, oranje en rood van belang. Het is immers niet voor te stellen dat een weldenkend mens zichzelf zo in de waagschaal zou stellen. Hij heeft er niet bewust voor gekozen om door rood te rijden. Als het stoplicht goed had gewerkt dan had het ongeval niet plaats gevonden. Hier is sprake van een conditio sine qua non.

Wanneer men deze hypothese volgt dan is er van schuld geen sprake en dus ook niet van onvoorzichtigheid of onachtzaamheid.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het ongeval aan verdachtes schuld te wijten is, omdat hij zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest.

Verdachte reed op 15 september 2018 met zijn auto over de Verlengde Stellingweg te Amsterdam. Aangekomen bij de kruising met de toerit naar de A10, S118, wilde verdachte rechtdoor gaan in de richting van Molenwijk. Op de kruising heeft vervolgens een aanrijding plaatsgevonden tussen verdachte en de hem tegemoet rijdende motorrijder [slachtoffer] , die linksaf sloeg richting de A10. Als gevolg van de aanrijding is [slachtoffer] korte tijd later komen te overlijden.

Op het tijdstip van het ongeval werd het verkeer op dit kruispunt geregeld door middel van driekleurige verkeerslichten aan zowel de linkerzijde als aan de rechterzijde van de rijbaan.

Het verkeerslicht aan de linkerzijde kon als gevolg van een defect geen oranje (geel) licht uitstralen, maar wel groen en rood licht.

Uit de gegevens van het zogenaamde ‘faselog’ blijkt dat op het moment dat verdachte de stopstreep bij het verkeerslicht passeerde, het voor hem geldende verkeerslicht 4,9 seconden rood licht uitstraalde, voorafgegaan door een fase met oranje licht van 3,9 seconde. Het voor de motorrijder geldende verkeerslicht straalde op dat moment 2,5 seconden groen licht uit.

Voorts staat vast dat verdachte met een te hoge snelheid heeft gereden. Op basis van uitgevoerde validatieproeven blijkt dat verdachte bij het naderen van de kruising reed met een snelheid van minimaal 92 kilometer per uur en maximaal 124 kilometer per uur. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 50 km/u.

Dwaling

Gezien de bevindingen uit het politieonderzoek acht de rechtbank de stelling van de raadsman dat er sprake was van dwaling met betrekking tot de kleur van het stoplicht niet aannemelijk.

Dat het oranje licht in het verkeerslicht links van de weg niet werkte, maakt dat niet anders. Op het moment dat het verkeerslicht van groen naar oranje ging was verdachte immers nog ver van de verkeerslichten verwijderd. Vervolgens hebben de verkeerslichten bijna 5 seconden lang op rood gestaan. Om door te kunnen rijden diende verdachte ook nog de auto te passeren die voor hem reed en die wel was gestopt voor het rode verkeerslicht. Bovendien bevond zich aan de rechterzijde van de weg een verkeerslicht waarvan het oranje licht wel naar behoren functioneerde.

Daar komt bij dat, als er sprake zou zijn geweest van dwaling, die dwaling niet verontschuldigbaar zou zijn en voor rekening van verdachte zou komen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte niet alleen door rood licht is gereden, maar ook dat hij fors te hard heeft gereden en onder invloed van alcohol was. Hierdoor heeft verdachte de kans op een verkeerde inschatting van de verkeerssituatie enorm vergroot.

Conclusie:

Gelet op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – beschouwt de rechtbank het verkeersgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam en is derhalve van oordeel dat het ongeval aan verdachte zijn schuld te wijten is.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 15 september 2018 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de Verlengde Stellingweg, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Verlengde Stellingweg, komende uit de

richting van Molenwijk en gaande in de richting van Oostzaan,

- terwijl het donker was,

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

verdachte reed met een snelheid tussen de 92 en 124 kilometer per uur,

verdachte is niet gestopt voor een in zijn richting geldend en (ongeveer) 4,9 seconden rood uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft hierbij geen voorrang verleend aan de bestuurder van de motorfiets, te weten die [slachtoffer] , komende uit de tegengestelde richting, die doende was links af te slaan bij een 2,5 seconde groen uitstralend verkeerslicht,

verdachte is vervolgens tegen de motorfiets aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 ;

2.

op 15 september 2018 te Amsterdam, als bestuurder van een motorrijtuig, namelijk als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a (gewone bestuurder) van de Wegenverkeerswet 1994, 305 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, ondanks de ernst van het feit, een gevangenisstraf niet op zijn plaats is, en geen zin heeft. De raadsman verzoekt in dat geval een werkstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Uit de jurisprudentie (Gerechtshof Den Haag (2010:BO4298), Rechtbank Oost-Brabant (2019:3631) en Rechtbank Alkmaar (2010:BL4411)) blijkt dat ook in zaken waar een dode te betreuren is, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet standaard wordt opgelegd. Afgezet tegen de persoonlijke belangen van verdachte en het soort zaak is de eis van de officier van justitie ook te hoog.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan de destijds zevenendertigjarige [slachtoffer] is overleden. Verdachte is gaan autorijden nadat hij zodanig veel alcohol had gebruikt dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Bij het naderen van een kruising heeft verdachte met veel te hoge snelheid gereden en heeft hij bovendien geen snelheid geminderd. Ondanks dat de verkeerslichten op rood stonden is verdachte juist harder gaan rijden. Hij gaf zo gezegd een extra dot gas omdat het volgens hem nog oranje was en reed vlak voor het passeren van het rode licht in ieder geval bijna twee keer zo hard als de 50 km/u die ter plaatse is toegestaan. Om dit te kunnen doen diende hij ook nog een voor hem rijdende auto te passeren die wel voor het stoplicht stopte. Door al deze gedragingen heeft verdachte de op de kruising overstekende motorrijder [slachtoffer] over het hoofd gezien en is met volle snelheid tegen hem aangereden. De rechtbank rekent dit verdachte aan als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag.

Het trieste ongeval en de plotselinge dood van het slachtoffer hebben, zo blijkt uit de verklaring van de moeder van het slachtoffer die ter terechtzitting is voorgelezen, diepe en onherstelbare sporen nagelaten in het leven van de nabestaanden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zijn rijstijl sinds het ongeval te hebben aangepast in die zin dat hij nu bewuster bezig is met autorijden en ook voorzichtiger is en beter oplet.

Twee steekproeven door de politie geven echter een ander beeld te zien. Zowel in maart 2019, nota bene enkele dagen nadat verdachte zijn rijbewijs terug had gekregen nadat het zes maanden was ingehouden, als een half jaar later in oktober 2019 is verdachte korte tijd gevolgd. Bij beide steekproeven is geconstateerd dat verdachte, zodra hij niet het idee had dat hij gecontroleerd werd zoals bij een trajectcontrole, voortdurend (veel) harder reed dan toegestaan, zowel op de snelweg als binnen de bebouwde kom. Daarnaast werden meerdere overtredingen geconstateerd zoals zeer dicht op voorganger rijden, onnodig links rijden en geen richting aangeven. Deze bevindingen wijzen er niet op dat verdachte heeft geleerd van zijn fouten en daarnaast heeft de inhouding van zijn rijbewijs kennelijk ook onvoldoende effect gehad.

De rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging aansluiting gezocht bij straffen die voor soortgelijke gevallen worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting. In een situatie als de onderhavige waarbij sprake is van ernstige schuld aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval, en waarbij alcoholgebruik is geconstateerd en sprake is van strafverzwarende omstandigheden (in dit geval overschrijding van de maximum snelheid en door rood licht rijden), nemen die oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 4 jaren als uitgangspunt.

Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedraging en de gevolgen daarvan, acht de rechtbank in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Rekening houdend met het tijdsverloop sinds het ongeval, zal de rechtbank de officier van justitie volgen in haar eis, en een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijke deel strekt er mede toe verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen.

Daarnaast acht de rechtbank in het kader van de verkeersveiligheid het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen noodzakelijk. De rechtbank acht het belang van het beschermen van de verkeersveiligheid groter dan het belang dat verdachte heeft bij behoud van zijn rijbewijs.

Mede gezien het feit dat verdachte geen enkele blijk heeft gegeven daadwerkelijk doordrongen te zijn van de noodzaak om zijn rijgedrag aan te passen, bestaat er geen reden om tot een lagere strafoplegging te komen dan de officier van justitie heeft geëist. Ook in de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die mede naar voren komen in het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor van 31 januari 2020, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een lagere straf.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 55 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Met betrekking tot het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde:

Eendaadse samenloop van:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 ,

en

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 jaar, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren.

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en L Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 maart 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature