< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Een schoonmaakbedrijf moet een schoonmaakster die vanwege rugklachten haar werkzaamheden niet meer wilde dan wel kon uitvoeren, haar achterstallig loon betalen over 1 januari 2020 tot 25 januari 2020.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8305134 KK EXPL 20-91

vonnis van: 25 maart 2020

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. K.R. Stephan

t e g e n

[gedaagde]

gevestigd te [vestigingsplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M. Amrani

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 7 februari 2020 heeft [eiseres] een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 20 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiseres] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde en een tolk in de Roemeense taal, mevrouw R. Chendler. Namens [gedaagde] is de heer [naam 1] verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] heeft op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van [gedaagde] mede aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Na verder debat is de zaak aangehouden tot 12 maart 2020 voor minnelijk overleg tussen partijen. Op 6 maart 2020 is van de gemachtigde van [eiseres] een akte wijziging c.q. vermeerdering van eis ontvangen. Vervolgens heeft de gemachtigde van [gedaagde] op 11 maart 2020 een antwoordakte met producties ingediend. Nadien is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[eiseres] is per 16 november 2018 voor bepaalde tijd (tot en met 16 januari 2019) in dienst getreden van [gedaagde] in de functie van schoonmaakster tegen een salaris van laatstelijk € 11,00 bruto per uur (€ 1.392,05 bruto per maand).

1.2.

De arbeidsovereenkomst van [eiseres] is verlengd tot en met 16 november 2019 dan wel later veranderd in een arbeidsovereenkomst tot 16 november 2019.

1.3.

[eiseres] heeft op 17 november 2019 dan wel op 23 december 2019 een arbeidsovereenkomst ondertekend waarin staat dat [eiseres] met ingang van 17 november 2019 tot 17 februari 2020 in dienst treedt van [gedaagde] .

1.4.

Bij WhatsApp-bericht van 5 januari 2020 heeft [eiseres] aan [gedaagde] het volgende medegedeeld, althans woorden van gelijke strekking:

“Hi! I spoken when I went back to work that I no longer do houskeeping end you put it again! If you want I can work something (…) but not housekeeping.”

1.5.

[eiseres] heeft zich op 10 januari 2020 ziekgemeld.

1.6.

Bij brief van 13 januari 2020 heeft [gedaagde] aan [eiseres] medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst na 17 februari 2020 niet wordt verlengd.

1.7.

Bij WhatsApp-bericht van 25 januari 2020 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiseres] bericht:

“Hallo mevrouw [eiseres] ,

waar bent gebleven?

De arboarts is op 2 bij ons bekende adressen van u langsgeweest, aangetroffen. Omdat u niet bereikbaar bent voor controle door de arbodienst, hebben wij uw loon stop gezet. U kunt datum en tijdstip opgeven waarop u uw spullen komt ophalen dan zorg ik dat u bij uw spullen kunt. (…).”.

Vordering en verweer

2. [eiseres] vordert, na wijziging van eis, dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden tot:

2.1.

betaling van het verschuldigde salaris van € 1.392,05 per maand, te vermeerderen met alle emolumenten, vanaf januari 2020 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

2.2.

betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 lid 1 BW ;

2.3.

betaling van de wettelijke rente over de onder 2.1 en 2.2 genoemde bedragen vanaf januari 2020 tot de algehele voldoening;

2.4.

het verstrekken van alle salarisspecificaties vanaf november 2018, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis hiermee in gebreke blijft;

2.5.

betaling van de proceskosten.

3. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij na afloop van haar arbeidsovereenkomst op 16 november 2019 werkzaamheden is blijven verrichten voor [gedaagde] en haar arbeidsovereenkomst daarom stilzwijgend voor onbepaalde tijd is verlengd. Op 23 december 2019 heeft zij [gedaagde] verzocht om afgifte van salarisspecificaties omdat zij die nimmer had ontvangen. [gedaagde] heeft haar verzocht om op kantoor voor ontvangst van de specificaties te tekenen. Dat heeft zij gedaan. Achteraf bleek dat zij een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft getekend. Anders dan de arbeidsovereenkomst vermeldt, heeft zij dit document niet op 17 november 2019 maar op 23 december 2019 getekend. Het ziet er dan ook naar uit dat [gedaagde] , toen zij ( [eiseres] ) vroeg om salarisspecificaties, erachter is gekomen dat hij niet tijdig een schriftelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was overeengekomen en dit met een geantedateerde overeenkomst heeft willen rechtzetten. Verder heeft zij last van rugklachten en heeft zij om die reden op 10 januari 2020 bij [gedaagde] aangegeven dat het haar niet meer zou lukken om schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Zij heeft zich vervolgens ziekgemeld. [gedaagde] heeft haar vervolgens medegedeeld dat hij haar geen loon meer zou betalen en haar ziekmelding opgevat als een ontslag. Nu er tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst bestaat, dient [gedaagde] het loon tijdens ziekte door te betalen, aldus steeds [eiseres] .

4. [gedaagde] heeft de vordering betwist. Op hetgeen zij naar voren heeft gebracht zal hierna worden ingegaan, voor zover dat voor de beoordeling van belang is.

Beoordeling

5. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

Spoedeisend belang

6. [gedaagde] betwist dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Een loonvordering heeft echter naar haar aard een spoedeisend karakter, zodat het verweer van [gedaagde] wordt gepasseerd.

Nadere akte [eiseres]

7. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [eiseres] ingediende akte na de mondelinge behandeling van 20 februari 2020. Volgens [gedaagde] dient op basis van de reeds ingediende stukken en het verhandelde ter zitting van 20 februari 2020 te worden beslist. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de zaak was uitgeconcludeerd na afloop van de zitting van 20 februari 2020. Nu [gedaagde] echter in haar antwoordakte ook inhoudelijk heeft gereageerd op de akte van [eiseres] , ziet de kantonrechter geen aanleiding om de nadere akte van [eiseres] buiten beschouwing te laten, nu aan het beginsel van hoor en wederhoor geen afbreuk wordt gedaan. Zowel de akte van [eiseres] als de antwoordakte van [gedaagde] worden aan het procesdossier toegevoegd.

Salarisspecificaties

8. In de dagvaarding heeft [eiseres] afgifte van salarisspecificaties gevorderd vanaf november 2018. Ter zitting heeft [eiseres] deze vordering ingetrokken, omdat [gedaagde] deze salarisspecificaties voorafgaand aan de zitting had verstrekt. In haar nadere akte vordert [eiseres] alsnog afgifte van salarisspecificaties vanaf november 2018, omdat de reeds door [gedaagde] verstrekte specificaties onjuist zouden zijn. [gedaagde] zou stelselmatig te weinig uren hebben genoteerd. Uit haar werkroosters blijkt dat zij gemiddeld 43,16 uur per week heeft gewerkt, terwijl zij volgens haar salarisspecificaties slechts voor gemiddeld 28,87 uur per week salaris heeft ontvangen, aldus [eiseres] .

9. [gedaagde] heeft op haar beurt aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat [eiseres] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt waarom de verstrekte salarisspecificaties niet juist zouden zijn.

10. De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat de vordering tot afgifte van salarisspecificaties dient te worden afgewezen. [gedaagde] heeft deze specificaties reeds verstrekt en het had dan ook op de weg van [eiseres] gelegen om voldoende aannemelijk te maken dat deze specificaties onjuist zijn. De enkele niet onderbouwde stelling dat uit haar werkroosters blijkt dat zij meer uren heeft gewerkt dan op de salarisspecificaties staat vermeld, is daartoe onvoldoende.

Ontslag op 5 januari 2020

11. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] op 5 januari 2020 (rov. 1.4) ontslag heeft genomen en dat de arbeidsovereenkomst reeds op dat moment is geëindigd. [eiseres] heeft deze lezing van haar WhatsApp-bericht betwist. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar standpunt. In het WhatsApp-bericht van 5 januari 2020 schrijft [eiseres] dat zij geen schoonmaakwerkzaamheden meer wenst uit te voeren, maar wel andere werkzaamheden. Het bericht van [eiseres] is een bezwaar tegen de aard van de uit te voeren werkzaamheden en [gedaagde] had dit bericht niet zonder meer mogen opvatten als een ontslag van de zijde van [eiseres] . [gedaagde] had zich met redelijke zorgvuldigheid ervan moeten vergewissen of [eiseres] ontslag wenste te nemen. Nu hij dat heeft nagelaten, is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat de arbeidsovereenkomst van [eiseres] niet is geëindigd op 5 januari 2020.

Loondoorbetaling tot en met 17 februari 2020

12. Nu hiervoor reeds is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst van [eiseres] niet is geëindigd op 5 januari 2020, heeft er in ieder geval tot en met 17 februari 2020 een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaan. In beginsel dient [gedaagde] tot die datum dan ook het loon aan [eiseres] door te betalen. [gedaagde] meent dat zij hiertoe niet gehouden is, omdat [eiseres] zich, nadat zij zich op 10 januari 2020 heeft ziekgemeld, (telefonisch) onbereikbaar heeft gehouden. Ook de arbodienst heeft [eiseres] niet aangetroffen op haar twee adressen die bij [gedaagde] bekend zijn.

13. Dat zij onbereikbaar was nadat zij zich heeft ziekgemeld, heeft [eiseres] niet (expliciet) betwist. [eiseres] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [gedaagde] de bedrijfsarts naar een adres heeft gestuurd waarvan [gedaagde] wist dat [eiseres] daar niet woonde.

14. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich na haar ziekmelding op 10 januari 2020 bereikbaar heeft gehouden voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft screenshots van uitgaande telefoongesprekken naar [eiseres] in het geding gebracht. Dat [eiseres] op deze telefoongesprekken heeft gereageerd, heeft zij niet gesteld. Of zij [gedaagde] haar juiste verblijfsadres heeft gegeven in verband met een bezoek van de bedrijfsarts is ook onduidelijk gebleven. Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] vooralsnog ingevolge artikel 7:629 lid 6 BW geen loon verschuldigd is over de periode dat [eiseres] onbereikbaar was na 10 januari 2020. Deze loonsanctie is echter niet eerder van kracht dan dat [gedaagde] [eiseres] hiervan op de hoogte heeft gebracht (artikel 7:629 lid 7 BW). Nu [gedaagde] [eiseres] bij WhatsApp-bericht van 25 januari 2020 (rov. 1.7) heeft medegedeeld dat haar loon wordt stopgezet/opgeschort, is [gedaagde] tot 25 januari 2020 het loon aan [eiseres] verschuldigd. Over de periode daarna, vanaf 25 januari 2020 tot en met 17 februari 2020, hoeft [gedaagde] vooralsnog geen loon aan [eiseres] te betalen. Het loon (niet: de afrekening vakantierechten) dat [gedaagde] reeds over de maand januari 2020 aan [eiseres] heeft betaald, strekt vanzelfsprekend in mindering op het bedrag dat hierna aan achterstallig loon wordt toegewezen.

Arbeidsovereenkomst na 17 februari 2020

15. Voor de periode na 17 februari 2020 is het de vraag of er nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat haar arbeidsovereenkomst na 16 november 2019 stilzwijgend is verlengd voor onbepaalde tijd. [gedaagde] stelt daarentegen dat partijen op 17 november 2019 een nieuwe arbeidsovereenkomst hebben gesloten die middels een rechtsgeldige aanzegging op 17 februari 2020 is geëindigd.

16. Bij deze stand van zaken, waarbij de standpunten van partijen haaks op elkaar staan, kan niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld of er op dit moment nog een arbeidsovereenkomst bestaat. Daarvoor is nader onderzoek naar de feiten vereist, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Dit betekent dat, nog daargelaten dat reeds hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] vooralsnog terecht het loon heeft opgeschort, niet met voldoende mate van zekerheid kan worden geoordeeld dat de vordering tot doorbetaling van loon na 17 februari 2020 in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] , behoudens de loondoorbetaling tot 25 januari 2020, wordt afgewezen.

17. De wettelijke verhoging over het achterstallig loon over de periode vanaf 1 januari 2020 tot 25 januari 2020 is toewijsbaar en wordt gemaximeerd op 25%. De gevorderde wettelijke rente over het achterstallig loon en de wettelijke verhoging is ook toewijsbaar.

18. Gelet op de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van het gebruikelijke loon te vermeerderen met alle emolumenten over de periode vanaf 1 januari 2020 tot 25 januari 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 1 januari 2020 tot de algehele voldoening en onder aftrek van het loon dat [gedaagde] reeds over de maand januari 2020 aan [eiseres] heeft betaald;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke verhoging van 25% over het onder sub I vermelde bedrag aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 1 januari 2020 tot de algehele voldoening;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de kantonrechter


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature