< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Overlevering. Poolse rechtsstaat. De rechtbank acht zich op grond van de informatie die in andere overleveringszaken is verstrekt thans voldoende voorgelicht over het algemene beeld van tuchtzaken en andere al dan niet disciplinaire maatregelen jegens Poolse rechters. Hoewel de beschikbare informatie zeer zorgwekkend is en de meest recente ontwikkelingen ongunstig zijn, is dit algemene beeld op zichzelf in beginsel nog onvoldoende om in concrete situaties aan te nemen dat het recht op een eerlijk proces van een opgeëiste persoon in het gedrang is geweest of zal komen. Informatie over tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen blijft van belang bij de beoordeling van vraag/stap 3, maar naar de huidige stand van zaken zal deze informatie niet zonder nadere gegevens over de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is (geweest), ertoe kunnen leiden dat de overlevering niet wordt toegestaan. Nu de opgeëiste persoon dergelijke omstandigheden niet naar voren heeft gebracht, is er geen reden om de beantwoording van de reeds gestelde vragen inzake tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen langer af te wachten. De overlevering van de opgeëiste persoon is toegestaan.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751948-19

RK nummer: 19/5768

Datum uitspraak: 16 januari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 oktober 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juli 2019 door de District Court in Rzeszów (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 21 november 2019

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 november 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst voor onbepaalde tijd om – kort gezegd – de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken nadere informatie te verstrekken in het kader van – kort gezegd – de (dubbele) strafbaarheid van de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen.

Zitting 20 december 2019

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 20 december 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich opnieuw doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

Tijdens de zitting heeft de officier van justitie per e-mail een schrijven uit Polen ontvangen dat nog niet was vertaald. Om die reden heeft de rechtbank het onderzoek tot 2 januari 2020 aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het desbetreffende schrijven te laten vertalen en in het dossier te voegen.

Zitting 2 januari 2020

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 2 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft zich opnieuw doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement of the Regional Court in Rzeszów of 14 September 2016, file number X K 1272/12, welk vonnis definitief is geworden bij arrest van de Appeal Court of 28 July 2017, file number II Ka 22/17.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

3.1.1.

Inhoud van de stukken

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:

Indicate if the person that the request pertains to appeared in person at the trial resulting in the decision:

(…)

No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision

1. If the answer “no” has been ticked, please confirm the existence of one of the following:

a. the person was summoned in person on 12 July 2017 and thereby informed of the scheduled date and place of appeal trial II Ka 22/17 on 28 July 2017 which resulted in the decision and was informed that a decision may be handed down if the person does not appear for the trial;

(…)

c. being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend the person at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial;

(…)

2. If the answer indicated in points 1.b, 1.c or 1.d above, please provide information about how the relevant condition has been met:

[opgeëiste persoon] did not collect the summons sent to him with an instruction about consequences of non-appearance and information about the date of the trial at which the Court was to announce the date of issuance of the judgement X K 1272/12 of 14 September 2016.

[opgeëiste persoon] ’s defence counsel was present at the trial and announcement of the judgement X K 1272/12 of 14 September 2016.

A copy of the judgement X K 1272/12 of 14 September 2016 was sent to [opgeëiste persoon] with information about the right to appeal but he did not collect it.

[opgeëiste persoon] ’s defence counsel filed an appeal against the judgement X K 1272/12 of 14 September 2016.

On 12 July 2017 [opgeëiste persoon] personally collected a notification about the date of the appeal trial II Ka 22/17 scheduled to take place on 28 July 2017.

The Appeal Court, in judgement II Ka 22/17 of 28 July 2017, changed a part of the judgement and upheld the remaining part of the judgement X K 1272/12 of 14 September 2016.

[opgeëiste persoon] ’s defence counsel was present at the appeal trial.

3.1.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft in eerste aanleg zijn advocaat gemachtigd om namens hem zijn verdediging te voeren, maar uit de informatie wordt niet duidelijk of de advocaat ook was gemachtigd om tijdens de procedure in hoger beroep namens de opgeëiste persoon de verdediging te voeren. Uit het feit dat de advocaat van de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het gegeven dat de opgeëiste persoon was opgenomen wegens zijn psychische problemen, blijkt dat er geen contact tussen de opgeëiste persoon en de advocaat was en dus dat de advocaat niet gemachtigd kon zijn.

3.1.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, zakelijk weergegeven, dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet aan de orde is.

3.1.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW met betrekking tot de appelprocedure - de in dit kader te beoordelen procedure - niet aan de orde is. Op basis van de hiervoor onder 3.1.1. weergegeven informatie blijkt immers dat in de procedure in hoger beroep sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder a OLW, omdat de opge ëiste persoon de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep in persoon in ontvangst heeft genomen. Het verweer van de raadsman, dat kennelijk ziet op de situatie bedoeld in artikel 12 onder b OLW, slaagt dus niet.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten I, II en III waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit IV ook aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Echter, de rechtbank heeft geconstateerd dat in het antwoord op de derde vraag van onderdeel e) van het EAB is vermeld dat op dit feit naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van twee jaren is gesteld. Aldus is ten aanzien van dit feit niet voldaan aan de eis dat een feit slechts kan worden aangeduid als een lijstfeit indien daarop naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat ten aanzien van feit IV niet in redelijkheid voornoemd lijstfeit is aangekruist.

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Nu de uitvaardigende justitiële autoriteit feit IV niet in redelijkheid heeft aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt, kan overlevering alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2 °, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan gedeeltelijk is voldaan.

In de feitsomschrijving worden in totaal zeventien “chemical agents” genoemd. Op verzoek van de officier van justitie heeft de District Court in Rzeszów bij brief van 16 december 2019 vermeld uit welke chemische bestanddelen deze “chemical agents” bestaan. Op grond van deze informatie stelt de rechtbank vast dat alleen de bestanddelen JWH-018 en BZP zijn opgenomen in (respectievelijk) lijst I en lijst II bij de Opiumwet. Aldus is slechts ten aanzien van twee van de genoemde “chemical agents” – te weten “Nowy Tajfun Jeżyna” en “Pink Champagnes” – sprake van dubbele strafbaarheid.

Voor zover feit IV ziet op de handel in respectievelijk “Nowy Tajfun Jeżyna” en “Pink Champagnes” levert het naar Nederlands recht op:

- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Voor het overige komen de in het EAB en de aanvulling daarop genoemde stoffen niet voor op de lijsten I en II bij de Opiumwet, zodat in zoverre van dubbele strafbaarheid geen sprake is. Voor alle andere onderdelen van feit IV zal de overlevering dan ook worden geweigerd.

5 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Uit jurisprudentie van deze rechtbank blijkt dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen, zodanig is dat de genoemde structurele gebreken naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben. De door het Openbaar Ministerie uitgezette vragen over de Poolse rechtsstaat zijn tot op heden niet beantwoord. Voorts heeft de opgeëiste persoon aangevoerd dat hij geen eerlijk proces heeft gehad.

Gelet hierop dient de overlevering te worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad. Ten tijde van de veroordeling in hoger beroep, in juli 2017, zijn de wetswijzigingen immers doorgevoerd en waren de gevolgen dus al merkbaar.

Daarnaast had de opgeëiste persoon helemaal niet berecht mogen worden omdat hij psychische problemen had en daarom was opgenomen wegens zijn slechte geestelijke gezondheidstoestand. Hij is op 10 februari 2017 opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en hij verbleef daar op 28 maart 2017 nog steeds. Zijn advocaat was daarvan niet op de hoogte.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, kort weergegeven, de

overlevering kan worden toegestaan. Niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad in Polen.

5.3

Oordeel van de rechtbank

5.3.1

Inleiding; overzicht jurisprudentie Poolse rechtsstaat

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 een uitleg gegeven van het

toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest). De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat uit het arrest volgt dat drie vragen (ook wel stap 1, 2 en 3 genoemd) moeten worden beantwoord.

In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast (stap 1). Teneinde concreet en nauwkeurig te kunnen beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat een opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen (stap 2 en stap 3), heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.

Bij uitspraak van 27 september 2019 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen, zodanig is dat de genoemde structurele gebreken naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben. Om die reden heeft de rechtbank geoordeeld dat in zaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt, kan worden aangenomen dat ook aan stap 2 is voldaan. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat een deel van de eerder gestelde vragen niet meer hoeft te worden beantwoord, tenzij zich nieuwe relevante ontwikkelingen voordoen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vragen betreffende “Tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen” nog moeten worden gesteld in het kader van de beoordeling van vraag/stap 3, bij de beantwoording van welke vraag moet worden meegewogen wat bekend is geworden bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag.

5.3.2

Beoordeling onderhavige zaak

Psychische gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon

Wat betreft het standpunt dat de geestelijke gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon in de weg stond aan berechting in hoger beroep en hij daarom geen eerlijk proces heeft gehad,

overweegt de rechtbank het volgende.

De oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep is op 12 juli 2017 persoonlijk aan de opgeëiste persoon uitgereikt en zijn advocaat was ter zitting op 28 juli 2017 aanwezig.

Niet is onderbouwd dat de psychische gezondheidsklachten van de opgeëiste persoon zodanig waren dat hij niet kon terechtstaan. Op grond van de door de opgeëiste persoon verstrekte informatie kan niet worden vastgesteld dan dat hij op 10 februari 2017 in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen en daar op 28 maart 2017 nog verbleef. Over hoe lang zijn verblijf aldaar heeft geduurd en wat de precieze aard van zijn psychische klachten was, is geen informatie verstrekt. Daarnaast heeft zijn toenmalige advocaat verklaard dat hij niets wist van geestelijke gezondheidsproblemen van de opgeëiste persoon en dus kan worden aangenomen dat de hoger beroepsinstantie hiervan ook niet op de hoogte was dan wel is gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook geen aanknopingspunten voorhanden die tot de conclusie kunnen leiden dat de opgeëiste persoon mogelijk geen eerlijk proces heeft gehad wegens zijn psychische gezondheidsklachten.

Poolse rechtsstaat

Naar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van het hoger beroep nog geen sprake van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brachten. Naar vaste jurisprudentie van deze rechtbank wordt aangenomen dat de gevolgen van de wetswijzigingen zich vanaf het najaar in 2017 begonnen te manifesteren. Het verweer dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad in het licht van de ontwikkelingen ten aanzien van de Poolse rechtsstaat, slaagt daarom niet.

Het vorenstaande laat onverlet dat, in verband met de gedeeltelijke weigering van de overlevering zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen, na overlevering aan Polen de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf door een rechter moet worden aangepast. In dat kader is de Poolse rechtsstaat wel aan de orde en overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank moet beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zal krijgen als de aan hem opgelegde straf na zijn overlevering aan Polen moet worden aangepast.

Naar blijkt uit hetgeen onder 5.3.1 is weergegeven is het daarbij van belang dat de rechtbank ook over actuele informatie beschikt inzake de vraag of er (tucht- of disciplinaire) maatregelen zijn genomen jegens (vice-)presidenten en rechters bij de rechterlijke instanties die over de zaak van de opgeëiste persoon zullen oordelen en zo ja, wat daarvoor de aanleiding was en wat de uitkomst daarvan was. Het Openbaar Ministerie heeft hierover vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. Deze vragen zijn vooralsnog niet beantwoord.

De informatie die tot op heden in andere overleveringsprocedures aan de rechtbank is verstrekt betreffende tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen die jegens Poolse rechters kunnen (en in sommige gevallen daadwerkelijk) worden geïnitieerd, heeft de zorgen die de rechtbank heeft over de toenemende druk waaraan de rechterlijke macht in Polen blootstaat en de impact die dit heeft op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en (daaruit voortvloeiend) het recht op een eerlijk proces in Polen, bevestigd en versterkt.

Het vorenstaande laat echter onverlet dat het voor beantwoording van de derde vraag door de rechtbank noodzakelijk is dat de opgeëiste persoon feiten en omstandigheden aanvoert die zien op zijn persoonlijke situatie en die – in het licht van de (voortdurende) ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat – duiden op een reëel gevaar dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn door de opgeëiste persoon niet aangevoerd. De rechtbank hecht er aan om op te merken dat zij tot dusver in geen van de Poolse zaken is gewezen op feiten en omstandigheden die aannemelijk hebben gemaakt dat concreet sprake is van een (te verwachten) oneerlijk proces als hiervoor weergegeven onder 5.3.1.

De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of beantwoording van de vragen inzake tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen door de uitvaardigende justitiële autoriteit in dit geval nog noodzakelijk is voor beoordeling van de derde vraag (stap 3).

Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

De rechtbank acht zich op grond van de informatie die in andere overleveringszaken is verstrekt thans voldoende voorgelicht over het algemene beeld van tuchtzaken en andere al dan niet disciplinaire maatregelen jegens Poolse rechters. Hoewel de beschikbare informatie zeer zorgwekkend is en de meest recente ontwikkelingen ongunstig zijn, is dit algemene beeld op zichzelf in beginsel nog onvoldoende om in concrete situaties aan te nemen dat het recht op een eerlijk proces van een opgeëiste persoon in het gedrang is geweest of zal komen. Informatie over tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen blijft van belang bij de beoordeling van vraag/stap 3, maar naar de huidige stand van zaken zal deze informatie niet zonder nadere gegevens over de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is (geweest), ertoe kunnen leiden dat de overlevering niet wordt toegestaan. Nu de opgeëiste persoon dergelijke omstandigheden niet naar voren heeft gebracht, is er geen reden om de beantwoording van de reeds gestelde vragen inzake tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen langer af te wachten.

Gelet hierop heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat er sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, nu noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, noch de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt tot een dergelijke conclusie aanleiding geeft.

De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan.

5.3.3

Gevolgen voor andere overleveringszaken

Het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak, heeft ook gevolgen voor andere

overleveringszaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt. De rechtbank wenst, alvorens zij besluit tot het aangaan van een nadere dialoog met de Poolse uitvaardigende autoriteit - en in dat verband tot het inwinnen van nadere informatie over (in het bijzonder) tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen -, ter zitting de opgeëiste persoon te horen over de feiten en omstandigheden die zien op zijn persoonlijke situatie die er toe kunnen leiden dan wel hebben geleid dat hij - in het licht van de ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat - geen eerlijk proces zal krijgen dan wel geen eerlijk proces heeft gehad.

Het vorenstaande laat derhalve onverlet dat de rechtbank, indien zij dit noodzakelijk acht in het licht van nieuwe ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat, nadere vragen kan stellen.

6 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten I, II, III en IV, voor zover het ziet op de handel in “Nowy Tajfun Jeżyna” en “Pink Champagnes”, is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor de overige 15 ‘chemical agents’ waarop feit IV ziet, moet de overlevering worden geweigerd.

De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van (het gedeelte van) de feiten waarvoor de overlevering wordt toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court in Rzeszów (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens feit I, II en III en IV voor zover het ziet op de handel in “Nowy Tajfun Jeżyna” en “Pink Champagnes” .

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens feit IV voor het overige.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. C. Klomp en H.J. Fehmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 januari 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

ECLI:NL:RBAMS:2018:5925.

ECLI:EU:C:2018:586.

ECLI:NL:RBAMS:2018:7032.

ECLI:NL:RBAMS:2019:7161

Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam, 18 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:393


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature