< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een 29-jarige vrouw is veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 180 uur taakstraf wegens uitbuiting van een illegale werknemer in haar wasserette in Amsterdam. Daarnaast moet zij hem bijna 5.000 euro schadevergoeding betalen.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993038-16 (Promis)

Datum uitspraak: 10 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van mr. M.J. van Ling, officier van justitie, verbonden aan het Functioneel Parket te Amsterdam, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling betrokken hetgeen ten behoeve van de benadeelde partij is aangevoerd door zijn advocaat mr. J. van Bennekom.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan

mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting, gepleegd tegen [slachtoffer] in de periode van 1 juli 2013 tot en met 3 februari 2014 te Amsterdam en/of elders in Nederland;

mensensmokkel, gepleegd tegen [slachtoffer] , in de periode van 1 juli 2013 tot en met 3 februari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Geldigheid van de dagvaarding

3.1.

Ambtshalve beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de dagvaarding ten aanzien van de zinsneden “een of meer perso(o)n(en), in elk geval”, zoals deze voorkomt in de omschrijving van feit 1, en “een of meer perso(o)n(en), te weten”, zoals deze voorkomt in de omschrijving van feit 2, voldoende specifiek zijn en in zoverre voldoen aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte blijkens het dossier uitsluitend een verwijt wordt gemaakt betreffende aangever [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat - ook bezien in het licht van de inhoud van het dossier - de aanduidingen “een of meer perso(o)n(en), in elk geval” en “een of meer perso(o)n(en), te weten” onvoldoende specifiek en feitelijk zijn en wel zodanig dat het voor verdachte niet duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. Daarmee voldoen deze zinsneden niet aan de eisen die in artikel 261 Sv aan de dagvaarding worden gesteld. De dagvaarding zal in zoverre nietig worden verklaard.

3.2.

Conclusie

De dagvaarding is partieel nietig, namelijk telkens voor zover deze ziet op de zinsneden “een of meer perso(o)n(en), in elk geval” en “een of meer perso(o)n(en), te weten”.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aan de hand van haar schriftelijke requisitoir geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde arbeidsuitbuiting van [slachtoffer] en de onder 2 tenlastegelegde illegale tewerkstelling van hem.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd.

De basis van het bewijs wordt gevormd door de aangifte van [slachtoffer] (hierna: aangever), waarbij het te betwijfelen valt of die aangifte voldoende betrouwbaar is. Ondanks dat aangever, die illegaal in Nederland verblijft en die veroordeeld is wegens een ernstig geweldsdelict, heeft verklaard terug te willen naar India, is hij nog steeds in Nederland. Hij maakt gebruik van voorzieningen die hij heeft ontvangen, hangende deze strafzaak. Datgene wat hem tijdens het informatief gesprek kennelijk in het vooruitzicht is gesteld als hij aangifte zou doen, kan een belangrijk motief zijn geweest om aangifte tegen verdachte te doen.

In die context is het des te belangrijker dat kritisch bekeken wordt of het strafdossier objectieve bewijsmiddelen bevat die ondersteunen wat aangever heeft verklaard. Met name voor de onderdelen die door verdachte worden betwist, is er onvoldoende steunbewijs. Daarom dient verdachte vrijgesproken te worden van het onder 1 tenlastegelegde.

Verdachte is verder te goeder trouw ervan uit gegaan dat aangever rechtmatig in Nederland verbleef, omdat hij haar een Pools verblijfsdocument met een ‘E-stempel’ had laten zien. Het enkele feit dat aangever zwart betaald werd en dat er geen arbeidscontract was, is onvoldoende redengevend voor het moeten aannemen van bekendheid met het illegale verblijf van aangever in Nederland. De omstandigheid dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat aangever in Nederland mocht verblijven, is een contra-indicatie voor de voor een bewezenverklaring benodigde wetenschap. Daarom moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Juridisch kader

Artikel 273f Wetboek van Strafrecht (Sr) algemeen

Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr . Dit wetsartikel staat in titel XVIII die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan. Bij mensenhandel dient uit te worden gegaan van de intentie van de dader, niet van de motieven van het slachtoffer.

In de onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het handelen van verdachte onder de specifieke omstandigheden van het geval kan worden beschouwd als mensenhandel, meer specifiek arbeidsuitbuiting, in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 1, sub 4 en sub 6 Sr.

Artikel 273f Sr, eerste lid, sub 1 en sub 4

Artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr ziet op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander met toepassing van dwangmiddelen. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4.

Voornoemde subonderdelen bestaan uit de volgende drie elementen: a) handelingen,

b) dwangmiddelen en c) (oogmerk van) uitbuiting.

a. Handelingen

De handelingen van sub 1 (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander) hebben elk een neutrale en feitelijke betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd.

Sub 4 ziet op handelingen waarbij iemand een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid.

b. Dwangmiddelen

De dwangmiddelen die in sub 1 zijn genoemd zijn: dwang, (dreiging met) geweld of met een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie en het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft.

In sub 4 is opgenomen dat gebruik moet zijn gemaakt van de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen, dan wel dat de handelingen moeten zijn verricht onder de onder sub 1 genoemde omstandigheden.

De inzet van een dwangmiddel dient kortgezegd ertoe te leiden dat iemand in een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schept belandt of dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.

Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren etc., terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gekoppeld aan het zich beschikbaar stellen tot verrichten van arbeid.

c. (Oogmerk van) uitbuiting

Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, met dien verstande dat in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten’.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere factoren die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - in aanmerking kunnen/moeten worden genomen en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van tewerkstelling sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving daartoe geldende maatstaven vormen het referentiekader (HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099).

Uitbuiting ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Bij het gebruik van (één van de) dwangmiddelen ontbreekt het bij het slachtoffer aan een vrije, reële keuzemogelijkheid.

De daadwerkelijke uitbuiting hoeft bij de beoordeling van artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de (onmiskenbare) bedoeling van de dader. Het oogmerk van de dader dient te zijn gericht op de uitbuiting, voorwaardelijk opzet is niet voldoende.

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554). Niet is vereist dat diegene de uitbuitingssituatie zelf heeft gecreëerd. Daarbij geldt dat het ‘zich beschikbaar stellen’ voldoende is. Dit betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen.

Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr

Strafbaar op grond van artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, ter voorkoming dat “slechts” onachtzaam handelen onder het bereik van deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft bepaald dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander (HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467). De profijttrekker kan een ander zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd, maar dit hoeft niet. Het gebruik van een dwangmiddel is geen vereiste.

Artikel 273f, vijfde lid Sr

Op grond van artikel 273f, vijfde lid Sr wordt onder een kwetsbare positie mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.

4.3.2

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen (en aangiften)

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen in strafzaken. Met name in mensenhandelzaken is bijzondere behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van zowel belastende als ontlastende verklaringen van vermeende slachtoffers, betrokkenen of getuigen in mensenhandelzaken kan onder druk staan of beïnvloed worden door angst, maar ook door gevoelens van loyaliteit of vanwege het hanteren van andere normen en waarden dan die welke ten grondslag liggen aan de (in Nederland geldende) strafwetgeving over mensenhandel.

Door de raadsman is aangevoerd dat de aangever bij het doen van aangifte werd geleid door andere motieven dan het melden van strafbare handelingen waarvan hij meent dat die jegens hem zijn gepleegd. Hij zou met zijn aangifte uitsluitend willen bereiken dat hij een Nederlandse verblijfsvergunning verwerft en dat hij in Nederland hangende de strafzaak gebruik kan maken van allerlei voorzieningen die samenhangen met het doen van aangifte. Daarnaast zou zijn motief om aangifte te doen ook van financiële aard zijn.

Het is alleszins voorstelbaar dat het motief voor het doen van aangifte (deels) is gelegen in het door aangever als financiële benadeling ervaren handelen van verdachte. Mogelijk heeft aangever de hoop gekoesterd dat deze situatie mede zou worden opgelost door het doen van aangifte bij de politie. Of hij op dat moment al had besloten zich in een eventuele strafzaak te voegen als benadeelde partij teneinde op die manier het achterstallig salaris te verkrijgen, is niet vast te stellen, maar ook indien dit wel het geval is, maakt dat zijn aangifte niet reeds daarom onbetrouwbaar. Een financieel belang bij het doen van aangifte om zijn niet ontvangen salaris betaald te krijgen, kan naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigd motief zijn en doet als zodanig niet af aan het antwoord op de vraag of de aangever naar waarheid heeft verklaard.

De rechtbank acht het daarbij niet aannemelijk geworden dat aangifte is gedaan uitsluitend ter verkrijging van een Nederlandse verblijfsvergunning. Het is allesbehalve een zekerheid dat een duurzame verblijfstitel wordt verkregen naar aanleiding van een aangifte en de bij het Team Mensenhandel werkzame rechercheurs zullen, indien zij daar aanleiding toe zagen, al in het kader van de intake hebben uitgelegd hoe de regels voor het verkrijgen van een verblijfsstatus zijn. De regeling waaronder een slachtoffer van mensenhandel tijdelijk in Nederland kan verblijven, biedt geen direct uitzicht op een reguliere verblijfsvergunning. Gebleken is dat aangever niet voor deze regeling in aanmerking kan komen in verband met een eerdere veroordeling voor een strafbaar feit.

Het gevoerde verweer slaagt niet.

4.3.3

Bevindingen

De rechtbank heeft uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende relevante feiten en omstandigheden vastgesteld.

4.3.3.1 Verklaring aangever

Aangever heeft op 22 juli 2014 aangifte gedaan tegen verdachte en verklaard dat hij op 2 juli 2013 in wasserij [naam wasserij] , een door verdachte geëxploiteerde wasserij, is begonnen te werken, nadat zij hem had gebeld met nummer [telefoonnummer] met de vraag of hij voor haar wilde werken. De afspraak was dat aangever zeven dagen per week zou werken van 6:00 tot 20:00 uur voor een salaris van € 1.200,- netto per maand. Hij zou dat bedrag iedere maand cash in handen krijgen. Er was geen contract opgesteld. De laatste werkdag van aangever was op 2 februari 2014. Verdachte wist dat aangever illegaal was; dat heeft haar vader [verdachte] aan haar verteld. Verdachte had gezegd dat dit geen probleem was.

Aangever mocht van verdachte in de wasserij slapen en deed dat ook. Verdachte zei dan tegen hem dat hij dan ook wel een wasmachine kon aanzetten. Zo kwam het dat aangever tot het einde van de avond werkte. Aangever ontving geen € 1.200,- netto per maand, maar kreeg iedere maand een bedrag dat veel lager was. Dat geld werd hem contant uitbetaald. In de 7 à 8 maanden dat aangever voor verdachte heeft gewerkt, heeft hij in totaal € 2.364,- ontvangen. Hij heeft nog een bedrag van € 6.036,- tegoed van verdachte. Verdachte stelde de betaling van hetgeen hij nog tegoed had iedere maand uit en vertelde aangever daarbij dat ze veel uitgaven had en hem op een dag zou betalen. Aangever beschikte over sms-berichten, waarin verdachte dat belooft. Als aangever weg zou gaan bij de wasserij, zat hij weer zonder werk en inkomen. Aangever had de zakenpartner van verdachte, [naam zakenpartner] (de rechtbank begrijpt: [naam zakenpartner] ), benaderd om te bemiddelen tussen hem en verdachte.

Op 2 februari 2014 had aangever er genoeg van dat hij zijn geld niet kreeg en zei hij dat tegen verdachte, waarna ze ruzie kregen. Aangever heeft weleens eerder gezegd dat hij langer werkte dan afgesproken, maar dan zei verdachte dat hij goed betaald kreeg voor iemand die illegaal is. Aangever had ook een sleutel van de wasserij. Die heeft hij aan de broer van verdachte teruggegeven.

Aangever is na zijn ontslag niet meer teruggegaan naar de wasserij om zijn geld op te halen, omdat zij dan zouden bekvechten en hij dit niet wilde, aldus aangever.

4.3.3.2 Verklaring getuige

De hiervoor genoemde [naam zakenpartner] heeft op 25 november 2014 als getuige bij de politie verklaard dat aangever werkte in de wasserette [naam wasserij] , dat naast zijn bedrijf was gevestigd, en dat verdachte de eigenaresse van de wasserette was.

[naam zakenpartner] heeft verklaard dat hij dacht dat aangever daar 6 of 7 dagen in de week werkte; hij zag hem daar bijna elke dag, van oktober 2013 tot ongeveer april 2014. Aangever werkte erg hard, volgens [naam zakenpartner] . Nadat aangever was ontslagen, had hij [naam zakenpartner] gebeld en verteld dat hij geen loon had gekregen. Aangever vroeg hem om samen met verdachte daarover te praten. De wasserette was soms tot 21:00 of 22:00 uur open. De deur was wel op slot, maar er werd wel gewerkt. Je hoorde het geluid. De Hindoestaanse mensen die daar werkten, begonnen altijd vroeg. Soms om 5:00 of 6:00 uur in de ochtend. [naam zakenpartner] dacht dat hij aangever voor het laatst in januari 2014 heeft gezien. Toen [naam zakenpartner] nog de zakenpartner was van verdachte, kwam aangever weleens bij [naam zakenpartner] klagen dat verdachte hem geen geld wilde geven voor het werk. [naam zakenpartner] kent het oude telefoonnummer van verdachte als [telefoonnummer] .

4.3.3.3 Sms-berichten

Uit de uitgelezen telefoon van aangever bleek uit sms-berichten tussen aangever en verdachte dat aangever tot later dan 14:00 uur en mogelijk ook eerder dan 09:00 uur in de wasserette werkte of aanwezig was. Bij dit sms-verkeer maakte aangever gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] en verdachte van het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Dat aangever tot later werkte of aanwezig was dan 14:00 uur in de wasserette blijkt uit de volgende berichten:

Tijdstip 5-11-2013 18:13:48 (+01:00), ingekomen

Vertaling: U mag de sleutel in de snackbar geven, ik zal het daar ophalen, ik kom later.

Tijdstip 14-11-2013 16:54:49 (+01:00), ingekomen

Vertaling: [slachtoffer] , geef maar de sleutel aan de oom bij de snackbar, ik kom later.

Tijdstip 27-11-2013 18:37:14 (+01:00), ingekomen

Vertaling: Ik heb tegen jou gezegd dat je het altijd om 7 uur moet sluiten, ik weet ook dat je er altijd vanaf 7 tot 9 bent.

Tijdstip 11-12-2013 18:21:21 (+01:00), ingekomen

Vertaling: [slachtoffer] : [naam broer] komt voor 7 uur de auto ophalen oké.

Tijdstip 31-12-2013 18:03:02 (+01:00), ingekomen

Vertaling: De hele omzet moet je aan [naam broer] geven.

4.3.3.4 Verklaringen verdachte

Verdachte heeft twee verklaringen afgelegd bij de politie, te weten op 18 november 2014 en op 22 december 2014. Haar derde verklaring heeft zij ter terechtzitting van 25 februari 2020 afgelegd. De verklaringen die verdachte heeft afgelegd, zijn wisselend en op sommige punten tegenstrijdig, zoals hierna is weergegeven.

In haar eerste verklaring bij de politie heeft verdachte verklaard dat aangever nooit voor haar heeft gewerkt in haar wasserij [naam wasserij] en dat zij hem niet kent. Verder gaf zij desgevraagd aan dat het telefoonnummer [telefoonnummer] niet van haar was en dat zij nooit had gebeld of ge-sms’t met aangever.

In haar tweede verklaring, nog geen maand later, heeft verdachte bij de politie verklaard dat aangever wel voor haar heeft gewerkt in [naam wasserij] , namelijk van augustus 2013 tot en met december 2013, van maandag tot en met zaterdag van 9:00 tot 14:00 uur en dat hij € 700,- per maand kreeg voor 20 uur werken per week. Zij heeft verder verklaard dat zij aangever in december 2013 rond kerst heeft ontslagen en hem zijn resterende salaris, € 1.200,-, heeft aangeboden, maar dat hij dit niet wilde hebben.

Later in die verklaring heeft verdachte gezegd dat aangever vanaf begin augustus 2013 tot en met januari 2014 voor haar heeft gewerkt.

Verder heeft verdachte in deze verklaring erkend dat het telefoonnummer [telefoonnummer] wel degelijk van haar was en dat zij dit nummer tot en met december 2013 in het contact met aangever heeft gebruikt en daarna heeft “weggegooid”.

Verdachte heeft bovendien verklaard dat zij aangever, drie weken nadat hij bij haar kwam werken, om zijn papieren had gevraagd en dat aangever haar had verteld dat hij Poolse identiteitspapieren had, dat er een E-nummer op het document stond en dat hij daarmee mocht werken.

In de verklaring afgelegd ter zitting, heeft verdachte verklaard dat zij in december 2013 wist dat verdachte illegaal was en dat hij in januari 2014 nog een paar dagen voor haar heeft gewerkt.

Zij heeft voorts verklaard dat zij zelf de identiteitsdocumenten van aangever heeft gezien, maar dat zij zich niet kan herinneren of zij die direct heeft gezien of pas na een paar weken.

Verdachte heeft verder verklaard dat haar broer, [naam broer] , na 14:00 uur naar [naam wasserij] kwam en dat hij aangever nooit gezien kon hebben, omdat aangever dan al weg was.

Later heeft verdachte ter zitting gezegd dat aangever tot 14:00 uur werkte maar dat hij een sleutel van de zaak had en af en toe ook na 14:00 uur kwam om zijn eigen kleding te wassen. Als de chauffeur dan langs moest komen, dan was aangever er toch en kon hij afsluiten. Als de chauffeur dan na 18:00 uur kwam, kon aangever de sleutel afleveren bij de snackbar en kon de chauffeur de sleutel bij de snackbar ophalen, aldus verdachte.

Vervolgens heeft verdachte hierover verklaard dat als de chauffeur er in de avond moest zijn, aangever dan moest afsluiten en de sleutel meenam. Weer later heeft verdachte gezegd dat aangever daar niet tot 19:00 uur was en dat hij de zaak nooit afsloot.

Op grond van het voorgaande kan vastgesteld worden dat de verklaringen van verdachte op essentiële punten niet alleen onderling van elkaar afwijken, maar op wezenlijke punten ook innerlijk tegenstrijdig zijn.

4.3.3.5 Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangever voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier, terwijl de verklaringen van verdachte wisselen, innerlijk tegenstrijdig zijn en op gespannen voet staan met de overige inhoud van het dossier (waaronder in het bijzonder de sms-berichten en de verklaring van getuige [naam zakenpartner] ).

De rechtbank gaat derhalve uit van de verklaring van aangever en acht bewezen dat verdachte hem, terwijl hij illegaal in Nederland verbleef, in de periode van 1 augustus 2013 tot

1 februari 2014 als werknemer heeft benaderd en te werk heeft gesteld en zonder arbeidscontract zeven dagen per week in haar wasserij [naam wasserij] heeft laten werken, dat verdachte aangever aanzienlijk langere werkdagen heeft laten maken dan de door haar genoemde 20 uur per week en dat zij aangever heeft toegezegd dat hij € 1.200,- netto per maand zou verdienen maar hem veel minder heeft uitbetaald. De rechtbank overweegt daarbij dat niet vastgesteld kan worden hoeveel uren per dag aangever precies heeft gewerkt, maar wel dat dit aantal aanzienlijk hoger is dan door verdachte is verklaard. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat aangever, ondanks dat hij om zijn geld heeft gevraagd, zijn loon niet (volledig) kreeg van verdachte en dat aangever voor haar bleef werken, omdat hij ervan overtuigd was dat hij anders zijn geld helemaal niet meer zou krijgen, terwijl er voor hem als illegale werknemer weinig opties bestonden om op andere wijze werk te vinden en een inkomen te verwerven.

4.3.4

Kwalificatie

4.3.4.1 Ten aanzien van feit 1

Artikel 273f Sr, eerste lid, sub 1 en sub 4

Handelingen

De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande feiten en omstandigheden volgt dat aangever door verdachte is geworven en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid.

Dwangmiddelen

Op grond van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat daarbij gebruik is gemaakt van het dwangmiddel misbruik van een kwetsbare positie.

Aangever verbleef illegaal in Nederland, kreeg zijn loon slechts beperkt uitbetaald en had als illegale werknemer geen andere mogelijkheid om zijn achterstallige loon te ontvangen, dan bij verdachte te blijven werken. De rechtbank gaat, gelet op de wisselende verklaringen die verdachte hierover heeft afgelegd, er ook van uit dat verdachte eerder dan december 2013 op de hoogte was of had moeten zijn van de illegale status van aangever. De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte zich bewust was van de relevante feitelijke omstandigheden van aangever, het misbruik van de kwetsbare positie van aangever daaruit voortvloeit.

(Oogmerk van) uitbuiting

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hiervoor overwogene niet alleen dat aangever, door veel minder loon te ontvangen dan in Nederland gebruikelijk is en vervolgens van dit loon slechts een gedeelte uitbetaald te krijgen, in een uitbuitingssituatie heeft verkeerd. Ook is het oogmerk van verdachte geweest om aangever in die situatie te brengen en te houden en voorts was haar opzet erop gericht zichzelf door die uitbuiting te bevoordelen. De handelwijze van verdachte levert gezien de aard van die handelingen oogmerk van uitbuiting op.

Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr

Verdachte heeft opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van aangever. Aangever werkte zeven (lange) dagen per week tegen een loon dat aanmerkelijk lager ligt dan het in Nederland gebruikelijke loon. Bovendien blijkt uit de verklaring van aangever dat het voorkwam dat loonbetaling aanzienlijk achterwege bleef. Omdat aangever illegaal in Nederland was, had hij in zijn eigen visie geen mogelijkheden om zich hieraan te onttrekken. Hij was immers afhankelijk van de inkomsten die hij uit de werkzaamheden zou verkrijgen en kon zich niet wenden tot instanties om zijn achterstallige loon op te eisen.

Verdachte heeft aangever welbewust zo tewerkgesteld terwijl zij wist dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Verdachte was op die wijze in staat om maandenlang tegen zeer lage kosten een hoge omzet te genereren. Dat verdachte hier voordeel uit heeft getrokken, is evident.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een uitbuitingssituatie waarbij misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van aangever, zoals ook hiervoor is overwogen. Verdachte heeft er voor gezorgd dat aangever van haar afhankelijk was en bleef.

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4 en 6 Sr bepaalde.

4.3.4.2 Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, door aangever gedurende in ieder geval zes maanden te werk te stellen in haar wasserij terwijl zij wist dat hij illegaal in Nederland verbleef, hem uit winstbejag middelen heeft verschaft tot zijn verblijf in Nederland.

De rechtbank gaat er daarbij van uit dat verdachte, zoals eerder overwogen, wist dat aangever illegaal in Nederland verbleef. Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte op adequate wijze heeft onderzocht of verdachte al dan niet illegaal in Nederland verbleef en zijn documenten heeft bestudeerd. Zelf heeft zij daar wisselende verklaringen over afgelegd. Daar komt bij dat verdachte het salaris van aangever contant uitbetaalde en geen arbeidscontract met hem had afgesloten. Het verweer van de raadsman, dat verdachte te goeder trouw ervan uit is gegaan dat aangever rechtmatig in Nederland verbleef, is - wat daar verder van zij - niet aannemelijk geworden.

Door aangever een werkplek te bieden waar hij ook vrijwel dagelijks was, heeft verdachte het verdere illegale verblijf in Nederland bevorderd, in elk geval gemakkelijker gemaakt. Dat zij dit uit winstbejag heeft gedaan, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat verdachte hem een aanzienlijk lager salaris betaalde dan gebruikelijk. Hieruit blijkt dat haar handelingen gericht waren op verrijking. Door een persoon die illegaal in Nederland verblijft, te werk te stellen en aanzienlijk lagere bedragen hiervoor te betalen, heeft zij immers kunnen besparen op de arbeidskosten.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 augustus 2013 tot 1 februari 2014 te Amsterdam

(art. 273f, lid1, sub 1)

[slachtoffer] door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven en

(art. 273f, lid1, sub 4)

[slachtoffer] met een van de hierboven genoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en

(art. 273f, lid1, sub 6)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die persoon,

immers heeft verdachte met dat opzet

[slachtoffer] zeven dagen per week lange werkdagen laten maken in wasserij/stomerij [naam wasserij] en

die [slachtoffer] verteld dat hij 1200 euro netto per maand zou verdienen en

met die [slachtoffer] geen arbeidscontract opgemaakt en

gelet op vorenstaande aldus

misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van voornoemde persoon, immers verkeerde hij illegaal in Nederland en

bewerkstelligd dat genoemde persoon van verdachte afhankelijk was in welke afhankelijkheidssituatie genoemde persoon zich niet durfde te verzetten en/of onttrekken tegen/aan die genoemde financiële uitbuiting en/of opgedragen arbeid en

bovengenoemde persoon zo weinig heeft laten verdienen waardoor het voor voormelde persoon onmogelijk was om (bij een 40-urige werkweek) een salaris te verdienen gelijk aan het wettelijk vastgestelde minimum loon;

2.

in de periode van 1 augustus 2013 tot 1 februari 2014 te Amsterdam, [slachtoffer] uit winstbejag middelen heeft verschaft tot verblijf in Nederland, immers heeft verdachte ervoor gezorgd dat bovengenoemde persoon werk/inkomen had door het aanbieden van werk en de tewerkstelling van die persoon in de door verdachte gedreven wasserij/stomerij [naam wasserij] , zulks terwijl zij, verdachte, wist dat dit verblijf wederrechtelijk was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om bij een eventuele bewezenverklaring bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte tot dusver een blanco strafblad heeft, deze zaak een enorme impact op haar heeft, zij in staat van faillissement verkeert en zij vervolgens in de schuldsanering zal komen te verkeren.

Daarnaast heeft de raadsman aandacht gevraagd voor het feit dat verdachte de zorg voor een minderjarig kind heeft en werkt als schoonmaakster. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat er sprake is van één vermeend slachtoffer en niet van meerdere. Bovendien gaat het hier om een oude zaak, terwijl hier van de zijde van het Openbaar Ministerie geen reden voor is gegeven waarom het zo lang heeft geduurd voordat de zaak tegen verdachte kon worden behandeld bij de rechtbank.

Onder deze omstandigheden ziet de raadsman aanleiding om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een werkstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van in ieder geval zes maanden een illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling uitgebuit door hem in haar wasserij laten werken. Verdachte wist dat hij illegaal in Nederland verbleef. Zij heeft hem laten werken tegen - naar Nederlandse maatstaven - veel te lage lonen, die vaak niet of slechts gedeeltelijk werden uitbetaald. Aangever moest zeven dagen per week, lange dagen werken, zonder compensatie voor de afwijkende werktijden. Er was geen arbeidsovereenkomst opgesteld waarin afspraken werden vastgelegd, aangever kreeg zijn salaris contant uitbetaald en was onverzekerd.

Door aldus te handelen heeft verdachte met voorbijgaan aan de integriteit van aangever aanzienlijk op arbeidskosten kunnen besparen. Daarmee heeft zij niet alleen de belangen van aangever geschonden, zij heeft ook de belangen die de Nederlandse overheid heeft bij het verwezenlijken van haar beleid ter zake van illegaal verblijf van vreemdelingen en de bestrijding van illegale arbeid in Nederland ondermijnd. Bovendien leidt dit handelen tot nadeel voor de branchegenoten die wel overeenkomstig de geldende voorschriften handelen. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 december 2019. Hieruit blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

De rechtbank is het met de raadsman eens dat de onderhavige zaak oude feiten betreft.

Er is echter geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de dagvaarding op 15 december 2018 is betekend (aan de moeder van verdachte), waarmee de redelijke termijn is aangevangen, en de zaak binnen twee jaar wordt afgerond.

Wel is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de door de raadsman genoemde omstandigheden van verdachte, aanleiding bestaat bij de straftoemeting in die zin af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, dat de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenis en een werkstraf van na te melden duur zal opleggen. De rechtbank acht het in het bijzonder van belang dat verdachte in de toekomst van handelen als het onderhavige wordt weerhouden. Hiertoe zal de rechtbank bij de voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren opleggen.

9 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] , ter zitting vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. J. van Bennekom, heeft een vordering ingediend tot vergoeding van gestelde geleden materiële schade van € 35.113,37 met betrekking tot geclaimd achterstallig loon en tot vergoeding van gestelde geleden immateriële schade van € 2.957,77, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens is gevorderd aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het materiële deel een onduidelijke berekening inhoudt waarbij bruto- en nettobedragen bij elkaar opgeteld lijken te worden en slechts toegewezen kan worden tot een bedrag van € 6.036,-, zoals subsidiair wordt gevorderd, en dat de immateriële schade vastgesteld kan worden op een bedrag van € 250,-.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding, omdat deze evident te complex is en daarom afgewezen dient te worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering zich wel leent voor behandeling in dit strafgeding, voor zover deze het subsidiair gevorderde bedrag betreft. Dit bedrag heeft immers betrekking op achterstallige loon zoals door aangever is omschreven en is in zoverre eenvoudig.

De rechtbank is, in tegenstelling tot de vordering, uitgegaan van een bewezenverklaarde periode van zes maanden en derhalve van achterstallige loon voor dezelfde periode.

Uitgaande van een toegezegde loon van € 1.200,- per maand en het feit dat aan de benadeelde partij een loon van € 2.364,- is betaald, komt dit neer op een bedrag van € 4.836,- aan materiële schadevergoeding dat toegewezen kan worden.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de laatste werkdag (31 januari 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vordering tot materiële schadevergoeding zal voor het overige worden afgewezen.

De vordering tot immateriële schadevergoeding zal eveneens worden afgewezen omdat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat onvoldoende is aangetoond en niet kan worden vastgesteld dat bij de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit sprake was van geestelijk letsel als bedoeld in de wet. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de duur en de ernst van de arbeidsuitbuiting.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de materiële schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 4.836,- (vierduizend achthonderdzesendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de laatste werkdag (31 januari 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 22c, 22d, 36f, 55, 197a en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

Eendaadse samenloop van:

mensenhandel en

een ander uit winstbejag middelen verschaffen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 4.836,- (vierduizend achthonderdzesendertig euro) aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de laatste werkdag (31 januari 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 4.836,- (vierduizend achthonderdzesendertig euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de laatste werkdag (31 januari 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 58 (achtenvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2020.

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 22 juli 2014, p. 472 e.v.

Proces-verbaal verhoor getuige [naam zakenpartner] d.d. 25 november 2014, p. 542 e.v.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 december 2014, p. 559


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature