< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Uitspraak EHRM van 30 januari 2020. De rechtbank is van oordeel dat vanwege de door het EHRM geconstateerde gebreken en overbevolking een reëel gevaar bestaat dat detentie in detentie-instelling(en) in Fresnes in strijd komt met artikel 4 van het Handvest

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752186-19

RK nummer: 20/43

Datum uitspraak: 21 februari 2020

TUSSEN-

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2019 door de Procureur van de Republiek bij de Arrondissementsrechtbank van Lyon (Frankrijk), en het EAB strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats], (voormalige) Sovjet-Unie (thans Georgië) op [geboortedag] 1990,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,uit anderen hoofde gedetineerd in de [PI te plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.J. Verbeek, advocaat te Ede en door een tolk in de Georgische taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Georgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de Arrondissementsrechtbank van Lyon (Frankrijk) van 6 december 2019 met referentie: parketnummer 19 248000024 – instructienummer: CABJI10 19/060.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Frans recht strafbaar feit.

Dit feit is als volgt omschreven in onderdeel e) van het EAB:

op 28/06/2019 heeft de beheerder van de casino [naam casino] de politie gewaarschuwd dat hij op dezelfde dag een gat had ontdekt in het plexiglas voor bescherming van een elektronische Engelse roulette. Het onderzoek van de video protectie maakte het mogelijk om te zien dat een individu door dit gat een metaal staafje inbracht waarbij het mogelijk was om het traject van het balletje te beïnvloeden terwijl drie anderen gokte en hierbij belangrijke geldbedragen wonnen. Hij haalde de beelden op van 23 en 24 juni en ontdekte dat dezelfde personen zich hadden aangediend en dat zij deze manoeuvres weer hadden toegepast of getracht hadden deze toe te passen, waarbij zij meerdere duizenden euro’s wonnen. De belangrijkste mededader werd geïdentificeerd als zijnde [opgeëiste persoon], dankzij zijn Georgisch paspoort dat hij had laten zien bij het binnen treden in de casino.

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.

Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten: oplichting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Frans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Detentieomstandigheden

5.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat een aantal Franse detentie-instellingen, waaronder Fresnes, niet voldoet aan de eisen van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Ter onderbouwing heeft de raadsman ter zitting verwezen naar een Press Release van 30 januari 2020 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Gelet op deze informatie dient de overlevering primair te worden geweigerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het onderzoek aan te houden, teneinde aanvullende informatie over de detentieomstandigheden aldaar op te vragen.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de EHRM-uitspraak waarnaar de raadsman verwijst, betrekking heeft op de jaren 2013 en 2014 waardoor de uitspraak niet kan worden aangemerkt als actuele en naar behoren bijgewerkte gegevens. Daarnaast is door de Franse autoriteit de garantie afgegeven dat de opgeëiste persoon in het geval van overlevering niet zal worden geplaatst in de detentie-instellingen van Nîmes en Bordeaux-Gradignan. Tot slot heeft de rechtbank in eerdere uitspraken geen algemeen gevaar meer aangenomen dat personen die in detentie-instelling(en) in Fresnes zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De officier van justitie verzet zich dan ook tegen aanhouding van de behandeling van de zaak om nader onderzoek te verrichten naar de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon terecht zal komen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru van

5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU, r.o. 88 en 89, ECLI:EU:C:2016:198) is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat wanneer zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend - afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten - worden behandeld, verplicht om te beoordelen of dit gevaar bestaat wanneer zij moet beslissen of de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd wordt overgeleverd aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat. De tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel mag immers niet leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling van die persoon.

Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentie-omstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het EHRM, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.

De rechtbank heeft in eerdere uitspraken - kort gezegd - geoordeeld dat ten aanzien van de detentie-instelling Nîmes sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld als bedoeld in artikel 4 van het Handvest.

Ten aanzien van de detentie-instelling Bordeaux-Gradignan heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment geen reëel gevaar bestaat dat personen die daar zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, maar dat - gelet op het absolute karakter van het in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing - nadere gegevens van de Franse uitvaardigende autoriteit nodig zijn om de vraag naar het bestaan van een algemeen gevaar te kunnen beantwoorden.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 19 december 2019 de garantie gegeven dat de opgeëiste persoon niet zal worden gedetineerd in de strafinstellingen van Nîmes en Bordeaux-Gradignan.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit de Press Release van 30 januari 2020 van het EHRM blijkt dat sprake is van poor conditions of detention in meer detentiecentra in Frankrijk, waaronder Fresnes, as well as the issue of overcrowding in prisons and the effectiveness of the preventive remedies available to the prisoners concerned.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de uitspraak van het EHRM van 30 januari 2020. De rechtbank oordeelt dat hieruit volgt dat ook ten aanzien van de detentie-instelling in Fresnes sprake is van bewijzen dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die aldaar worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. Uit de uitspraak (in het bijzonder rechtsoverwegingen 260, 300 en 301) volgt dat sprake is van (onder meer) overbevolking, onvoldoende personal space (minder dan 3 m² in een meerpersoonscel), oude en afgeleefde gebouwen, een gebrek aan renovatie, slechte hygiëne, schadelijk ongedierte, gebrek aan licht, vocht in de cellen en (te) kleine luchtplaatsen. Het gaat hier blijkens de uitspraak niet enkel om gegevens uit het verleden, maar om een situatie die voortduurt.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de door het EHRM geconstateerde gebreken en overbevolking een reëel gevaar bestaat dat detentie in detentie-instelling(en) in Fresnes in strijd komt met artikel 4 van het Handvest.

Als gevolg hiervan rust ingevolge het arrest Aranyosi en Căldăraru op de rechtbank de verplichting om te beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar zal lopen vanwege de te verwachten omstandigheden van zijn detentie in de uitvaardigende lidstaat.

De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de Franse uitvaardigende autoriteit gegevens te vragen of de opgeëiste persoon in de detentie-instelling(en) in Fresnes zal worden gedetineerd en of er omstandigheden zijn op grond waarvan het bestaan van een dergelijk gevaar wordt uitgesloten.

6 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen 1. Zal de opgeëiste persoon indien zijn overlevering wordt toegestaan, naar verwachting worden geplaatst in de detentie-instelling(en) in Fresnes?

Indien de voorgaande vraag met ‘ja’ wordt beantwoord: 2a. Hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan? 2b. Wat zijn de overige detentieomstandigheden?BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Georgische taal tegen voornoemde datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en M.J. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 februari 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

ECLI:NL:RBAMS:2017:3763 en ECLI:NL:RBAMS:2017:6648.

ECLI:NL:RBAMS:2019:655.

ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD000967115.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature