< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Een 34-jarige man krijgt een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk omdat hij op 1 maart 2018 op de Amsterdamse Van der Madeweg tot 3 keer toe met zijn auto op een man inreed.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-179969-18

Datum uitspraak: 10 december 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.J.M. Vreekamp, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De verdenking komt er – kort gezegd – op neer dat verdachte op 1 maart 2018 te Amsterdam:

feit 1: [slachtoffer] van het leven heeft proberen te beroven door meermalen met zijn auto op hem in te rijden en door enige tijd met [slachtoffer] op de motorkap van zijn auto rond te rijden en daarbij stuurbewegingen te maken waardoor [slachtoffer] van de auto werd afgeslingerd. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij [slachtoffer] door deze gedragingen zwaar lichamelijk letsel heeft proberen toe te brengen. Meer subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte, [slachtoffer] heeft mishandeld door hem van de motorkap af te slingeren.

feit 2: Daarnaast is ten laste gelegd dat verdachte, door meermalen met zijn auto op [slachtoffer] in te rijden, [slachtoffer] heeft bedreigd.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte tot drie keer toe met zijn auto op [slachtoffer] is ingereden. De eerste keer kon [slachtoffer] opzij springen waarna de auto het portier van de auto van [slachtoffer] ramde. De tweede keer is [slachtoffer] op de motorkap terechtgekomen, waarna verdachte verder is gereden en [slachtoffer] met stuurbewegingen van de auto af heeft geslingerd. Toen verdachte eenmaal op de grond lag, is verdachte opnieuw op [slachtoffer] afgereden, maar [slachtoffer] wist op tijd weg te springen. Door deze gedragingen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging.

3.2

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat aangever hem op de Van der Madeweg klem probeerde te rijden. Om weg te komen, wilde verdachte hem links voorbij rijden. Aangever stuurde echter ook naar links, waardoor verdachte met zijn auto tegen de auto van aangever botste. Vervolgens stapte aangever uit zijn auto en sloeg de voorruit van de auto van verdachte aan de bijrijderszijde kapot. Het zusje van verdachte zat op dat moment op de bijrijdersstoel. Verdachte werd bang en reed weg. Aangever sprong vervolgens op de motorkap. Aangever reed met een snelheid van ongeveer 25 à 30 km/u verder. Zijn zusje trok tijdens het rijden aan het stuur, waardoor de auto ging slingeren. Toen hij de auto iets verderop stopte is aangever van de auto afgevallen. Verdachte is daarna gelijk weggereden.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte heeft een andere lezing van de feiten dan aangever en enkele getuigen ter plaatse. Met deze getuigenverklaringen moet voorzichtig worden omgegaan. Door de uiterlijke verschijningsvorm van hetgeen de getuigen, die voor een deel collega’s van elkaar waren, hebben waargenomen, in combinatie met de omstandigheid dat zij het één en ander van enige afstand hebben waargenomen en op verschillende momenten zijn gehoord hebben zij wellicht de conclusie getrokken dat verdachte op aangever is ingereden, terwijl verdachte alleen maar probeerde weg te komen door om aangever heen te rijden.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 maart 2018 reed aangever [slachtoffer] met zijn driejarig kind in zijn Volvo over de Flinesstraat te Amsterdam. Bij de kruising met de Van der Madeweg werd hij rechts ingehaald door verdachte in zijn Hyundai . Aangever was zeer geïrriteerd over deze manoeuvre van verdachte en reed de auto van verdachte op de Van der Madeweg klem. Aangever stapte vervolgens zijn auto uit en liep naar de auto van verdachte om verdachte op zijn rijgedrag aan te spreken. Verdachte gaf daarop gas en stuurde met zijn auto op aangever in. Aangever kon de auto ontwijken en deze reed vervolgens tegen het bestuurdersportier van de auto van aangever aan. Aangever liep naar de auto van verdachte toe en sloeg op de motorkap en/of ruit van de auto. Verdachte gaf opnieuw gas en reed voor de tweede maal op aangever af. Aangever stond op dat moment voor de auto en moest zich in veiligheid brengen door op de motorkap van de auto te springen en zich vast te grijpen aan de ruitenwissers. Verdachte reed met aangever op de motorkop over de Van der Madeweg weg, deels over de (midden-) berm. Hij maakte daarbij slingerende bewegingen. Bij de Joan Muyskenweg viel aangever van de motorkap af en kwam hard op de grond terecht. Verdachte keerde zijn auto en reed vervolgens voor de derde keer op verdachte af. Aangever kon tijdig van de grond opkrabbelen en wegspringen. Verdachte reed vervolgens hard weg.

De rechtbank constateert dat de verklaring van aangever wordt ondersteund door een groot aantal getuigenverklaringen. Getuige [getuige 1] heeft het gebeuren van begin tot eind gezien en zijn waarnemingen komen vrijwel volledig overeen met datgene wat aangever heeft verklaard. Op het moment dat verdachte voor de tweede maal met zijn auto op aangever af kwam rijden, reed een pendelbusje met werknemers van G-Star voorbij. Enkele inzittenden hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte met zijn auto op aangever af kwam rijden en dat aangever vervolgens op de motorkap moest springen. Door diverse getuigen is gezien dat verdachte, nadat aangever bij de Joan Muyskenweg van de motorkap was afgeslingerd zijn auto draaide en op aangever inreed. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze getuigenverklaringen te twijfelen.

Verdachte en zijn zus, die als getuige ter terechtzitting is gehoord, hebben een geheel andere lezing van de feiten naar voren gebracht. In hun visie heeft verdachte niets verkeerds gedaan en heeft hij slechts geprobeerd om van aangever, die hem agressief had benaderd, weg te rijden. De rechtbank acht deze verklaringen in strijd met de hiervoor genoemde getuigenverklaringen. Bovendien kan uit het gedrag van verdachte na afloop van het gebeuren worden afgeleid dat hij zelf maar al te goed begreep dat hij op 1 maart 2018 grote fouten had gemaakt. In het licht van het standpunt van verdachte is het immers opvallend dat verdachte zelf geen contact heeft opgenomen met de politie en dat hij (kennelijk) zijn betrokkenheid bij het gebeuren heeft willen maskeren door twee dagen na het incident zijn auto naar de sloop te brengen. Nadat verdachte uiteindelijk weken later was aangehouden heeft hij eerst stellig volgehouden dat hij niets met het incident te maken heeft gehad. Pas in zijn derde verhoor nadat hij ermee was geconfronteerd dat zijn moeder, die eveneens in de auto zat, een voor hem belastende verklaring had afgelegd, heeft hij toegegeven dat er een conflict was geweest tussen hem en aangever en dat hij met aangever op de motorkap van zijn auto is weggereden.

Vrijspraak poging tot doodslag

Verdachte wordt primair verweten dat hij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Het staat vast dat verdachte, door meermalen met zijn auto op verdachte in te rijden en door al slingerend met aangever op de motorkap weg te rijden, grote risico’s heeft genomen. Het is goed voorstelbaar dat aangever door een ongelukkige val van de auto dodelijk gewond zou zijn geraakt. Hoe groot de kans op dodelijk letsel is geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de snelheid waarmee verdachte heeft gereden. Juist op dit laatste punt lopen de diverse verklaringen uiteen. De ervaring leert dat het voor de meeste mensen bijzonder lastig is om de eigen subjectieve beleving van snelheid om te zetten in een betrouwbaar getal, zeker wanneer men plotseling wordt geconfronteerd met elkaar opvolgende hectische en emoties oproepende gebeurtenissen zoals in deze zaak. Hoewel duidelijk is dat verdachte fors gas heeft gegeven en dat hij met flinke snelheid heeft gereden toen aangever op de motorkap lag, zijn er geen objectieve gegevens over de gereden snelheid beschikbaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden bewezen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever door de gedragingen van verdachte het leven zou laten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Poging tot zware mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door meermalen met zijn auto op aangever in te rijden en door met flinke snelheid al slingerend met aangever op de motorkap te blijven rijden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht aldus het onder 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen.

Bedreiging

Door meermalen met zijn auto op aangever af te rijden, heeft hij hem tevens bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals ten laste gelegd onder 2.

De rechtbank neemt eendaadse samenloop tussen de feiten aan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

op 1 maart 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meermalen met verhoogde snelheid met een auto is ingereden op voornoemde [slachtoffer] en

- gedurende enige tijd met verhoogde snelheid met een auto heeft rondgereden terwijl voornoemde [slachtoffer] op de motorkap van voornoemde auto lag en vervolgens zodanige stuurbewegingen heeft gemaakt dat voornoemde [slachtoffer] van de motorkap af werd geslingerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 1 maart 2018 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door meermalen met een auto met verhoogde snelheid op voornoemde [slachtoffer] in te rijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij een eventuele strafoplegging kan worden volstaan met een taakstraf van 80 uren. Een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden heeft geen meerwaarde.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezengeachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft tot drie keer toe met zijn auto op het slachtoffer ingereden. De eerste keer kon het slachtoffer opzij springen waarna verdachte de autoportier van het slachtoffer ramde. De tweede keer dat verdachte op hem inreed, wist het slachtoffer op de motorkap te springen. Verdachte is vervolgens met flinke snelheid, al slingerend en met het slachtoffer op de motorkap doorgereden. Enkele tientallen meters verder is het slachtoffer van de motorkap afgevallen. Verdachte heeft daarop zijn auto gedraaid en is opnieuw op hem ingereden. Het slachtoffer wist echter op tijd van de grond op te krabbelen en weg te komen.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waarbij het slachtoffer gemakkelijk zwaar gewond had kunnen raken. Door de val van de motorkap heeft verdachte pijn en letsel opgelopen. Uit een ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het gebeuren een grote impact op hem heeft gehad, zowel materieel als emotioneel. Wat het voor het slachtoffer extra moeilijk maakt is dat verdachte geen spijt heeft getoond en dat hij doet alsof hij zelf slachtoffer is.

In het Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 november 2019 staan diverse openstaande strafzaken vermeld met betrekking tot feiten die gepleegd zouden zijn vanaf de tweede helft 2018. De verdenkingen zien op uiteenlopende feiten, waaronder huiselijk geweld en delicten uit de Wegenverkeerswet 1994 en de Opiumwet. Daarvoor ligt een lange periode zonder justitiecontacten.

Dat het de laatste tijd niet goed gaat met verdachte blijkt ook uit een over verdachte opgemaakt reclasseringsrapport. Verdachte is recentelijk middels een IBS in het kader

van de BOPZ opgenomen geweest op de gesloten afdeling van het AMC. De reclassering ziet problemen op vrijwel alle leefgebieden en maakt zich grote zorgen om verdachte. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringscontact, een ambulante behandeling van Forensische Ambulante Zorg (FAZ) van Inforsa, begeleid wonen of maatschappelijk opvang, schuldhulpverlening en middelencontrole.

Volgens de raadsman loopt de rechterlijke machtiging in ieder geval tot eind december 2019. Tijdens de terechtzitting gaf verdachte geregeld de indruk dat hij een enigszins gestoord realiteitsbesef heeft. Het dossier bevat echter geen informatie omtrent de huidige psychische toestand van verdachte. Evenmin is dergelijke informatie vanuit de verdediging in het strafproces ingebracht.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag heeft genomen en lange tijd zelfs tegen beter weten in zijn betrokkenheid bij het gebeuren heeft ontkend. In aanmerking genomen de voor de rechtbank geldende LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van 4 maanden passend voor het bewezenverklaarde. De rechtbank vindt het wenselijk dat verdachte de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zal naleven. Zij zal daarom bepalen dat de helft van de gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd, waarbij bedoelde voorwaarden van kracht zijn.

De rechtbank komt aldus tot een andere en zwaardere straf dan gevorderd door de officier van justitie. Zij is van oordeel dat de gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 10.965,- aan materiële schadevergoeding en € 4.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat onderliggende stukken die deze schade onderbouwen niet zijn bijgevoegd. De gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft bepleit dat de gehele vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bovendien heeft de benadeelde partij een eigen aandeel gehad in het conflict omdat hij in eerste instantie verdachte had klemgereden. De schade is dan ook deels door eigen toedoen ontstaan.

De rechtbank stelt vast dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade zowel betrekking heeft op het door het bewezenverklaarde opgetreden letsel en de daaruit voortkomende ongemakken als op het psychisch leed waarmee hij had te kampen als gevolg van hetgeen hem is overkomen.

Uit artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat in beginsel alleen recht op immateri ële schadevergoeding bestaat bij lichamelijk letsel, aantasting in eer en goede naam en andere aantastingen in de persoon. Voor de categorie ‘andere aantastingen in de persoon’ geldt dat van een vergoeding van de schade op deze grond pas sprake kan zijn als er geestelijk letsel van enige omvang is. Gevoelens van onveiligheid en wantrouwen, hoe vervelend ook, zijn daarvoor onvoldoende. Gedacht kan worden aan psychische gevolgen waarvoor behandeling geïndiceerd is en waarvan onderbouwing van een deskundige beschikbaar is.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, die het gevolg is geweest van het letsel dat is ontstaan na de val van de auto. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade die ziet op het psychisch leed dat de benadeelde partij ten gevolge van het feit zou hebben ondervonden ontbreekt een onderbouwing. De benadeelde partij heeft onvoldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van het strafbare feit een psychische beschadiging is ontstaan. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dat levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor dit deel van de vordering.

Ook de gevorderde materiële schade zal niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat eveneens stukken ontbreken die deze schade onderbouwen.

De benadeelde partij kan het restant van de vordering eventueel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 36f, 45, 55, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van: poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden:

- Veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit.

- Veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

- Veroordeelde zal medewerking verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde meldt zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa op het adres Vlaardingenlaan 5 te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

- Veroordeelde laat zich behandelen door de Forensische Ambulante Zorg (FAZ) van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk . De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

- Veroordeelde verblijft in HVO Querido of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

- Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot € 2.000,- (tweeduizend euro) (immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , € 2.000,- (tweeduizend euro) (immateriële schade) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 30 (dertig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en J.W.P. van Heusden, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature