< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Sluiting van een bedrijfspand voor 3 maanden in verband met de vondst van een hennepkwekerij.

De ondernemer in het pand vindt dat het pand ten onrechte is gesloten, omdat er geen hennepplanten zijn aangetroffen en hij geen hennepplanten kweekt. De ondernemer verzoekt om de sluiting te beëindigen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Gelet op het grote aantal potten, de aangetroffen hennepresten en de melding van een sterke hennepgeur heeft de burgemeester voldoende aanleiding gehad om aan te nemen dat sprake

is van voorbereidingshandelingen voor het bereiden van softdrugs. De ondernemer heeft zijn stelling dat hij door de sluiting in financiële nood komt, niet onderbouwd.

Uitspraak



uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4497

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker (gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder (gemachtigde: mr. J.P. Foppe).

Procesverloop

Met het besluit van 20 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de sluiting gelast van het bedrijfspand gelegen aan [adres] te Amstelveen voor de duur van drie maanden.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Verzoeker was op de zitting aanwezig samen met mr. R.J.H Titahena, kantoorgenoot en waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat na of een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de uitkomst in de bodemprocedure - hier de bezwaarprocedure - niet kan worden afgewacht. Zij let daarbij op de belangen van partijen, waarbij zij een afweging moet maken tussen aan de ene kant het belang van de verzoekende partij dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de ander kant de belangen bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het oordeel is niet bindend voor de bestuursrechter in een eventuele beroepszaak

.

2. Verzoeker drijft de onderneming [bedrijf] in het pand aan de [adres] te Amstelveen (hierna: het pand).

3. Naar aanleiding van een melding op 1 juni 2019, dat een heel sterke verse hennepgeur te ruiken was bij de garagebox van het pand, heeft de politie op [datum 1] 2019 een onderzoek ingesteld in het pand. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van [datum 1] 2019 staat dat de politie het volgende heeft aangetroffen:

- Twee volledig ingerichte hennepkwekerijen, ondergebracht in twee verschillende kweekruimtes.

- In de kweekruimtes bevonden zich in totaal 280 plantenpotten met daarin potgrond, perlietkorrels en hennepresten, 2 koolstoffilters, 13 aangesloten assimilatielampen met armaturen , 2 aangesloten slakkenhuizen, 6 jerrycans met groeimi ddelen , 6 losse assimilatielampen en een vuilniszak met plantenresten.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet en zijn beleid het pand per [datum 2] 2019 voor de duur van drie maanden gesloten. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de in het pand aangetroffen voorwerpen en stoffen bestemd zijn voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Er is daarmee sprake van strafbare voorbereidingshandelingen. Dit is een overtreding van artikel 11a van de Opiumwet . Verweerder is daarom op grond van artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet bevoegd het pand te slui ting. Met de sluiting beoogt verweerder de drugshandel en productie van drugs en mogelijk hernieuwd gebruik van het pand voor deze doeleinden te voorkomen. Ook wordt de eventuele naamsbekendheid van het pand in het criminele circuit met een sluiting doorbroken. Met de sluiting wil verweerder de openbare orde herstellen en een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat tegengegaan. Dit belang weegt zwaarder dan de belangen van verzoeker en de eigenaar van het pand bij het geopend blijven van het pand, aldus verweerder.

5. Verweerder heeft in aanvulling op het bestreden besluit gesteld dat de bevoegdheid om het pand te sluiten ook voortvloeit uit artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet . Verweerder verwijst in dit verband naar de inhoud van de na het bestreden besluit door de politie overgelegde processen-verbaal van [datum 1] 2019. In één van die processen-verbaal staat namelijk dat minimaal eenmaal is geoogst, waarbij wordt uitgegaan van een opbrengst van 7.869 gram. Er is ook een henneptak aangetroffen die te drogen hing, met henneptoppen van meer dan 5 gram. Op grond van rechtspraak rechtvaardigt dit op zichzelf de sluiting, aldus verweerder.

Betoog verzoeker

6. Verzoeker voert aan dat het pand ten onrechte is gesloten. Er zijn geen hennepplanten aangetroffen en er werden door verzoeker geen planten gekweekt. Daarom had verweerder kunnen volstaan met een waarschuwing. Verder leidt de sluiting niet tot onmiddellijk duurzaam herstel van de openbare orde. Er is geen sprake van overlast, het pand staat niet bekend als drugspand en er is geen 'loop' naar het pand geconstateerd. Daarbij zijn alle in het besluit genoemde goederen bij de doorzoeking in beslag genomen. De sluiting dient dan ook geen relevant doel, waardoor sprake is van een punitieve sanctie. Tot slot voert verzoeker aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Verzoeker is eenverdiener, echtgenoot en vader van drie minderjarige kinderen. Zij zijn financieel afhankelijk van hem . Door de sluiting vreest verzoeker faillissement, waardoor hij de kosten van zijn woning niet meer kan voldoen. Ook hebben niet alle klanten voor de sluiting hun goederen op kunnen halen. Dit kan leiden tot civiele schadeclaims. Verweerder heeft deze belangen onvoldoende meegewogen in het bestreden besluit, aldus verzoeker.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. Vaststaat dat de voorwerpen en stoffen zoals opgesomd in voornoemd proces-verbaal van [datum 1] 2019 in het pand zijn aangetroffen. Dit is in zoverre ook niet door verzoeker betwist. Gelet op het grote aantal potten (280) betrof het naar het oordeel van de voorzieningenrechter een grootschalige kwekerij. Het betoog van verzoeker dat hij slechts 100 plantjes heeft geplant en niet alle potten heeft gebruikt, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. In het reeds genoemde proces-verbaal van [datum 1] 2019 staat namelijk dat alle potten gevuld waren met potgrond en hennepresten. Daarbij geldt dat ook 100 plantjes, waarvan verzoeker heeft erkend dat hij die heeft geplant, voldoende is voor het oordeel dat sprake is van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van grote hoeveelheden softdrugs. Verweerder was dan ook alleen al op grond daarvan bevoegd het pand te sluiten. Het betoog van verzoeker dat het pand ten onrechte is gesloten omdat het hem niet lukte de plantjes te kweken en hij dus geen planten heeft geoogst, volgt de voorzieningenrechter evenmin. Het betoog dat niet is geoogst is in niet onderbouwd en strookt bovendien niet met de melding op 1 juni 2019 dat de melder een heel sterke hennepgeur afkomstig uit de garagebox bij het pand waarnam. Daarbij doet het niet af aan de bevoegdheid van verweerder om het pand op grond van artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet te sluiten.

8. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat de sluiting in dit geval een punitieve sanctie betreft. De voorzieningenrechter overweegt daartoe, zoals de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State eerder heeft overwogen 1, dat de sluiting van een pand op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geen punitieve sanctie is en geen crimina/ charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM2 • Een bevel tot sluiting dat is gebaseerd op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet strekt tot de uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb , waarmee wordt opgetreden tegen de schending van verboden die zijn neergelegd in de Opiumwet. Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling mag de toepassing van bestuursdwang slechts strekken tot beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet, zoals geconstateerd door verweerder. Indien toepassing van deze bevoegdheid in een concreet geval verder zou strekken, dan zou de sanctie niet meer uitsluitend het karakter van een herstelsanctie, maar ook een leedtoevoegend karakter hebben en dus als een punitieve sanctie moeten worden aangemerkt. De sluiting voor de duur van drie maanden sluit aan bij het beleid3 van verweerder en is noodzakelijk om de ongewenste situatie ten aanzien van de openbare orde in en rondom het pand te beëindigen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het daarmee het karakter van een herstelsanctie.

9. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijke financiële gevolgen van een sluiting van het pand niet zodanig onevenredig zijn in verhouding tot verweerders beleid, dat verweerder in dit geval had moeten afzien van het sluiten van het pand voor de duur van drie maanden. Daarbij is van belang dat verzoeker de door hem gestelde financiële nood niet heeft onderbouwd. Dat niet alle klanten voor de sluiting hun goederen hebben kunnen ophalen, komt - wat daar ook van zij -voor rekening en risico van verzoeker. Verweerder heeft op de zitting terecht naar voren gebracht dat verzoeker een week de tijd heeft gehad om de goederen uit het pand te halen voordat het gesloten werd.

10. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het bestreden besluit in bezwaar hoogstwaarschijnlijk zal standhouden. In wat verzoeker aan belangen heeft gesteld, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende rechtvaardiging een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter weegt in dit verband mee dat het pand in een woonomgeving ligt en dat verzoeker recidivist is ten aanzien van het vervaardigen van softdrugs. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling of een bepaling dat het griffierecht wordt vergoed, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2019.

1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:2464.

2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Gemeenteblad 2017,61486, 14 april 2701

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 SEP 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature