< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzekeringsrecht; medewerkingsverplichting, informatieplicht, art. 7:941 lid 5 BW; registratie in incidentenregister; conclusie verzekeraar van opzet tot misleiding (fraude) niet gebaseerd op nauwgezet en deugdelijk onderzoek.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/658550 / HA ZA 18-1257

Vonnis van 25 september 2019

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.C. Wery te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

ANSVAR VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar.

Partijen worden hierna [eiser] en Ansvar genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 4 december 2018 met producties,

de conclusie van antwoord met producties,

het tussenvonnis van 15 mei 2019,

het proces-verbaal van comparitie van 8 augustus 2019 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft met ingang van 27 december 2013 een allriskverzekering (hierna: de verzekering) afgesloten bij Ansvar ten behoeve van zijn auto, een [automerk] (hierna: [automerk] ). Op deze verzekering zijn de Prima Auto Polis voorwaarden (model 966-11) van toepassing. Deze voorwaarden luiden - voor zover hier relevant - als volgt:

“Par. 1. Begripsomschrijvingen

(..)

c. Fraude

Het opzettelijk en op oneigenlijke gronden en wijzen (trachten te) verkrijgen van (…) verzekeringsdekking onder valse voorwendselen. (..)

Par. 9. Uitsluitingen

(..)

9 Fraude (geheel of gedeeltelijk) heeft tot gevolg dat er in het geheel geen (..) uitkering zal plaatsvinden. Voorts kan fraude tot gevolg hebben dat:

(..)

- de verzekering(en) word(t)(en) beëindigd;

- er een registratie plaatsvindt in het tussen maatschappijen gangbare signaleringssysteem (..).”

2.2.

Via een aanrijdingsformulier heeft [eiser] aan Turien&Co, de tussenpersoon van Ansvar, melding gedaan van schade aan zijn [automerk] als gevolg van een aanrijding (hierna: de aanrijding) op [datum] met de [automerk] (hierna: [automerk] ) van [betrokkene] . Op het formulier, dat zowel door [eiser] als [betrokkene] is ondertekend, heeft [eiser] bij zichtbare schade: “velgen achter” vermeld, en heeft hij op de getekende auto ook de linkervoorvelg aangestipt als plaats waar schade zou zijn ontstaan. [eiser] heeft verzocht om uit hoofde van voornoemde verzekeringsovereenkomst tot uitkering over te gaan.

2.3.

Naar aanleiding van de schademelding heeft Turien&Co aan Schade- en onderzoeksbureau Hoofddorp (hierna: Hoofddorp) opdracht gegeven de aanrijdingsomstandigheden te onderzoeken.

2.4.

Hoofddorp heeft bij rapportage van 5 oktober 2017 gerapporteerd over haar onderzoek. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 8 september 2017 en heeft bestaan uit een inspectie van [automerk] en [automerk] . De inspectie van [automerk] vond plaats op het terrein van [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] . Daarbij zijn foto’s gemaakt en is gesproken met de reparateur van [eiser] , [bedrijf 1] . Voor de inspectie van [automerk] werd aansluitend een bezoek gebracht aan het woonadres van [betrokkene] , eveneens te [woonplaats] . Aldaar werd ook met [betrokkene] gesproken. Daarnaast heeft Hoofddorp telefonisch contact gehad met [eiser] .

Hoofddorp rapporteert dat [eiser] in het telefonisch contact meedeelde dat de schade aan de linkerachterzijde was ontstaan door de aanrijding en dat hij tijdens de aanrijding was uitgeweken en daardoor met de rechtervoorvelg in aanraking was gekomen met de trottoirband.

[bedrijf 1] deelde Hoofddorp mee dat de linkerachtervelg naar aanleiding van de aanrijding vervangen moest worden, deze vertoonde op een van de spaken een ernstige beschadiging.

Bij inspectie bevond de aan de linkerachterzijde van de bumper van [automerk] zichtbare schade zich op een hoogte gemeten vanaf de grond van 40 tot 45 cm. Gerapporteerd wordt dat deze hoogte enigszins overeenkomt met de hoogte van de bumper van [automerk] . Vastgesteld is voorts dat de banden van [automerk] zijn voorzien van een rubberen uitbouw, waardoor deze een aantal centimeters buiten de velg uitsteken. Op deze rubberen uitbouw heeft Hoofddorp bij geen van de banden een spoor van een aanrijding of aanraking met een trottoirband waargenomen. Op de spaken van de linkerachtervelg zag Hoofddorp meerdere lichte beschadigingen. Hoofddorp concludeert dat deze schade niet kan zijn ontstaan als gevolg van de aanrijding. De meeste raakpunten op de velg waren volgens de reparateur “weg te polijsten”, de schade op de foto op pagina 4, [van de zijde van Ansvar ter zitting aangeduid als ‘chip’, rb], zou echter niet weg te poetsen zijn en de reden vormen om deze velg te vervangen. Hoofddorp rapporteert dat een (verder) aantal krassen op de linkerachtervelg ook niet door de aanrijding kunnen zijn ontstaan. Uit de hoeveelheid vuil op deze beschadigingen, waardoor deze in eerste instantie niet of nauwelijks zichtbaar waren, kon dit met zekerheid worden afgeleid. Hoofddorp constateert ook schade aan de rechtervoorvelg.

Inspectie van [automerk] wijst uit dat de bumper van deze [automerk] zich bevindt op een hoogte van 45 centimeter. Hoofddorp neemt aan dat deze hoogte tijdens het botsen iets lager zal zijn geweest vanwege het feit dat de auto tijdens het remmen door de vering van de voorzijde naar beneden duikt.

Op de bumper waren meerdere lichte beschadigingen zichtbaar, volgens Hoofddorp mogelijk van andere evenementen. Op de voorbumper van [automerk] werd geen schade waargenomen die volgens Hoofddorp zou kunnen duiden op een aanraking met de linkerachtervelg van [automerk] . Er was slechts een kleine beschadiging zichtbaar. De structuur van de bumpercover rond deze beschadiging werd volledig intact bevonden.

Hoofddorp heeft vervolgens ook [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) ingeschakeld om de schade vast te stellen, en de na te noemen rapportage van [bedrijf 2] van eerdere datum, bijgevoegd.

Hoofddorp concludeert op basis van haar onderzoek dat de schade aan de beide velgen van [automerk] niet kan zijn ontstaan ten gevolge van de aanrijding.

2.5.

Bij brief van 28 september 2017 heeft [bedrijf 2] gerapporteerd over de schade. De schade heeft [bedrijf 2] vastgesteld aan de hand van de door Hoofddorp ter beschikking gestelde foto’s, en informatie verkregen uit contact met [bedrijf 1] en [eiser] .

[bedrijf 2] concludeert allereerst dat de schade aan de linkerachterzijde bij de achterbumper mogelijk kan zijn ontstaan tijdens de aanrijding. Ten aanzien van de schade aan de velgen heeft zij ernstige twijfels of deze schade het gevolg van de aanrijding zou kunnen zijn.

Op basis van gelijke bevindingen met betrekking tot de banden en de rubberuitbouw daarvan zoals hiervoor weergegeven in het rapport Hoofddorp, concludeert [bedrijf 2] vervolgens dat schade aan de linkerachtervelg onmogelijk kan zijn ontstaan tijdens de aanrijding.

[bedrijf 2] rapporteert dat zij [bedrijf 1] telefonisch heeft meegedeeld dat reparatie van de linkerachtervelg in haar optiek zeer goed mogelijk was, maar dat [bedrijf 1] reparatie van de velgen geen optie vond voor een auto van meer dan € 150.000,-. Na het telefonisch contact met [bedrijf 1] werd [bedrijf 2] telefonisch benaderd door [eiser] , zo vervolgt de brief. Deze deelde mee dat alleen de linkerachtervelg ten gevolge van deze aanrijding was beschadigd. De schade aan de rechtervoorvelg was ontstaan, toen hij de auto na deze aanrijding naar de zijkant van de weg had verplaatst, waarbij deze in aanraking was gekomen met de trottoirband.

2.6.

Bij brief van 6 november 2017 heeft Turien&Co aan [eiser] onder verwijzing naar beide rapportages bericht dat het ingezonden schadeformulier bij Turien&Co de indruk wekt dat [eiser] bewust een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en Turien&Co heeft misleid om dekking te op de polis te verkrijgen. Turien&Co bericht dat zij alvorens tot een definitieve conclusie te komen, graag binnen veertien dagen een uitvoerige schriftelijke reactie op haar bevindingen ontvangt.

2.7.

Bij brief van 12 januari 2018 aan [eiser] heeft Turien&Co allereerst ervan melding gemaakt dat zij zowel van [eiser] als van zijn assurantieadviseur een reactie heeft ontvangen. Zij heeft voorts haar reeds aangekondigde conclusie van opzettelijke misleiding bevestigd en om die reden, onder verwijzing naar paragraaf 9 sub. 9 van de polisvoorwaarden en artikel 7:941 lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW), dekking onder de verzekering geweigerd. Daarnaast heeft zij meegedeeld dat zij de persoonsgegevens van [eiser] heeft opgenomen in het incidentenregister en - voor een periode van 3 jaar - het Extern Verwijzingsregister, en dat zij de registratie in het incidentenregister heeft gemeld bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) van het Verbond van Verzekeraars (hierna: de melding en registraties). Ten slotte heeft zij meegedeeld dat zij de verzekeringsovereenkomst heeft beëindigd.

2.8.

Mr. Wery heeft per e-mailbericht van 8 februari 2018 namens [eiser] een uitgebreide reactie aan Turien&Co verzonden. Mr. Wery bericht daarin onder meer dat [eiser] ter plaatse na de aanrijding een viertal foto’s heeft gemaakt. Deze foto’s zijn als bijlage bijgevoegd.

2.9.

[eiser] heeft in 2018 een procedure tegen Turien&Co aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Holland en daarin vergelijkbare vorderingen als in de onderhavige procedure ingesteld.

2.10.

Op 17 december 2018 heeft in de procedure tegen Turien&Co een comparitie plaatsgevonden. [eiser] was niet op deze zitting aanwezig.

2.11.

Bij vonnis van 30 januari 2019 heeft de rechtbank Noord-Holland in de procedure tegen Turien&Co de vorderingen van [eiser] afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

(Ansvar) te veroordelen om de melding en registraties binnen veertien dagen ongedaan te maken c.q. te verwijderen en hiervan bewijs te verschaffen;

te verklaren voor recht dat

a) er geen sprake is van bewuste misleiding van Turien c.q. Ansvar door [eiser] ;

b) er op basis van de feiten geen grond is voor de beëindiging door Turien c.q. Ansvar van met [eiser] gesloten verzekeringsovereenkomsten;

c) de ongevalsschade vergoed dient te worden c.q. er op basis van deze feiten geen grond is de ongevalsschade niet te vergoeden;

d) Ansvar aansprakelijk is voor alle door de opname in de registers door [eiser] geleden en te lijden schade;

(Ansvar) te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de nakosten.

3.2.

[eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Turien en Ansvar beschuldigen [eiser] onterecht van misleiding door (allrisk) verzekerde [eiser] bij de afwikkeling van een schade aan zijn auto ten gevolge van een aanrijding. Omdat de beschuldiging onterecht is, zijn de daaraan door Ansvar verbonden consequenties niet op zijn plaats, aldus [eiser] .

3.3.

Ansvar voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak komt het geheel en al aan op de vraag of [eiser] een onjuiste opgave van schade aan zijn Ansvar heeft gedaan met als doel Ansvar te misleiden om (meer) dekking onder de verzekering te verkrijgen. Mocht deze vraag immers bevestigend worden beantwoord, dan levert dat onbetwist zowel fraude in de zin van de algemene voorwaarden als het niet nakomen van de medewerkingsverplichting met het opzet tot misleiden als bedoeld in artikel 7:941 lid 5 BW op. Die kwalificaties rechtvaardigen, zo is eveneens onbetwist, op hun beurt de consequenties die Ansvar daaraan heeft verbonden, en die [eiser] thans met zijn vorderingen I, II a, b en c teruggedraaid wil zien worden. In het bijzonder is het [eiser] blijkens zijn toelichting te doen om de melding en registraties die Anvar heeft gedaan respectievelijk doorgevoerd.

4.2.

De rechtbank ziet allereerst aanleiding te preciseren dat de medewerkingsverplichting genoemd in artikel 7:941 lid 5 BW is onderverdeeld in een tweetal verplichtingen, namelijk de meldingsplicht van lid 1 en de informatieplicht van lid 2. Ansvar heeft hier kennelijk en onbetwist het oog gehad op de informatieplicht van de verzekerde, te weten om aan de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor laatstgenoemde van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.

4.3.

De rechtbank stelt verder voorop dat de vergaande aard van de consequenties die daaraan worden verbonden, rechtvaardigt dat strenge eisen mogen worden gesteld aan de vaststelling of het handelen van de verzekerde was ingegeven door het (boos) opzet tot misleiden van de verzekeraar. Gelet op die consequenties voor een verzekerde, is het in strijd met de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf en met hetgeen van een redelijk handelend verzekeraar mag worden verwacht, om dergelijk handelen aan te nemen zonder eerst nauwgezet en zorgvuldig onderzoek daarnaar te verrichten (vgl. Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2019/292).

4.4.

Ten aanzien van het vereiste opzet verdient het opmerking dat in de literatuur de situaties worden onderscheiden dat: a) de verzekerde doet alsof een verzekerd voorval heeft plaatsgevonden en b) de verzekerde onjuiste of onvolledige informatie aanlevert nadat een verzekerd voorval zich voordoet. In het eerste geval, zo wordt aangenomen, vloeit het opzet voort uit de handeling zelf. In het tweede geval heeft zich (buiten toedoen van de verzekerde) een verzekerd voorval voorgedaan en geldt het recht op uitkering als uitgangspunt. Dat recht kan vervallen, maar het is nadrukkelijk aan de verzekeraar om hier die feiten en omstandigheden aan te voeren die de rechter ervan overtuigen dat het de bedoeling van de verzekerde is geweest om te misleiden en om een (hogere) uitkering te verkrijgen dan die bij een juiste opgave verkregen zou zijn. Als lat voor de invulling van het begrip ‘opzet’ moet de zwaarste vorm van opzet aangehouden te worden: bedrog in de zin van art. 3:44 BW ( Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2019/293).

4.5.

In feitelijke zin stelt de rechtbank nog voorop dat hoewel in de rapporten en in de brieven van Turien&Co ook schade aan de rechtervoorvelg van [automerk] ten grondslag wordt gelegd aan de getrokken conclusies, het blijkens de toelichting van Ansvar in deze procedure louter nog om de schade gaat die [eiser] heeft gemeld aan de linkerachtervelg. Ansvar heeft voorts verduidelijkt dat zij in deze procedure de eerdere schadekwestie met [eiser] uit 2016, waar partijen in hun stukken nog de nodige aandacht aan hebben geschonken, niet aan haar vorderingen ten grondslag legt.

4.6.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank in deze zaak als volgt. Nu Ansvar zich beroept op opzet tot misleiding, dient zij dus feiten en omstandigheden te stellen waaruit die opzet kan worden afgeleid. Ansvar heeft hiertoe verwezen naar de rapporten van Hoofddorp en [bedrijf 2] .

4.7.

Ansvar wijst op de conclusie uit het onderzoek dat de schade aan de velgen achter (waaronder de chip) niet kan zijn ontstaan door de vermeende aanrijding met [automerk] . Zij wijst in het bijzonder op de bevindingen dat de voorkant van [automerk] niet was beschadigd en dat de velg van [automerk] - door de over de velg uitstekende band - onmogelijk door [automerk] kan zijn geraakt. Uit de hoeveelheid vuil op de (overige) krassen op de linkerachtervelg, kan met zekerheid kan worden afgeleid dat ook deze beschadigingen niet ten gevolge van de aanrijding kunnen zijn ontstaan. [eiser] heeft zijn claim van schade aan de linkerachtervelg herhaald in de contacten met zowel [eiser] als met [bedrijf 2] . Ook [bedrijf 1] heeft over deze schade verklaard en heeft deze schade heeft aangeduid als een “ernstige beschadiging”, terwijl [bedrijf 1] deze informatie van [eiser] moet hebben gehad. Deze claim zal zeker niet op een vergissing hebben berust aangezien het gaat om een nare en zeer duidelijke beschadiging. Bovendien ging het om een schade die niet weg te polijsten was en waarmee aanzienlijke kosten waren gemoeid. Dat [eiser] het onjuist zou hebben begrepen is onverenigbaar met het gegeven dat hij uit eigen beweging [bedrijf 2] heeft opgebeld om expliciet te zeggen dat de schade aan de linkerachtervelg was ontstaan. [eiser] kende deze schade dus al voor 25 augustus 2017 en wist dat de schade niet door de [automerk] was veroorzaakt, aldus Ansvar.

4.8.

[eiser] heeft zijn betwisting van de stelling dat hij een onjuiste opgave van schade aan Ansvar heeft gedaan met het opzet om Ansvar te misleiden, als volgt toegelicht. Dat [automerk] wel heeft geraakt blijkt uit de zwarte krasveeg, de lakschade, die bij de bumper/wielkast van [automerk] (productie 5 bij dagvaarding) te zien was en die door de aanrijding is ontstaan. [bedrijf 2] betwist dit ook niet, blijkens haar vermelding “de schade aan de linkerachterzijde bij de achterbumper kan mogelijk zijn ontstaan tijdens deze aanrijding”. Voorts erkent [bedrijf 2] ten aanzien van de schade aan velg ook: “op zich bestaat de mogelijkheid dat [automerk] met de voorzijde de linkerachtervelg van [automerk] heeft geraakt, omdat daarop lichte sporen zichtbaar zijn van een contact (..).” Anders dan Ansvar stelt is dus niet evident dat deze schade niet van de aanrijding afkomstig is. Deze lichte sporen zijn de schade die [eiser] aan de linkerachtervelg heeft gezien. Hij mocht als niet-deskundige in ieder geval menen dat deze schade midden op de spaken tegelijk met de lakschade was ontstaan, ook omdat de schade aan de spaken en aan de lak blijkens de foto in elkaars verlengde liggen. [eiser] houdt staande dat de bumper en in het bijzonder het meest uitstekende deel, de nummerplaat, van [automerk] deze spaken heeft geraakt. De foto van de nummerplaat (productie 5 bij dagvaarding) maakt dat ook aannemelijk. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat een ijzeren nummerplaat al bij een botsing met lage snelheid lakschade en oppervlakkige schade aan de spaken teweeg kan brengen als deze daarmee in contact komt. Er is geen sprake van opzettelijk onjuist informeren. [eiser] heeft gewoon aangegeven welke schade volgens hem door de aanrijding was veroorzaakt. Het betreft een niet-professionele opinie. [betrokkene] was er eveneens van overtuigd dat de schade door de aanrijding was ontstaan, aldus [eiser] .

4.9.

De rechtbank concludeert dat [eiser] met deze toelichting op verschillende onderdelen gemotiveerd vraagtekens heeft gezet bij bepaalde bevindingen en gevolgtrekkingen in de rapportages, en in feite heeft blootgelegd dat het onderzoek gemankeerd is geweest. Het onderzoek is er immers kennelijk te eenzijdig op gericht geweest om vast te stellen dat de schade die [eiser] aan de linkerachtervelg heeft geclaimd niet door de beweerde aanrijding is veroorzaakt. Dit terwijl een zorgvuldig en nauwgezet onderzoek zoals dat van een verzekeraar mag worden verlangd, veronderstelt dat ook de bevindingen en omstandigheden waar [eiser] op heeft gewezen en die een aanwijzing voor een tegengesteld scenario kunnen vormen, zorgvuldig worden nagegaan. Concreet gaat het om te beginnen dan al om het gegeven dat niet alleen [eiser] maar ook [betrokkene] het schadeformulier heeft getekend en daarmee voor de inhoud daarvan instaat. Uit het rapport van Hoofddorp blijkt wel dat met [betrokkene] is gesproken, maar niet dat haar gevraagd is om haar lezing van de toedracht te geven. Daarnaast gaat het om de bevinding dat er lakschade aan de bumper van [automerk] is geconstateerd die bovendien in het verlengde ligt van de schade aan de linkerachtervelg, en dat aan de voorzijde van [automerk] , die in aanraking met [automerk] zou moeten zijn gekomen, een nummerbord zichtbaar is dat verder niet kenbaar in het onderzoek is betrokken. Voorts worden in de rapporten uitlatingen van derden over de ernst van de schade zonder terughoudendheid aan [eiser] toegeschreven, net als de visie van derden over de mogelijkheid dat de schade voor reparatie in aanmerking komt of niet, en lijkt het onderzoek in die zin gekleurd te zijn. Tot slot worden verklaringen van [eiser] over schade aan de rechtervoorvelg gepresenteerd, en wordt daarbij de suggestie gewekt dat ook deze schade geen gevolg kan zijn van de aanrijding. Dit terwijl [eiser] deze schade ook in de visie van Ansvar helemaal niet heeft geclaimd en de rapporten dienaangaande bovendien geen duidelijke conclusies bevatten.

4.10.

Nu het onderzoek als gebrekkig moet worden gekwalificeerd voldoet het niet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld. Daarom kan het niet als onderbouwing van het opzet tot misleiding dienen. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat ook als de rapporten desondanks de stelling zouden kunnen onderbouwen dat de schade aan de linkerachtervelg niet is ontstaan als gevolg van de aanrijding, gelet op de genoemde aanwijzingen niet valt in te zien waarom de mogelijkheid dat [eiser] de schade eerder niet heeft opgemerkt en per abuis wel als dergelijke schade heeft aangezien, en dus niet opzettelijk een onjuiste schademelding heeft gedaan, ter zijde moet worden geschoven.

4.11.

Bij gebrek aan onderbouwing doet het niet meer ter zake dat [eiser] zelf geen deskundigenrapport in het geding heeft gebracht of alsnog zou willen brengen, of opnieuw niet ter zitting is verschenen. Ansvar heeft nog bewijs aangeboden van haar stelling dat [eiser] wist dat de schade niet door [automerk] was veroorzaakt. Dat kan haar echter niet baten, reeds omdat zij daarbij kennelijk veronderstelt dat voldoende vaststaat dat de schade niet door de aanrijding met [automerk] is veroorzaakt. Dat is blijkens het voorgaande niet het geval.

4.12.

Dat betekent dat het verweer van Ansvar faalt. Bij gebreke van overige verweren liggen de vorderingen I, II a, b, c en d van [eiser] voor toewijzing gereed. Ten aanzien van de vordering om de ongevalsschade te vergoeden overweegt de rechtbank nog dat de vaststelling dat geen sprake is van opzet tot misleiding, niet zonder meer ook betekent dat dus de ongevalsschade vergoed dient te worden. Nu Ansvar evenwel geen nader op deze vordering toegespitst subsidiair verweer heeft gevoerd, kan ook deze vordering worden toegewezen.

4.13.

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat Ansvar aansprakelijk is voor alle door de opname in de registers door [eiser] geleden en te lijden schade, overweegt de rechtbank nog dat tevens vereist is dat [eiser] voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan aannemelijk is dat hij schade heeft geleden dan wel nog zal lijden. Nu hij heeft gesteld dat hij momenteel niet tegen gebruikelijke condities een verzekering kan afsluiten, en Ansvar ter zake verder geen verweer heeft gevoerd, kan deze vordering eveneens worden toegewezen.

4.14.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt Ansvar als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . Deze worden als volgt begroot:

- explootkosten € 103,38

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat (2 punten à tarief II) € 1.086,00

Totaal € 1.480,38

4.15.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Ansvar om de desbetreffende melding en registraties bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) van het Verbond van Verzekeraars, het incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister binnen veertien dagen ongedaan te maken c.q. te verwijderen en hiervan bewijs te verschaffen,

5.2.

verklaart voor recht dat:

a) geen sprake is van bewuste misleiding van Turien c.q. Ansvar door [eiser] ;

b) er op basis van de feiten geen grond is voor de beëindiging door Turien c.q. Ansvar van met [eiser] gesloten verzekeringsovereenkomsten;

c) de ongevalsschade vergoed dient te worden;

d) Ansvar aansprakelijk is voor alle door de opname in de registers door [eiser] geleden en te lijden schade;

5.3.

veroordeelt Ansvar in de proceskosten, aan de kant van [eiser] begroot op € 1.480,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der voldoening,

5.4.

veroordeelt Ansvar in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Ansvar niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen onder 5.1., 5.3 en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het overige gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature