< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De voormalig eigenaar van een eetgelegenheid in de Pijp moet alsnog de bijna 10.000 euro huurachterstand betalen, waartoe hij in een vonnis dat op 15 maart 2005 is uitgesproken, is veroordeeld.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/670129 / KG ZA 19-813 MDvH/BB

Vonnis in kort geding van 19 september 2019

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser sub 1] ,

voorheen gevestigd te [plaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in het verzet bij dagvaarding van 29 juli 2019,

advocaat mr. R.G.E. de Vries te Diemen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. P.J. Sandberg te Amsterdam.

Eisers zullen hierna ook wel ieder afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd en gedaagde zal hierna worden aangeduid als [gedaagde] .

1 De procedure

Ter terechtzitting van 5 september 2019 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de aan dit vonnis gehechte verzetdagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen vonnis gevraagd.

Ter zitting waren aanwezig:aan de zijde van eisers: [eiser sub 2] (met zijn echtgenote) en mr. De Vries;aan de zijde van [gedaagde] : [jurist] (jurist in dienst van [gedaagde] ) en mr. Sandberg.

2 De feiten

2.1.

Eisers hebben van [gedaagde] gehuurd de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] , waarin zij een eetgelegenheid hebben geëxploiteerd.

2.2.

In verband met een huurachterstand heeft [gedaagde] , na daartoe verkregen verlof op 25 februari 2005, conservatoir beslag gelegd op de woning van [eiser sub 2] , gelegen aan de [adres] .

2.3.

Op 4 maart 2005 heeft [gedaagde] eisers gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank tegen 15 maart 2005. De dagvaarding is, omdat in de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en eisers domicilie was gekozen op het adres van het gehuurde, betekend op de [adres] , door overhandiging aan [naam] , aldaar werkzaam.

Op de zitting van 15 maart 2005 zijn eisers niet verschenen. Wel was [naam] aanwezig.

2.4.

Bij verstekvonnis van 15 maart 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 9.760,81, vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.972,41 vanaf 4 maart 2005 tot aan de dag van voldoening en tot betaling van € 1.773,34 voor iedere maand die, of gedeelte daarvan dat zij vanaf 1 maart 2005 in het genot blijven van de bedrijfsruimte aan de [adres] . Daarnaast is er een voorwaardelijke ontruiming uitgesproken en zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] veroordeeld in de proceskosten.

2.5.

Mr. Sandberg heeft kopieën van aan eisers geadresseerde brieven van 29 maart 2005 in het geding gebracht, waarin hij eisers sommeert tot betaling van een bedrag van € 14.156,66 en waarbij hij het vonnis van 15 maart 2005 zowel naar het adres van de bedrijfsruimte aan de [adres] als naar het woonadres van [eiser sub 2] in [woonplaats] gestuurd zou hebben.

2.6.

De bedrijfsruimte is in mei/juni 2005 door eisers en/of [naam] verlaten.

2.7.

In mei/juni 2019 heeft [eiser sub 2] getracht om de hypotheek op zijn woning in [woonplaats] over te sluiten. Dit bleek niet mogelijk vanwege het door [gedaagde] in 2005 gelegde beslag.

2.8.

Bij e-mailbericht van 22 mei 2019 heeft een medewerkster van Trip Notarissen aan de voormalig procureur van mr. Sandberg gevraagd of er op basis van het meegestuurde vonnis van 15 maart 2005 nog een bedrag openstaat. De voormalig procureur heeft deze e-mail doorgestuurd naar mr. Sandberg.

2.9.

Bij e-mailbericht van 4 juni 2019 heeft mr. Sandberg aan Trip Notarissen een kopie van het vonnis van 15 maart 2005 gestuurd en meegedeeld dat voor zover hem bekend nog niet is voldaan aan het vonnis. Volgens mr. Sandberg zijn eisers op basis van het vonnis nog een bedrag van € 16.931,02 verschuldigd aan [gedaagde] en zal, zodra dit bedrag is betaald, tot opheffing van het gelegde beslag worden overgegaan.

2.10.

Bij e-mailbericht van 3 juli 2019 heeft mr. De Vries aan mr. Sandberg laten weten dat [eiser sub 2] betwist dat er op basis van het vonnis van 15 maart 2005 nog een vordering openstaat. Volgens [eiser sub 2] zou hij ruim € 9.000,00 aan de deurwaarder hebben betaald. In reactie daarop heeft mr. Sandberg, met meezending van het vonnis van 15 maart 2005, op 8 juli 2019 aan mr. De Vries bericht dat noch hij noch [gedaagde] noch de deurwaarder bekend is met een betaling van [eiser sub 2] op de vordering.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen samengevat - te worden ontheven van de veroordelingen in het verstekvonnis van 15 maart 2005, met afwijzing van de ( geld )vordering en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit verzet, althans matiging van de (geld)vordering, met name terzake de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst moet de vraag worden beantwoord of het verzet tijdig is ingesteld. Artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verzet ‘moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na betekening van het vonnis of (…) na het plegen van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is’.

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat het verstekvonnis van 15 maart 2005 niet aan eisers is betekend en dat de termijn van vier weken is gaan lopen vanaf het moment dat [eiser sub 2] bekend is met het vonnis. Zij verschillen echter van mening over wanneer dat was. Volgens [gedaagde] blijkt uit de e-mail van 22 mei 2019 van Trip Notarissen (2.8) waarbij het vonnis is meegestuurd dat [eiser sub 2] toen al bekend was met het vonnis omdat Trip Notarissen het vonnis van [eiser sub 2] moet hebben gekregen. Als [eiser sub 2] niet toen al bekend was met het vonnis, moet hij er volgens [gedaagde] in ieder geval op 4 juni 2019 mee bekend zijn geworden toen mr. Sandberg het vonnis met een uiteenzetting van de nog openstaande vordering aan Trip Notarissen heeft gestuurd. Een erkenning daarvan volgt ook uit de zinsnede in de dagvaarding ‘De eerste aanmaning heeft eisers voor het eerst bereikt op 4 juni 2019!’. Door de verzetprocedure op 29 juli 2019 aanhangig te maken zijn eisers in beide gevallen te laat. Volgens [eiser sub 2] is hij pas sinds 8 juli 2019 bekend met het vonnis. De brief van mr. Sandberg van 29 maart 2005 met het vonnis (2.5) heeft [eiser sub 2] nooit bereikt en de correspondentie in mei/juni 2019 in verband met zijn verzoek om de hypotheek over te sluiten is gevoerd tussen (de voormalig procureur van) mr. Sandberg en de notaris van zijn hypotheekbank. [eiser sub 2] heeft alleen contact met zijn tussenpersoon (de Hypotheker) gehad, niet met de notaris. De vermelding in de dagvaarding dat de eerste ontvangen aanmaning van 4 juni 2019 dateert is volgens [eiser sub 2] een verschrijving.

4.3.

Gelet op hetgeen [eiser sub 2] naar voren heeft gebracht, kan niet worden vastgesteld dat hij voor 8 juli 2019 kennis heeft genomen van het verstekvonnis. Hij wordt dan ook in het verzet ontvangen.

4.4.

Volgens [eiser sub 2] zijn hij en [eiser sub 1] in het vonnis van 15 maart 2005 ten onrechte veroordeeld tot betaling van een huurachterstand. In dit verband heeft hij allereerst verklaard dat hij indertijd met verschillende betalingen zijn achterstand heeft ingelost. Bovendien heeft hij reeds in 2003, dus nog voor het verstekvonnis, zijn onderneming verkocht aan [naam] , die vanaf dat moment de huur op zich heeft genomen. Als er al achterstanden zijn, dan moet [gedaagde] daarvoor bij [naam] zijn. Tenslotte heeft [eiser sub 2] gesteld dat hij er na zoveel jaar op mocht vertrouwen dat er geen vordering meer openstond, aldus [eiser sub 2] . [gedaagde] heeft een en ander bestreden. De betalingen waar [eiser sub 2] op doelt hadden volgens hem betrekking op eerdere vonnissen. Op de huurachterstand zoals in de procedure voorafgaand aan het vonnis van 15 maart 2005 is gevorderd, is geen betaling gedaan, noch door [eiser sub 2] noch door [naam] , en van rechtsverwerking is geen sprake, aldus [gedaagde] .

4.5.

[gedaagde] heeft stukken in het geding gebracht waaruit de huurachterstand blijkt. [eiser sub 2] heeft weliswaar gesteld dat hij op deze achterstand betalingen heeft verricht maar heeft dit, terwijl dit op zijn weg had gelegen, niet met stukken aangetoond. Voorshands wordt er dan ook vanuit gegaan dat de huurachterstand niet is ingelopen en de veroordeling in het vonnis van 15 maart 2005 tot betaling van € 9.760,81 terecht is geweest. [eiser sub 2] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat voor een eventuele huurachterstand niet hij maar [naam] had moeten worden aangesproken. In dit verband heeft [gedaagde] terecht aangevoerd dat de huurovereenkomst nooit van eisers is overgegaan op [naam] en eisers dus altijd huurder zijn gebleven. Het kan zo zijn dat [naam] op een goed moment het bedrijf van [eiser sub 2] heeft overgenomen en ook de huur is gaan betalen, maar van een indeplaatsstelling van de huurder is geen sprake geweest. [gedaagde] heeft zich destijds voor de huurachterstand dan ook terecht tot eisers gericht.

Verder is met de door [gedaagde] in het geding gebrachte overzichten voldoende aannemelijk geworden dat voornoemd bedrag inmiddels met rente en kosten is opgelopen tot het in de e-mail van mr. Sandberg van 4 juni 2019 genoemde bedrag van € 16.931,02. Indien [eiser sub 2] meent dat deze vordering het gevolg is van tekortkomingen van [naam] dan dient hij zich tot [naam] te wenden. [gedaagde] staat daar verder buiten. Ten slotte slaagt ook het beroep van [eiser sub 2] op rechtsverwerking niet. Het enkel stilzitten van [gedaagde] is daarvoor onvoldoende. Kennelijk waren er voor [gedaagde] redenen om het verstekvonnis nog niet ten uitvoer te leggen, hetgeen hem vrij staat.

4.6.

Gelet op het voorgaande is het verzet ongegrond. Dat [eiser sub 1] ten tijde van het verstekvonnis van 15 maart 2005 mogelijk al niet meer bestond, doet aan het voorgaande niet af. [eiser sub 2] is immers ook zelf veroordeeld tot betaling van de huurachterstand. Nu vaststaat dat [eiser sub 1] in ieder geval thans niet meer bestaat, kunnen ten laste van de VOF echter geen veroordelingen meer worden uitgesproken en zal alleen [eiser sub 2] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde] in deze verzetprocedure worden veroordeeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart het verzet ongegrond,

5.2.

veroordeelt [eiser sub 2] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 980,00 aan salaris advocaat,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2019.

type: BPWB

coll: EB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature