< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

moeder is zonder toestemming van vader met 6 jarige zoon verhuisd vanwege last van elektromagnetische straling; vader vraagt wijziging hoofdverblijf en moeder vervangende toestemming verhuizing; co-ouderschap; verzoek vader toegewezen.

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/669472 / FA RK 19-4327 (JE/MH)

Beschikking van 20 augustus 2019 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. S. Kuijs te Alkmaar,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L.S. Timmermans te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam, locatie Amsterdam,hierna te noemen: de Raad.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

het verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 9 juli 2019;

het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 15 augustus 2019;

de F9-formulieren met bijlagen van de man van 13 en 15 augustus 2019.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 19 augustus 2019.

Verschenen zijn:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

mevrouw [vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad.

1.3.

De beslissing is telefonisch op 20 augustus aan de advocaten meegedeeld en daarvan is een proces-verbaal opgemaakt, waarin de beslissing is opgenomen. Deze beschikking vormt de schriftelijke uitwerking daarvan.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd op 26 juni 2010. Hun huwelijk is op 9 januari 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 10 december 2014 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het huwelijk is geboren:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012.

2.3.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit.

2.4.

Conform het ouderschapsplan van 12 november 2014 is in voornoemde echtscheidingsbeschikking vastgesteld dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw.

2.5.

Laatstelijk bij ouderschapsplan van 27 oktober 2016 zijn partijen de volgende zorgregeling overeengekomen:

week 1 (oneven)

maandag

dinsdag

woensdag

donderdag

vrijdag

zaterdag

zondag

ochtend

vader

moeder

moeder

moeder

vader

vader

moeder

overdag (o)

school

school

school

school

school

wissel

moeder

overdag (m)

school

school

moeder

school

school

moeder

moeder

na school

moeder

moeder

moeder

vader

vader

moeder

moeder

avond/nacht

moeder

moeder

moeder

vader

vader

moeder

moeder

week 2 (even)

maandag

dinsdag

woensdag

donderdag

vrijdag

zaterdag

zondag

ochtend

moeder

moeder

moeder

moeder

vader

vader

vader

overdag (o)

school

school

school

school

school

vader

vader

overdag (m)

school

school

moeder

school

school

vader

vader

na school

moeder

moeder

moeder

vader

vader

vader

vader

avond / nacht

moeder

moeder

moeder

vader

vader

vader

vader

3. Het verzoek van de man en het verweer en het zelfstandige verzoek van de vrouw

3.1.

De man verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

I. met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 10 december 2014, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] per 26 augustus 2019 bij hem te bepalen met een nader uit te werken regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met de vrouw, afhankelijk van waar zij zich zal vestigen;

II. aan hem vervangende toestemming te verlenen tot inschrijving van [minderjarige] bij basisschool [schoolnaam] , basisschool [schoolnaam] dan wel basisschool [schoolnaam] in [plaats] met ingang van het komende schooljaar.

3.2.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man. Als (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw om haar:

I. vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats] ;

II. – zo nodig – vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] (her) in te schrijven op zijn huidige basisschool [schoolnaam] te [plaats] en voetbalclub [clubnaam] te [plaats] ;

III. voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat het in het belang van [minderjarige] moet worden geacht dat hij naar school gaat in de woonplaats van de ouder waar hij zijn hoofdverblijf heeft en daar ook een sport beoefent: vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven op een basisschool in [plaats] alsmede een voetbalclub in deze plaats.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen verschillen van mening over de vraag waar [minderjarige] zijn hoofdverblijf zou moeten hebben. De feitelijke situatie van de afgelopen jaren, waarbij de ouders co-ouderschap hebben, de vrouw in [plaats] woont, de man in [plaats] woont en [minderjarige] in [plaats] op school zit, is gewijzigd doordat de vrouw met [minderjarige] vanaf februari 2019 in [plaats] woont. De vrouw wil dat [minderjarige] met haar mee verhuist, in die zin dat hij zijn hoofdverblijf bij haar in [plaats] heeft, waar de man wil dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. De vrouw vindt dat [minderjarige] in [plaats] op school kan blijven, ook als hij in [plaats] woont en de man zou [minderjarige] graag bij hem in de buurt op een school inschrijven, als het hoofdverblijf bij hem wordt bepaald. Beide ouders zijn het erover eens dat waar het hoofdverblijf van [minderjarige] ook wordt bepaald er een ruime zorgregeling met de andere ouder moet zijn, die aansluit bij de wijze waarop zij de afgelopen jaren daaraan invulling hebben gegeven.

4.2.

Partijen kunnen geschillen over de gezamenlijke uitvoering van het gezag voorleggen aan de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 1:253a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het tweede lid van het artikel volgt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen kan beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Uitgangspunt daarbij is dat de rechtbank een zodanige beslissing neemt als in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.3.

De man heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen. Bij wege van zelfstandig verzoek heeft de vrouw vervangende toestemming verhuizing gevraagd. In geval van een verhuizing zijn door de Hoge Raad criteria ontwikkeld waaraan getoetst dient te worden. Nu het hier op grond van het verzoek van de man allereerst gaat om de vraag waar het hoofdverblijf voor [minderjarige] dient te zijn, zal pas als het verzoek van de man niet voor toewijzing in aanmerking komt, toegekomen worden aan de vraag of de vrouw met [minderjarige] mag verhuizen, waarbij dan de door de Hoge Raad genoemde criteria aan de orde zijn.

4.4.

Wijziging hoofdverblijfplaats / vervangende toestemming verhuizing

4.4.1.

De man stelt dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitgaat van de situatie dat de man in [plaats] woont en de vrouw in [plaats] en [minderjarige] in [plaats] naar school gaat. Ten tijde van het uiteengaan hebben partijen bewust gekozen voor co-ouderschap zodat zij beiden onderdeel konden zijn van het dagelijkse leven van [minderjarige] en zijn opvoeding. De man vindt het belangrijk dat beide ouders een aanzienlijke rol spelen in het leven van hun zoon en participeren in de alledaagse dingen.

4.4.2.

Volgens de man zijn partijen, nadat de vrouw aangaf uit [plaats] te moeten verhuizen omdat zij stralingsklachten ondervindt van onder meer zendmasten en Wifi -routers, in gesprek gegaan, waarna tussen partijen een ‘coulance-afspraak’ is gemaakt. Deze afspraak hield in dat de vrouw een huurwoning in [plaats] zou betrekken om te gebruiken als vakantiehuis. [minderjarige] zou alleen in deze woning verblijven tijdens weekenden en/of schoolvakanties. Tijdens de schoolweken zou [minderjarige] met de vrouw in [plaats] verblijven. Om tot een meer werkbare en duurzame oplossing te komen zijn partijen in mediation gegaan. Tijdens de mediation deelde de vrouw mee dat zij de woning in [plaats] niet meer in gebruik heeft en permanent met [minderjarige] in de huurwoning in [plaats] verblijft. Ondertussen gaat het volgens de man niet goed met [minderjarige] .

De facto woont [minderjarige] deels in [plaats] en deels in [plaats] en gaat hij naar school in [plaats] . Daardoor brengt hij veel tijd door in de auto en heeft hij drie omgevingen/sociale kringen. Initiatieven zoals inschrijvingen op sportverenigingen wordt vooruitgeschoven. Het is in ieders belang, maar zeker in het belang van [minderjarige] , om reistijd en afstanden te verminderen en een definitieve oplossing te vinden. De man gaat dan ook niet akkoord met een definitieve vestiging van [minderjarige] in [plaats] , te meer omdat het voor de hand ligt dat aldaar ook school, sport etc. wordt gezocht, en dit zich verzet tegen eerder genoemde afspraak en de geest van het co-ouderschapsplan.

4.4.3.

Bovendien is volgens de man niet gebleken van een noodzaak voor de vrouw om zich te vestigen in [plaats] , noch is gebleken dat een dergelijke keuze duurzaam is. In het licht van technologische innovatie, zoals bijvoorbeeld de komst van 5G, is onduidelijk hoe lang de huidige zogeheten witte plekken ook ‘wit’ (stralingsarm) blijven en dus hoe bestendig een woonplek als [plaats] is.

4.4.4.

De man is ervan overtuigd duidelijkheid en stabiliteit te kunnen scheppen door [minderjarige] bij hem zijn hoofdverblijf te laten hebben en hem ook in [plaats] bij een basisschool in te schrijven. [minderjarige] heeft al een sociaal netwerk bij de man; familieleden waaronder opa en oma wonen in de buurt, hij heeft meerdere vriendjes en er zijn talloze sport- en vrije tijdsbestedingen mogelijk. De man acht het daarom in het belang van [minderjarige] om zijn hoofdverblijfplaats bij hem te hebben met een daarbij passende zorgregeling.

4.4.5.

De vrouw stemt niet in met wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] , noch met de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in [plaats] . De vrouw acht het onverminderd in het belang van [minderjarige] dat zijn hoofdverblijfplaats bij haar blijft; wat haar betreft bestaat er geen enkele aanleiding om hierin een verandering aan te brengen. De vrouw stelt dat zij altijd het merendeel van de zorg voor [minderjarige] op zich genomen en dat dit nu nog steeds het geval is. Zij is altijd de hoofdverzorger (geweest).

4.4.6.

De vrouw stelt voorts er alles aan gedaan te hebben om de stralingen in haar omgeving te reduceren tot een hanteerbaar niveau zodat zij in [plaats] kon blijven wonen. In het voorjaar van 2018 werd de situatie in [plaats] echter ondraaglijk: continu had de vrouw last van duizelingen, hoofdpijn, concentratieverlies, extreme vermoeidheid, pijn in ledematen en bleekheid en zij kon door haar pijnklachten ook nauwelijks slapen, waardoor de klachten met de dag verergerden. Tevens ervaart de vrouw vanwege alom aanwezige straling beperkingen in haar activiteiten met of ten behoeve van [minderjarige] . Toen de vrouw zich realiseerde dat zij wegens haar gezondheid niet langer in [plaats] kon blijven heeft zij de man op de hoogte gesteld van de noodzaak om zich ergens anders te vestigen. Na een uitgebreide zoektocht met als zoekcriteria een vrijstaande woning die meer dan 400 meter van een zendmast afstaat in een omgeving waar de vrouw zich ook sociaal gezien thuis voelt, kwam een woning in [plaats] als mogelijk geschikt bovendrijven. Afgesproken was met de man dat de woning in [plaats] in eerste instantie alleen zou worden gebruikt in de weekenden en als [minderjarige] niet bij de vrouw verbleef. In februari 2019 is de vrouw volledig in [plaats] gaan wonen, toen zij vanwege haar gezondheid acuut weg moest uit [plaats] .

4.4.7.

Met deze verhuizing van de vrouw naar [plaats] veranderde er weinig voor [minderjarige] . De zorgregeling bleef hetzelfde en hij bleef ook naar zijn huidige basisschool in [plaats] gaan. Hij hield dezelfde oppas en kon blijven afspreken met vriendjes van school, zowel in [plaats] als in [plaats] . De enige verandering ten opzichte van de situatie van voor februari 2019 is dat hij voortaan (ook) vanuit de vrouw met de auto naar school gaat, in plaats van met de fiets. [minderjarige] wordt door de man met de auto vanuit [plaats] gebracht.

4.4.8.

De vrouw wil graag in [plaats] blijven wonen. De huidige woning is heel fijn en ook [minderjarige] voelt zich er thuis. Volgens de vrouw gaat het overwegend goed met [minderjarige] . Zij heeft de indruk dat het zelfs beter gaat nu hij in [plaats] verblijft, niet in de laatste plaats omdat het ook beter gaat met de vrouw. Wel maakt ook de vrouw zich soms zorgen over [minderjarige] . Hij is een zacht en gevoelig jongetje en de vrouw ziet dat [minderjarige] last heeft van de conflicten tussen partijen.

De vrouw vindt het dan ook belangrijk dat er rust en stabiliteit komt. Juist om die reden wil de vrouw hem niet confronteren met (onnodige) veranderingen en acht zij continuïteit van de huidige situatie het beste voor [minderjarige] . Als het centrum van het leven van [minderjarige] naar [plaats] verplaatst, zal dit naar de verwachting van de vrouw negatieve gevolgen hebben voor haar betrokkenheid. Dit acht de vrouw niet in het belang van [minderjarige] . De vrouw verzoekt dan ook om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats] .

4.4.9.

De rechtbank is met de man van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om drie omgevingen en sociale kringen te hebben, te weten [plaats] , [plaats] en [plaats] . De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] om naar school te gaan in de plaats waar een van zijn ouders woont, en niet zijn hele basisschooltijd iedere dag met de auto van buiten de stad van en naar school gebracht en gehaald te worden. Dit geldt eveneens voor eventuele sportclubs en ander buitenschoolse activiteiten. Aan de huidige situatie, die ook voor [minderjarige] onduidelijkheid schept dient een eind te komen. De vraag is wat in het belang van [minderjarige] is, en waar hij het beste zijn hoofdverblijf kan hebben, [plaats] of [plaats] .

4.4.10.

De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen elkaar over en weer niet diskwalificeren als ouder en dat beide ouders geschikt zijn om voor [minderjarige] te zorgen. De huidige regeling verliep - tot de vrouw naar [plaats] verhuisde – zonder noemenswaardige problemen.

4.4.11.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat partijen tijdens hun huwelijk in [plaats] woonden en dat de man na het uiteengaan van partijen, met toestemming van de vrouw, naar [plaats] is verhuisd, terwijl de vrouw in [plaats] bleef wonen. In de huidige zorgregeling haalt en brengt de man [minderjarige] een aantal keer in de week (3-4x) naar en van school in [plaats] , waarbij het overgrote deel (6-7x) van het halen en brengen door de in [plaats] wonende vrouw gebeurde.

4.4.12.

De rechtbank overweegt dat de vrouw weliswaar heeft gesteld dat het vanwege de door haar ervaren gezondheidsproblematiek niet mogelijk is om in [plaats] te wonen, maar dat daarmee niet is aangetoond dat het voor haar noodzakelijk was om naar [plaats] te verhuizen.

4.4.13.

De man heeft - onbetwist - diverse suggesties gedaan voor woningen ten noorden van [plaats] , zodat co-ouderschap daarmee uitvoerbaar zou blijven. Ook was hij bereid om te verhuizen naar een plaats die voor de vrouw aanvaardbaar zou zijn, maar de vrouw heeft zich niet bereid getoond daarover met de man het gesprek aan te gaan. De vrouw lijkt uit haar zoekopdrachten vooral haar eigen woongenot - stralingsvrij en een sociale omgeving waar zij zich vindt passen en zich thuis voelt - boven het belang van [minderjarige] te stellen om in de buurt van zijn vader te wonen en zodoende de co-ouderschapsregeling te continueren. Als de vrouw, vóór de verhuizing, om toestemming had gevraagd, had de rechtbank het verzoek van de vrouw daartoe dan ook wegens het ontbreken van de noodzaak om specifiek naar [plaats] te verhuizen, afgewezen. Met de verhuizing van de vrouw naar [plaats] heeft de vrouw een situatie gecreëerd waarbij geen uitvoering kan worden gegeven aan de zorgregeling zoals deze partijen voor ogen stond. Daarbij geeft de vrouw zich onvoldoende rekenschap gegeven van de consequenties voor [minderjarige] om in [plaats] op school te blijven, terwijl hij in [plaats] zou wonen. Dat is als overbrugging zeker een aanvaardbare mogelijkheid, maar volgens de rechtbank als definitieve oplossing niet in het belang van [minderjarige] .

4.4.14.

De rechtbank is er ook niet van overtuigd dat de vrouw zich definitief in [plaats] gaat vestigen. In de huidige huurwoning heeft zij weinig last van straling, maar de huurovereenkomst loopt nog maar een jaar. Of een andere geschikte woning in [plaats] te vinden is, is niet gebleken. Voorts is onzeker of de stralingsproblematiek door het (ver)plaatsen van masten of andere apparatuur ook in [plaats] (weer) gaat opspelen en wat dit voor de woonsituatie van de vrouw betekent. Het is niet in het belang van [minderjarige] om telkens te moeten verhuizen, en daardoor van school te wisselen.

Voor de rechtbank staat vast dat de man een stabiele woonomgeving heeft, nu hij al weer jaren in [plaats] woont, daar geboren en getogen is en zijn familie en vrienden daar heeft wonen.

4.4.15.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om drie omgevingen en sociale kringen te hebben, dat de vrouw de huidige situatie eigenmachtig heeft gecreëerd door zonder toestemming met [minderjarige] in [plaats] te gaan wonen en dat haar woonperspectief door de stralingsproblematiek waar zij last van heeft onzeker is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat toewijzing van het verzoek van de man in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de zelfstandige verzoeken van de vrouw. De rechtbank zal deze afwijzen.

4.5.

Vervangende toestemming inschrijving basisschool in [plaats]

4.5.1.

Nu de rechtbank het in het belang van [minderjarige] acht dat hij naar een basisschool gaat die ligt in de omgeving van zijn hoofdverblijfplaats en de rechtbank het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. Gelet op de stukken en het behandelde op de zitting gaat de rechtbank er vanuit dat partijen gezamenlijk een keuze zullen maken voor een basisschool. Als partijen er gezamenlijk niet uitkomen, beslist de man, waarbij hij vervangende toestemming heeft [minderjarige] in te schrijven op een van de drie door hem genoemde basisscholen. De stellingen van de vrouw, dat de man niet heeft onderbouwd of deze scholen kunnen bieden wat [minderjarige] nodig heeft, leiden niet tot een ander oordeel.

4.6.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

4.6.1.

Gelet op de hierboven genoemde beslissingen zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen een hierbij aansluitende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeen te komen. In afwachting hiervan zal de rechtbank de behandeling omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aanhouden tot hierna te noemen pro forma datum.

4.7.

Daarom beslist de rechtbank als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 10 december 2014 in zoverre dat zij bepaalt dat voornoemde minderjarige zijn hoofdverblijfplaats per 26 augustus 2019 zal hebben bij de man;

- verleent toestemming aan de man – welke toestemming die van de vrouw vervangt –

om voornoemde minderjarige, met ingang van het schooljaar 2019 - 2020, in te schrijven bij basisschool [schoolnaam] , basisschool [schoolnaam] dan wel basisschool [schoolnaam] in [plaats] ;

- bepaalt dat de behandeling omtrent de zorgregeling pro forma wordt voortgezet op 25 november 2019, en houdt iedere verdere beslissing hieromtrent aan;

- wijst het meer of anders verzochte af;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, voorzitter tevens kinderrechter, mr. L. van der Heijden en mr. H.C. Hoogeveen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hartman, griffier, op 20 augustus 2019.

De griffier is niet in staat te tekenen

De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 10 september 2019.

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature