< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Een 38-jarige man is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor zijn betrokkenheid bij de moord op een inwoner van Almere, op 15 december 2015. De rechtbank acht bewezen dat de man de moord mede heeft georganiseerd en dat hij heeft geprobeerd om een ander uit te lokken om de moord te plegen. De verdachte is al meerdere malen veroordeeld voor zware misdrijven. In april 2018 kreeg hij nog 18 jaar cel opgelegd voor zijn coördinerende rol bij een mislukte liquidatiepoging in Diemen. Mede daarom legt de rechtbank hem een levenslange gevangenisstraf op.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997061-17 (Promis)

Datum uitspraak: 18 juli 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring ‘ [naam huis van bewaring] ’ te [plaats huis van bewaring] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 29 januari (regiezitting), 14 mei, 16 mei, 20 mei en 9 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. J. Plooij en E.M. van der Burg. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’.

Verdachte werd bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A. Huibers. De rechtbank heeft kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Achtergrond van de zaak

De rechtbank wijst dit vonnis in het strafrechtelijk onderzoek MarsmanII. Dit onderzoek komt voort uit het onderzoek Marsman. In het onderzoek Marsman zijn [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) in eerste aanleg bij vonnissen van 12 april 2019 door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor (onder meer) hun betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) gepleegd op 15 december 2015 in Almere. Het onderzoek MarsmanII richt zich op de vraag of ook verdachte strafbare betrokkenheid heeft gehad bij de moord op [slachtoffer] .

2.2.

Samenvatting van de tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 15 december 2015 samen met (een) ander(en) [slachtoffer] heeft vermoord;

Feit 2:

in de periode van 1 tot en met 25 november 2015 heeft geprobeerd om [naam 3] uit te lokken om [slachtoffer] te vermoorden.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis. De bijlage maakt onderdeel van dit vonnis uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 15 december 2015 rond 6.50 uur werd [slachtoffer] voor zijn woning aan de [adres] in Almere neergeschoten. [slachtoffer] is aan zijn verwondingen overleden. De mannelijke schutter is van [slachtoffer] weggelopen en als passagier in een auto gestapt, die met gedoofde lichten wegreed. Kort daarna werd een brandende zwarte BMW aangetroffen in de Wodanstraat in Almere.

Op 25 november 2015 is [naam 3] (hierna: [naam 3] ) aangehouden in het onderzoek 11Trivor. Hij had bij zijn aanhouding een PGP-toestel bij zich. Dit toestel is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gekraakt en de berichten van dit toestel konden daardoor worden uitgelezen. Uit het berichtenverkeer in het gekraakte PGP-toestel bleek dat [naam 3] op 15 november 2015 communiceerde met de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 1] (hierna: de [e-mailadres 1] ) over een zogenoemd ‘klusje’ in Almere. [naam 3] had de [e-mailadres 1] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] ’.

Op 15 november 2015 schreef de [e-mailadres 1] onder meer aan [naam 3] :

“Heb mooien klusje voor je (..) Torie in almeren gek 130 die man heeft hem al gepost 7 uur in de ochtend gaat ie naar werek.”

Even later stuurde de [e-mailadres 1] een bericht van ene ‘ [bijnaam 2] ’ door aan [naam 3] waarin stond:

“Bro een turk ij werkt gewoon alles elctro shit ofo hij rijd witte busje met eneco erop waar hij moet slapen weet ik niet en wil ik niet eens weten hahaha simpele mannetje in de 40 gezin gewoon alles.”

Deze berichten gaan wat de rechtbank betreft onmiskenbaar over [slachtoffer] als beoogd slachtoffer van een moordaanslag. [slachtoffer] was als elektromonteur werkzaam bij Eneco, reed in een witte bestelbus met het opschrift ‘Eneco’, had een vrouw en zoon en woonde in Almere.

Uit deze berichten en de wijze waarop [slachtoffer] is gedood volgt dat sprake is van moord in de zin van artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Verdachte wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op [slachtoffer] . Hij zou niet een van de uitvoerders zijn geweest, maar hij zou de moord mede hebben georganiseerd. Hij zou de gebruiker zijn geweest van voornoemd e-mailadres [e-mailadres 1] .

Verdachte worden twee strafbare feiten verweten. Allereerst wordt hij ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] op 15 december 2015 (feit 1). Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij in de periode van 1 tot en met 25 november 2015 heeft geprobeerd om [naam 3] uit te lokken om de moord op [slachtoffer] te plegen (feit 2).

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kunnen beide feiten worden bewezen.

Het onderzoek Marsman heeft overtuigend aangetoond dat [naam 1] en [naam 2] de twee uitvoerders van de moord op [slachtoffer] waren. Echter was ook de gebruiker van de [e-mailadres 1] betrokken bij de moord. Dat verdachte de gebruiker was van de [e-mailadres 1] blijkt uit de bewijsmiddelen die de rechtbank in de zaak TandemII voor die vaststelling heeft gebruikt. Daarnaast zijn er nog een aantal andere aanwijzingen voor deze conclusie in het dossier.

De officier van justitie stelt dat kan worden bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Uit de berichten uit het PGP-toestel van [naam 3] , in onderling verband, samenhang en hun context beschouwd, en uit de fragmenten van de opgenomen vertrouwelijke communicatie van [naam 3] (hierna: de OVC) over verdachte, kan de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking worden afgeleid. Er was weliswaar geen sprake van een gezamenlijke uitvoering van de moord, maar de (vooral intellectuele) voorafgaande bijdrage van verdachte was van zodanig gewicht dat deze kan worden gekwalificeerd als medeplegen.

Daarnaast kan volgens de officier van justitie bewezen worden verklaard dat verdachte heeft geprobeerd om [naam 3] uit te lokken tot het plegen van de moord op [slachtoffer] . Uit de berichten uit het PGP-toestel van [naam 3] blijkt dat verdachte [naam 3] heeft gevraagd om de moord op [slachtoffer] samen uit te voeren met [naam 1] . Verdachte stelde [naam 3] een bedrag in het vooruitzicht, gaf hem enkele specifieke gegevens betreffende het beoogde slachtoffer [slachtoffer] door en gaf hem concrete instructies voor de voorbereiding en de uitvoering van de moord.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van beide feiten.

Vanwege de beperkte selectie van stukken uit het onderzoek TandemII, de onduidelijkheden die er bestaan over de loop van dat opsporingsonderzoek en de onvolledige verantwoording die daarover door het Openbaar Ministerie wordt afgelegd, kunnen die stukken niet worden gebruikt voor het bewijs in de zaak MarsmanII. De raadsman heeft daarom verzocht de tenlastelegging enkel te beoordelen aan de hand van de stukken uit de dossiers Marsman en MarsmanII.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de bevindingen en de conclusies met betrekking tot de gebruiker van de [e-mailadres 1] in het onderzoek TandemII überhaupt niet, of in ieder geval onvoldoende, redengevend zijn om te bewijzen dat verdachte de gebruiker van de [e-mailadres 1] was op 15 en 16 november 2015.

Ook de dossiers Marsman en MarsmanII bevatten geen duidelijke en redengevende omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat verdachte de gebruiker was van de [e-mailadres 1] , dat hij de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ en/of ‘ [bijnaam 3] ’ had of dat hij de gebruiker is geweest van het e-mailadres [e-mailadres 2] (hierna: de [e-mailadres 2] ).

De inhoud van de OVC kan in het geheel niet bijdragen aan de onderbouwing van de stellingen van de officier van justitie.

Als de rechtbank toch bewezen vindt dat verdachte de gebruiker was van de [e-mailadres 1] op 15 en 16 november 2015, dan kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat verdachte als medepleger betrokken was bij de moord op [slachtoffer] op 15 december 2015. De rol in de voorbereiding was niet van dermate belang dat van medeplegen kan worden gesproken. Dit blijkt verder ook niet uit de intensiteit van de samenwerking en de onderlinge taakverdeling. Volgens de raadsman moet verdachte daarom in ieder geval worden vrijgesproken van feit 1.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Voor het beantwoorden van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde strafbare feiten, is allereerst van belang om vast te stellen wie de (beoogde) uitvoerders van de moord waren (paragraaf 4.4.1.). Vervolgens dient te worden vastgesteld of verdachte contact heeft onderhouden met deze (beoogde) uitvoerders en zo ja, wat dat contact inhield. Daarbij dient als belangrijkste vraag te worden beantwoord of verdachte de gebruiker was van de [e-mailadres 1] (paragraaf 4.4.2.). Tot slot is de vraag hoe het eventuele contact en de betrokkenheid van verdachte juridisch moet worden geduid (paragraaf 4.4.3.).

4.4.1.

De (beoogde) uitvoerders van de moord

Uit het onderzoek Marsman is gebleken dat [naam 1] en [naam 2] op 15 december 2015 samen de moord op [slachtoffer] in de [adres] in Almere hebben uitgevoerd. De beoogde uitvoerders waren in eerste instantie [naam 3] en [naam 1] . Nadat [naam 3] op 25 november 2015 werd aangehouden in het onderzoek 11Trivor heeft [naam 2] de plaats van [naam 3] ingenomen.

De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnissen van 12 april 2019 bewezen geacht dat [naam 1] en [naam 2] de moord op [slachtoffer] samen hebben uitgevoerd. In de strafzaak tegen verdachte komt de rechtbank tot ditzelfde oordeel als de rechtbank Midden-Nederland. De bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, zijn als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht en maken onderdeel uit van dit vonnis. Bijlage 2 betreft delen van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 april 2019 in de strafzaak tegen [naam 1] .

Voor het vervolg van het vonnis is het van belang om een aantal vastgestelde feiten uit de bewijsoverwegingen van bijlage 2 te noemen, te weten:

de moord op [slachtoffer] heeft plaatsgevonden op 15 december 2015 omstreeks 6.50 uur voor zijn woning aan de [adres] in Almere;

de moord op [slachtoffer] is uitgevoerd door twee personen; één van hen was de schutter en de ander was de bestuurder van de vluchtauto;

door de uitvoerders is na de moord mogelijk gebruik gemaakt van een schuilplaats (‘osso’) in Almere Poort;

‘ [bijnaam 2] ’ is geïdentificeerd als [naam 1] in de e-mailberichten die de [e-mailadres 1] aan [naam 3] doorstuurde op 15 november 2015;

[naam 1] was de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 3] (hierna: de [e-mailadres 3] );

[naam 1] was de gebruiker van een PGP-toestel met Imei-nummer * [nummer] , met daaraan gekoppeld het e-mailadres [e-mailadres 4] (hierna: de [e-mailadres 4] );

[naam 2] was de gebruiker van een PGP-toestel met Imei-nummer * [nummer] , met daaraan gekoppeld het emailadres [e-mailadres 5] (hierna: de [e-mailadres 5] ).

4.4.2.

De identificatie van verdachte als gebruiker van de [e-mailadres 1]

Zoals beschreven in de inleiding onder paragraaf 4.1., is uit berichten van het gekraakte PGP-toestel van [naam 3] gebleken dat er op 15 november 2015 tussen [naam 3] en de [e-mailadres 1] een berichtenwisseling heeft plaatsgevonden die onmiskenbaar ging over [slachtoffer] als beoogd slachtoffer van een moordaanslag.

Dat verdachte op en rond 15 november 2015 de gebruiker was van de [e-mailadres 1] leidt de rechtbank af uit de hieronder genoemde feiten en omstandigheden.

4.4.2.1. Onderzoeksbevindingen TandemII

De feiten en omstandigheden onder de paragrafen 4.4.2.1.1. tot en met 4.4.2.1.3. betreffen feiten en omstandigheden die de rechtbank Amsterdam ook heeft vastgesteld in het vonnis inzake verdachte van 19 april 2018 in de strafzaak TandemII. Dit vonnis is aan het dossier MarsmanII toegevoegd. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 19 april 2018 bewezen geacht dat verdachte op en omstreeks 5 november 2015 de gebruiker was van de [e-mailadres 1] en dat hij samen met onder andere [naam 4] (hierna: [naam 4] ) en [naam 5] (hierna: [naam 5] ) heeft geprobeerd om [naam 6] op 5 november 2015 te vermoorden. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de feiten en omstandigheden onder de paragrafen 4.4.2.1.1. tot en met 4.4.2.1.3. in het dossier MarsmanII voldoende zijn verantwoord door de (relevante onderdelen van de) processen-verbaal waarnaar in het vonnis van 19 april 2018 wordt verwezen in het dossier MarsmanII toe te voegen en de raadsman in staat te stellen van de volledige processen-verbaal kennis te nemen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de onderzoeksbevindingen te twijfelen.

4.4.2.1.1. Geldoverdracht 4 november 2015

De politie heeft gesprekken in de Fiat 500 met kenteken [kenteken] (hierna: de Fiat 500), in gebruik bij [naam 4] , opgenomen. Op 4 november 2015 tussen 15.04 uur en 15.09 uur zei [naam 4] tegen [naam 5] :

“we moeten half zeven op het station Eindhoven zijn”.

Om 18.25 uur werd gezien dat [naam 5] in de Fiat 500 zat. De Fiat stond op dat moment geparkeerd op de Neckerspoel in Eindhoven. Om 18.30 uur werd gezien dat [naam 4] naast de Fiat 500 stond en zoekend rondkeek.

In de gekraakte PGP-telefoon van [naam 4] is een niet verzonden concept-bericht aangetroffen van 4 november 2015, 18.33 uur. Hierin schreef [naam 4] aan de [e-mailadres 1] , door hem opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 4] ’: “Ze is er nog niet, ik sta bij die bussen, sta…”

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

04-11-2015

18:33

[verzender]

[bijnaam 4]

Ze is er nog niet, ik sta bij die bussen, sta…

Tussen 18.34 uur en 18.38 uur bespraken [naam 5] en [naam 4] :

[naam 5] : “Misschien kan ze niet rekenen, weet jij veel. Met een Polo is die.”

[naam 4] : “een grijze”.

[naam 5] : “hier loopt een wijf, is dat haar niet?”

Op camerabeelden van station Eindhoven werd gezien dat om 19.01 uur een grijze Volkswagen Polo wegreed en dat de Fiat 500 om 19.02 uur wegreed.

In de PGP-telefoon van [naam 4] is een notitie aangetroffen met de titel ‘eindje’ en met als inhoud ‘ [tekst] ’. [naam 7] (hierna: [naam 7] ) was de tenaamgestelde van een grijze Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken] .

Op 19 juli 2016 is de telefoon van [naam 7] in beslag genomen. Deze telefoon is uitgelezen en daarbij zijn WhatsApp-gesprekken tussen [naam 7] (schermnaam: [schermnaam naam 7] ) en [naam 8] (schermnaam: [schermnaam naam 8] , hierna: [naam 8] ) aangetroffen. Op 31 oktober 2015 appte [naam 7] over ‘5000’ die zij voor ‘ [naam 9] ’ moest meenemen en dat dit gebracht zou worden.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

31-10-2015

21:09:15

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

5000 mee nemen vvoor [naam 9]

31-10-2015

21:09:34

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Wordt deze week gebracht

31-10-2015

21:10:00

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Hij zegt je moet die mee nemen

Op 2 november 2015 appte [naam 7] over een reis naar Dublin van 5 tot 7 november 2015.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

2-11-2015

13:36:28

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

5 novermber tot 7

2-11-2015

13:36:34

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

eindhoven- dublin

Op 4 november 2015 om 13.10 uur appte [naam 7] over een afspraak die ze om 18.30 uur had met ‘die boy’ en vervolgens na 18.30 uur over contant geld .

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

4-11-2015

13:10:50

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

OMG IK MOET 18.30 NA DIE BOY

4-11-2015

19:03:37

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

[naam 8] kk veel doekoe

4-11-2015

19:03:40

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Contant

4-11-2015

19:03:51

[schermnaam naam 8]

[schermnaam naam 7]

2?

4-11-2015

19:03:59

[schermnaam naam 8]

[schermnaam naam 7]

Of 5

4-11-2015

19:04:00

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

3

Diezelfde avond vanaf 19.15 uur appte [naam 7] naar [naam 8] dat zij erachter was gekomen dat ‘hij’ geen ‘ [naam 9] ’ heette, maar dat uit een Belgisch rijbewijs was gebleken dat hij ‘ [naam 10] ’ heette.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

4-11-2015

19:15:52

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

[naam 8] ik wil niet meer gaan

4-11-2015

19:16:14

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

K ben ergens ahter gekomen

4-11-2015

19:16:38

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Hij heet geen [naam 9]

4-11-2015

19:17:00

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Hb zn legerimatie ezien

4-11-2015

19:17:06

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Belgie rijbewijs

4-11-2015

19:17:11

[schermnaam naam 8]

[schermnaam naam 7]

En hoe heet hij

4-11-2015

19:17:14

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

[naam 10]

4-11-2015

19:17:50

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Geboordtedtm klopt niet

Op 5 november 2015 om 13.13 uur kreeg [naam 7] een bericht van tele2 , dat begon met “Welkom in Ierland!”

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

5-11-2015

13:13:39

Tele2

Welkom in Ierland! Tarieven in EUR (incl. BTW). Bellen: bellen binnen de EU 023/min, gebeld worden: 0.06/min. Data:0.24/MB. MMS: 0.24. Versturen SMS: 0.07. Bij noodoproepen, bel 112 (gratis).

Uit gegevens die bij Ryanair zijn opgevraagd blijkt dat op 2 november 2015 online een vlucht is geboekt voor [naam 7] op 5 november 2015 van Eindhoven naar Dublin en een terugvlucht op 7 november 2015. Uit de passagierslijst blijkt dat [naam 7] daadwerkelijk aan boord heeft gezeten van de heenvlucht op 5 november 2015 met vertrektijd 11.25 uur.

[naam 8] is bij de rechter-commissaris als getuige gehoord en bevraagd over voornoemde WhatsApp-berichten met [naam 7] . Zij verklaarde dat ‘die boy’ [naam 7] 3.000 euro kwam brengen en die heeft [naam 7] naar ‘ [verdachte] ’ gebracht. Met ‘2? of 5’ bedoelde [naam 8] 2.000 of 5.000 euro.

In de in beslag genomen telefoon van [naam 7] is ook een gesprek aangetroffen met [naam 8] van 16 april 2016. [naam 7] appte [naam 8] onder meer over dat ‘hij’ was opgepakt en dat zijn echte naam ‘ [verdachte] ’ en niet ‘ [naam 9] ’ was. In de telefoon zijn ook foto’s aangetroffen van een bericht waarin stond vermeld dat verdachte op 7 april was aangehouden.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

16-4-2016

3:37:12

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

Hij is opgepakt

16-4-2016

3:38:53

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

kijk zijn neppe legitimatie

16-4-2016

3:39:08

[schermnaam naam 7]

[schermnaam naam 8]

zijn echte naam is [verdachte]

16-4-2016

3:39:16

[schermnaam naam 8]

[schermnaam naam 7]

Op zijn legetimatie staat [naam 9]

16-4-2016

3:48:28

[schermnaam naam 8]

[schermnaam naam 7]

Hij heet [verdachte] en geen [naam 9]

Verdachte is op 7 april 2016 in Ierland aangehouden. Daarbij legitimeerde hij zich met een Nederlands paspoort op naam van [naam 9] . In het appartement waar verdachte verbleef werd daarnaast een Belgisch identiteitsbewijs aangetroffen op naam van [naam 10] .

De rechtbank leidt uit deze bevindingen het volgende af. [naam 7] ging op 5 november 2015 naar verdachte, die op dat moment in Ierland was, en die zij kende als ‘ [naam 9] ’. Hij heeft haar gevraagd of zij geld voor hem wilde meenemen. Op 4 november 2015 spraken [naam 4] en [naam 5] om 18.30 uur bij het station in Eindhoven af met [naam 7] , daar heeft een ontmoeting tussen hen plaatsgevonden en [naam 7] ontving 3.000 euro om mee te nemen voor verdachte. Vlak voordat [naam 4] en [naam 5] [naam 7] zagen, schreef [naam 4] een onafgemaakt conceptbericht aan ‘ [bijnaam 4] ’, de naam waaronder de [e-mailadres 1] in de telefoon van [naam 4] stond opgeslagen, waaruit blijkt dat de gebruiker van de [e-mailadres 1] op de hoogte was van het feit dat ze een afspraak met [naam 7] hadden. Omdat het geld dat aan [naam 7] werd gegeven voor verdachte bestemd was, ziet de rechtbank in deze omstandigheden een aanwijzing dat [naam 4] het conceptbericht wilde versturen aan verdachte en dat verdachte op 4 november 2015 dus de gebruiker was van de [e-mailadres 1] .

4.4.2.1.2. Bijnaam [bijnaam 4]

De [e-mailadres 1] stond in de telefoon van [naam 4] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 4] ’. Naar deze bijnaam is verder onderzoek gedaan en dat heeft geleid tot de volgende bevindingen.

Op 5 oktober 2016 is de woning van de moeder van verdachte doorzocht. Daarbij werd een doos met persoonlijke documenten op naam van verdachte aangetroffen. De documenten hadden onder meer betrekking op een eerdere detentieperiode van verdachte in 2001-2003. Bij de documenten zaten enveloppen die geadresseerd waren aan verdachte, met daarin brieven van [naam 4] . De aanhef van de brieven was ‘ [bijnaam 4] ’ en de schrijver sprak de geadresseerde herhaaldelijk aan met ‘ [bijnaam 4] ’. Ook werd een brief aangetroffen van de afzender [naam 11] en gericht aan ‘ [bijnaam 5] ’. In die brief leek de schrijver ook meerdere keren de term ‘ [bijnaam 4] ’ te gebruiken om ‘ [bijnaam 5] ’ aan te duiden. Ook is een brief aangetroffen van [naam 12] aan ‘ [bijnaam 4] ’. In die brief werd de geadresseerde meerdere keren aangesproken als ‘ [bijnaam 4] ’ of ‘ [bijnaam 5] ’.

In de telefoon van [naam 4] is een notitie aangetroffen met de titel ‘boek’. Deze notitie bevatte persoonsgegevens van [naam 9] en zijn familieleden. Zoals hiervoor weergegeven maakte verdachte in Ierland gebruik van een vals paspoort op naam van [naam 9] .

De rechtbank leidt uit deze bevindingen af dat verdachte door verschillende mensen, onder wie [naam 4] , ‘ [bijnaam 4] ’ werd genoemd. De [e-mailadres 1] stond in de telefoon van [naam 4] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 4] ’. Dit duidt erop dat verdachte begin november 2015 de gebruiker was van de [e-mailadres 1] .

4.4.2.1.3. Bijnamen [bijnaam 6] en [bijnaam 7]

[naam 13] (hierna: [naam 13] ) is op 30 november 2015 in het kader van het onderzoek 13Ingooien aangehouden. Onder hem werd een BlackBerry-telefoon in beslag genomen. In die telefoon stond de [e-mailadres 1] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 7] ( [bijnaam 7] )’. Op 6 december 2015 werd in het kader van het onderzoek 13Ingooien een woning van [naam 13] doorzocht. Tijdens die doorzoeking werd een andere BlackBerry-telefoon in beslag genomen. In deze telefoon stond de [e-mailadres 1] opgeslagen als ‘ [bijnaam 7] ( [bijnaam 6] )’.

De raadsman heeft inzage gekregen in de kennisgevingen van inbeslagneming van de twee telefoons van [naam 13] . Dat beide stukken volgens de raadsman niet zijn ondertekend doet de rechtbank er niet aan twijfelen dat de telefoons op de genoemde data onder [naam 13] in beslag zijn genomen in het onderzoek 13Ingooien.

Naar de bijnamen [bijnaam 6] en [bijnaam 7] is verder onderzoek gedaan en dat heeft geleid tot de volgende bevindingen.

Op 9 maart 2013 werd verdachte aangehouden en daarbij is een BlackBerry-telefoon bij hem in beslag genomen. Deze telefoon is in het kader van het onderzoek 13Waitaki onderzocht en daarbij is het volgende gebleken. In de telefoon is een op 6 februari 2013 binnengekomen sms-bericht aangetroffen dat begon met “[bijnaam 7] .. ga je vandaag na [naam 14] ?” Verder blijkt uit deze telefoon dat verdachte zichzelf in ping-berichten ‘ [bijnaam 6] ’ noemde. Op 5 maart 2013 voerde ‘ [bijnaam 6] ’ een gesprek met ‘ [naam 15] ’. [naam 15] had het in dat gesprek onder meer over ‘Kleine [verdachte] ’ en ‘ [tekst] ’, direct gevolgd door ‘ [bijnaam 7] *’. [naam 15] is geïdentificeerd als [naam 16] (hierna: [naam 16] ).

[naam 16] is in 2016 als getuige gehoord. Zij gaf aan dat zij het gesprek met een oude bekende heeft gevoerd die zij kende als ‘ [bijnaam 6] ’. Een ‘klein [verdachte] ’ zou een kindje van hen worden en [verdachte] is zijn naam. Zij hadden ‘ [bijnaam 7] ’ als koosnaampje voor elkaar.

Verdachte heeft over ‘ [bijnaam 6] ’ verklaard dat dit een zeer veel gebruikte afkorting in de straattaal is. Die term kan voor allerlei verschillende woorden gebruikt worden zoals ex-gedetineerden, exit, ex-verslaafden, exen etc.

In het kader van het onderzoek 13Ebetsu is een telefoongesprek van 6 april 2013 opgenomen tussen verdachte en [naam 17] (hierna: [naam 17] ). Verdachte zei in dat gesprek onder meer: “Maar je hebt toch niks met die [bijnaam 7] meer of wel” en “Wanneer is (…) je TBS zitting”. Verder zei verdachte onder meer: “Je moet hem duidelijk maken dat het niet om die zaak gaat nu (…) dat het nu (…) gewoon om die TBS zelf gaat (…) Die man is af G, helemaal met [bijnaam 7] .”

In de in het onderzoek 13Waitaki onder verdachte in beslag genomen BlackBerry zijn tekstberichten aangetroffen met iemand met de chat-naam ‘ [chatnaam] ’. Op 26 februari 2013 gaf [chatnaam] aan dat de eis zeven jaar was. Een dag later vroeg ‘ [bijnaam 6] ’ “maar ze hebben geen [bijnaam 7] gezegd toch?”, waarop [chatnaam] “Nee” zei. Uit onderzoek is gebleken dat het hier een zitting betrof aangaande het onderzoek 13Kiem. De verdachte tegen wie zeven jaar was geëist betrof [naam 17] . [chatnaam] betrof vermoedelijk [naam 18] , een halfbroer van [naam 17] .

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie op naam van verdachte blijkt dat verdachte in het verleden een TBS-maatregel opgelegd heeft gekregen.

De rechtbank leidt uit deze bevindingen het volgende af. Verdachte wordt door zichzelf en/of door anderen ook wel ‘ [bijnaam 6] ’/‘ [bijnaam 6] ’ en ‘ [bijnaam 7] ’/’ [bijnaam 7] ’ genoemd. [bijnaam 7] kan staan voor de TBS-maatregel en in combinatie met [bijnaam 6] kan dit wijzen op ‘ex-TBS’er’. Die betekenis past bij verdachte als oud‑TBS’er. De omstandigheid dat de [e-mailadres 1] in november en december 2015 in telefoons van [naam 13] was opgeslagen onder de namen “ [bijnaam 7] ( [bijnaam 7] )” en “ [bijnaam 7] ( [bijnaam 6] [bijnaam 7] )” is wederom een aanwijzing dat verdachte de gebruiker was van de [e-mailadres 1] .

4.4.2.2. Onderzoeksbevindingen MarsmanII

4.4.2.2.1. De [e-mailadres 2] vervangt de [e-mailadres 1]

Op 25 november 2015 is [naam 3] aangehouden in het onderzoek 11Trivor. Hij had tijdens zijn aanhouding een PGP-toestel bij zich, dat in beslag is genomen. Dit toestel is door het NFI gekraakt en de berichten van dit toestel konden daardoor worden uitgelezen. [naam 3] maakte gebruik van het e-mailadres [e-mailadres 6] en hij had de [e-mailadres 1] in zijn PGP-toestel opgeslagen als ‘ [bijnaam 1] ’.

Uit onderzoek aan het gekraakte PGP-toestel van [naam 3] is het volgende gebleken.

Na 16 november 2015 heeft [naam 3] geen berichten meer ontvangen van ‘ [bijnaam 1] ’, de [e-mailadres 1] . Op 17 november 2015 liet de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 7] aan [naam 3] weten dat de BlackBerry van ‘ [bijnaam 3] ’ kapot was en dat hij de dag daarna een andere zou hebben. Het e-mailadres [e-mailadres 7] was door [naam 3] opgeslagen onder de naam ‘ [naam 19] ’. ‘ [naam 19] ’ ( [e-mailadres 7] ) is geïdentificeerd als [naam 20] (hierna: [naam 20] ).

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

17-11-15

[naam 19] ( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

[naam 21] heb je die nieuwe mail van die neefje van g gekkk stuur voor me en [bijnaam 3] bb kapot gekkk morgen heeft hij andere

Op 18 november 2015 informeerde [naam 3] bij [naam 20] of hij al over het nieuwe e-mailadres van ‘ [bijnaam 3] ’ beschikte en of hij hem al gesproken had. [naam 20] antwoordde dat hij nog niks had gehoord en dat ‘hij’ de nieuwe telefoon mogelijk pas de dag daarna zou krijgen.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

18-11-15

[naam 21] ( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

Oke aff heb je [bijnaam 3] zijn mail al

18-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Nee [naam 21] hij zou vandag nieuwe krijgen nog niks gehoord

18-11-15

[naam 21]

( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

Kijk vr je. Heb je [bijnaam 3] al gesproken

18-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Oke oke is goed moet voor snel we’ll of een die op die van mij gaat die waren bij [bijnaam 4] ik weet niet als ze er nog zijn nee [naam 21] nog niet volgens mij heeft hij die tel nog niet gekregen misschien tamara gekkk

De rechtbank merkt op dat [naam 3] in het toestel van [naam 20] stond opgeslagen onder de naam ‘ [naam 21] ’. [naam 20] werd in zijn eigen toestel ‘ [verzender] ’ genoemd. Dit verklaart de verschillende benamingen van de gebruikers bij de berichten in het toestel van [naam 3] . De rechtbank merkt voorts op dat er bij het onderzoek aan het toestel van [naam 3] werd getwijfeld over de exacte tijdstippen waarop de berichten zijn verstuurd. Er was echter geen reden om aan de data te twijfelen waarop de berichten waren verstuurd. De rechtbank twijfelt ook niet aan de juistheid van de data. De berichten lopen immers tot en met 25 november 2015, de datum van aanhouding van [naam 3] .

Op 19 november 2015 vroeg [naam 3] of [naam 20] hem het e-mailadres van ‘ [bijnaam 1] ’ wilde doorsturen. Vervolgens stuurde [naam 20] een visitekaartje door van een contact met de naam ‘ [bijnaam 3] ’ en het e-mailadres [e-mailadres 2] (hierna: de [e-mailadres 2] ).

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

19-11-15

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

[naam 19]

( [naam 20] )

Stuur mail [bijnaam 1]

19-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Ahahahahahaha ja gekk he ik stuur voor je

19-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

[bijnaam 3] (bijlage)

[e-mailadres 2]

Meteen daarop probeerde [naam 3] contact te zoeken met ‘ [bijnaam 3] ’ (de [e-mailadres 2] ), maar hij kreeg geen reactie. Hierop stuurde hij [naam 20] een bericht dat het e-mailadres van ‘ [bijnaam 3] ’ niet klopte.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

19-11-15

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

[bijnaam 3]

( [e-mailadres 2] )

[e-mailadres 6] wt gaande gek

19-11-15

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

[bijnaam 3]

( [e-mailadres 2] )

Ewa gek

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

19-11-15

[naam 21]

( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

[bijnaam 3] mail niet gek

Op 20 en 21 november 2015 vroeg [naam 3] aan [naam 20] om ‘ [bijnaam 1] ’ te verzoeken om hem te e-mailen. [naam 20] moest aan hem uitleggen dat hij hem probeerde te bereiken omdat ‘ [bijnaam 1] ’ hem iets gezegd had, maar zijn telefoon ging stuk en ‘die andere boy’ reageerde niet op zijn mails. [naam 3] zei dat ‘ [bijnaam 3] ’ hem moest mailen, waarop [naam 20] zei dat ‘ [bijnaam 1] ’ hem ging mailen.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

20-11-15

[naam 21] ( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

Heb jij [bijnaam 1] al gesproken dan

20-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Nee effe snel [naam 21] eergisteren gekk

20-11-15

[naam 21]

( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

Oke. Hij zij me iets maar zijn tele ws stuk en ik mail die andere boy hij reageert niet leg hem uit ik probeer hem te berijken

20-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Oke oke is goed [naam 21] ik ga hem maile zegge

20-11-15

[naam 21]

( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

Ey laat [bijnaam 1] me mailen gek wt hij is bang om met me te werken is die andere zijn schuld praat met die man [bijnaam 11] [bijnaam 3] moe praat met die man hij mail me niet praat met die mn heb alles klaar liggen nog deze kant bn moe moe kijk hoelang ik [naam 22] aan een lijn houd heb coca niks verkoop gek boos boos of een mans laat die man me mailen [bijnaam 11]

21-11-15

[naam 21]

( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

Laat [bijnaam 3] me mailen die gek

21-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Hahahahaha ja gekk he [naam 21] [bijnaam 1] gaat je mailen gekk

Op 22 november 2015 nam ‘ [bijnaam 3] ’ (de [e-mailadres 2] ) contact op met [naam 3] . [naam 3] vroeg wat er met hem aan de hand was en zei dat die ‘ [bijnaam 8] ’, waarmee hij [naam 1] bedoelde, ook niet reageerde.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

22-11-15

[bijnaam 3]

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Ewa [e-mailadres 6] met mij

22-11-15

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

[bijnaam 3]

Oke is goed wt gaande met jou dan was je ongestel of zo en die [bijnaam 8] reageert ook niet

Diezelfde dag vroeg [naam 20] of [naam 3] al contact had gehad met ‘ [bijnaam 1] ’, omdat die hem gemaild zou hebben. Hierop antwoordde [naam 3] bevestigend.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

22-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Awi [naam 21] [bijnaam 1] je al gemailt??

22-11-15

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

[naam 19]

( [naam 20] )

Bo te si

22-11-15

[naam 19]

( [naam 20] )

[e-mailadres 6]

( [naam 3] )

Zowzo [naam 21] jij wat nu pas wakker?? [bijnaam 1] heeft je gemailt gekk

22-11-15

[naam 21]

( [naam 3] )

[verzender]

( [naam 20] )

Ja heb hem gesproken.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de contacten ‘ [bijnaam 1] ’ (de [e-mailadres 1] ) en ‘ [bijnaam 3] ’ (de [e-mailadres 2] ) in de telefoon van [naam 3] dezelfde persoon betroffen. Het PGP-toestel waaraan de [e-mailadres 1] was gekoppeld, werkte niet meer en de gebruiker van de [e-mailadres 1] heeft vervolgens de [e-mailadres 2] in gebruik genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte de persoon is geweest die de [e-mailadres 2] in gebruik heeft genomen ter vervanging van de [e-mailadres 1] . Dit blijkt uit het volgende.

Op 7 april 2016, toen verdachte in Dublin werd aangehouden, zijn onder hem twee BlackBerry-telefoons in beslag genomen. De Imei-nummers van de telefoons bleken gekoppeld aan de e-mailadressen [e-mailadres 8] (hierna: de [e-mailadres 8] ) en [e-mailadres 9] (hierna: de [e-mailadres 9] ). Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de aangetroffen telefoons van hem waren, maar dat hij niet de enige was die ze gebruikte. De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte de gebruiker was van de [e-mailadres 8] en de [e-mailadres 9] , nu het zijn telefoons betroffen en door verdachte niet nader is onderbouwd en dus niet aannemelijk is geworden dat anderen gebruik maakten van deze telefoons. Dat verdachte de gebruiker was van de [e-mailadres 8] en onderstaande berichten heeft uitgewisseld, volgt ook uit de inhoud van de berichten van de [e-mailadres 8] . De berichten zijn in de Nederlandse taal geschreven, niemand mocht weten dat de gebruiker van de [e-mailadres 8] in Ierland zat en er moest een ‘AP’ ‘klokkie’ worden meegenomen terwijl later bij de aanhouding van verdachte een horloge van het merk Audemars Piquet is aangetroffen.

Verdachte had via de [e-mailadres 8] op 17 november 2015 een gesprek met de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 10] (hierna: de [e-mailadres 10] ). De gebruiker van de [e-mailadres 10] is geïdentificeerd als [naam 23] (hierna: [naam 23] ). Verdachte vroeg aan [naam 23] of hij een nieuw PGP-toestel voor hem kon regelen, omdat hij de dag daarvoor vijf keer een verkeerde code had ingetoetst op zijn toestel. Toen [naam 23] hem zei dat het PGP-toestel niet op afstand opnieuw geactiveerd kon worden, vroeg verdachte aan [naam 23] of hij een nieuw toestel kon komen brengen en dat het maar een uurtje vliegen was. Verdachte zat namelijk in Ierland, maar dat mocht niemand weten. Verdachte is op 7 april 2016 aangehouden in Dublin en uit het onderzoek Tandem is gebleken dat verdachte in ieder geval rond 5 november 2015 al in Dublin verbleef. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in Dublin verbleef, omdat hij voor zijn veiligheid vreesde nadat er berichten over hem in de media waren verschenen.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

17-11-15

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Yoo broo kann je aub mr [naam 24] vragen om me pgp aan te gooien had ggistren 5 x verkeerde code gedrukt moeeee

17-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Broer die man van Beverwijk reageert! Hij zegt die toestel moet komen naar PGPSAFE op afstand gaat het niet!

17-11-15

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Maar ben niet in tata broo kann je niet tamara ff langs is maar uurtje vliegen met een nieuwe toestel aub ??

22-11-15

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Ik zit in ierland nu ff broer maar aub zeg niemand broer !!!!

Verdachte vroeg aan [naam 23] of hij dan ook een ‘klokje’ mee kon nemen naar Ierland. Het ging om een ‘AP’. De rechtbank gaat er vanuit dat daarmee een horloge van het merk Audemars Piguet bedoeld werd. Tijdens zijn aanhouding op 7 april 2016 in Dublin werd bij verdachte onder andere een horloge van het merk Audemars Piquet aangetroffen.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

17-11-15

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Oke laat hij hem mailen broo en zeggen dat ie afspreekt met jou om mij klokje mee te geven aub

17-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Is goed bro! Ik ga achter die klokkie aan morgen en dan door voor ticket!

17-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Broer morgen 13.30 uur in Amstelveen neem ik die klokkie ontvangst

17-11-2015

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Moet je hem gewoon omdoen bro

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

18-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Broer heb die klokkie ontvangen een AP ??

18-11-2015

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Jaaa hij is afff he ?

Uit de berichten tussen verdachte en [naam 23] en de passagierslijst blijkt dat [naam 23] aan boord heeft gezeten van de vlucht van Amsterdam naar Dublin van Aer Lingus [vluchtnummer] op 18 november 2015. Uit de berichten tussen verdachte en [naam 23] blijkt dat [naam 23] verdachte die avond en nacht in Dublin heeft ontmoet en dat hij het geblokkeerde PGP-toestel van verdachte mee terug naar Nederland heeft genomen.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

18-11-15

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Broer aer lingus vlucht [vluchtnummer] als ik het goed heb vlieg ik om 20:30 ik bevestig je zo ga nu richting osso om deze dingen weg te zetten

18-11-2015

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Dus 21 ierse tijd kom je aan broo ?

18-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Ja broer dat staat op die ticket lokale tijd 21.10 ??

18-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Broer ik zit aan boord! Ik e-mail jou bij aankomst inshallah!

18-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Hahaha broer als we neer gaan dan wollah de ik het! Jij moet mij dan identificeren aan de hand van die AP om mijn pols! Hahahaha! We gaan vliegen bro! Afff!

19-11-2015

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

11:45 max voolgens mij bro ik denk dat ik die PGPSAFE laat fixen en dan weekend al kom om hem te brengen dan een ENNET pgp voor jou!

19-11-15

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 10]

Oke broo beter dan zie ik je weekend love broo en goed dat we elkaar ff hebben gesproken face 2 face !!

20-11-15

[e-mailadres 10]

[e-mailadres 8]

Bro goedemorgen! Ik ga zo naar beverwijk die PGPSAFE laten resetten! Is met een dag waarschijnlijk klaar!

Het nieuwe PGP-toestel dat [naam 23] op 18 november 2015 naar verdachte in Ierland heeft gebracht was de [e-mailadres 2] en was tot en met die dag in gebruik bij [naam 23] . Dit leidt de rechtbank af uit het volgende.

In de periode vóór 19 november 2015 was de [e-mailadres 1] door de [e-mailadres 2] opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 9] ’. In de mailbox van een ander e-mailadres dat in gebruik was bij [naam 23] was het e-mailadres [e-mailadres 11] (hierna: de [e-mailadres 11] ), dat eveneens aan verdachte wordt toegeschreven, ook opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 9] ’.

De namen die de [e-mailadres 2] vóór 19 november 2015 van andere gebruikers van PGP-toestellen toebedeeld kreeg zijn ook de namen die werden toebedeeld aan de [e-mailadres 10] van [naam 23] , namelijk ‘ [bijnaam 10] ’, ‘ [bijnaam 11] ’, ‘ [bijnaam 12] ’, ‘ [bijnaam 13] ’ en ‘ [bijnaam 14] ’. De [e-mailadres 2] was vóór 19 november 2015 dus nog in gebruik bij [naam 23] .

Op 19 november 2015 werden door de [e-mailadres 2] binnen één minuut 48 contacten aangemaakt. Omdat dit handmatig niet mogelijk is, wordt ervan uitgegaan dat deze contacten in één keer vanaf een ander toestel zijn overgezet. Hierbij zaten onder andere e-mailadressen in gebruik bij [naam 2] (de [e-mailadres 5] ), [naam 1] (de [e-mailadres 4] ), de zus van verdachte (‘ [bijnaam 15] ’) en een medeverdachte van verdachte in het onderzoek TandemII (‘ [naam medeverdachte] ’).

Na 19 november 2015 zijn er door de [e-mailadres 2] een aantal e-mailadressen opgeslagen, namelijk [e-mailadres 6] , in gebruik bij [naam 3] , alsmede ‘ [bijnaam 16] ’, ‘ [bijnaam 17] ’ en ‘ [bijnaam 18] ’.

De contacten in de adresboeken van de e-mailadressen [e-mailadres 9] en [e-mailadres 11] , welke e-mailadressen ook in gebruik waren bij verdachte, komen vele malen overeen met de contacten van de [e-mailadres 2] .

Bovendien had een persoon die de [e-mailadres 2] had opgeslagen onder ‘ [bijnaam 19] ’, de [e-mailadres 9] en [e-mailadres 11] opgeslagen als [bijnaam 20] .

[naam 2] heeft de [e-mailadres 2] op 22 december 2015 in een nieuw toestel toegevoegd onder de naam ‘ [bijnaam 6] ’.

Samengevat leidt de rechtbank uit voorgaande bevindingen dus het volgende af. De contacten ‘ [bijnaam 1] ’ (de [e-mailadres 1] ) en ‘ [bijnaam 3] ’ (de [e-mailadres 2] ) in de telefoon van [naam 3] betreffen dezelfde persoon. Het PGP-toestel waaraan de [e-mailadres 1] was gekoppeld, werkte niet meer en de gebruiker van de [e-mailadres 1] heeft vervolgens op 19 november 2015 de [e-mailadres 2] in gebruik genomen. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte de persoon is geweest die de [e-mailadres 2] in gebruik heeft genomen ter vervanging van de [e-mailadres 1] . [naam 23] is op verzoek van verdachte op 18 november 2015 naar Ierland gevlogen om verdachte de [e-mailadres 2] te brengen.

4.4.2.2.2. [e-mailadres 9] door [naam 3] ook opgeslagen onder ‘ [bijnaam 1] ’

Zoals hiervoor reeds beschreven had [naam 3] de [e-mailadres 1] in zijn PGP-toestel opgeslagen als ‘ [bijnaam 1] ’.

Op 30 mei 2017 werd [naam 3] aangehouden in het onderzoek 13Kalkton. Onder hem werd een PGP-toestel van het merk BlackBerry in beslag genomen. Ook dit toestel kon door het NFI worden gekraakt, waardoor toegang tot de inhoudelijke gegevens van het toestel ontstond. Onder andere bleek dat [naam 3] het e-mailadres [e-mailadres 9] had opgeslagen als ‘ [bijnaam 1] ’.

Zoals hiervoor al beschreven, is bij de aanhouding van verdachte op 7 april 2016 onder hem een BlackBerry-telefoon in beslag genomen met daaraan gekoppeld het e-mailadres [e-mailadres 9] . Deze telefoon werd gevonden op het nachtkastje in de slaapkamer waar verdachte zich bevond. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze telefoon van hem was.

De omstandigheid dat [naam 3] het e-mailadres [e-mailadres 9] , behorende bij een telefoon van verdachte, eveneens had opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 1] ’, ondersteunt de conclusie dat verdachte de gebruiker was van het e-mailadres [e-mailadres 1] .

4.4.2.3. Conclusie

De rechtbank komt op basis van de hiervoor besproken bevindingen tot de conclusie dat verdachte de gebruiker is geweest van de [e-mailadres 1] op en rond 15 november 2015. De bevindingen uit het onderzoek MarsmanII zoals genoemd onder paragraaf 4.4.2.2. rechtvaardigen op zichzelf al deze conclusie. De bevindingen uit het onderzoek TandemII, genoemd onder paragraaf 4.4.2.1. maken deze conclusie nog sterker.

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte niet de gebruiker van de [e-mailadres 1] was. Alleen verdachte zelf ontkent de gebruiker te zijn geweest en [naam 4] heeft verklaard dat verdachte niet ‘ [bijnaam 4] ’ is, de naam waaronder [naam 4] de [e-mailadres 1] in zijn PGP-toestel had opgeslagen. Verdachte en [naam 4] hebben verder niet of nauwelijks antwoord willen geven op vragen. Daardoor omvatten de verklaringen niet meer dan een kale ontkenning van een identificatie die op vele bewijsmiddelen is gestoeld. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen zijn de ontkenningen van verdachte en [naam 4] niet geloofwaardig. [naam 3] , [naam 1] en [naam 2] hebben zich steeds op hun zwijgrecht beroepen.

4.4.2.4. Verzoek tot nader onderzoek

De raadsman heeft gewezen op een publicatie in het Parool van 21 mei 2019, waaruit volgens hem blijkt dat in een ander strafrechtelijk onderzoek de bijnaam ‘ [bijnaam 3] ’ wordt gekoppeld aan een ander persoon dan verdachte. In dat kader heeft de raadsman een aantal onderzoekswensen geformuleerd.

De officier van justitie heeft in reactie op de onderzoekswensen van de raadsman aangegeven dat de publicatie in het Parool van 21 mei 2019 ziet op de strafzaak [naam strafzaak] tegen de verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] en [verdachte 3] (hierna: [verdachte 3] ), betreffende twee liquidaties en twee pogingen daartoe. De officier van justitie heeft een gedeelte van het vonnis jegens verdachte [verdachte 3] aan de rechtbank en de verdediging verstrekt.

De rechtbank overweegt dat uit de passage uit het vonnis van [verdachte 3] volgt dat de rechtbank Gelderland heeft geconcludeerd dat ‘ [bijnaam 21] ’ en varianten daarop bijnamen zijn voor [verdachte 3] . Dit doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan hetgeen hiervoor onder de paragrafen 4.4.2.1. tot en met 4.4.2.3. is vastgesteld omtrent de identificatie van verdachte als gebruiker van de [e-mailadres 1] en de [e-mailadres 2] . De rechtbank acht het daarom niet noodzakelijk om nader onderzoek te gelasten naar het gebruik van de bijnaam ‘ [bijnaam 3] ’, zoals door de raadsman verzocht.

4.4.3.

Kwalificatie van de betrokkenheid van verdachte

4.4.3.1 PGP-berichten uit de telefoon van [naam 3]

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde.

Uit onderzoek aan het PGP-toestel dat bij [naam 3] in beslag is genomen, volgt dat [naam 3] op 15 en 16 november 2015 berichten heeft uitgewisseld met verdachte als gebruiker van de [e-mailadres 1] . Die berichten houden, voor zover van belang, het volgende in.

Op 15 november 2015 berichtte verdachte aan [naam 3] over een ‘klusje’ in Almere voor ‘130’ en vroeg hij hem of hij een ‘osso’, een huis, in Almere kon regelen. Verdachte zou zelf ook gaan rondvragen voor een woning in Almere. Verdachte en [naam 3] bespraken of het misschien ook mogelijk was om vanuit Almere Poort naar ‘B’, waarmee vermoedelijk de Bijlmer werd bedoeld, te rijden. De rechtbank gaat er, bij het uitblijven van een andere verklaring van verdachte, van uit dat met ‘130’ 130.000 euro werd bedoeld en dat de woning moest worden geregeld om als schuilplaats te dienen.

Volgens verdachte zou ‘die man’ al hebben geobserveerd dat het beoogde slachtoffer om 7.00 uur naar zijn werk ging en wilde ‘die jongen’ de klus ‘2 mans’, dus met zijn tweeën, gaan doen. Verdachte stuurde een bericht door van ‘ [bijnaam 2] ’, waarin [bijnaam 2] tegen verdachte zei dat hij moest kijken of hij een huis kon regelen en dat de man in Almere Poort woonde. Ook vroeg [bijnaam 2] of het ging om zeven uur in de ochtend of in de avond. ‘ [bijnaam 2] ’ is geïdentificeerd als [naam 1] .

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Heb mooien klusje voor je maar denk net jij meschien heeet brooo i?

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Torie in almeren gek 130 die man heeft hem al gepost 7 uur in de ochtend gaat ie naar werek. Maar ben bang dat ie die andre jongen heet gaat maaken man broo want wapie ben je zoizo niet scherp

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Wr vr wapie praat als ik moet gaan of niet.

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Kan je osso in almere regelen geKkk?? Zwagertje heeft osso daar toch??

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

‘ [bijnaam 1] ’ stuurt bericht door van ‘ [bijnaam 2] ’ naar ‘Selftest’

“19.39 Oke bro kijk of je osso kan regelen die is belangerijkste dan kijken we verder die ma woont pport bro ochtend of avond zeven??”

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Oke meld je zo

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Graag of niet ratt en die jongen wilt 2 mans gaan he dat je weet dan spereken we goeie boesans met zwagertje af

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Van [bijnaam 1] gekk maar ken jij iemand gekk in ale die toro is almere poort of kan ook secend naar B rijden beter toch?

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Nee b rijden is moe is maar een uit gaan naar b toch

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Mail je er zo over die osso

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Oke aff en deze gozer is affff soldaat ook en super scherp was goeie matie ban G ook II

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Heb [bijnaam 1] gezeg maar die zwagertje wil niet fia de mail praten moe moe

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Hahahahahahha hij kan echt niet meer gekk heb je niemand anders in almere ik ga ook vragen

[naam 3] wilde van verdachte weten wie er moest gaan ‘slapen’, waarmee hij bedoelde wie er dood moest. Verdachte stuurde hierop weer een bericht door van [naam 1] , alias ‘ [bijnaam 2] ’, waarin stond dat het ging om een Turk van in de 40 met een gezin die in een wit Eneco-busje reed. De beschrijving van het beoogde slachtoffer was grotendeels van toepassing op [slachtoffer] : [slachtoffer] werkte als elektromonteur bij Eneco en reed in een witte bus met het opschrift ‘Eneco’. Hij was getrouwd en had een zoon. [slachtoffer] woonde met zijn gezin in Almere.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

ik ga kijken je weet wil niet zomaar vragen je weet moet ook weten wie bro dan weet ik wt ik moet doen

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Wat wie moet gaan slapen bedoel je?

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Ja toch da ik niet zomaar iemand vraag broer dan is het moe

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

‘ [bijnaam 1] ’ stuurt bericht door van ‘ [bijnaam 2] ’ naar ‘Selftest’

“Bro een turk ij werkt gewoon alles elctro shit ofo hij rijd witte busje met eneco erop waar hij moet slapen weet ik niet en wil ik niet eens weten hahaha simpele mannetje in de 40 gezin gewoon alles”

[naam 3] berichtte vervolgens dat hij de woning geregeld had en vroeg of hij zich meteen moest gaan omkleden. Verdachte zei dat er eerst nog wat dingen geregeld moesten worden en dat hij het e-mailadres van [naam 3] ging geven aan de ‘mokro matie van [bijnaam 22] , ze noemen hem [bijnaam 8] ’, waarmee hij [naam 1] bedoelde. [naam 3] moest volgens verdachte eerst wat dingen met [naam 1] bespreken en ook helpen met dingen als observeren (‘ot’). Verdachte gaf [naam 3] instructies om met [naam 1] af te spreken en om daarbij geen privé telefoon mee te nemen, goed te kijken of er politie in de buurt was en om niet bij zijn eigen huis af te spreken. Ook mocht hij niet zeggen dat hij eerder met ‘ [bijnaam 22] ’ was aangehouden, omdat [naam 1] dan misschien zou denken dat hij ‘heet’, namelijk bij de politie in beeld, was.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

heb je osso gevonden laat die man me op hallen dan

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Oke afffff gekk ik ga die jongen je mail geven dat gaat ie je mailen oke spreek met hem af en aub broo scherp geen preve tel mee en kijk goed skotoe niet bij je osso of zo afspreken, en niet tegen die jongen zeggen dat je al eerder x met [bijnaam 22] bent aangehouden dan gaat ie denken dat je heet bent snap je

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Oke is goed laat die me mail aff. Is vr mrgen al dan ga ik om kleden

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Haahahahah nee gekkk moeten nog eerst paar spullen nog haalen broo maat dan zie je hem ook en kunnen jullie samen bespreken

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

ok morgen dan zie ik hem geeft me mail aan hem

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Jee kent die mokro matie van [bijnaam 22] ze noemen hem [bijnaam 8] ?

15-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Oke kem hem hij weet meschien ik moe maar ga gewoon met hem heb zijn mail al

15-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Oke die man gaat je mailen broo maar niet slapen broo aub probeer ook te helpen met ot en zo dat niks raars kan gebeuren want je weet popen is secend maar er om heen is nog belangrijker gekk

Het ‘klusje’ in Almere waarover werd bericht ging, gelet op de gebezigde bewoordingen, naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar over een moordaanslag met [slachtoffer] als beoogd slachtoffer.

[naam 3] zei dat hij het e-mailadres van [naam 1] al had en probeerde vervolgens meerdere keren tevergeefs contact te leggen met de gebruiker van de [e-mailadres 3] .

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

16-11-15

[e-mailadres 6]

[e-mailadres 3]

Ewa hoe is ht

16-11-15

[e-mailadres 6]

[e-mailadres 3]

Ewa

Diezelfde dag liet [naam 3] aan verdachte weten dat ‘die man’, daarmee doelend op [naam 1] als gebruiker van de [e-mailadres 3] , niet reageerde en dat verdachte daarom contact met hem moest opnemen. Verdachte zei dit te hebben gedaan en op een reactie te wachten.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

16-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Broer hoe is het stuur show love eve en die man mail ik maar hij reageert niet heeft die de zelfde mail dan

16-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Ik ook niet zeggen dat ik op die dingens bn gek anoniem maar kom goed mail hem hij reageert niet bro

16-11-15

[e-mailadres 6]

[bijnaam 1]

Maar laat die man zijn mail kijken dan

16-11-15

[bijnaam 1]

[e-mailadres 6]

Ik heb mail w8 op reactie

4.4.3.2. Feit 1: Medeplegen van moord

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de rol die verdachte heeft gehad, leidt tot een strafbare vorm van betrokkenheid van verdachte. De eerste variant die de rechtbank in dit kader moet bespreken is of verdachte als medepleger van de moord kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat er op en rond 15 en 16 november 2015 sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam 1] . De rechtbank neemt daarbij het navolgende in overweging.

Verdachte heeft e-mails naar [naam 3] doorgestuurd die hij had ontvangen van [naam 1] . In deze e-mails stonden identificerende gegevens van het beoogde slachtoffer [slachtoffer] , waaronder de mededeling dat [slachtoffer] in Almere Poort woonde en dat hij in een witte bestelbus reed met het opschrift ‘Eneco’. In één van de doorgestuurde e-mails vroeg [naam 1] aan verdachte om te kijken of hij een woning in Almere kon regelen.

Uit de berichtenwisseling tussen verdachte en [naam 3] blijkt dat er ook over andere zaken betreffende de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] communicatie had plaatsgevonden tussen [naam 1] en verdachte. Zo wist verdachte [naam 3] mee te delen dat [slachtoffer] al geobserveerd was en dat [naam 1] de moord op [slachtoffer] met zijn tweeën wilde gaan uitvoeren.

Uit de berichtenwisseling tussen verdachte en [naam 3] blijkt dat verdachte degene was die op zoek was naar de tweede uitvoerder voor de moord. Verdachte was degene die het contact tussen [naam 3] en [naam 1] als de twee beoogde uitvoerders van de moord probeerde op te zetten. Verdachte probeerde daarnaast via [naam 3] een woning in Almere Poort te regelen, zoals [naam 1] hem gevraagd had.

Verdachte handelde niet enkel op aanwijzing van [naam 1] . [naam 1] vroeg immers bij verdachte essentiële informatie op voor de uitvoering van de moord. [naam 1] vroeg aan verdachte of het om zeven uur in de ochtend of in de avond ging. Daarnaast was het verdachte die [naam 3] een beloning kon toezeggen voor de klus en sprak over een beloning (‘boesans’) voor degene die zijn woning ter beschikking kon stellen. Verdachte gaf [naam 3] de opdracht te helpen met observeren en besprak met hem een mogelijke vluchtroute. Ook gaf hij hem instructies over het afspreken met [naam 1] en liet hij hem weten dat hij niet meteen in actie kon komen, maar dat er eerst nog een paar spullen gehaald moesten worden.

[naam 1] en verdachte hadden op en rond 15 en 16 november 2015 contact over de uitvoering van de moord op [slachtoffer] en over het regelen van een woning als schuilplaats in Almere Poort. Zij spraken over belangrijke elementen van de moord, waarbij verdachte een eigen taak had en mee mocht beslissen. Dat verdachte en [naam 1] allebei een medebepalende rol in de voorbereidende fase van de moord op [slachtoffer] hadden is dus evident.

De raadsman heeft betoogd dat uit ontsleutelde berichten van de [e-mailadres 3] , in gebruik bij [naam 1] , blijkt dat ook andere personen betrokken waren bij de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] . Dat zou zo kunnen zijn. De betrokkenheid van derden doet naar het oordeel van de rechtbank echter niet af aan voornoemde medebepalende rol van verdachte.

De rechtbank gaat er vanuit dat in de periode tussen 15 en 16 november 2015 en de daadwerkelijke moord op [slachtoffer] op 15 december 2015 de samenwerking tussen verdachte en [naam 1] is voortgezet. De moord is namelijk uitgevoerd zoals verdachte op 15 november 2015 met [naam 3] en [naam 1] had besproken en voorbereid. [naam 1] was op 15 december 2015 één van de uitvoerders van de moord op [slachtoffer] . De moord heeft plaatsgevonden rond 7.00 uur in de ochtend vlak voordat [slachtoffer] naar zijn werk vertrok en is door twee personen uitgevoerd. Ook blijkt uit het onderzoek dat de telefoons * [nummer] van [naam 1] en * [nummer] van [naam 2] op 15 december 2015 tot en met de namiddag zijn blijven ‘hangen’ op zendmasten in de omgeving van de uitgebrande BMW in Almere Poort, wat past bij het verblijven in een schuiladres in Almere Poort.

De tweede uitvoerder van de moord op [slachtoffer] was alleen niet de beoogde uitvoerder [naam 3] . Dit is te verklaren vanuit het feit dat [naam 3] van 25 november 2015 tot en met 31 januari 2016 gedetineerd heeft gezeten in de zaak 11Trivor. [naam 3] was dus feitelijk niet in staat om op 15 december 2015 de moord op [slachtoffer] te plegen. Het enkele feit dat niet [naam 3] , maar [naam 2] , uiteindelijk de uitvoerende taak heeft vervuld neemt niet weg dat voornoemde sturende en bepalende handelingen van verdachte als medeplegershandelingen bij de moord kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank wordt in haar overtuiging dat de samenwerking tussen verdachte en [naam 1] na 16 november 2015 is voortgezet, gesterkt doordat [naam 1] na de aanhouding van verdachte op 7 april 2016 een bericht heeft gestuurd naar een onbekend persoon dat hij er nu alleen voor stond (‘een mans’). Als hij in het verleden problemen (‘trobie’) had, dan nam hij contact op met - naar de rechtbank begrijpt - verdachte en dan werd de ‘shit’ geregeld.

Datum

Verzender

Ontvanger

Inhoud bericht

17-04-2016

[e-mailadres 12]

[e-mailadres 13]

Moe broer me bro is gepakt ook man die bolle pff asahbi whoelahh

17-04-2016

[e-mailadres 12]

[e-mailadres 13]

Zeg je eerlijk bro ben wel een mans gekk nu hahhaha nou niet letterlijk als je me begrijpt maar voorbeeldjee als ik een trobie heb ik tekst die bolle gelijk shit wordt geregelt nu ben ik een mans bro effe dan niet mijn level shit als je me begrijpt bro geen killers om me heen

Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam 1] komen vast te staan. Hoewel geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering, was de bijdrage van verdachte aan de moord naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Verdachte heeft de moord mede georganiseerd. Daarmee vindt de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van moord bewezen.

4.4.3.3 Feit 2: poging tot uitlokking van moord

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte [naam 3] heeft geprobeerd uit te lokken tot het plegen van de moord op [slachtoffer] .

Aan verdachte is het misdrijf als bedoeld in artikel 46a Sr tenlastegelegd. Het gaat in artikel 46a Sr om de strafbaarstelling van wat ook wel ‘mislukte uitlokking’ wordt genoemd. Strafbaar gesteld is het voornemen om een ander te bewegen door één of meer zogenaamde uitlokkingmiddelen een misdrijf te begaan. Het initiatief ligt dus bij degene die een ander probeert te bewegen een misdrijf te begaan. Daarbij gaat het om gedragingen die er niet toe leiden dat het tot een begin van uitvoering komt van het misdrijf waarop die gedragingen waren gericht. De grond voor deze strafbaarstelling is dat de verleidingshandeling als zodanig strafwaardig wordt geacht.

Uit de inhoud van de berichtenwisseling tussen verdachte en [naam 3] uit het PGP-toestel van [naam 3] blijkt dat er geen misverstand kan bestaan over de intenties van verdachte, namelijk dat [naam 3] als tweede uitvoerder samen met [naam 1] [slachtoffer] van het leven diende te beroven. Ook moest [naam 3] een woning regelen in Almere Poort, als schuilplaats na de moordaanslag.

Verdachte bood [naam 3] dit ‘klusje’ aan voor ‘130’. Zoals eerder beschreven kan bij het uitblijven van een verklaring van verdachte aan ‘130’ geen andere aannemelijke uitleg worden gegeven dan dat daarmee 130.000 euro werd bedoeld. Verdachte stelde [naam 3] dus betaling van een groot geldbedrag in het vooruitzicht voor de moord.

Daarnaast volgt eveneens uit voornoemde berichtenwisseling, zoals onder paragraaf 4.4.3.1 weergegeven, dat verdachte [naam 3] inlichtingen heeft verschaft die van belang waren met het oog op de te plegen moord en dat verdachte daarbij instructies gaf aan [naam 3] , waardoor [naam 3] de gelegenheid werd geboden om deze moord te begaan.

Het initiatief tot het van het leven beroven van [slachtoffer] lag bij verdachte. Het verstrekken van de benodigde inlichtingen over het beoogde slachtoffer en het in het vooruitzicht stellen van een geldbedrag van 130.000 euro aan [naam 3] kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als een voltooide poging tot uitlokking van [naam 3] om de moord op [slachtoffer] te plegen.

Dat deze uitlokking is mislukt en [naam 3] uiteindelijk niet betrokken was bij het om het leven brengen van [slachtoffer] , is niet aan verdachte te danken. [naam 3] was feitelijk niet in staat om de moord uit te voeren, omdat hij van 25 november 2015 tot en met 31 januari 2016 gedetineerd zat in een ander onderzoek. In dit geval is dan ook sprake van een mislukte uitlokking, zoals bedoeld in artikel 46a Sr .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in paragraaf 4.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op 15 december 2015 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel door het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daardoor is overleden;

Ten aanzien van feit 2:

in de periode van 01 november 2015 tot en met 25 november 2015 in Nederland en in Ierland heeft gepoogd om [naam 3] door een belofte en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven,

bestaande die belofte uit het in het vooruitzicht stellen van 130.000 euro en bestaande het verschaffen van die inlichtingen uit het geven van identificerende gegevens en de aanduiding van het voertuig en de verblijfslocatie van die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Voor het bepalen van het uitgangspunt voor de straf heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de straffen die de afgelopen jaren zijn opgelegd in zaken betreffende liquidaties. Ook is rekening gehouden met de straffen die door de rechtbank Midden-Nederland aan de uitvoerders van deze moord zijn opgelegd, te weten gevangenisstraffen van 20 en 25 jaar. De officier van justitie heeft als uitgangspunt een gevangenisstraf van 20 jaar genomen.

Verdachte heeft een strafblad met zware veroordelingen. De veroordeling voor wapenbezit in 2013 en het feit dat verdachte ten tijde van de moord op [slachtoffer] pas drie jaar volledig op vrije voeten was na een jarenlange vrijheidsbeneming en TBS-behandeling moeten strafverhogend werken.

Op 19 april 2018 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar wegens het medeplegen van een poging moord en daarom is artikel 63 Sr van toepassing. Toepassing van dit artikel zou ertoe leiden dat een maximale tijdelijke gevangenisstraf van 12 jaar kan worden opgelegd. Dat zou geen recht doen aan de ernst van de feiten. Wanneer beide strafzaken tegelijk beoordeeld zouden zijn, zou de rechtbank naar verwachting geen tijdelijke gevangenisstraf hebben opgelegd. De feiten zijn te ernstig en te schokkend voor een tijdelijke gevangenisstraf en het gevaar voor de samenleving is te groot. Verdachte heeft zijn recht om deel te nemen aan de samenleving met het plegen van deze feiten verspeeld.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de twee tenlastegelegde feiten, en daarom aan verdachte geen straf op te leggen.

Als de rechtbank niet tot een vrijspraak komt, maar alleen feit 2 bewezen acht, kan volgens de raadsman maximaal een gevangenisstraf van acht jaar en zeven maanden worden opgelegd. Er dient rekening gehouden te worden met het feit dat verdachte na zijn veroordeling in de zaak TandemII nog een jaar in een zeer zwaar detentieregime in de Extra Beveiligde Inrichting in Vught heeft verbleven.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het beantwoorden van de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd, kijkt de rechtbank naar de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van verdachte. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

Op de ochtend van 15 december 2015 werd op koelbloedige en gewetenloze wijze een einde gemaakt aan het leven van [slachtoffer] . Hij is voor zijn woning neergeschoten, met één gericht schot van dichtbij door het hoofd. Reanimatie en medische zorg mochten niet baten, [slachtoffer] is korte tijd later aan de schotwond overleden.

Verdachte heeft de aanslag niet zelf uitgevoerd, maar heeft wel een belangrijke rol daarbij gespeeld. Verdachte heeft de moord mede georganiseerd.

Op grond van de inhoud van ontsleuteld berichtenverkeer blijkt dat er door verdachte met een kennelijk gemak en zonder enig moreel besef gesproken werd over de moord op [slachtoffer] . Het was voor hem een puur zakelijke aangelegenheid, een ‘mooi klusje’, met, naar het lijkt, enkel een financieel motief. Het handelen van verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan geweten en aan respect voor het leven van anderen.

Verdachte en zijn mededaders hebben [slachtoffer] het leven ontnomen en zijn echtgenote en zoon een immens en onherstelbaar leed aangedaan dat zij voor de rest van hun leven zullen dragen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die op de zitting zijn voorgelezen. Beiden zijn kort na de moord op hun man en vader geconfronteerd met zijn levenloze lichaam en worden nog steeds behandeld voor psychische klachten waarmee zij kampen als gevolg van de moord.

Door het zwijgen van verdachte en zijn mededaders blijft onduidelijk waarom [slachtoffer] dood moest. De rechtbank neemt dat verdachte kwalijk. Uit het onderzoek is niet gebleken van enige band van [slachtoffer] met het reguliere criminele milieu. Er zijn vermoedens dat mogelijk Iran achter de moord zit vanwege de politieke achtergrond van [slachtoffer] . Zekerheid daarover is echter niet verkregen. Verdachte had hierover meer duidelijkheid kunnen verschaffen, maar heeft ervoor gekozen dat niet te doen. Hij heeft geen inzicht willen geven in zijn handelen.

Deze moord vond plaats op de vroege ochtend, midden in een woonwijk in Almere. Ook voor de buurtbewoners zal de moord een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest. Een dergelijke liquidatie roept bovendien gevoelens van angst en onveiligheid op bij vele anderen in de samenleving en schokt de rechtsorde.

Moord wordt beschouwd als het ernstigste misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht. De wetgever heeft voor moord dan ook als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Voor wat betreft het opleggen van een straf heeft de rechtbank zich beraden of aan verdachte een langdurige gevangenisstraf van tijdelijke aard, dan wel een levenslange gevangenisstraf dient te worden opgelegd zoals door de officier van justitie geëist.

Uit het strafblad van verdachte van 23 april 2019 blijkt dat verdachte al meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en wapenbezit. Aan verdachte zijn in 2002 en 2004 lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. In 2004 is aan hem ook de TBS-maatregel opgelegd. Deze maatregel is in 2012 beëindigd. Die straffen en maatregel hebben verdachte er niet van weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. Dit keer een moord, een strafbaar feit dat nog veel ernstiger is dan de feiten waarvoor hij eerder (onherroepelijk) is veroordeeld en in het kader van de TBS-maatregel is behandeld. De rechtbank schat het recidivegevaar dan ook hoog in.

De ernst van de moord, het strafblad van verdachte en het hoge recidivegevaar rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur. De mededaders [naam 1] en [naam 2] hebben respectievelijk een gevangenisstraf van 20 en 25 jaar opgelegd gekregen.

De rechtbank wordt bij de hoogte van een tijdelijke gevangenisstraf voor verdachte beperkt door het volgende.

Op 19 april 2018 is verdachte door de rechtbank in Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar voor onder andere het medeplegen van een poging moord (de strafzaak TandemII). De moord op [slachtoffer] heeft plaatsgevonden vóór die veroordeling. Het Openbaar Ministerie heeft er destijds voor gekozen om de feiten in de zaak TandemII en de moord op [slachtoffer] niet tegelijkertijd bij dezelfde rechter aan te brengen. Dat heeft tot gevolg dat artikel 63 Sr van toepassing is.

In dit concrete geval houdt dat in dat de rechtbank de bepalingen van artikel 57 Sr dient toe te passen om een door de wetgever onwenselijk geachte opeenstapeling van straffen te voorkomen. Dat betekent dat de rechtbank in onderhavige zaak geen tijdelijke gevangenisstraf kan opleggen die hoger is dan 12 jaar, omdat voor moord, ook als het gaat om meerdere moorden, een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal 30 jaar in totaal kan worden opgelegd.

De rechtbank is, gelet op de ernst van de moord, het strafblad van verdachte en het hoge recidivegevaar van oordeel dat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf van 12 jaar niet passend is.

Als de strafzaken TandemII en MarsmanII samen zouden zijn behandeld, zou naar het oordeel van de rechtbank niet zijn volstaan met een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar. Deze straf doet namelijk geen recht aan het twee keer kort na elkaar gewetenloos laten neerschieten van personen, als gevolg waarvan de één is overleden en de ander het ternauwernood heeft overleefd. Zeker niet als het strafblad van verdachte daarbij wordt betrokken.

Gelet op het voorgaande volstaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen andere sanctie dan een levenslange gevangenisstraf. In wat naar voren is gekomen omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte noch in zijn opstelling tijdens het strafproces heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor een andere beslissing.

9 Vordering gevangenneming

De officier van justitie heeft de gevangenneming van verdachte gevorderd, die pas in kan gaan als aanvullende toestemming voor overlevering vanuit Ierland is verkregen.

De raadsman heeft betoogd dat de vordering tot gevangenneming dient te worden afgewezen, omdat er een gebrek is aan opportuniteit en noodzaak daartoe.

De rechtbank zal de vordering tot gevangenneming afwijzen. Een formeel beletsel is dat er nog geen toestemming hiervoor is vanuit Ierland. Daarnaast acht de rechtbank het op dit moment ook niet noodzakelijk om verdachte in voorlopige hechtenis te nemen voor deze zaak. Verdachte zit immers al in voorlopige hechtenis in de zaak TandemII. Er zijn geen aanknopingspunten dat deze voorlopige hechtenis zal worden opgeheven. Mocht dat in de toekomst wel het geval zijn, dan kan de officier van justitie op dat moment opnieuw de gevangenneming vorderen.

10 De benadeelde partijen

10.1.

De vorderingen

Voor aanvang van de terechtzittingen hebben de nabestaanden van [slachtoffer] , te weten [naam nabestaande 1] en [naam nabestaande 2] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend ter vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R. Korver, die de vorderingen ter terechtzitting heeft toegelicht.

10.1.1

De vordering van [naam nabestaande 1]

De hoogte van de door [naam nabestaande 1] geleden schade wordt door haar begroot op:

Materiële schade:

Reis- en parkeerkosten eerste aanleg € 189,80

Toekomstige reiskosten € 500,-

Toekomstige medische kosten (psycholoog) € 1.000,-

Gederfd levensonderhoud € 212.285,-

Kosten lijkbezorging/overlijden € 7.375,95

Kosten grafsteen € 2.246,-

Kosten factuur Laumen € 2.354,92

Kosten eigen risico de heer [slachtoffer]

(rit ambulance naar AMC) € 296,25

Totaal materiële schade € 226.248,02

Immateriële schade:

- Shockschade € 25.000,-

Totaal: € 251.248,02

10.1.2

De vordering van [naam nabestaande 2]

De hoogte van de door [naam nabestaande 2] geleden schade wordt door hem begroot op:

Materiële schade:

Toekomstige reiskosten € 100,-

Toekomstige medische kosten € 1.000,-

Gederfd levensonderhoud € 21.281,-

Totaal materiële schade € 22.381,-

Immateriële schade:

- Shockschade € 25.000,-

Totaal: € 47.381,-

10.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de gevorderde reis- en parkeerkosten niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, zodat dit deel van de vordering van [naam nabestaande 1] moet worden afgewezen. De posten die zien op het gederfde levensonderhoud, de kosten voor het opstellen van het rapport door Laumen, het eigen risico van [slachtoffer] en de kosten van lijkbezorging en de grafsteen zijn voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de toekomstige reiskosten en toekomstige medische kosten moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

Daarnaast kunnen de immateriële schadevergoedingen, bestaande uit shockschade, worden toegewezen. Volgens de officier van justitie is in ieder geval een bedrag van € 20.000,- voor shockschade passend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte hoofdelijk met zijn mededaders wordt veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoedingen en dat de toegewezen schadevergoedingen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2015. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

10.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De benadeelde partijen dienen in dat geval niet-ontvankelijk verklaard te worden in hun vorderingen.

In geval van enkel een veroordeling voor feit 2 bestaat er geen causaal verband met de geleden schade, en ook in dat geval dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard te worden in hun vorderingen.

10.4

Het oordeel van de rechtbank

10.4.1.

Materiële schade

10.4.1.1 Gederfd levensonderhoud

Ten aanzien van de gevorderde schade bestaande uit gederfd levensonderhoud overweegt de rechtbank als volgt.

De benadeelde partijen baseren hun vorderingen op artikel 6:108, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voor de berekening van de gevorderde schade is aangesloten bij de door de Letselschaderaad en de Denktank Overlijdensschade opgestelde ‘Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade’. Deze richtlijn is een binnen de rechtspraak algemeen geaccepteerde rekenmethode voor de berekening van overlijdensschade. Op basis van deze richtlijn heeft het expertisebureau Laumen aan de hand van onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten berekend wat de omvang is van het door de benadeelde partijen gederfde levensonderhoud.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade hebben geleden, bestaande uit gederfd levensonderhoud en dat verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden. De rechtbank acht het redelijk om de schade te begroten zoals die is berekend, zodat de totale schade van [naam nabestaande 1] € 212.285,- bedraagt en die van [naam nabestaande 2] € 21.281,-.

10.4.1.2 Toekomstige schade

Ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade oordeelt de rechtbank dat ongewis is of en zo ja, in welke omvang deze zich zal voordoen. Overeenkomstig de standpunten van de benadeelde partijen, de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partijen in zoverre niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

10.4.1.3 Overige posten

Met betrekking tot de door [naam nabestaande 1] gevorderde schade die bestaat uit de schadevaststellingskosten van Expertisebureau Laumen overweegt de rechtbank dat deze eveneens voor vergoeding in aanmerking komt. Het bedrag van € 2.354,92, dat als zodanig door de verdediging niet is betwist, betreft immers redelijke kosten ter vaststelling van schade als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid onder b, BW.

De door [naam nabestaande 1] gevorderde schade met betrekking tot de kosten van lijkbezorging/overlijden en de kosten van de grafsteen betreft schade die op grond van artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in verbinding met artikel 6:108 BW in dit strafproces voor vergoeding in aanmerking komt. De hoogte van de vordering is door de verdediging niet betwist. De rechtbank acht de gevorderde bedragen van € 7.375,95 en € 2.246,- toewijsbaar.

Wat betreft de door [naam nabestaande 1] gevorderde kosten van het ambulancevervoer van [slachtoffer] op 15 december 2015 is de rechtbank van oordeel dat die vordering onder algemene titel is overgegaan op de nabestaanden. Ook die schade is aldus gelet op artikel 51f, tweede lid, Sv toewijsbaar.

[naam nabestaande 1] heeft voorts vergoeding van reis- en parkeerkosten gevorderd onder de noemer materiële schade. Het gaat hier echter om reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zittingen, gesprekken met haar raadsman, slachtoffergesprekken en het bezoeken van slachtofferhulp, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven.

10.4.2

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde shockschade stelt de rechtbank voorop dat zogenoemde shockschade op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW volgens vaste jurisprudentie voor vergoeding in aanmerking komt, indien als gevolg van de bewezen verklaarde feiten sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat voortvloeit uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Vaststaat dat [naam nabestaande 1] zeer kort nadat haar echtgenoot is neergeschoten, is geconfronteerd met de aanblik van diens levenloze lichaam op straat voor hun gezamenlijke woning. Ook in het ziekenhuis is zij daarmee geconfronteerd. [naam nabestaande 1] heeft in deze procedure gesteld en met medische stukken onderbouwd dat zij als gevolg van deze gebeurtenis een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft ontwikkeld, waarvoor zij in behandeling is en EMDR-therapie ondergaat. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causale verband daarmee voldoende vast. [naam nabestaande 2] bevond zich die bewuste dag in de woning, op een paar meter afstand van de plaats delict. Hij werd wakker van sirenes en zwaailichten en trof zijn moeder in paniek aan. Hij wilde naar buiten, maar werd tegengehouden door de politie. Hij hoorde toen van zijn moeder dat zijn vader voor de woning op straat lag en later dat hij was neergeschoten. In het ziekenhuis werd hij geconfronteerd met het letsel van zijn vader. [naam nabestaande 2] heeft in deze procedure gesteld en met medische stukken onderbouwd dat hij als gevolg van deze gebeurtenis een persisterende complexe rouwstoornis heeft ontwikkeld. Deze stoornis kan in de DSM-5 worden geclassificeerd als een ‘andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor gerelateerde stoornis’. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causale verband daarmee voldoende vast.

De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande vaststaat dat sprake is van shockschade als rechtstreeks gevolg van de jegens verdachte bewezenverklaarde moord. De verdediging heeft de hoogte van de vorderingen als zodanig niet betwist. De rechtbank begroot deze schade in redelijkheid op de gevorderde bedragen ad € 25.000,- en wijst de vorderingen tot dit bedrag toe.

10.4.3

Proceskosten

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die [naam nabestaande 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Nu de gevorderde reis- en parkeerkosten, die kunnen worden aangemerkt als proceskosten, voldoende zijn onderbouwd en van de zijde van de verdachte deze kosten niet zijn betwist, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking.

10.4.4

Conclusie

De rechtbank waardeert de schade van [naam nabestaande 1] aldus op € 249.558,12 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die [naam nabestaande 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 189,90.

De schade van [naam nabestaande 2] waardeert de rechtbank op een bedrag van € 46.281,-. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die [naam nabestaande 2] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partijen voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [naam nabestaande 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 249.558,12, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling. De toegewezen proceskosten worden niet in aanmerking genomen bij de oplegging van voornoemde schadevergoedingsmaatregel.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [naam nabestaande 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 46.281,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank bepaalt daarbij dat als door verdachte in het kader van de schadevergoedingsmaatregel niet wordt betaald, deze betalingsverplichting zal worden aangevuld met één dag hechtenis ten aanzien van [naam nabestaande 1] en één dag hechtenis ten aanzien van [naam nabestaande 2] . De rechtbank ziet geen meerwaarde om een hogere hechtenis op te leggen gelet op de levenslange gevangenisstraf die verdachte opgelegd krijgt. Toepassing van de hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen [naam nabestaande 1] en [naam nabestaande 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 46a, 47, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht .

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van moord

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot uitlokking van moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

 Wijst af de vordering tot gevangenneming.

 Wijst de vordering van [naam nabestaande 1] toe tot € 249.558,12 (zegge: tweehonderdnegenenveertigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en twaalf eurocent), bestaande uit € 224.558,12 (zegge: tweehonderdvierentwintigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en twaalf eurocent) aan materiële schade en € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro) aan immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling.

Veroordeelt verdachte voorts in de proceskosten die [naam nabestaande 1] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 189,90 (zegge: honderdnegenentachtig euro en negentig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan [naam nabestaande 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam nabestaande 1] , aan de Staat € 249.558,12 (zegge: tweehonderdnegenenveertigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en twaalf eurocent), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van één dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

 Wijst de vordering van [naam nabestaande 2] toe tot € 46.281,- (zegge: zesenveertigduizend tweehonderdeenentachtig euro), bestaande uit € 21.281,- (zegge: eenentwintigduizend tweehonderdeenentachtig euro) aan materiële schade en € 25.000 (zegge: vijfentwintigduizend euro) aan immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling.

Veroordeelt verdachte voorts in de proceskosten die [naam nabestaande 2] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam nabestaande 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam nabestaande 2] , aan de Staat € 46.281,- (zegge: zesenveertigduizend tweehonderdeenentachtig euro), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 december 2015 tot de dag van volledige betaling, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van één dag vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juli 2019.

Een geschrift, zijnde een ongedateerd proces-verbaal uitwerking OVC gesprek, dossier MarsmanII, p. 116.

Proces-verbaal van observatie 4 november 2015, dossier MarsmanII, p. 117.

Proces-verbaal van bevindingen gewiste berichten BlackBerry [naam 4] , dossier MarsmanII, p. 125.

Proces-verbaal van bevindingen n.a.v. concept bericht pgp [naam 4] , dossier MarsmanII, p. 129.

Een geschrift, zijnde een ongedateerd proces-verbaal uitwerking OVC gesprek, dossier MarsmanII, p. 128.

Proces-verbaal van bevindingen n.a.v. concept bericht pgp [naam 4] , dossier MarsmanII, p. 134.

Proces-verbaal BlackBerry [naam 4] , dossier MarsmanII, p. 140.

Een geschrift, zijnde een uitdraai uit de politiesystemen ten aanzien van het kenteken [tekst] , ongenummerd.

Proces-verbaal van bevindingen, dossier MarsmanII, p. 144.

Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek [naam 7] , dossier MarsmanII, p. 148-155.

Proces-verbaal van bevindingen, dossier MarsmanII, p. 164.

Proces-verbaal van verhoor van getuigen door de rechter-commissaris, dossier MarsmanII, p. 168.

Een geschrift, zijnde een weergave van een WhatsApp-gesprek en een krantenbericht, dossier MarsmanII, p. 175-177.

Een geschrift, zijnde een Nederlandse vertaling van een door [naam 25] in de Engelse taal opgestelde verklaring, gedateerd 14 april 2016, dossier MarsmanII, p. 178-181.

Proces-verbaal van bevindingen Blackberries, dossier MarsmanII, p. 184.

Proces-verbaal van bevindingen brieven, dossier MarsmanII, p. 186-188.

Proces-verbaal BlackBerry [naam 4] , dossier MarsmanII, p. 230-231.

Proces-verbaal van bevindingen, dossier MarsmanII, p. 234-235.

Proces-verbaal van bevindingen, dossier MarsmanII, p. 261-263.

Proces-verbaal van verhoor getuige, dossier MarsmanII, p. 265-267.

Een geschrift, zijnde een schriftelijke, door verdachte ondertekende verklaring, gedateerd 7 maart 2018, dossier MarsmanII, p. 246.

Proces-verbaal van bevindingen, dossier MarsmanII, p. 271-274.

Proces-verbaal van bevindingen, dossier MarsmanII, p. 261-262.

Een geschrift, zijnde een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 april 2019, losbladig.

Kennisgeving van inbeslagneming PGP-toestel [naam 3] , dossier MarsmanII, p. 319.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 284-285.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 293.

Proces-verbaal veredeling [naam 19] / [bijnaam 1] / [bijnaam 23] is [naam 20] , dossier MarsmanII, p. 349.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 294-295.

Proces-verbaal berichten uit PGP-toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 287.

Proces-verbaal berichten uit PGP-toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 302.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 295.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 296 en p. 299.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 299.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 299-300.

Proces-verbaal van bevindingen onderzoek Imei-nummers d.d. 3 juli 2017, losbladig.

Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 mei 2019.

Een geschrift, zijnde een vonnis inzake [naam 23] d.d. 7 december 2018 in de zaak met parketnummer 13/997022-17, p. 9-10, losbladig.

Proces-verbaal van bevindingen Ennetcom-conversaties tussen [e-mailadres 10] en [e-mailadres 8] , dossier MarsmanII, p. 369.

Proces-verbaal van bevindingen Ennetcom-conversaties tussen [e-mailadres 10] en [e-mailadres 8] , dossier MarsmanII, p. 370.

Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 mei 2019.

Proces-verbaal van bevindingen Ennetcom-conversaties tussen [e-mailadres 10] en [e-mailadres 8] , dossier MarsmanII, p. 371-372.

Proces-verbaal van bevindingen Ennetcom-conversaties tussen [e-mailadres 10] en [e-mailadres 8] , dossier MarsmanII, p. 373.

Een geschrift, zijnde een passagierslijst van vlucht [vluchtnummer] van Aer Lingus op 18 november 2015, dossier MarsmanII, p. 383.

Proces-verbaal van bevindingen Ennetcom-conversaties tussen [e-mailadres 10] en [e-mailadres 8] , dossier MarsmanII, p. 372-374.

Proces-verbaal van bevindingen gebruikers e-mailadres [e-mailadres 2] , dossier MarsmanII, p. 385-394.

Proces-verbaal van bevindingen nader onderzoek bijnamen [naam 2] en de groepering rondom [verdachte] , dossier MarsmanII, p. 788.

Proces-verbaal berichten uit PGP toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 285.

Proces-verbaal bevindingen 2e PGP [naam 3] , dossier Marsman, p. 341-342.

Proces-verbaal van bevindingen onderzoek Imei-nummers d.d. 3 juli 2017, losbladig.

Proces-verbaal bevindingen identificatie e-mailadres [e-mailadres 9] , dossier MarsmanII, p. 748-749.

Proces-verbaal berichten uit PGP-toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 289-291.

Een geschrift, zijnde een vonnis inzake [naam 1] d.d. 12 april 2019 in de zaak met parketnummer 16/706722-16, p. 9-11, losbladig.

Proces-verbaal berichten uit PGP-toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 291.

Proces-verbaal van verdenking [naam 3] , dossier Marsman, p. 320.

Proces-verbaal berichten uit PGP-toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 291-292.

Proces-verbaal berichten uit PGP-toestel [naam 3] , dossier Marsman, p. 292.

Proces-verbaal van bevindingen PGP’s op zendmasten d.d. 7 februari 2019, losbladig.

Een geschrift, zijnde een uitdraai Ennetcom-data, dossier MarsmanII, p. 903-904.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature