< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

AOW. Inkomen dat voortvloeit uit pensioenverrekening na echtscheiding is inkomen dat in aanmerking kan worden genomen bij de vaststelling van het recht op toeslag.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 17/3510 en AMS 18/3255

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2019 in de zaak tussen

de weduwe/erfgename van [betrokkene] (betrokkene), te [woonplaats] (Spanje), eiseres,

(gemachtigde: mr. J.H. Beek),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder,

(gemachtigde: mr. O.F.M. Vonk).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2016 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het recht van betrokkene op toeslag op diens uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) over de periode van februari 2015 tot en met juli 2016 herzien.

Bij het besluit van 23 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een bedrag van € 4.550,33 aan teveel ontvangen toeslag op uitkering op grond van de AOW teruggevorderd. Verder heeft verweerder aan betrokkene een boete van € 2.040,- opgelegd.

Bij het besluit van 24 april 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van betrokkene tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2018.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens verweerder was aanwezig mr. K. Verbeek.

Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Bij besluit van 14 februari 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder beslist op het verzoek van betrokkene om herziening van het (herzienings)besluit van 11 augustus 2016.

Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aan verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep, als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft daarmee ingestemd en nog een reactie op het bezwaarschrift van betrokkene gegeven.

Gemachtigde van betrokkene heeft de rechtbank bij brief van 18 juni 2018 bericht dat zijn cliënt op [datum] 2018 is overleden. Bij bericht van 19 oktober 2018 heeft hij de rechtbank meegedeeld dat de weduwe van betrokkene (eiseres) de procedure wenst voort te zetten. Op 30 november 2018 heeft de rechtbank de door eiseres ondertekende verklaring ‘voortzetting beroep’ ontvangen en op 15 februari 2019 de verklaring van erfrecht.

Bij brief van 6 maart 2019 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat een nadere zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij een van beide partijen een tweede zitting nodig acht. Bij brief van 7 maart 2019 heeft eiseres laten weten dat zij een nadere mondelinge behandeling op prijs stelt.

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 1949, woonde samen met eiseres in Spanje. Op het formulier waarmee hij een AOW-uitkering aanvroeg, heeft betrokkene verklaard dat eiseres geen inkomsten had. Bij besluit van 7 januari 2015 heeft verweerder aan betrokkene een AOW-uitkering toegekend vanaf 9 februari 2015, alsmede een toeslag ter onderhoud van zijn jongere partner. Daarbij is vermeld dat de hoogte van de toeslag afhankelijk is van het inkomen van de partner.

2. Op 23 mei 2016 heeft verweerder het antwoordformulier “Inkomstenopgave” van betrokkene terug ontvangen. Toen is gebleken dat eiseres vanaf de datum dat betrokkene recht op AOW had gekregen een maandelijkse betaling van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) ontvangt. Verweerder heeft bij besluit van 11 augustus 2016 (het herzieningsbesluit) het recht op toeslag op de AOW-uitkering van betrokkene over de periode van februari 2015 tot en met juli 2016 herzien.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder € 4.550,33 aan teveel betaalde toeslag van betrokkene teruggevorderd. Omdat laatstgenoemde verzuimd had het inkomen van eiseres binnen 6 weken na wijziging van de inkomenssituatie in augustus 2014 door te geven, heeft verweerder betrokkene eveneens een bestuurlijke boete van € 2.040,00 opgelegd.

4. Betrokkene heeft in beroep, nadien aangevuld door zijn gemachtigde, een uitvoerige toelichting op de ontstane situatie gegeven. Hij stelt dat zijn ontkennende antwoord op de vraag op het aanvraagformulier voor de AOW of zijn vrouw inkomen heeft, op het moment dat hij het formulier invulde op 19 juni 2014 juist was. Hij heeft dat formulier alleen niet direct teruggestuurd omdat hij nog in afwachting was van bepaalde stukken (levensbewijzen) en ook omdat hij in die periode enige tijd in het ziekenhuis was opgenomen. Betrokkene heeft het aanvraagformulier eind oktober 2014 aan verweerder verzonden.

Het bestreden besluit II

De herziening van het recht op toeslag

5. Bij besluit van 11 augustus 2016 heeft verweerder het recht van betrokkene op toeslag op zijn AOW-pensioen gewijzigd vanwege een wijziging van het inkomen van diens partner. Tegen dit besluit heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt. Betrokkene heeft op 22 januari 2018 aan verweerder gevraagd om terug te komen van het onherroepelijk geworden besluit van 11 augustus 2016. Verweerder heeft dit verzoek op grond van artikel 4:6, tweede lid van de Awb bij het bestreden besluit II afgewezen omdat het besluit van 11 augustus 2016 niet onmiskenbaar onjuist is en omdat betrokkene geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die niet bekend waren toen de eerdere beslissing werd genomen.

6. Wat betreft de aanspraken over de periode voorafgaand aan het verzoek van 22 januari 2018 stelt de rechtbank vast dat sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb . Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat de bestuursrechter in een geval waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat betrokkene geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Alle door hem genoemde feiten en omstandigheden hadden ook ten tijde van het nemen van het besluit van 11 augustus 2016 naar voren gebracht kunnen worden.

8. Verweerder voert het beleid, neergelegd in beleidsregel SB1076, dat ook van een in rechte vaststaand besluit wordt teruggekomen als dit onmiskenbaar onjuist is. Betrokkene en eiseres hebben zich op het standpunt gesteld dat van die situatie sprake is. In dat kader is aangevoerd dat het bedrag dat eiseres maandelijks ontvangt het resultaat is van een verdeling van een ontbonden huwelijks goederengemeenschap. Dat is inkomen uit vermogen en daarmee geen inkomen dat in aanmerking mag worden genomen bij de vaststelling van het recht op toeslag. Ter toelichting heeft de gemachtigde van eiseres op beide zittingen uiteengezet dat de door de ex-echtgenoot van eiseres opgebouwde pensioenaanspraken ingevolge het arrest Boon-Van Loon een onderdeel vormen van de gemeenschap die na ontbinding van die gemeenschap verdeeld dienen te worden. Om degene die het pensioen heeft opgebouwd niet in financiële moeilijkheden te brengen, mag de verrekening steeds tegelijk met het ontvangen van pensioentermijnen worden voldaan. Het gegeven dat de ex-echtgenoot van eiseres termijnbetalingen doet van zijn pensioenuitkering brengt niet mee dat de betaling aan eiseres daarmee ook het karakter van pensioen krijgt.

9. De rechtbank overweegt dat het geval van eiseres op relevante onderdelen overeenkomsten vertoont met de zaak die de Raad heeft beoordeeld in zijn uitspraak van 18 augustus 2017 (ECLI:NL:2017:2852). Hierin heeft de Raad, met verwijzing naar de regelgeving in het Inkomensbesluit AOW 1996, het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen en het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AISZ), overwogen dat het bij een uitkering op grond van een pensioenregeling mede gaat om een pensioen voortvloeiend uit een pensioenverevening bij scheiding . Artikel 2:4, onderdeel m, van het AISZ laat naar het oordeel van de Raad geen ruimte om het gedeelte van het private pensioen dat de partner ontvangt (in die zaak een Philips-pensioen) buiten beschouwing te laten.

10. Het pleidooi van eiseres dat in haar geval sprake is van pensioenverrekening en niet van pensioenverevening, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad in deze zaak geen betekenis heeft. De, voor een deel in de belastingsfeer gelegen, argumenten van eiseres laten onverlet dat sprake is van inkomsten die verband houden met dan wel voortvloeien uit een pensioenregeling. Verweerder heeft deze terecht aangemerkt als een uitkering die kan worden betrokken bij de vaststelling van het recht op toeslag.

11. Hieruit volgt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het eerdere besluit niet onmiskenbaar onjuist was. Hetgeen in beroep is aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit II evident onredelijk is.

12. Het hiervoor gegeven oordeel over de kwalificatie van het inkomen van eiseres betekent tevens dat ook voor de periode vanaf de datum van het herzieningsverzoek geen recht op toeslag bestaat.

13. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond.

Het bestreden besluit I

De terugvordering van teveel betaalde toeslag

14. Nu de herziening van het recht op toeslag op het AOW-pensioen van betrokkene vaststaat, staat tevens vast dat aan hem een te hoog bedrag aan AOW-toeslag is betaald. Op grond van artikel 24 van de AOW is verweerder verplicht onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen als hier bedoeld, kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en/of sociale – gevolgen die de terugvordering voor de betrokkene heeft.

15. Van dergelijke dringende redenen is niet gebleken. Verweerder is dan ook terecht overgegaan tot terugvordering van de toeslag op de AOW-uitkering die onverschuldigd is betaald.

De boete

16. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de boete op nihil, dan wel € 150,- moet worden gesteld. Hij betoogt dat hij zich altijd correct heeft gedragen en niets te verbergen had.

17. Op grond van artikel 49 van de AOW, voor zover hier van belang, zijn de pensioengerechtigde en zijn echtgenoot verplicht aan verweerder op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald.

18. Op grond van artikel 17c, eerste lid, van de AOW, voor zover hier van belang, legt verweerder een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde of zijn echtgenoot van de verplichting, bedoeld in artikel 4 9.

19. Op grond van artikel 17c, achtste lid van de AOW , kan verweerder de boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid of afzien van het opleggen van een boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

20. In dit kader overweegt de rechtbank dat hoewel de beslissing tot herziening in rechte vaststaat, dit op grond van de vaste jurisprudentie van de Raad niet meebrengt dat de schending van de inlichtingenverplichting en het gehanteerde benadelingsbedrag ook in dit geding met betrekking tot oplegging van de boete zonder meer een vaststaand gegeven is (zie onder meer de uitspraak van 18 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4437).

21. Betrokkene heeft nagelaten verweerder onverwijld uit eigen beweging te informeren over het pensioen van zijn echtgenote sinds augustus 2014. Hieruit volgt dat hij de op grond van artikel 49 van de AOW op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat verweerder in de periode gelegen tussen de indiening van de aanvraag en de ingangsdatum van het recht op AOW nader onderzoek had moeten doen naar een eventuele wijziging in de situatie van betrokkene.

22. Van het niet melden van het pensioen van eiseres kon betrokkene een verwijt worden gemaakt. Het ligt op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken waarom sprake is van de door hem gestelde geringe verwijtbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank is hij hierin niet geslaagd. Al hetgeen namens betrokkene is aangevoerd maakt niet dat hij geen weet kon hebben van de strekking van de op hem rustende inlichtingenplicht. Het had aan betrokkene redelijkerwijs duidelijk moeten en kunnen zijn dat de gegevens omtrent het inkomen van zijn echtgenote van belang konden zijn voor het recht op toeslag op zijn AOW-pensioen. Immers, op allerlei momenten is hem hierover informatie verstrekt. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de bijlage bij het aanvraagformulier, de bijlage bij het verzoek van verweerder van 19 november 2014 om aanvullende gegevens en ten slotte naar de informatie hierover bij het toekenningbesluit van zijn AOW en Toeslag van 7 januari 2015. De verwijtbaarheid staat dan ook vast en verweerder was gehouden - gelet op het bepaalde in artikel 17c, eerste lid, van de AOW - aan betrokkene een boete op te leggen.

23. Op grond van artikel 17c, tiende lid van de AOW kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. Deze nadere regels zijn neergelegd in het Boetebesluit socialezekerheidswetten (het Boetebesluit).

24. In artikel 2, vierde lid van het Boetebesluit is bepaald dat, indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

25. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze bepaling terecht toegepast. Vaststelling van de boete op 50% van het benadelingsbedrag acht de rechtbank niet onevenredig. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het opleggen van een boete.

26. Ook het beroep tegen het bestreden besluit I is ongegrond.

27. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Zie onder meer de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature