< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verschoonbare termijnoverschrijding bezwaar. Ziektewetuitkering terecht beëindigd.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/780

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Z. Taspinar),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres per 11 augustus 2017 niet meer direct ten gevolge van zwangerschap en bevalling arbeidsongeschikt geschat in de zin van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 2 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019.

Eiseres is samen met haar partner verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder was niet aanwezig. Na afloop van de zitting bleek dat de gemachtigden van verweerder waren vertraagd omdat de scanstraat van de rechtbank enige tijd defect was.

Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

1.1

De rechtbank onderzoekt eerst ambtshalve of zij toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep, en met name of verweerder het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft geacht. Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken is. Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

1.2.

Artikel 75k van de ZW bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j ZW - in afwijking van artikel 6:7 van de Awb - twee weken bedraagt. Artikel 75j van de ZW bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op geschillen van geneeskundige aard over het al dan niet bestaan of voortbestaan van ongeschiktheid tot werken.

1.3.

In deze zaak is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift twee weken.

1.4

Het primaire besluit dateert van 14 augustus 2017. Gelet op de artikel 75k van de ZW had eiseres, bij een juiste bekendmaking, tot 28 augustus 2017 om bezwaar te maken. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres op 7 september 2017 ontvangen. Dat is te laat. Verweerder heeft bij brief van 11 september 2017 eiseres in de gelegenheid gesteld om te laten weten waarom zij het bezwaar te laat heeft ingediend. Eiseres heeft in een brief van 13 september 2017 toegelicht dat zij pas op 30 augustus 2017 met het primaire besluit bekend is geraakt en dat zij geen afhaalbericht van PostNL heeft ontvangen.

1.5.

De rechtbank heeft bij brief van 20 juli 2018 verweerder verzocht om haar standpunt over de ontvankelijkheid van het bezwaar mee te delen en om duidelijkheid te geven over de verzending van het primaire besluit van 14 augustus 2017 (en met name de vraag of dit aangetekend is verzonden of niet). Bij dezelfde brief heeft de rechtbank eiseres verzocht om zo mogelijk met bewijsstukken en/of verklaringen haar standpunt te ondersteunen dat zij pas op 30 augustus 2017 bekend is geworden met het primaire besluit.

1.6.

Bij brief van 31 juli 2018 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar te laat is ingediend en niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. Daarbij verwijst verweerder naar een overzicht van de zending van het primaire besluit, verkregen van PostNL. Uit het overzicht blijkt dat de postbode op 15 en 16 augustus 2017 bij eiseres heeft aangebeld. De zending is op 17 augustus 2017 bezorgd op het postkantoor en de postbode heeft bij eiseres een afhaalbericht achtergelaten. De beslissing is op 30 augustus 2017 afgehaald. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij aangetekende stukken ervan uit mag worden gegaan dat de postbode het afhaalbericht in de juiste brievenbus heeft gedaan.

1.7.

Eiseres heeft bij brief van 19 september 2018 (in aanvulling op de brief van 13 september 2017) een toelichting gegeven op de reden waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Eiseres heeft een foto van het brievenbusblok en handgeschreven verklaringen van haar buurvrouw en haar moeder overgelegd. Eiseres stelt zich samengevat op het standpunt dat er sprake is van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Oordeel rechtbank over de ontvankelijkheid

1.8.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient, indien een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het poststuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat poststuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.

1.9.

De rechtbank stelt vast dat eiseres niet de verzending van het besluit van 14 augustus 2017 betwist. De rechtbank ziet mede gelet op het door verweerder overgelegde overzicht van PostNL ook geen reden om te betwijfelen dat het juist geadresseerde besluit door verweerder op 14 augustus 2017 is verzonden. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 15 augustus 2017 en eindigde op 28 augustus 2017. Het bezwaarschrift is door verweerder op 7 september 2017 ontvangen. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet door verweerder is ontvangen voor het einde van de bezwaartermijn van twee weken. Evenmin is het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn ter post bezorgd. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet tijdig bij verweerder is ingediend.

1.10.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

1.11.

Niet in geschil is dat door PostNL een afhaalbericht is achtergelaten. In geschil is of deze op het juiste adres is achtergelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar stelling dat het afhaalbericht in de verkeerde brievenbus is gedaan voldoende aannemelijk gemaakt. Mede gelet op de uitvoerige toelichting van eiseres over haar verblijf in het buitenland en de verklaringen van haar buurvrouw en haar moeder, moet er daarom van uit worden gegaan dat eiseres inderdaad pas op 30 augustus 2017 bekend is geraakt met het primaire besluit. Op grond van vaste jurisprudentie kan slechts sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding indien een betrokkene zo spoedig mogelijk nadat deze op de hoogte is geraakt van een besluit, daartegen alsnog een bezwaarschrift indienen. Een termijn van twee weken wordt daarbij in beginsel als een redelijke termijn aangehouden. Nu eiseres het bezwaarschrift in dit geval binnen die termijn van twee weken alsnog heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

1.12.

Het bezwaar is daarom terecht ontvankelijk geacht.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit

2. Eiseres was werkzaam als [functie] . Eiseres is op [datum] 2016 bevallen van haar tweede kind. Zij ontving een zwangerschaps- en bevallingsuitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) tot 18 januari 2017. Vanaf 18 januari 2017 ontving eiseres een ZW-uitkering. In de rapportage van 11 april 2017 heeft de arts geoordeeld dat eiseres nog tijdelijk arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap/bevalling, maar dat een aanzienlijke verbetering binnen drie maanden wordt verwacht.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten dat eiseres vanaf 11 augustus 2017 geen beperkingen meer heeft door zwangerschap of bevalling en zij haar eigen werk weer kan doen. Vanaf 11 augustus 2017 heeft zij daarom geen recht meer op ZW-uitkering.

4. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder de rapportage van 13 december 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag gelegd.

5. In beroep voert eiseres samengevat aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onjuist is gemotiveerd. Zij heeft er moeite mee dat haar uitkering werd beëindigd zonder dat zij door de verzekeringsarts was gezien of met haar was gesproken, terwijl zij haar partner bijstond in een moeilijke periode en om die reden in het buitenland was. Verder voert zij aan dat zij psychische klachten heeft, verergerd door de keizersnee. Zij kampt met een depressie en een postnataal trauma. Aan de bevalling heeft zij veel lichamelijke klachten overgehouden aan haar bekken en rug, uitstralend naar haar billen en rechterknie. Zij heeft veel pijn. Door een traag werkende schildklier is eiseres veel aangekomen, ze heeft last van zware vermoeidheid en concentratieproblemen. Ze is prikkelbaar en heeft last van hoofdpijn en migraine. Ze ervaart drukke en lawaaierige omstandigheden als zeer belastend. Zij heeft een uitnodiging van 17 februari 2017 voor het zorgprogramma ‘ [naam] ’, brieven van de Polikliniek Neurologie , OLVG West van 29 juni 2016, 13 november 2017 en 29 maart 2018, een brief van een (GZ-)psycholoog van [naam] van 26 juni 2018, een afspraakbevestiging van de Polikliniek Pijnbestrijding , OLVG West van 20 juni 2018 en meerdere herinneringen van afspraken bij de fysiotherapeut overgelegd.

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder "zijn arbeid" als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW verstaan: de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

7. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

8. Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW - voor zover hier van belang - heeft de verzekerde, nadat het recht op uitkering ingevolge de Wazo is geëindigd, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.

Het oordeel van de rechtbank

9. Bij een beroep tegen een hersteldverklaring gaat het in een geval als hier aan de orde uitsluitend om de vraag of eiseres als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid. Daarbij staat in het bijzonder ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Dat het primaire besluit is genomen zonder dat eiseres is gezien door de verzekeringsarts of met haar heeft gesproken, kan daarom ook niet leiden tot een gegrond beroep. Eventuele gebreken bij (de voorbereiding van) het primaire besluit kunnen in de bezwaarfase worden hersteld.

10. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek, gelet op de verrichte onderzoeksactiviteiten, voldoende zorgvuldig is geweest en voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en heeft eiseres gezien op het spreekuur. Verder is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep psychisch en fysiek onderzoek verricht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij nadere rapportage van 20 augustus 2018 gereageerd op het (aanvullend) beroepschrift met medische informatie.

12.1.

De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de daaruit getrokken conclusies. Met betrekking tot de psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat het is op te vatten als lichte problematiek die niet gepaard gaat met ernstige arbeidsbeperkingen. Er zijn geen ernstige symptomen naar voren gekomen, noch ernstige afwijkingen waargenomen op het gebied van cognitief, affectief of conatief functioneren. Er is geen sprake van een intensieve psychotherapie noch van zware psycho-medicatie. Met betrekking tot de fysieke klachten overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er aanwijzingen zijn voor een evidente rugpathologie. Daarbij wordt overwogen dat de maatgevende arbeid licht fysiek werk is zonder zware belastingeisen ten aanzien van tillen, dragen, duwen, trekken, buigen en staan. Over de schildklierproblematiek overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van een andere therapeutische en/of diagnostische interventie dan een eenmalige bloedprik door de huisarts in 2017. Tijdens het spreekuur waren ook geen aanwijzingen voor ernstige hypo- of hyperthyroïdie. De conclusie is dat de psychische problematiek noch de fysieke problematiek reden is om eiseres arbeidsongeschikt te achten voor haar werk.

12.2.

In de door eiseres in beroep overgelegde medische informatie ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht aangeeft dienen de ingebrachte medische gegevens als onderbouwing van het standpunt dat de klachten (en de gestelde arbeidsongeschiktheid) van eiseres het gevolg zijn van zwangerschap. Aan dat standpunt wordt niet toegekomen, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres geschikt is voor haar maatgevende arbeid (administratief medewerker). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle klachten van eiseres in de beoordeling betrokken. Dat zij de klachten ernstiger ervaart, is onvoldoende voor het oordeel dat zij ongeschikt zou zijn voor haar arbeid.

Overigens dateren de door eiseres overgelegde stukken van ruim na datum in geding (11 augustus 2017), of was de informatie reeds bekend bij de verzekeringsartsen en betrokken in de beoordeling. De rechtbank is concluderend van oordeel dat het beroep gericht tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit niet kan slagen.

Onjuiste motivering

13. Nu in het bestreden besluit een onjuiste motivering is gesteld (te weten dat eiseres niet langer arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de onderliggende rapportage van 13 december 2017 heeft geconcludeerd dat eiseres haar eigen werk weer kan verrichten), kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres is hier immers niet door benadeeld, want de conclusie dat haar ZW-uitkering beëindigd wordt blijft hetzelfde. Wel zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden, en de door haar gemaakte proceskosten moet betalen.

Conclusie

14. Verweerder heeft terecht de ZW-uitkering van eiseres per 11 augustus 2017 beëindigd.

15. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen gelijk. Omdat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, moet verweerder wel het door eiseres betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). De rechtbank ziet geen aanleiding om het verschijnen ter zitting in aanmerking te nemen, omdat het gebrek in motivering van de beslissing op bezwaar reeds voor de zitting was hersteld door het aanvullend verweerschrift in combinatie met de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 augustus 2018.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 512,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499).

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG4669.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature