< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling van een boekhouder voor het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting voor een client. Oplegging van beroepsverbod.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993055-18 (Promis)

Datum uitspraak: 6 juni 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1960,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. O.J.M. van der Bijl en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.W. Newitt naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij ten name van vier bedrijven 91 onjuiste aangiften heeft gedaan in de periode 2011 t/m 2017. De tenlastelegging is als bijlage bij dit vonnis opgenomen en geldt hier als ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

De rechtbank is, net als de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen op grond van de onder 5 genoemde bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte. De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

4 Het bewijs

De rechtbank is op grond van de op de terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte en de hierna opgesomde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Tenzij anders vermeld bevinden de bewijsmiddelen zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier [naam dossier] volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

1. De op de terechtzitting van 23 mei 2019 afgelegde bekennende verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Ik heb alle in de tenlastelegging genoemde aangiften omzetbelasting ingediend. De aangiften zijn niet gedaan conform de boekhouding, maar aangepast op verzoek van [persoon 1]. Ik wist dat de ingediende aangiften omzetbelasting niet klopten met de werkelijkheid. Ik stelde de bedragen naar beneden bij afhankelijk van het bedrag dat [persoon 1] kon betalen aan de Belastingdienst.

2. Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring omzetbelasting opgemaakt door ambtenaar Belastingdienst mw. [persoon 2] van 17 januari 2017, DOC-051, doorgenummerde pag. 1414 (deel 1) met als bijlagen de ingediende aangiften omzetbelasting over de tijdvakken januari 2011 tot en met december 2015 van [naam bedrijf BV 1], documentpagina’s: 10, 18, 21, 29, 37, 44, 45, 54, 73, 74, 75, 85, 86 en 87.

3. Een proces-verbaal van ambtshandeling van 7 maart 2017, AMB-002, doorgenummerde pag. 83-86 (deel 1).

4. Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring omzetbelasting opgemaakt door ambtenaar Belastingdienst mw. [persoon 2] van 17 januari 2017, DOC-050, doorgenummerde pag. 1326 (deel 1), met als bijlagen de ingediende aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 1e kwartaal 2011 tot en met 4e kwartaal 2011 en van januari 2012 tot en met december 2015 van [naam bedrijf BV 2] op de documentpagina’s: 12, 14, 24, 25, 36, 38, 50, 51 en 52.

5. Een proces-verbaal van ambtshandeling van 13 maart 2017, AMB-003, doorgenummerde pag. 87-90 (deel 1).

6. Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring omzetbelasting opgemaakt door ambtenaar Belastingdienst mw. [persoon 2] van 14 september 2017, DOC-063, doorgenummerde pag. 120 (deel 2), met als bijlagen de ingediende aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 1e kwartaal 2016 tot en met 4e kwartaal 2016 van [naam bedrijf BV 3] documentpagina’s: 5 tot en met 16.

7. Een proces-verbaal van ambtshandeling van 20 november 2017, AMB-017, doorgenummerde pagina 203 (deel 1).

8. Een geschrift, zijnde een ambtsedige verklaring omzetbelasting opgemaakt door ambtenaar Belastingdienst mw. [persoon 2] van 7 december 2017, DOC-092, doorgenummerde pag. 368 (deel 2), met als bijlagen de ingediende aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 2e kwartaal 2017 en 3e kwartaal 2017 van [naam bedrijf BV 4], documentpagina’s: 8 tot en met 10.

9. Een aanvangsproces-verbaal [naam bedrijf BV 4] van 27 december 2017, AMB-034, doorgenummerde pag. 288, documentpagina’s: 4 tot en met 6.

10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] van 29 november 2017, V-05-04, doorgenummerde pag. 629-630.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 4 bewezen dat verdachte

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2017 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk bij de belastingwet voorziene elektronische aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten 91 elektronische aangiften voor de omzetbelasting over de jaren 2011 tot en met 2017, te weten

A) ten name van [naam bedrijf BV 1] ([naam bedrijf BV 1])

57 maandaangiften omzetbelasting over de tijdvakken januari 2011 tot en met december 2015 (DOC-051, AMB-020, DOC-040), waaronder de aangiften over de tijdvakken

- februari 2011 (DOC-051, p. 10), en

- oktober 2011 (DOC-051, p. 18), en

- januari 2012 (DOC-051, p. 21), en

- september 2012 (DOC-051, p. 29), en

- mei 2013 (DOC-051, p. 37), en

- december 2013 (DOC-051, p. 44), en

- januari 2014 (DOC-051, p. 45), en

- oktober 2014 (DOC-051, p. 54), en

- mei 2015 (DOC-051, p. 73-75), en

- september 2015 (DOC-051, p. 85-87), en

B) ten name van [naam bedrijf BV 2] ([naam bedrijf BV 2])

28 maandaangiften omzetbelasting en 1 kwartaalaangifte omzetbelasting over de tijdvakken januari 2011 tot en met december 2014 (DOC-050, AMB-021, DOC-041), waaronder de aangiften over de tijdvakken

- vierde kwartaal 2011 (DOC-050, p. 12) en

- februari 2012 (DOC-050, p. 14), en

- december 2012 (DOC-050, p. 24), en

- januari 2013 (DOC-050, p. 25), en

- december 2013 (DOC-050, p. 36), en

- februari 2014 (DOC-050, p. 38), en

- december 2014 (DOC-050, p. 50-52), en

C) ten name van [naam bedrijf BV 3] ([naam bedrijf BV 3])

4 kwartaalaangiften omzetbelasting, te weten de aangiften over de tijdvakken (DOC-063, AMB-008)

eerste kwartaal 2016 (DOC-063, p. 5-7), en

tweede kwartaal 2016 (DOC-063, p. 8-10), en

derde kwartaal 2016 (DOC-063, p. 11-13), en

vierde kwartaal 2016 (DOC-63, p. 14-16), en

D) ten name van [naam bedrijf BV 4] ([naam bedrijf BV 4])

1. kwartaalaangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2017 (DOC-092, p. 8-10, AMB-032),

onjuist heeft gedaan,

immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Apeldoorn elektronisch ingediende aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde kwartalen / maanden in genoemde perioden een onjuist en te laag bedrag aan omzet / belastbaar bedrag / belasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende die proeftijd geen werkzaamheden als boekhouder verricht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf in matigende zin rekening te houden met de ondergeschikte en afhankelijke rol van verdachte, met zijn proceshouding en met de geringe vergoeding die hij voor de werkzaamheden heeft ontvangen. De raadsman vindt het in dit geval niet passend om te kijken naar het totale benadelingsbedrag in het onderzoek. Er zou gekeken moeten worden naar het financiële voordeel dat verdachte heeft gehad; tussen de € 34.157,80 en € 122.713,75. De oriëntatiepunten van de rechtbanken geven in dat geval een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt. De gedragingen van verdachte hebben verder geen merkbare marktverstoring teweeg gebracht of het vertrouwen in de markt merkbaar geschaad. Als aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd zal hij zijn huurhuis verliezen en moeten zijn katten naar het asiel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft als boekhouder jarenlang onjuiste aangiften omzetbelasting ingediend voor diverse bedrijven van een van zijn cliënten. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude. Hij heeft zijn cliënt in staat gesteld op zeer grote schaal fraude te plegen.

De rechtbank heeft gekeken naar op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die de rechtbanken gezamenlijk hebben vastgesteld. Gezien de hoogte van het benadelingsbedrag van ruim 2,5 miljoen euro aan te weinig betaalde omzetbelasting zou in beginsel een gevangenisstraf van enige jaren op zijn plaats zijn. De rechtbank vindt het in deze zaak echter niet passend het benadelingsbedrag als uitgangspunt te nemen voor de strafmaat. Reden hiervoor is dat niet is gebleken dat verdachte op de hoogte was van de precieze omvang van de fraude, dat hij geen initiatiefnemer was, dat hij een ondergeschikte rol had en geen financieel voordeel heeft gehad van de belastingfraude en dat hij vanaf de start van de onderzoeken openheid van zaken heeft gegeven. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte de feiten heeft gepleegd als boekhouder en dat hij hiermee is begonnen toen hij nog in een proeftijd liep van een veroordeling voor het plegen van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte moet zich als boekhouder bewust zijn geweest van het verwijtbare van zijn handelen. Hij heeft jarenlang belastingfraude gefaciliteerd en de schatkist, en daarmee de maatschappij, benadeeld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf opleggen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een beroepsverbod van vijf jaar opleggen om hem ervan te weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c (oud), 22c, 22d, 28 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen .

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uur, met bevel voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Ontzet verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van boekhouder, dan wel van administrateur, voor de duur van 5 (vijf) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. M.R.J. van Wel en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juni 2019.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature