< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag inschrijving deskundigenregister. Beoordeelde rapporten voldoen niet op drie beoordelingsaspecten. Verweerder heeft voldoende grondslag kunnen zien voor de conclusie dat de aangeleverde rapportages niet aan de daaraan gestelde eisen voldoen. Verweerder heeft verder kunnen concluderen dat een voorwaardelijke inschrijving of inschrijving voor beperkte duur niet mogelijk is. Er is geen sprake van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM . Beroep ongegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/3940

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Sijmons),

en

het College gerechtelijk deskundigen , verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.A. Smithuis).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om ingeschreven te worden in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (het register) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. E.A.A. van Nieuwkerk en mr. M.A. Schaap.

Overwegingen

1. Eiser heeft gewerkt als [functie] bij het [bedrijf] en als [functie] aan de [bedrijf] . Eiser is nu [functie] . Hij treedt vaak op als [functie] en brengt Pro Justitia rapportages uit. Op 1 mei 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend om ingeschreven te worden in het register voor het [deskundigheidsgebied]

2. Bij het primaire besluit is de aanvraag afgewezen. Hieraan ligt een advies van de Toetsingsadviescommissie (TAC) van 24 november 2014 ten grondslag. De TAC heeft de zaakrapportages die bij de aanvraag zijn ingediend beoordeeld aan de hand van acht aspecten. De rapportages zijn op de aspecten ‘Onderzoekmateriaal en data’, ‘Onderzoeksmethoden en interpretatie’ en ‘Rapportage’ als niet voldoende beoordeeld. De TAC concludeert dat eiser in de rapportages niet heeft kunnen getuigen van een toereikende kwaliteit. De informatie is niet geordend of er ontbreekt essentiële informatie. De diagnostiek wordt soms niet onderbouwd, het ontbreekt aan consistentie of eiser gaat buiten zijn boekje door uitspraken te doen over een persoon die hij nooit heeft gezien. De doorwerking van de stoornissen in de tenlastelegging is volgens de TAC niet helder en/of expliciet en een zwaar TBS advies komt in een rapportage vrij plotseling in de beantwoording van de vragen aan de orde.

3. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit in stand gebleven. Verweerder heeft daaraan het advies van de Bezwaaradviescommissie (BAC) van 13 mei 2015 ten grondslag gelegd. De BAC volgt het advies van de TAC. De BAC concludeert dat de beoordeelde rapportages van eiser op drie essentiële aspecten (‘Onderzoeksmateriaal en data’, ‘Onderzoeksmethoden en interpretatie’ en ‘Rapportage’) te kort schieten. Eiser komt volgens de BAC niet voor inschrijving in aanmerking. Een inschrijving voor beperkte duur is naar de mening van de BAC evenmin aan de orde. Uitgangspunt is dat de rapporten over de hele linie van voldoende niveau moeten zijn om voor inschrijving in het register in aanmerking te komen. Een registratie voor beperkte duur zal slechts in een zeer uitzonderlijke situatie plaatsvinden en het moet dan gaan om een enkel ontwikkelingspunt. Hier gaat het om drie aspecten die onvoldoende zijn bevonden, aldus de BAC.

4. Eiser acht zichzelf een zeer competent [functie] met een zeer ruime ervaring. Hij meent in aanmerking te komen voor inschrijving in het register, eventueel in de vorm van een voorwaardelijke inschrijving of inschrijving voor beperkte duur. Eiser is op hierna te bespreken gronden in beroep gekomen tegen het bestreden besluit.

5.1

Op grond van artikel 2 van het Besluit register deskundige in strafzaken (Brdis) heeft het register ten doel de gebruikmaking van deskundigen in strafzaken, die naar het oordeel van het College [functie] voldoen aan de in artikel 12, tweede lid, genoemde kwaliteitseisen, te bevorderen door de gegevens van deze deskundigen, voor zover zij relevant zijn voor potentiële opdrachtgevers, bijeen te brengen en openbaar te maken.

5.2

Op grond van artikel 7, tweede lid, van het Brdis stelt het college maatstaven op aan de hand waarvan per deskundigheidsgebied wordt beoordeeld of een aanvraag voldoet aan de in artikel 14, eerste en tweede lid, bedoelde eisen, en maakt deze openbaar.

5.3

Op grond van artikel 12, tweede lid, van het Brdis wordt een deskundige op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het college:

a. beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft;

b. beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin;

c. in staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden;

d. in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren;

e. in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen;

f. in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen;

g. in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren;

h. in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn;

i. in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

5.4

Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Brdis wordt de aanvraag tot inschrijving afgewezen indien de aanvrager naar het oordeel van het college niet voldoet aan de in artikel 12, tweede lid, genoemde kwaliteitseisen, behoudens wanneer toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 1 9.

6.1

Verweerder heeft in samenspraak met relevante partijen uit het veld beleidsregels opgesteld die specifieke eisen voor de registratie van deskundigen op een bepaald deskundigheidsgebied bevatten. Voor de registratie van eiser zijn relevant de ‘Registratie-eisen en toetsingsprocedure [deskundigheidsgebied]

6.2

In de [deskundigheidsgebied] is een nadere invulling gegeven aan de vereisten van artikel 12, tweede lid, van het Brdis voor dit specifieke deskundigheidsgebied. De rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak van 14 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2013:BW0311, geoordeeld dat verweerder met het stellen van deze eisen aan de deskundigheid van aanvragers niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om nu tot een ander oordeel over de [deskundigheidsgebied] te komen. De Registratie-eisen zijn dus niet rechtens onjuist of onredelijk.

7.1

De rechtbank constateert dat in het Brdis uitdrukkelijk is voorgeschreven dat om in aanmerking te komen voor inschrijving in het register, voldaan moet zijn aan de kwaliteitseisen van artikel 12, tweede lid. Als de deskundige niet aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, moet de aanvraag tot inschrijving op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Brdis worden afgewezen, behoudens de uitzondering van artikel 19 van het Brdis, waar de rechtbank nog nader op in zal gaan.

7.2

De wettelijke voorschriften in het Brdis laten geen ruimte voor inschrijving in het register als niet is voldaan aan dit wettelijk kader. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1249. Dat betekent dat het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet kan slagen. Op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb moet immers een beperking die uit een wettelijk voorschrift voortvloeit, zoals in dit geval artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Brdis, gerespecteerd worden. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, zoals zijn lange carrière, de reputatieschade en het inkomensverlies dat hij stelt te lijden, kunnen dus niet leiden tot het door hem gewenste resultaat.

7.3

Het betoog van eiser dat er sinds juni 2010 meerdere versies zijn geweest van de [deskundigheidsgebied] is op zichzelf juist. Ten tijde van het primaire besluit gold versie 2.1 van februari 2014. Ten tijde van het bestreden besluit gold versie 2.3 van januari 2015. Na vergelijking van beide versies heeft de rechtbank echter niet kunnen constateren dat de registratie-eisen en de toetsingsprocedure in versie 2.1 verschillen van die in versie 2.3. Niet is gebleken dat eiser op enigerlei wijze benadeeld zou zijn doordat sinds 2010 meerdere versies hebben gegolden.

7.4

Voor de beoordeling of de afwijzing van eisers aanvraag tot inschrijving in het register in rechte stand kan houden is dus bepalend of eiser voldoet aan de in artikel 12, tweede lid, van het Brdis gestelde kwaliteitseisen, zoals die zijn uitgewerkt in de [deskundigheidsgebied] . Gelet op de formulering ‘naar het oordeel van het College’ in dit artikellid en in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Brdis komt verweerder hierbij beoordelingsvrijheid toe. Dit betekent dat de rechtbank op dit punt terughoudend moet toetsen.

7.5

Het primaire besluit berust op het TAC-advies van 24 november 2014. Het bestreden besluit berust op het BAC-advies van 13 mei 2015. Het standpunt van verweerder dat eiser niet voldoet aan de criteria die gelden voor de aspecten ‘Onderzoeksmateriaal en data’, ‘Onderzoeksmethode en interpretatie’ en ‘Rapportage’ wordt ondersteund door zowel het TAC- als het BAC-advies. De TAC en de BAC hebben de aanvraag van eiser op basis van de door hem aangeleverde rapportages kenbaar getoetst aan de [deskundigheidsgebied] . Zowel de TAC als de BAC hebben in de rapportages op de eerdergenoemde drie aspecten tekortkomingen geconstateerd qua ordening, volledigheid, inzichtelijkheid en onderbouwing. Anders dan eiser aanvoert, zien de tekortkomingen die de TAC en de BAC hebben geconstateerd, niet alleen op de wijze van rapporteren als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder g, van de Brdis. In de adviezen van de TAC en de BAC staat dat de rapportages ook op vakinhoudelijke punten als onvoldoende worden beoordeeld. Het gaat dan om de eisen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder e en f, van de Brdis. Dat eiser kan uitleggen waarom hij bepaalde punten niet in de rapportages heeft opgenomen, betekent niet dat de adviezen van de TAC en de BAC onjuist zouden zijn en dat verweerder zich niet op die adviezen heeft mogen baseren. Verweerder mag verlangen dat uit de aangeleverde rapportages zelf blijkt dat deze voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Eisers betoog dat hij wel voldoet aan de eisen, omdat zijn rapportages in combinatie met zijn toelichting voor opdrachtgevers steeds begrijpelijk, leesbaar en bruikbaar waren en dat zijn beoordeling in zijn rapportages in essentie niet in twijfel wordt getrokken, kan daarom niet slagen.

7.6

Het betoog van eiser dat hij wordt afgerekend op het gebruik van een format voor zijn rapportages dat afwijkt van het NIFP-format, kan ook niet slagen. Zoals verweerder heeft toegelicht, zijn aanvragers vrij in het kiezen van een rapportageformat. Dit staat ook in de [deskundigheidsgebied] . Op bladzijde 11 van versie 2.3 van januari 2015 staat dat wordt getoetst of een rapporteur adequate rapporten schrijft, niet of in de rapportage wel of geen gebruik is gemaakt van een format. Niet is gebleken dat het enkele gebruik van een bepaald format door eiser doorslaggevend is geweest voor de afwijzing van het verzoek tot inschrijving. Evenmin kan worden geconcludeerd dat verweerder zijn bevoegdheid misbruikt door een bepaalde wijze van rapporteren af te dwingen. Van strijd met het verbod van détournement de pouvoir, zoals eiser betoogt, is dus geen sprake.

7.7

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bevindingen van de TAC en de BAC voldoende grondslag heeft kunnen zien voor de conclusie dat de aangeleverde rapportages niet aan de daaraan gestelde eisen voldoen. Dat eiser een indrukwekkende staat van dienst heeft (wat verweerder ook volmondig erkent) en dat hij een van de weinige deskundigen Pro Justitia is die is gepromoveerd op een strikt forensisch onderwerp, leidt niet tot een ander oordeel.

7.8

De door eiser overgelegde verklaring van dr. B.C.M. Raes van 11 januari 2016 maakt het voorgaande niet anders. In de systematiek van de toetsing van een aanvraag tot inschrijving in het register komt geen betekenis toe aan het oordeel van derden. Aan de hand van de door eiser zelf aangeleverde rapportages moet aan de door verweerder ingeschakelde deskundigen blijken of de rapportages van eiser voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Of een andere vakgenoot of deskundige de rapportages wel vindt voldoen aan de eisen, is niet doorslaggevend.

8. Eiser betoogt verder dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om hem voorwaardelijk in te schrijven. Eiser verwijst hierbij naar artikel 19, eerste lid, van het Brdis en het daarbij door verweerder gehanteerde beleid dat een tijdelijke inschrijving mogelijk is, als sprake is van een enkel ontwikkelpunt.

9. Op grond van artikel 19, eerste lid, van het Brdis, kan een deskundige die niet aan het vereiste van artikel 12, tweede lid, onderdeel b, voldoet maar ten aanzien van wie naar het oordeel van het college redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daar binnen een periode van ten hoogste vier jaar wel aan zal voldoen, worden geregistreerd onder de voorwaarde dat hij binnen een door het college te bepalen termijn alsnog aan het desbetreffende vereiste voldoet.

10.1

Verweerder heeft in overleg met relevante partijen uit het veld ook beleidsregels vastgesteld voor voorwaardelijke registraties. In dit geval is dat het ‘Beleidskader registratie voor beperkte duur’ (Beleidskader).

10.2

Ingevolge artikel 1 van het Beleidskader, kan het college een aanvrager voor beperkte duur registreren. Registratie voor beperkte duur vindt in beginsel plaats voor een periode van maximaal twee jaar.

10.3

Ingevolge artikel 2 van het Beleidskader, kan een deskundige die niet volledig voldoet aan de eisen van artikel 12, tweede lid, sub a tot en met 1 van het Brdis, niet of niet voldoende beschikt over eigen werk dan wel van wie een eerdere aanvraag door het college is afgewezen, worden geregistreerd voor beperkte duur.

10.4

In de toelichting bij dit laatste artikel staat dat als een aanvrager niet volledig voldoet aan de eisen van artikel 12 tweede lid sub a tot en met i van het Brdis, verweerder kan beslissen om de aanvrager voor beperkte duur te registreren. Dit maakt het mogelijk om het beslissingsinstrumentarium beter toe te spitsen op de individuele deskundige. Als uitgangspunt blijft gelden dat een aanvrager over de hele linie voldoende niveau aan deskundigheid moet hebben om in het register te kunnen worden ingeschreven. Dat geldt ook voor de deskundige die voor beperkte duur wordt geregistreerd. Een registratie voor beperkte duur zal dan ook, in het geval van maatwerkbeslissingen, slechts in een zeer uitzonderlijk geval plaatsvinden. Het zal altijd moeten gaan om een enkel ontwikkelpunt.

11. In aanmerking genomen dat de TAC en de BAC hebben geconcludeerd dat de rapportages van eiser op drie aspecten tekortkomingen hadden, is geen sprake van slechts één ontwikkelpunt. Verweerder heeft dus kunnen concluderen dat een voorwaardelijke inschrijving of inschrijving voor beperkte duur niet mogelijk is. Het betoog van eiser slaagt niet.

12.1

Eiser betoogt ten slotte dat de weigering om hem in te schrijven in strijd is met de proportionaliteitseis uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol bij het EVRM). De registratie-eis is aan te merken als regulering van eigendom en daarvoor geldt het proportionaliteitsvereiste.

12.2

Voor zover de weigering om eiser in te schrijven al is aan te merken als een aantasting van het recht op ongestoord genot van zijn eigendom, laat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet. Het Brdis en de daarop gebaseerde beleidsregels reguleren een algemeen belang dat een inbreuk op het eigendomsrecht rechtvaardigt, te weten bescherming tegen onvoldoende gekwalificeerde deskundigen in een forensische situatie. Het betoog treft geen doel.

13. Gelet op het vorenstaande berust de weigering om eiser in te schrijven in het register op een toereikende grondslag. Ook in wat eiser verder heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De conclusie is dus dat het beroep ongegrond is.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, voorzitter, mr. T.N. van Rijn en mr. J. Huber, leden,in aanwezigheid van mr. H.J. van der Wal en mr. C. Pol, griffiers.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2016.

griffiers

voorzitter

mr. H.J. van der Wal

mr. C. Pol

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature