< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Vordering tot overname aandelen ex artikel 2:343 lid 1 BW . Voldaan aan geldende criterium dat eiser door gedragingen van gedaagden zodanig in haar rechten of belangen is, dan wel wordt, geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Volgt waardering aandelen aan de hand van deskundigenbericht. Correctie op oordeel deskundigen op grond van artikel 2:343 lid 4 BW .

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/528848 / HA ZA 12-1288

Vonnis van 13 mei 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LDMA HOLDING B.V.,

gevestigd te Castricum,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B.J.H. Kesnich te Alkmaar,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IW&E MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MSJ BEHEER B.V.,

gevestigd te Katwijk,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J. Duijker te Amsterdam.

Partijen zullen hierna LDMA en IW&E c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk IW&E en MSJ Beheer worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 17 juli 2013,

het deskundigenbericht van 25 september 2014,

de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende wijziging van eis in conventie van LDMA, met producties,

de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende wijziging van eis in reconventie van IW&E c.s., met producties,

de antwoordakte wijziging van eis tevens akte uitlating producties van LDMA.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De rechter die het tussenvonnis van 17 juli 2013 heeft gewezen en ten overstaan van wie de comparitie heeft plaatsgevonden is om organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen.

2 De vordering in conventie

2.1.

LDMA vordert, samengevat en na wijziging van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

2.1.1.

IW&E c.s. hoofdelijk ex artikel 2:343 lid 1 BW jegens LDMA te veroordelen tot overname van de 600 aandelen die LDMA houdt in VRC Investments B.V. alsmede tot betaling van de koopprijs tegen behoorlijk bewijs van kwijting, op straffe van een dwangsom en vermeerderd met de wettelijke rente,

subsidiair:

2.1.2.

IW&E c.s. hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van de mondelinge vaststellingsovereenkomst gesloten op 16 mei 2012 zoals omschreven in alinea 13 van de dagvaarding, op straffe van een dwangsom,

primair en subsidiair:

2.1.3.

de prijs te bepalen van de aandelen op grond van artikel 2:340 BW, met inachtneming van het uitgebrachte deskundigenbericht, vermeerderd met de wettelijke rente over de koopprijs vanaf 1 juli 2013 en met toepassing van een nader te bepalen billijke verhoging ex artikel 2:343 lid 4 BW en met veroordeling van ieder der partijen in 1 /3 deel van de kosten van het deskundigenbericht,

2.1.4.

hoofdelijke veroordeling van IW&E c.s. in de proceskosten, daaronder begrepen de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

IW&E c.s. voert verweer.

3 De vordering in reconventie

3.1.

IW&E c.s. vordert, samengevat en na wijziging van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

3.1.1.

LDMA te veroordelen tot nakoming van de tussen partijen ter comparitie van 27 juni 2013 gemaakte afspraken, inhoudende dat partijen zo spoedig mogelijk met elkaar in onderhandeling treden teneinde finale overeenstemming te bereiken over de koop/verkoop van de door LDMA gehouden aandelen in VRC Investments B.V., zulks met inachtneming van i) de ter comparitie gemaakte partijafspraken als verwoord in het proces-verbaal, ii) het deskundigenbericht en iii) de relevante ontwikkelingen nadien die een effect hebben op de waarde van de aandelen per heden,

3.1.2.

LDMA te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van het deskundigenbericht en te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij – indien en voor zover de vordering van LDMA wordt toegewezen – het door IW&E c.s. te betalen bedrag in mindering wordt gebracht op de koopprijs.

3.2.

LDMA voert verweer.

4 De beoordeling

in reconventie 4.1.

De rechtbank zal, gelet op de inhoud van deze vordering, de onder 3.1.1. weergegeven reconventionele vordering eerst behandelen.

Afspraken 27 juni 2013 4.2. IW&E c.s. heeft aan haar vordering in reconventie ten grondslag gelegd dat tussen partijen op 27 juni 2013 ter gelegenheid van de comparitie is overeengekomen dat het deskundigenbericht het startpunt is van een afrondende onderhandelingsronde ter beëindiging van het geschil, zodat LDMA met IW&E c.s. in onderhandeling moet treden teneinde zo spoedig mogelijk finale overeenstemming te bereiken. LDMA heeft dit betwist.

4.3.

Vast staat dat partijen ter comparitie een deelschikking zijn overeengekomen. In het proces-verbaal van comparitie is daaromtrent het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van het mondelinge debat constateert de rechter dat partijen ten einde de mogelijkheid van een schikking te vergroten overeenstemming hebben bereikt over het volgende:

1. LDMA is bereid haar aandelen in VRC Investments B.V. te verkopen aan gedaagden;

(…)

4. de deskundigen zullen een marktconforme prijs bepalen van de aandelen (…)5. als peildatum voor de waardebepaling geldt 1 juli 2013;

(…)

7. mocht de rapportage door de deskundige niet tot een schikking leiden, dan zal het deskundigenbericht in de onderhavige procedure de basis vormen voor de verdere oordeelsvorming van de rechtbank (…)”

4.4.

Uit de tekst van het proces-verbaal blijkt dat het doel van het deskundigenbericht is geweest om de mogelijkheid van een schikking te vergroten en dat uitdrukkelijk ook rekening is gehouden met een situatie waarin het deskundigenbericht niet tot een schikking leidt. IW&E c.s. heeft tegenover de betwisting door LDMA onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit IW&E c.s. redelijkerwijs zou hebben mogen afleiden dat het deskundigenbericht het startpunt zou zijn voor nader overleg (in aanvulling op de contacten tussen partijen na het deskundigenbericht) waartoe LDMA zich op 27 juni 2013 heeft willen verbinden. Het proces-verbaal van de comparitie is daartoe, gelet op de stellingen van partijen over de comparitie en de tekst van dat proces-verbaal, onvoldoende.

Uit de standpunten van partijen is verder af te leiden dat partijen contact hebben gehad over een regeling in der minne en dat zij het niet met elkaar eens zijn over een wezenlijk punt, namelijk hoe om te gaan met de recente ontwikkelingen (de gestelde verliezen) in de onderneming. Partijen hebben niets aangereikt waaruit volgt dat er in voldoende mate uitzicht is op een regeling. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat (nader) overleg niet zinvol zou zijn.

De onder 3.1.1. weergegeven reconventionele vordering van IW&E c.s. zal dan ook worden afgewezen. Hetgeen LDMA hiertegen voor het overige heeft aangevoerd behoeft dan ook geen bespreking.

in conventie

4.5.

In conventie ligt, kort gezegd, (primair) ter beoordeling voor of IW&E c.s. op grond van artikel 2:343 lid 1 BW verplicht moet worden de aandelen van LDMA in de Vennootschap over te nemen en zo ja, welke waarde deze aandelen vertegenwoordigen.

Overname aandelen

4.6.

LDMA heeft aan haar vordering inzake de overname van de aandelen – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat partijen het eens zijn over de noodzaak de aandelen over te nemen en dat is voldaan aan de vereisten van artikel 2:343 lid 1 BW , zodat IW &E c.s. gehouden is de aandelen van LDMA over te nemen.

4.7.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat IW&E c.s. bij conclusie na deskundigenbericht weliswaar te kennen heeft gegeven dat zij zich niet verzet tegen deze vordering, maar dat IW&E c.s. hieraan bepaalde voorwaarden heeft verbonden. Dat betekent, zoals IW&E c.s. ook uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt, dat van een zuivere erkenning van deze vordering door IW&E c.s. geen sprake is.

4.8.

Beoordeeld dient dan ook te worden of is voldaan aan de vereisten van artikel 2:343 lid 1 BW . Hiervoor is nodig dat LDMA door gedragingen van IW &E c.s. zodanig in haar rechten of belangen is, dan wel wordt, geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd.

4.9.

Vast staat dat van de zijde van IW&E c.s. (namens de Vennootschap) bij brief van 8 juni 2012 de managementovereenkomst tussen LDMA en de Vennootschap tegen 30 september 2012 is opgezegd. Daarnaast staat vast dat LDMA bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders op 25 juni 2012 is ontslagen als statutair bestuurder van de Vennootschap. Als gevolg hiervan verloor LDMA de zeggenschap over de Vennootschap op bestuursniveau en nam zij in de algemene vergadering van aandeelhouders enkel nog de positie van minderheidsaandeelhouder in. Duidelijk is voorts dat de relatie tussen partijen alsmede de relatie tussen [naam 1] enerzijds en [naam 2] en [naam 3] anderzijds op een dusdanige wijze is verstoord dat wederzijds vertrouwen ontbreekt en (vruchtbare) samenwerking tussen partijen niet langer mogelijk is. Illustratief daarvoor is dat IW&E c.s. overweegt om strafrechtelijk aangifte tegen LDMA / [naam 1] te doen. Tot slot is nog van belang (a) dat IW&E c.s. bij akte na deskundigenbericht te kennen heeft gegeven dat zij (onder de door haar gestelde voorwaarden) wenst te voorkomen dat de vordering van LDMA tot overname van de aandelen wordt afgewezen en (b) dat IW&E c.s. een beginselovereenkomst tot overname van de aandelen door haar heeft erkend (antw., 18, 20, 31) onder nader overeengekomen voorwaarden (zoals de wijze van vaststelling van de koopsom en de peildatum). IW&E c.s. is het verder eens met de vaststelling van de koopsom door drie deskundigen conform de eis van LDMA (antw., 55, pln. 16), onder het voorbehoud van financiering. Zij heeft na kennisname van het oordeel van de deskundigen niet naar voren gebracht dat zij zich voor problemen op het terrein van financiering geplaatst ziet.

4.10.

In het licht van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat LDMA door haar ontslag als statutair bestuurder van de Vennootschap en het opzeggen van de management-overeenkomst zodanig in haar belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd, nu LDMA door dit ontslag haar zeggenschap in de onderneming op directieniveau volledig is ontnomen en zij in de algemene vergadering van aandeelhouders als minderheidsaandeelhouder in een benarde positie verkeert. Voornoemde gedragingen kwalificeren als gedragingen van IW&E c.s. in de zin van artikel 2:343 lid 1 BW . Dat betekent dat de onder 2.1.1. opgenomen vordering van LDMA toewijsbaar is.

4.11.

De door LDMA in dit verband gevorderde dwangsom zal worden toegewezen: een dwangsom van € 25.000,- per dag voor iedere dag dat IW&E c.s. na verloop van vier weken nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en aan IW&E c.s. is betekend niet voldoet aan de veroordeling tot overname van de aandelen, tot een maximum van € 500.000,00. IW&E c.s. heeft aldus een redelijke termijn om aan de veroordeling te voldoen, voordat dwangsommen verschuldigd zijn.

Waarde aandelen

4.12.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de beoordeling van de vraag voor welk bedrag IW&E c.s. de aandelen van LDMA over dient te nemen. Geschilpunten in dat verband betreffen i) de vraag wat de waarde van de aandelen op 1 juli 2013 was, ii) de vraag tegen welke datum (1 juli 2013 of een andere datum) de aandelenwaardering dient plaats te vinden en de vraag of er correcties in verband met gebeurtenissen na de peildatum moeten worden doorgevoerd en iii) of er andere correcties moeten worden doorgevoerd, dan wel op grond van artikel 2:343 lid 4 BW een billijke verhoging van de overnamesom plaats moet vinden.

Ad i).

4.13.

Ter gelegenheid van de comparitie is tussen partijen afgesproken dat er drie deskundigen zullen worden benoemd die de waarde van de aandelen van LDMA zullen bepalen, waarbij 1 juli 2013 als peildatum zal worden gehanteerd. Daarbij is overeengekomen dat, als partijen geen schikking bereiken, het rapport van de deskundigen in deze procedure de status zal hebben van een gebruikelijk door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek. De conclusie in het rapport van de deskundigen is dat de aandelen van LDMA per 1 juli 2013 kunnen worden gewaardeerd op € 611.000,00.

4.14.

LDMA heeft te kennen gegeven zich in de door de deskundigen vastgestelde waarde te kunnen vinden. Door IW&E c.s. is echter aangevoerd dat de deskundigen ten onrechte naar aanleiding van het commentaar van LDMA op het conceptrapport de scheepskosten voor de Marpol 1 voor 10% in plaats van 15% aan de Vennootschap hebben toegekend. De deskundigen hebben niet gemotiveerd waarom dit is gebeurd en IW&E c.s. is ook niet in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Het (netto) effect van deze aanpassing is een bedrag van € 62.530,00 in het voordeel van LDMA, welk bedrag dus in mindering moet worden gebracht op de waardering van € 611.000,00, aldus – steeds – IW&E c.s.

4.15.

In het deskundigenrapport is in dit verband het volgende opgenomen (zie bladzijde 8 van bijlage 6 bij het deskundigenrapport):

“Blz. 47: deskundigen worden verzocht om uit te gaan van kosten van 1% van de totale scheepskosten voor Marpol 1 in plaats van 15%, omdat dit een nieuw aluminium vaartuig betreft.

Reactie deskundigen:

De interne administratie van Marpol Services voorziet niet in een kostenallocatie van de verschillende activiteiten. Ten behoeve van het opstellen van een prognose voor de periode na 2017 hebben deskundigen een inschatting gemaakt. (…) LDMA verstrekt geen nader inzicht in de verdeling van de kosten. Deskundigen hebben dit uitgangspunt nogmaals behandeld en besloten om uit te gaan van 10% in plaats van 15%. Hiertoe hebben deskundigen besloten omdat de Marpol 1 duidelijk een ander soort schip is en een andere rol heeft. Deskundigen veronderstellen dat de Marpol 1 relatief lagere kosten met zich meedraagt dan de andere 5 schepen”

4.16.

Ten aanzien van het door de deskundigen gehanteerde percentage van 10% geldt het volgende. Met betrekking tot de overige schepen hebben de deskundigen een percentage van 15% aan scheepskosten gehanteerd. Dit percentage is door geen van partijen in deze procedure aangevochten. Het gaat er derhalve om of de deskundigen op goede gronden het percentage voor de Marpol 1, in afwijking hiervan, op 10% hebben gesteld. De deskundigen hebben dit oordeel gerechtvaardigd door te verwijzen naar het soort schip dat de Marpol 1 is en de rol van de Marpol 1. IW&E c.s. heeft aangevoerd dat het materiaal waarvan de Marpol 1 is gemaakt (aluminium) meebrengt dat het schip in verband met hogere onderhoudskosten ten minste even duur is als de overige schepen, ook al is de Marpol 1 kleiner.

Uit het deskundigenrapport blijkt dat de gehanteerde percentages prognoses (en dus: schattingen) betreffen. Hieraan is inherent dat niet exact te verantwoorden valt waarom de deskundigen een percentage van 10% hanteren (en niet, bijvoorbeeld, van 13%, zoals IW&E c.s. heeft gesteld). De beslissingen over deze percentages behoren tot het terrein van de bijzondere geleerdheid van de deskundigen. IW&E c.s. heeft de kennis en ervaring van de deskundigen terecht niet betwist. De keuze van de deskundigen is, anders dan IW&E c.s. stelt, voldoende gemotiveerd, nu de deskundigen kennis hebben genomen van het materiaal (aluminium, waarvan de Marpol I is gebouwd) en voldoende inzicht hebben gegeven in de redenen voor deze keuze. Partijen hebben commentaar geleverd op het concept deskundigenbericht. IW&E c.s. heeft in dit geding gewezen op hoge onderhoudskosten van aluminium en het is niet zonder meer duidelijk dat de deskundigen bekend waren met dit punt, maar IW&E c.s. heeft niet duidelijk gemaakt dat zij de deskundigen heeft verzocht zich te mogen uitlaten over het commentaar van LDMA (om het punt van de onderhoudskosten naar voren te mogen brengen). IW&E c.s. heeft de gestelde hoge onderhoudskosten ook niet concreet toegelicht; ook in dit geding is geen concrete analyse aangereikt waaruit volgt dat de kosten van de Marpol I gezien het vereiste onderhoud ten minste even hoog zullen zijn als die van de overige schepen, zoals zij stelt. Niet duidelijk is welke steekhoudende bezwaren IW&E c.s. zou hebben aangevoerd indien zij daartoe in de gelegenheid zou zijn gesteld. Dat de prognose / schatting van de deskundigen onjuist is, is bij deze stand van zaken door IW&E c.s. niet voldoende toegelicht. De rechtbank ziet derhalve geen grond om op dit punt van het deskundigenbericht af te wijken of om een nader advies in te winnen bij de deskundigen.

4.17.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank aan zal sluiten bij de conclusie van de deskundigen, zodat als vaststaand wordt aangenomen dat de aandelen van LDMA per 1 juli 2013 een waarde van € 611.000,00 vertegenwoordigden.

Ad ii).

4.18.

LDMA heeft vervolgens gesteld dat op de zitting van 27 juni 2013 is overeengekomen dat 1 juli 2013 als peildatum voor de waardering van de aandelen heeft te gelden, zodat er geen ruimte is om eventuele wijzigingen in de waarde van de aandelen over de periode nadien mee te nemen in de beoordeling van haar vordering. IW&E c.s. heeft dit betwist en aangevoerd dat de waarde bepaald moet worden op een moment dat zo dicht mogelijk bij de daadwerkelijke overdrachtsdatum ligt.

4.19.

De rechtbank constateert dat partijen in de deelschikking uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat als peildatum voor de waardebepaling 1 juli 2013 geldt. Daarbij is niet opgenomen dat, als partijen naar aanleiding van het deskundigenbericht geen schikking zouden bereiken, de peildatum voor de waardebepaling zou worden bijgesteld. Dit terwijl uit de rest van het proces-verbaal blijkt dat partijen wel degelijk rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat er geen schikking zou worden bereikt. Als peildatum heeft derhalve 1 juli 2013 te gelden.

4.20.

Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank – in het kader van een behoorlijke vaststelling van de waarde van de aandelen – veranderingen van de waarde van de aandelen in de periode gelegen tussen de gehanteerde peildatum en de datum van overdracht van de aandelen in aanmerking kan nemen (zie Hoge Raad 11 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2132). Dat partijen bij het overeenkomen van de deelschikking hebben bedoeld om van dit uitgangspunt af te wijken is niet gebleken. Dit volgt niet uit de vaststelling van 1 juli 2013 als peildatum en voor het overige zijn geen omstandigheden gesteld waaruit dit zou moeten volgen. Dat maakt dat 1 juli 2013 als peildatum voor de aandelenwaardering heeft te gelden, maar dat veranderingen in de waarde van de aandelen in de periode nadien door de rechtbank kunnen worden meegenomen bij de daadwerkelijke waardering van de aandelen.

4.21.

Ten aanzien van de ontwikkelingen in de waarde van de aandelen van LDMA ná 1 juli 2013 heeft IW&E c.s., onder verwijzing naar een door haar deskundige opgemaakt rapport, het volgende gesteld. De Vennootschap heeft over 2013 een verlies van € 279.000,- en over 2014 (op basis van tussentijdse cijfers) een verlies van € 360.000,- geleden. Daarnaast is de Vennootschap een opdracht van Rijkswaterstaat misgelopen. Dit samen resulteert in een waarde van aandelen van € 262.000,-, aldus IW&E c.s. LDMA heeft dit betwist.

4.22.

LDMA heeft terecht betoogd dat het rapport dat IW&E c.s. door haar eigen deskundige heeft laten opstellen in deze procedure niet de status heeft van een rapport van een door de rechtbank benoemde deskundige. Dat neemt echter, anders dan LDMA kennelijk meent, niet weg dat dit rapport als onderbouwing van het standpunt van IW&E c.s. kan dienen.

4.23.

De rechtbank ziet geen grond de door IW&E c.s. gestelde verliezen (bij wijze van correctie op het oordeel van de deskundigen of anderszins) te betrekken bij de waardering van de aandelen. Partijen zijn het er immers over eens dat LDMA in 2013 en 2014 niet langer betrokken was bij het bepalen van het beleid van de onderneming. IW&E c.s. heeft niets gesteld waaruit volgt dat de gestelde verliezen (in aanmerkelijke mate) te herleiden zijn tot keuzes die al in 2012 (onder leiding van of in overleg met LDMA) zijn gemaakt. IW&E c.s. heeft de achtergronden en oorzaken van de gestelde verliezen in het geheel niet toegelicht. Het moet er dan ook bij gebreke van een nadere toelichting voor worden gehouden dat de gestelde verliezen samenhangen met keuzes die IW&E c.s. geheel zelfstandig heeft gemaakt na het ontslag van LDMA. Indien LDMA de verliezen zou moeten dragen, zou dit tot het ongewenste gevolg leiden dat IW&E c.s. in de periode tussen het ontslag van LDMA en de overdracht van de aandelen zonder enig overleg met LDMA een nieuwe koers kan varen en de ongunstige gevolgen daarvan (deels) voor rekening van LDMA kan brengen. Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien IW&E c.s. na het ontslag van LDMA ervoor had gekozen LDMA (als aandeelhouder) te betrekken bij (strategische) beleidskeuzes in de onderneming, maar hierover is niets gesteld.

Bij het voorgaande moet worden opgemerkt dat de deskundigen een oordeel hebben gegeven over het hele plaatje: prognoses en schattingen van de onderneming in de komende jaren. Indien de gestelde verliezen bij de beoordeling zouden worden betrokken, zou een nieuw advies van de deskundigen over het gehele plaatje nodig zijn en zou in wezen een nieuwe ronde onderzoek, commentaar, advies deskundigen en conclusies na deskundigenbericht plaatsvinden, waarna dat nieuwe advies ook weer achterhaald zou kunnen zijn. Onder deze omstandigheden is het beter de door de deskundigen gehanteerde peildatum aan te houden.Verder moet worden opgemerkt dat IW&E c.s. pleit voor de peildatum 30 juni 2014: dat is ook bijna een jaar geleden.

4.24.

De stelling dat de Vennootschap een opdracht van Rijkswaterstaat is misgelopen leidt niet tot een aanpassing van het door de deskundigen vastgestelde bedrag aan waarde van de aandelen. IW&E c.s. heeft deze omstandigheid aan de deskundigen voorgelegd en die hebben hierin geen aanleiding gezien om de waardering van de aandelen aan te passen (deskundigenbericht, bijlage 6, blz. 11). Dit onderwerp – het maken van prognoses en schattingen over de toekomst van de onderneming, aan de hand van de administratie en de jaarcijfers, en het op die grondslag waarderen van (de mogelijkheden van) de onderneming – behoort tot het terrein van de bijzondere geleerdheid van de deskundigen, die terecht niet is betwist. Het was vervolgens aan IW&E c.s. om gemotiveerd te kennen te geven waarom deze zienswijze van de deskundigen onjuist was. Dit heeft zij onvoldoende gedaan. IW&E c.s. heeft gesteld dat de waarde van de aandelen na deze correctie (en de gestelde verliezen) slechts € 262.000,- is (concl. na deskundigenbericht, 43-44) en zij klaagt dat de deskundigen alleen een algemene risico-opslag hebben verwerkt en geen zelfstandige betekenis hebben gegeven aan het mislopen van deze opdracht. Deze toelichting is niet voldoende om aan te kunnen nemen dat het oordeel van de deskundigen (de algemene risico-opslag) geen goed beeld geeft van de waarde van de onderneming. Hierbij moet worden opgemerkt dat de concrete consequenties en de impact van het mislopen van de opdracht niet zijn toegelicht.

4.25.

De rechtbank zal dan ook uitgaan van de door de deskundigen vastgestelde waarde van de aandelen van € 611.000,-.

Ad iii).

4.26.

LDMA heeft ten slotte nog gesteld dat de waarde van de aandelen op grond van artikel 2:343 lid 4 BW moet worden verhoogd. Daartoe voert LDMA het volgende aan. Het eigen vermogen van de Vennootschap is per 31 december 2012 € 49.913,- te laag weergegeven en het resultaat voor belastingen over boekjaar 2012 is ten onrechte niet in de jaarrekening 2012 opgenomen. In de jaarrekening 2012 is voorts geen rekening gehouden met privé kosten van € 10.000,00 en onrechtmatige onttrekkingen van € 68.829,-. Er is dus sprake van een nadeel van minstens € 128.742,-, aldus – steeds – LDMA. IW&E c.s. heeft dit betwist.

4.27.

Op grond van artikel 2:343 lid 4 BW kan de rechtbank – kort gezegd – een billijke verhoging toepassen indien de gedragingen van IW&E c.s. hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet voor rekening van LDMA dient te blijven.

4.28.

Wat hiervan zij, de rechtbank is van oordeel dat de stellingen van LDMA op dit punten een correctie op het oordeel van de deskundigen rechtvaardigen.

In de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:2786, gewezen tussen LDMA enerzijds en De Vennootschap, Marpol Services en Transoil anderzijds) is het volgende opgenomen:

“3.32 Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het resultaat van Marpol over het jaar 2012 voor een bedrag van afgerond € 17.106 (…) niet juist in de jaarrekening is verantwoord. Naast de onder 3.21 vermelde correctie op het eigen vermogen volgt hieruit dat het eigen vermogen per 31 december 2012 met € 49.913 (…) te laag is verantwoord. Gerelateerd aan de in de jaarrekening 2012 verantwoorde netto-omzet (…) zijn de hiervoor vastgestelde onjuistheden naar het oordeel van de Ondernemingskamer in redelijkheid niet van een zodanige omvang dat dit (…) tot een aanpassing van de jaarrekening 2012 van Marpol zou hebben te leiden. (…)”

Tegen deze vaststelling door de Ondernemingskamer heeft geen van partijen zich in deze procedure verzet. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er van de zijde van IW&E c.s. een bedrag van € 49.913,- in de jaarrekening 2012 te laag is verantwoord. LDMA stelt onvoldoende weersproken dat dit heeft geleid tot een vermindering van de waarde van de aandelen van LDMA. De omstandigheid dat de Ondernemingskamer geen aanleiding heeft gezien om de jaarrekening aan te passen doet aan deze vaststelling niet af. De deskundigen hebben geen kennis genomen van de beschikking van de Ondernemingskamer omdat de deskundigen conform het verzoek van partijen het advies hebben afgerond voordat de beschikking aan partijen ter hand is gesteld. Een correctie op het advies van de deskundigen is tegen deze achtergrond, gelet op de beschikking, gerechtvaardigd.

4.29.

Dat er sprake is geweest van onrechtmatige onttrekkingen uit Transoil B.V. ten gunste van RC Investments B.V. blijkt niet uit de beschikking van de Ondernemingskamer. Integendeel, de Ondernemingskamer overweegt ter zake van de onttrekkingen juist: ‘met dit verweer [is] de stelling dat met de facturering door RC Investments B.V. omzet aan Transoil is onttrokken weerlegd’ (ro. 3.35). Nu LDMA voor het overige geen rechtens relevante feiten en omstandigheden heeft aangevoerd geldt dat LDMA haar stelling op dit punt dan ook onvoldoende heeft onderbouwd.

LDMA stelt dat ten onrechte privé kosten van € 10.000,- zijn verantwoord in de jaarrekening 2012. In de beschikking van de Ondernemingskamer is een bedrag van € 10.000,- (zonder nadere toelichting) niet terug te vinden, maar in ro. 3.12 en 3.13 heeft de Ondernemingskamer de erkenning door de onderneming (dan wel het ontbreken van een betwisting) vastgelegd, waaruit volgt dat de posten schilderkosten (€ 4.522,-), vergunning (€ 185,94), kamer van koophandel (€ 11,- en € 83,33), huurauto (€ 219,76) en Ipod (€ 273,99) in privé zijn gemaakt en ten onrechte ten laste van de onderneming zijn gebracht (totaal: € 5.296,02). IW&E c.s. is hierop niet ingegaan in dit geding. Ook op dit punt is daarom een correctie op het advies van de deskundigen gerechtvaardigd. IW&E c.s. beroept zich op het gezag van gewijsde van de beschikking (concl. na deskundigenbericht, 63), maar dit beroep is ongegrond, reeds omdat de beschikking over de verzochte vernietiging van de jaarrekening gaat (niet de waardering van de aandelen) en de onderneming ten overstaan van de Ondernemingskamer de voormelde feiten heeft erkend (dan wel niet betwist). De beslissing van de Ondernemingskamer, dat de jaarrekening niet wordt vernietigd (omdat de vastgestelde fouten niet wezenlijk zijn), laat deze vaststaande feiten onverlet (te meer nu ook in dit geding geen betwisting is aangevoerd).

4.30.

Het voorgaande maakt dat enkel de bedragen van € 49.913,- en € 5.296,02 te laag zijn verantwoord en tot een correctie op het oordeel van de deskundigen kunnen leiden. Terecht is door IW&E c.s. in dat verband aangevoerd dat van deze bedragen, gelet op de aandelenverhouding, slechts één derde deel (€ 16.637,67 en € 1.765,34, totaal: € 18.403,01) ziet op nadeel dat door LDMA is geleden. Bij gebreke van verdere aanknopingspunten zal de rechtbank dit bedrag optellen bij de waarde van de aandelen van LDMA van € 611.000, zodat de waarde van de aandelen van LDMA komt op een bedrag van € 629.403,01.

Slotsom en overig

4.31.

Het bovenstaande tezamen betekent dat de aandelen van LDMA door de rechtbank worden gewaardeerd op een bedrag van € 629.403,01. De gevorderde veroordeling tot overname van de aandelen en tot betaling van deze prijs zal worden toegewezen, met dien verstande dat de overname en de betaling moeten plaatsvinden binnen twee weken nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en aan IW&E c.s. is betekend (art. 2:343a lid 1 BW). De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal tegen deze achtergrond worden toegewezen vanaf het tijdstip twee weken nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en aan IW&E c.s. is betekend. Dit vonnis zal gelet op de belangen van partijen bij een doelmatige en overzichtelijke afhandeling van het geschil niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De overweging van de Hoge Raad in het arrest van 27 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU4970; ro. 3.3.2) leidt niet tot een ander oordeel over de rente, nu in het in die zaak voorliggende geval – anders dan in dit geval – de aandelen reeds waren overgedragen.

4.32.

De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten in conventie en in reconventie tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, nu iedere partij op enkele punten in het ongelijk is gesteld. De kosten voor het deskundigenbericht zijn reeds ten laste van partijen (LDMA de helft, IW&E c.s. de helft) gebracht.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

veroordeelt IW&E c.s. hoofdelijk, binnen twee weken nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en aan IW&E c.s. is betekend, tot overname van de 600 aandelen die LDMA houdt in VRC Investments B.V.,

5.2.

bepaalt dat IW&E c.s. hoofdelijk aan LDMA een dwangsom van € 25.000,- per dag verbeurt voor iedere dag dat IW&E c.s. na verloop van vier weken nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en aan IW&E c.s. is betekend niet voldoet aan 5.1 hiervoor, tot een maximum van € 500.000,-,

5.3.

bepaalt de prijs van de aandelen op € 629.403,01,

5.4.

veroordeelt IW&E c.s. hoofdelijk, binnen twee weken nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en aan IW&E c.s. is betekend, tot betaling van € 629.403,01 aan LDMA, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip twee weken nadat dit vonnis kracht van gewijsde heeft en aan IW&E c.s. is betekend tot de dag van volledige betaling,

5.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, rechter, bijgestaan door mr. M.E.A. Möhring, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.

*


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature