Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Mensenhandel tav een minderjarig slachtoffer, bevel gevangenneming

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730023-14 (Promis)

Datum uitspraak: 21 april 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag 1] 1985,

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 maart, 2 en 7 april 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.F. de Boer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.S. Kamphuis naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 september 2013 tot en met 7 maart 2014 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van) mensenhandel jegens [persoon 1], terwijl zij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt.

De tekst van de, op de terechtzitting van 31 maart 2015, gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 7 januari 2014 heeft verbalisant [verbalisant 1] in verband met een “niet vergunde prostitutie” controle telefonisch contact opgenomen met telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat in de seksafsprakenadvertentie van “[naam 1]” op [website A] stond vermeld. Deze advertentie was sinds 21 december 2013 in gebruik. De telefoon werd opgenomen door een Nederlandssprekend meisje en met haar heeft hij een seksafspraak voor 18:00 uur gemaakt. Desgevraagd gaf zij als locatie voor de seksafspraak het adres [adres 1, te plaats] op. Ter plaatse heeft verbalisant [verbalisant 1] nogmaals telefonisch contact opgenomen met “[naam 1]”. Zij zou hem op straat ophalen. [verbalisant 1] is naar haar toe gelopen en net als zij bij de toegangsdeur van het adres [adres 1] naar binnengegaan. Daar heeft hij zich – evenals zijn collega’s die inmiddels ook binnen waren – als politieagent geïdentificeerd. Hierop is “[naam 1]” de trap op gerend en heeft bij de zolderbergingen op de vierde verdieping een deur geopend.

Ter plaatse verklaarde “[naam 1]” dat haar echte naam [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) is en dat zij op [geboortedag 2] 1996 is geboren. Ook verklaarde zij dat de zolderkamer bij nummer [adres 1] hoort en dat zij de ruimte voor € 200 per maand van een kennis – later blijkt: verdachte – huurt om daar haar klanten te ontvangen. Tijdens het gesprek met de verbalisanten werd [persoon 1] constant gebeld en – zo bleek later – had zij via WhatsApp contact met verdachte die zich in de woning op 2 hoog bevond. [persoon 1] heeft vervolgens gebeld naar de persoon die haar de ruimte verhuurde en haar telefoon daarna aan verbalisant [verbalisant 1] gegeven. Hij kreeg verdachte aan de lijn die op dat moment niet wilde vertellen wie hij was.

Naar aanleiding van het gesprek met [persoon 1] hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] bij perceel [adres 1] aangebeld en daar gesproken met [broer van verdachte] (de broer van verdachte) en [vader van verdachte] (de vader van verdachte) [achternaam]. Zij verklaarden dat verdachte de zolderruimte als kamer gebruikt en dat ook de vriendin van verdachte daar wel eens verblijft.

Gezien de omstandigheden waaronder de politie [persoon 1] aantrof, is [persoon 1] meegenomen naar het politiebureau teneinde haar nader te horen. Daar vertelt zij dat zij nog op school zit, maar regelmatig spijbelt, niet bij haar moeder kan wonen en geen contact heeft met haar vader. Ook vertelt zij dat [verdachte] (verdachte), van wie zij de kamer huurt, weet dat zij 17 jaar is.

De politie neemt de telefoon van [persoon 1] in beslag en treft daar op aan een groot aantal chatberichten met verdachte, waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de prostitutiewerkzaamheden van [persoon 1] blijkt. Vanaf 4 februari 2014 wordt de telefoon van [persoon 1] ten behoeve van het onderzoek afgeluisterd. Uit de inhoud van de gesprekken blijkt dat verdachte nog steeds betrokken is bij de prostitutiewerkzaamheden van [persoon 1] die dan ook vanaf het adres [adres 2, te plaats] plaatsvinden.

Op 28 februari 2014 vindt een “niet vergunde prostitutie” controle plaats met betrekking tot “[naam 2]”, die op [website A] adverteert. Aan verbalisant [verbalisant 3] wordt het adres [adres 1, te plaats] doorgegeven. Het telefoonnummer waaronder “[naam 2]” opereert is op dat moment in gebruik bij [persoon 1]. Uit de door [persoon 1] gevoerde telefoongesprekken blijkt dat verdachte tot aan de 18de verjaardag op [geboortedag 2] 2014 van [persoon 1], maar ook daarna, betrokken is gebleven bij haar prostitutiewerkzaamheden.

Verdachte is op 1 april 2014 in de zolderkamer behorende bij de woning [adres 1, te plaats] op verdenking van mensenhandel aangehouden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, in haar schriftelijk requisitoir uitgebreid en hier verkort weergegeven, op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 1 november 2013 tot en met 7 maart 2014 te [plaats 1] en [plaats 2], [persoon 1] heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van [persoon 1]. Voorts heeft verdachte [persoon 1] ertoe gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en heeft hij opzettelijk voordeel getrokken uit de seksuele handelingen van [persoon 1] met een derde tegen betaling, steeds terwijl [persoon 1] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, in haar pleitnota uitgebreid en hier verkort weergegeven, op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder sub 2 en 8 moet worden vrijgesproken, nu er geen sprake is geweest van een uitbuitingssituatie, noch van voordeel trekken uit de prostitutie van [persoon 1]. Ten aanzien van het onder sub 5 ten laste gelegde refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, zoals hierna vermeld. De rechtbank grondt haar beslissing op de bewijsmiddelen zoals die in bijlage II van dit vonnis zijn opgenomen.

De rechtbank overweegt aanvullend als volgt.

4.4.1

Gedeeltelijke vrijspraak

Medeplegen

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat de hierna bewezen verklaarde mensenhandel tezamen en in vereniging met een ander of anderen is gepleegd, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Het dossier biedt immers onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de vaststelling dat sprake is van de voor een bewezenverklaring van medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ tussen verdachte enerzijds en een ander of anderen anderzijds.

Werven

Anders dan de officier van justitie en met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte [persoon 1] heeft geworven om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

4.4.2

Nadere bewijsoverwegingen

Oogmerk van uitbuiting als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het oogmerk van uitbuiting kan worden bewezen. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte [persoon 1] heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen. Van een uitbuitingssituatie is blijkens de wetsgeschiedenis sprake als een betrokkene verkeert in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee verkeert. De rechtbank stelt in dit kader vast dat [persoon 1] minderjarig was. Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen chatgesprekken, bijvoorbeeld “We kunnen makkelijk een 10.000 maken deze maand” blijkt verder dat verdachte doelbewust heeft gehandeld, en het oog heeft gehad op verbetering van zijn financiële positie. Verdachte heeft daarnaast ook daadwerkelijk geld en goederen ontvangen afkomstig van of in verband met de door [persoon 1] uitgevoerde prostitutiewerkzaamheden. Of verdachte daarnaast al dan niet ook op een andere manier geld verdiende, doet daar niet aan af. Bovendien is om vast te stellen dat er sprake is van (oogmerk van) uitbuiting, niet relevant dat er geen sprake is geweest van dwang, aangezien het gaat om prostitutie door een minderjarige.

Voordeel trekken als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 8, Sr

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van voordeel trekken uit de seksuele handelingen van [persoon 1]. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het door [persoon 1] met haar prostitutiewerkzaamheden verdiende geld heeft geprofiteerd. Dit maakt dat voordeel trekken als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 8 Sr kan worden bewezen.

Pleegperiode

Van de aangetroffen seksadvertentie op [website A] met de werknaam “[naam 1]” zijn de historische gegevens gevorderd bij [website A]. Uit die gegevens is gebleken dat de advertentie op 21 december 2013 is aangemaakt. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat vanaf deze datum kan worden bewezen dat [persoon 1] zich met prostitutiewerkzaamheden heeft bezighouden. Dat [persoon 1] op 22 november 2013 met verdachte in een auto is aantroffen, is onvoldoende om te kunnen bewijzen dat er vanaf dat moment al sprake was van prostitutie van [persoon 1] waarbij verdachte betrokken is geweest.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 21 december 2013 tot en met 7 maart 2014 te [plaats 1] en te [plaats 2], te weten [persoon 1], geboren op [geboortedag 2] 1996,

(sub 2)

heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [persoon 1], terwijl die [persoon 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en

(sub 5)

die [persoon 1] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die [persoon 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en

(sub 8)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [persoon 1] met een derde tegen betaling, terwijl die [persoon 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers heeft hij, verdachte,

die [persoon 1] een zolderkamer in de [adres 1] voor 200 euro per maand verhuurd, voor het ontvangen van klanten met betrekking tot de prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] en

die [persoon 1] gefaciliteerd in haar prostitutiewerkzaamheden door de hoeveelheid condooms en glijmiddel die zij in de kamer had, bij te houden en aan te vullen en haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld in een kluis van zijn, verdachtes, vader te laten bewaren en

die [persoon 1], terwijl zij aan hem, verdachte, had aangegeven buikpijn te hebben, geïnstrueerd en aangemoedigd om haar prostitutieklant toch binnen te laten en die klant niet te laten gaan en

die [persoon 1] heeft geïnstrueerd hoe zij om moest gaan met haar prostitutieklanten en wat zij tegen hen moest zeggen en de prijs bepaald die zij zou vragen voor haar prostitutiewerkzaamheden en

een account met daarop een seksadvertentie op naam van "[naam 3]", zijnde de werknaam van die [persoon 1], aangemaakt en aangevuld op een sekssite te weten [website A] en op die seksadvertentie foto's van die [persoon 1] geplaatst en die [persoon 1] de ingangscode van die sekssite gegeven en

dicht bij de locatie verbleven waar die [persoon 1] haar seksklanten ontving en die [persoon 1] geïnstrueerd dat zij hem moest berichten/melden wanneer de prostitutieklant kwam en voor hoelang en

die [persoon 1] gecontroleerd tijdens haar prostitutiewerkzaamheden onder meer door haar tijdens haar werkzaamheden te bellen en app-berichten te sturen en

die [persoon 1] een deel van haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden af laten staan aan hem, verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en het zich houden aan aanwijzingen van de reclassering.

De in beslag genomen goederen moeten worden verbeurdverklaard.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf niet hoger dient te zijn dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verdachte is bereid daarnaast nog een taakstraf te verrichten.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van een minderjarig slachtoffer. Mensenhandel waarbij een minderjarige in de prostitutie wordt gebracht, is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, een in de nationale en in de internationale rechtsorde vastgelegd fundamenteel recht, ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiters. Daarmee is de ernst van het door verdachte gepleegde misdrijf gegeven. Van belang is voorts dat de wetgever het strafmaximum voor mensenhandel ten aanzien van minderjarigen recent heeft verhoogd naar 15 jaar. Dat het slachtoffer heeft verklaard dat het haar eigen keuze is geweest om door middel van prostitutie geld te verdienen maakt de strafwaardigheid van het handelen van verdachte niet minder, aangezien minderjarigen dienen te worden beschermd tegen inbreuken op hun lichamelijke en geestelijke integriteit als deze. Bovendien lijkt de keuze van het slachtoffer, gezien haar achtergrond en persoonlijke omstandigheden, grotendeels te zijn ingegeven door de in haar ogen weinig reële alternatieven op dat moment. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van uitbuiting in de prostitutie doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden.

Bij de beoordeling van de ernst heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de verdere omstandigheden waaronder het feit is begaan, waaronder de duur en de mate van uitbuiting en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft gedurende tweeëneenhalve maand zijn zolderkamer beschikbaar gesteld aan het minderjarige slachtoffer voor het verrichten prostitutiewerkzaamheden, haar daartoe gefaciliteerd en meegedeeld in de opbrengsten van haar werkzaamheden. Dit terwijl verdachte blijkens de onderschepte WhatsApp berichten en telefoongesprekken heel goed wist dat het strafbaar was wat hij deed. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat verdachte, ook nadat de politie in januari 2014 het slachtoffer in zijn zolderkamer had aangetroffen, nog door is gegaan met het faciliteren en profiteren van het slachtoffer. Bovendien zijn er aanwijzingen in het dossier dat verdachte zich al langer bezig hield met vergelijkbare activiteiten.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het uittreksel Justitiële Documentatie van 10 februari 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het advies van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 26 maart 2015, opgesteld door de heer [medewerker jeugdbescherming]. Hij concludeert dat verdachte gebaat lijkt te zijn bij hulp en steun, onder andere in de vorm van behandeling. Dit om de kwaliteit van leven te verbeteren en om de kans op recidive te verkleinen. Hij adviseert een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en een verplichting zich te laten behandelen bij de forensisch poliklinische behandelafdeling van het Leger des Heils of een soortgelijke ambulante forensische zorg.

Alles afwegende acht de rechtbank een langdurige gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. De rechtbank hoopt hierdoor verdachte extra te motiveren niet opnieuw strafbare feiten te plegen. Met het opleggen van deze straf wil de rechtbank ook nogmaals aan anderen duidelijk maken dat het faciliteren (of “helpen” zoals verdachte en zijn medeverdachten het noemden) van minderjarigen meisjes bij hun sekswerkzaamheden en/of het daarvan profiteren een ernstig strafbaar feit is en een gevangenisstraf oplevert.

Bevel gevangenneming

Verdachte is na zijn aanhouding in 2014 voorlopig gehecht geweest. Op de pro-forma terechtzitting van 28 oktober 2014 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst (tot 31 maart 2015), omdat de inhoudelijke behandeling eerst op 31 maart 2015 zou gaan plaatsvinden. Op deze laatste datum is de voorlopige hechtenis vervolgens opgeheven, wegens het ontbreken van gronden. Reden daarvoor was met name gelegen in de omstandigheid dat de rechtbank de grond van de geschokte rechtsorde op dat moment - met het oog op het arrest [naam 4] (EHRM 9 december 2014, nr. 15911/08) - niet nader met concrete feiten en omstandigheden kon onderbouwen. De rechtbank heeft daarbij meegedeeld dat zij een bevel gevangenneming bij een eventueel veroordelend vonnis zou overwegen. Zowel de officier van justitie als de raadslieden zijn in de gelegenheid geweest zich hierover uit te laten.

Een bevel tot voorlopige hechtenis kan alleen worden gegeven wanneer is voldaan aan de voorwaarden neergelegd in de artikelen 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 65, tweede lid, Sv bepaalt dat de rechtbank ook ambtshalve, na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, een bevel tot gevangenneming kan bevelen. Blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 2 december 2003, NJ 2004, 142 staat opheffing van eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis voorts niet in de weg aan een bevel tot gevangenneming bij uitspraak.

Het door de rechtbank bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aldus is voldaan aan artikel 67 Sv. Gelet op de beslissing van de rechtbank tot (in ieder geval gedeeltelijke) bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en oplegging van een gevangenisstraf, zijn ook de ernstige bezwaren, als bedoeld in artikel 67, derde lid, Sv tegen verdachte aanwezig. De ingevolge artikel 67a Sv benodigde grond voor de voorlopige hechtenis is gelegen in de omstandigheid dat een feit betreft waarop een gevangenisstraf van minimaal 12 jaar is gesteld en de rechtsorde ernstig is geschokt door de bewezen verklaarde betrokkenheid van verdachte bij dit feit.

Bij dit laatste oordeel heeft de rechtbank bij de beraadslaging in ogenschouw genomen dat verdachte bij vonnis van heden is veroordeeld tot een gevangenisstraf van na te noemen duur. Daarnaast heeft de onderhavige strafzaak tegen verdachte en zijn medeverdachten vanaf de dag van de inhoudelijke behandeling lokale en nationale publiciteit gehad. De rechtbank acht tevens van belang de toenemende maatschappelijke onrust die feiten als onderhavige, het uitbuiten van minderjarige meisjes in de prostitutie en het opzettelijk voordeel trekken uit die seksuele uitbuiting, veroorzaken. De wetgever heeft de strafmaat voor het delict mensenhandel recent ook verhoogd; in het geval dat 16 en 17 jarigen slachtoffer zijn geworden van mensenhandel naar de maximum gevangenisstraf van 15 jaar. De verhoging van de strafmaat is blijkens de Kamerstukken ingegeven door de wens recht te doen aan de ernst van het feit, omdat met mensenhandel een zeer ernstige inbreuk op de menselijke waardigheid en integriteit van het slachtoffer wordt gemaakt, vaak met blijvende psychische en andere gevolgen. Expliciet wordt genoemd dat onder mensenhandel ook de problematiek valt inzake zogenaamde loverboys (MvT Kamerstukken 2011/2012, 33.183 nr. 3). Deze concrete feiten en omstandigheden rechtvaardigen de vrees voor verstoring van de openbare orde, voor zover verdachte ook na veroordeling door de rechtbank niet zou komen vast te zitten.

Als voldaan is aan de voorwaarden betekent dat echter nog niet dat voorlopige hechtenis ook moet worden toegepast. De rechtbank dient bij het nemen van een beslissing omtrent de voorlopige hechtenis de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de verdachte tegen elkaar af te wegen en na te gaan of voorlopige hechtenis ook wenselijk is. Bij die belangenafweging speelt de eis van rechtshandhaving een rol, maar ook het bepaalde van artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), welk artikel het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid beschermt. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een geval waarin een inbreuk op dit recht mag worden gemaakt, nu sprake is van rechtmatige detentie na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. De rechtbank onderkent voorts het belang van verdachte bij het afwachten van een eventueel hoger beroep in zijn zaak in vrijheid. Bij afweging van zijn belangen tegen de belangen van de samenleving en het slachtoffer, zoals hiervoor nader uiteengezet en in onderling verband bezien, wegen de belangen van de samenleving en slachtoffer echter zwaarder en rechtvaardigen daarmee een bevel tot gevangenneming van verdachte.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder nummers 1 tot en met 7 op de beslaglijst, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 273f van het Wetboek van Strafrecht .

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel jegens een persoon beneden de achttien jaren.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

De veroordeelde moet zich binnen drie werkdagen na ontslag uit detentie tussen 9.00 uur en 12.00 uur melden bij het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering op het volgende adres: [adres 3, te plaats]. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent als het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering dat gedurende deze periode nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder de veroordeelde opdrachten geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel met als doel om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt.

Behandelverplichting – ambulante behandeling

De veroordeelde wordt verplicht om zich in het kader van delict preventie te laten behandelen bij de forensische behandelafdeling van het Leger des Heils of een soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Verklaart verbeurd:

1. STK Zaktelefoon Kl:zwart

SAMSUNG [nummer]

4731184

2 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon

LEBARA [nummer]

4731190

3 1.00 STK Zaktelefoon Kl:grijs

NOKIA 1650

4731195

4 1.00 STK Computer Kl:zwart

IBM 2374 notbook 2003 [nummer]

4731209

5 1.00 STK Adapter Kl:zwart

IBM AC

4731217

6 1.00 STK Computer Kl:ZWART

ASUS k50c

4731220

7 1.00 STK Adapter Kl:ZWART

ASUS PA 1650 66

4731228

Beveelt de gevangenneming. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature