Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eiser is als ingezetene van Nederland verplicht verzekerd op grond van de AWBZ. Ingezetenebegrip ivm detentie in het buitenland.

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/3189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2014 in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde mr. J.E. Jalandoni),

en

de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser verplicht verzekerd is krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Bij besluit van 5 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2014.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn echtgenote, [naam], die wordt bijgestaan door bovengemelde gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser vanaf [datum] 1976 verzekerd is op grond van de AWBZ en om die reden verplicht is in Nederland een zorgverzekering af te sluiten.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard voor wat betreft de verplichte verzekering krachtens de AWBZ en het bezwaar voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de AWBZ-verzekering kennelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herzien in die zin dat eiser vanaf [datum] 2010, de datum van laatste inschrijving in Nederland, verplicht verzekerd is op grond van de AWBZ. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser weliswaar naar [het buitenland] is vertrokken, maar dat zijn verblijf in [het buitenland] van tijdelijke aard is. Omdat eiser de band met Nederland niet verbroken heeft, is hij nog ingezetene van Nederland als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de AWBZ , aldus verweerder.

3.

Eiser is van mening dat hij geen ingezetene is van Nederland, omdat hij reeds geruime tijd in [het buitenland] gedetineerd is. Daardoor heeft hij geen enkele mogelijkheid gehad om zijn binding met Nederland te behouden en heeft hij zijn Nederlandse ingezetenschap verloren. Daarnaast stelt eiser dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat als iemand in Nederland in detentie zit, de zorgverzekering opgeschort kan worden, terwijl dat bij detentie in het buitenland nog niet mogelijk is, met nadelige financiële consequenties. Eiser vindt dit verschil oneerlijk.

4.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiser ingezetene van Nederland is. In zijn arrest van 4 maart 2011 (ECLI:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat deze vraag moet worden beantwoord naar alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Daarbij komt het er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Ten tijde van de totstandkoming van het bestreden besluit was eiser gedetineerd in [het buitenland] en zou hij naar eigen verklaring in de loop van 2013 overgeplaatst worden om zijn detentie in Nederland te vervolgen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij sinds medio 2013 zijn detentie verder uitzit in Nederland. Eiser is steeds in Nederland ingeschreven geweest in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA, thans Basisregistratie Personen) op het adres waar zijn echtgenote ook woont. Eiser heeft de relatie met zijn echtgenote niet verbroken. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat alles erop gericht is dat eiser zijn leven na zijn detentie in Nederland wil voortzetten.

5.

Gelet op bovenstaande heeft verweerder eiser terecht aangemerkt als ingezetene van Nederland als bedoeld in artikel 2, van de AWBZ en derhalve als verplicht verzekerd op grond van de AWBZ.

6.

De financiële consequenties waar eiser op doelt vloeien voort uit de verplichting op grond van artikel 2, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw). De rechtbank heeft kennis genomen van het thans aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Zorgverzekeringswet (Zvw), waarbij – onder meer – beoogd wordt om voor in Nederland verzekerde personen die in het buitenland gedetineerd zijn, op dezelfde wijze als de in Nederland gedetineerde personen de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de Zvw op te schorten (Kamerstukken II, 33 683). Eiser heeft ook gerefereerd aan deze wetswijziging. De vaststelling van rechten en plichten die voortvloeien uit de Zvw is niet de bevoegdheid van verweerder en valt buiten de reikwijdte van het bestreden besluit. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een oordeel over de (financiële) consequenties voor eiser die voortvloeien uit de Zvw.

7.

De rechtbank stelt met verweerder vast dat ten onrechte is afgezien van horen, omdat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Gelet hierop is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient vernietigd te worden wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht . Hetgeen eiser in beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft echter niet geleid tot een ander oordeel over het primaire besluit. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 974,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter,

in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature