< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Schending van de inlichtingenplicht. Gezamenlijke huishouding. Geen op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Geen wederzijdse zorgplicht

Uitspraak



RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5928 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: A. El Kadi,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: C.J. Telting.

1. Procesverloop

Eiser ontvangt sinds 20 februari 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een woontoeslag van 10% op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij primair besluit van 20 oktober 2009 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 april 2009 geen recht meer heeft op een uitkering. Uit het huisbezoek op 9 oktober 2009 is gebleken dat eisers woonsituatie of leefsituatie niet overeenkomt met eisers opgave. Eiser heeft verweerder verkeerde (of niet volledige) informatie gegeven.

Bij besluit van 24 november 2009 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een gezamenlijk huishouding met [persoon 1]. [persoon 1] heeft verklaard dat eiser sinds april 2009 bij hem is komen wonen. Eiser hoefde geen huur te betalen en eiser en [persoon 1] deden een aantal zaken gezamenlijk, zoals koken, boodschappen doen en huishoudelijk werk. Aansluitend heeft een huisbezoek plaats gevonden in de tweekamerwoning. Eiser heeft tijdens het huisbezoek bevestigd dat hij sinds april 2009 bij [persoon 1] woonde. Dit heeft eiser niet gemeld aan verweerder. Eisers verklaring duidt op wederzijdse zorg. Eiser heeft de inlichtingenplicht zoals opgenomen in artikel 17 van de WWB geschonden.

2.2 Eiser stelt in beroep dat verweerder altijd bekend was met het feit dat eiser dakloos was en dat hij onderdak heeft in afwachting van het vinden van eigen woonruimte. Dat was ook de reden dat eiser een briefadres had bij verweerder aan het [adres 1] te [woonplaats]. Eiser heeft de informatieplicht niet geschonden. Eisers verblijf bij [persoon 1] was van tijdelijke aard en hij mocht zich ook niet inschrijven op het adres. De melding daarvan aan verweerder kon geen ander licht op zijn situatie werpen aangezien zijn situatie niet was gewijzigd.

Eiser is geen gezinslid van [persoon 1] en heeft geen gezin of huishouding met hem.

2.3 Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.4 De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het verslag van de handhavingsspecialisten niet blijkt wat de aanleiding is geweest voor het onderzoek naar de woonsituatie van [persoon 1] en eiser. De loutere vermelding dat het DWI “ter ore” was gekomen dat zij zouden samenwonen, is niet voldoende. Nu eiser hieromtrent niets heeft gesteld, zal de rechtbank hieraan geen conclusies verbinden.

2.5 Niet in geschil is dat eiser ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Eiser heeft tijdens het huisbezoek op 9 oktober 2009 verklaard dat hij sinds begin april 2009 bij [persoon 1] logeert. [persoon 1] heeft dit op 9 oktober 2009 op het kantoor van verweerder bevestigd. Eiser heeft dit niet gemeld. In zoverre is de inlichtingenplicht geschonden. De rechtbank verbindt hier geen conclusies aan, omdat het recht op bijstand, zoals hierna zal worden uiteengezet, vast te stellen is. Aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan.

2.6 Ten aanzien van het tweede criterium van het derde lid van artikel 3 van de WWB overweegt de rechtbank het volgende.

Vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is dat wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Daarbij is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 17 maart 2009, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BH7978).

2.7.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte uit de door eiser en [persoon 1] afgelegde verklaringen heeft afgeleid dat sprake is van wederzijdse zorg.

2.7.2 Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 januari 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BC2392 en van 5 januari 2009, te vinden onder LJ-nummer: BG9810, stelt de rechtbank voorop dat het rapport van de handhavingsspecialisten, waarop het bestreden besluit berust, niet kan worden aangemerkt als een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, nu de handhavingsspecialisten niet zijn beëdigd als (bijzonder) opsporingsambtenaar. Dit betekent dat aan dat rapport geen bijzondere bewijswaarde toekomt. De rechtbank kan, als hetgeen de handhavingsspecialisten hebben opgetekend tijdens het huisbezoek wordt betwist, niet zonder meer kan uitgaan van de juistheid van de stellingen van de handhavingsspecialisten omtrent hetgeen eiser en [persoon 1] hebben verklaard.

2.7.3 Als het rapport van de handhavingsspecialisten wordt betwist, en dat is hier het geval, zal van geval tot geval moeten worden vastgesteld wat er daadwerkelijk is gezegd. Dit laatste wordt evenwel bemoeilijkt als de handhavingsspecialisten niet hun vragen opschrijven, maar zich beperken tot een eigen weergave van het daarop gegeven antwoord. Zo zal vrijwel iedereen op de vraag, of men bereid zal zijn medicijnen voor een ander te halen als dat nodig is, daarop een bevestigend antwoord geven, zoals [persoon 1] ook heeft gedaan. In de verklaring van eiser zijn de woorden “als dat nodig is” evenwel niet herhaald, waardoor de suggestie wordt gewekt dat het daadwerkelijk is gebeurd, in plaats van dat sprake is van een fictief geval. Bij de beoordeling van de verklaring is van belang of gevraagd is naar een fictieve of naar een reëel geval. Om te kunnen beoordelen of en in hoeverre iemand woorden in de mond zijn gelegd is het opschrijven van de gestelde vragen naar het oordeel van de rechtbank van belang.

2.7.4 De rechtbank zal aan de hand van de, overigens niet goed leesbare handgeschreven en door eiser en [persoon 1] ondertekende verklaringen, en aan de hand van het verslag van het huisbezoek, bezien wat is komen vast te staan.

2.7.5 Uit het verslag van het huisbezoek, blijkt dat eiser afzonderlijk van [persoon 1] in de zolderkamer woonde, waar hij bij het huisbezoek van 9 oktober 2009 ook, slapend op een matras, is aangetroffen. Op die zolderkamer waren voorts de kledingstukken van eiser aanwezig alsmede een televisie. In de woonkamer is post voor eiser en zijn medicijnen van eiser aangetroffen. Onduidelijk is hoe het zit met het gebruik van elkaars toiletartikelen, zoals door verweerder gesteld. De loutere omstandigheid dat toiletartikelen van eiser zijn aangetroffen in de enige badkamer van de woning is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van wederzijdse zorg. Hetzelfde geldt voor hun verklaring dat zij wel eens samen eten, boodschappen voor elkaar meenemen of de was niet gescheiden houden, nu dergelijke activiteiten vrijwel niet geheel gescheiden kunnen worden in een kleine woning, waar maar één keuken, één badkamer en één wasmachine is. Bovendien is verklaard dat eiser ook wel eens naar de wasserette ging. Aan de verklaring dat zij altijd samen televisie keken kan enigszins getwijfeld worden, nu alsdan niet is in te zien waarom er ook een televisie op de zolderkamer van eiser stond.

2.7.6 De rechtbank is van oordeel dat uit het verslag en uit de verklaringen niet blijkt dat sprake is van meer dan het delen van de woning en van sommige huishoudelijke activiteiten. De verklaring dat [persoon 1] geen huur vroeg van eiser leidt niet tot een andere conclusie, nu allereerst aan het waarheidsgehalte van die verklaring kan worden getwijfeld, omdat [persoon 1] zich zeer wel bewust was van een mogelijke korting op zijn uitkering, maar, als die verklaring waar zou zijn, daaraan ook ten grondslag kan liggen dat eiser als dakloze niet de middelen had om de huur te voldoen.

Alhoewel de subjectieve beweegredenen van betrokkenen niet doorslaggevend zijn kan er in dit geval niet aan worden voorbijgegaan dat [persoon 1] uit mededogen onderdak heeft geboden aan eiser, een oude bekende die dakloos was, door hem de zolderkamer ter beschikking te stellen in afwachting van een eigen woning, hetgeen in [woonplaats] overigens jaren kan duren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval sprake is van een gezamenlijk huishouden, dat eiser geen recht had op een uitkering als alleenstaande, dat [persoon 1] en eiser gezinsbijstand hadden moeten aanvragen, en dat eiser op dit punt zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Verweerder was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB niet bevoegd om tot intrekking of herziening van het recht op bijstand over te gaan.

2.8 Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb .

2.9 De rechtbank zal verder, op grond van het bepaalde in artikel 8:74, vierde lid, van de Awb , zelf in de zaak voorzien. Nu er geen sprake is van wederzijdse zorg en dus ook geen sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de WWB , heeft eiser recht op een bijstandsuitkering als alleenstaande. De rechtbank zal dan ook het bezwaar gegrond verklaren, het besluit van 20 oktober 2009 herroepen en bepalen dat aan eiser met ingang van 1 april 2009 bijstand wordt verleend naar de voor hem geldende norm. Dit betekent dat eiser alsnog recht heeft op een bijstandsuitkering vanaf 1 april 2009.

2.10 Verweerder wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld en die door de rechtbank worden vastgesteld op € 874 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 437). Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit van 20 oktober 2009;

- bepaalt dat verweerder aan eiser bijstand verleent naar de voor hem geldende norm vanaf 1 april 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van

€ 874 (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41 (zegge: een en veertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Hof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2010.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB O


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature