< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

art. 7: 681 BW Kennelijk onredleijk ontslag en schadevergoeding conform kantonrechtersformule, met correctie.

Bij de beoordeling van de vraag of een op bedrijfseconomische gronden gegeven ontslag kennnelijk onredelijk is, dient ook de omstandigheid dat indien in hetzelfde geval ontbidsing zou zijn verzocht een vergoeding zou zijn toegekend, bij die beoordeling te worden meegewogen. Als dan op grdon van alle omstandigheden het ontslag kennelijk onredelijk blijkt, dan dient bij de bepaling van de schadevergoeding de kantonrechtersfomule analoog te worden toegepast, waarbij het verschil in duur van de ontbidnignsprocdure en de feitelijke duur van de CWI-procedure inclusief opzegtermijn in mindering dient te worden gebracht.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ALMELO

Sector Kanton

Locatie Enschede

Zaaknummer : 279261 CV EXPL 08-7189

Uitspraak : 27 januari 2009 (t)

Vonnis in de zaak van:

…, wonende te …,

eisende partij, hierna eiser te noemen,

gemachtigde: mr. G.H. Hoekman,

tegen

de besloten vennootschap SES Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde partij, hierna ‘SES’ te noemen,

gemachtigde: mr. E.P. Cornel.

1. de procedure

1.1 Deze blijkt uit de navolgende stukken:

- de dagvaarding van 9 juli 2008;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2 Vervolgens is vonnis, na eerder te zijn aangehouden, bepaald op heden.

2 de feiten

De navolgende feiten, die enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet, althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden, worden als vaststaand aangenomen.

2.1 Eiser, geboren op …, is met ingang van 1 januari 1997 bij de rechtsvoorganger van SES, te weten de besloten vennootschap Crecol B.V. in dienst getreden. Aanvankelijk heeft eiser tuinierswerkzaamheden verricht, later is hij verkoopmedewerker bij Crecol geworden. Met ingang van 1 januari 2001 heeft SES deze arbeidsovereenkomst met eiser voortgezet. Eiser ging daarbij de functie ‘medewerker bedrijfsbureau’ vervullen. Laatstelijk was eiser werkzaam als chef ‘produktie’. Eiser heeft altijd naar behoren gefunctioneerd.

Het salaris van eiser bedroeg laatstelijk € 2.384,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.2 In verband met een teruglopende omzet - volgens de accountantsverklaring 3,9% van de netto-omzet over 2007 ten opzichte van 2006 - heeft SES eind 2007 besloten een reorganisatie door te voeren. Op dat moment werkten bij SES ca. 55 werknemers.

2.3 In het kader van de reorganisatie heeft SES besloten de functie van eiser alsmede die van chef ‘magazijn en expeditie’, welke functie werd vervuld door de heer … te laten vervallen en daarvoor één nieuwe functie, te weten die van chef ‘produktie en logistiek’ te laten ontstaan.

De functies van eiser en … waren onderling uitwisselbaar en beide heren werden door SES geschikt geacht de nieuwe functie te vervullen. De heer … was toentertijd 18 jaar in dienst, eiser 10 jaar. Op grond van het anciënniteitsbeginsel werd eiser voorgedragen voor ontslag.

2.4 Nadat partijen in onderling overleg geen overeenstemming over de door SES gewenste beëindiging van het dienstverband konden bereiken heeft SES bij schrijven van 13 maart 2008 bij het CWI een zogenoemde ontslagvergunning aangevraagd, welke op 1 april 2008 door het CWI is afgegeven.

Met die vergunning heeft SES de arbeidsovereenkomst met eiser tegen 1 juni 2008 opgezegd. Eiser is door SES verplicht gedurende de opzegtermijn zijn resterende vakantiedagen, te weten 15, op te nemen.

3. het geschil

3.1 de vordering

3.1.1 Eiser vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

I voor recht te verklaren dat het door SES aan eiser verleende ontslag kennelijk onredelijk is;

II SES te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen het bedrag van € 75.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dezer dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

III SES te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.1.2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn vordering, kort en zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd.

Ten onrechte heeft SES bij het aan het CWI gerichte verzoek tot het verkrijgen van een ontslagvergunning een brief gevoegd (gedateerd 11 februari 2008) nu in die brief aperte onjuistheden staan, zoals vermeend disfunctioneren van eiser. Daardoor is aan de ontslagaanvraag (mede) een foutieve reden ten grondslag gelegd. Voorts heeft SES geen dan wel onvoldoende pogingen ondernomen om eiser binnen de onderneming te herplaatsen terwijl dat redelijkerwijs wel mogelijk moet zijn geweest. Eiser heeft een veelheid aan werkzaamheden binnen SES verricht en was derhalve breed inzetbaar. Enkele dagen nadat eiser zijn verweer bij het CWI had ingediend, verscheen een advertentie van SES in Dagblad Tubantia waarin zij laat weten een medewerker ‘verkoop binnendienst’ te zoeken. Die functie had eiser ook kunnen en willen vervullen. Uit deze gang van zaken blijkt dat SES geen daadwerkelijke pogingen heeft ondernomen om eiser te herplaatsen binnen haar onderneming. Ook van serieuze begeleiding bij het vinden van een baan buiten SES is geen sprake geweest. SES heeft eiser geattendeerd op een vacature bij een auto-dealer in Hengelo. Voor een vergelijkbare functie was eiser al bij een andere dealer afgewezen, zodat het niet waarschijnlijk was dat eiser daadwerkelijk kansen op die baan had. Voorts zijn de kansen van eiser op de arbeidsmarkt gelet op zijn leeftijd en beperkte opleiding slecht. Niet gebleken is dat het voordeel van SES door het ontslag van eiser van zodanig gewicht is dat zulks zwaarder dient te wegen dan het aanzienlijke nadeel dat eiser heeft van het ontslag, zonder financiële tegemoetkoming, vanwege zijn slechte arbeidsmarktpositie. Bovendien is ten onrechte van hem verlangd zijn vakantiedagen tijdens de opzegtermijn op te nemen. Er is volgens eiser dan ook sprake van een kennelijk onredelijk ontslag weshalve hij een vergoeding vordert overeenkomstig de kantonrechtersformule waarbij de correctiefactor C op 1,5 wordt gesteld, derhalve een bedrag van € 75.000,-, althans een ander door de kantonrechter vast te stellen bedrag.

3.2 het verweer

3.2.1 SES heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van eiser in zijn vorderingen, dal wel hem deze te ontzeggen met veroordeling van eiser in de kosten van deze procedure.

3.2.2 SES heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende aangevoerd.

Door teruglopende omzetten was SES genoodzaakt haar organisatie te reorganiseren, waarbij de functie van eiser kwam te vervallen. Het anciënniteitsbeginsel is juist toegepast en met gebruikmaking van een vergunning heeft SES regelmatig opgezegd.

Omdat zijn collega die ook geschikt was voorde nieuwe functie langer in dienst was, kon eiser in de nieuwe functie van chef ‘produktie en logistiek’ niet herplaatst worden. Andere geschikte functies waren binnen SES niet voorhanden. Voor de functie medewerker verkoop binnendienst is iemand van buiten aangetrokken, met een HBO-opleiding (HEAO Internationale Marketing) en relevante ervaring. Die functie was voor eiser niet geschikt.

3.2.3 SES heeft aangeboden door inschakeling van Nisroc Employability Group op zoek te gaan naar een andere baan voor eiser. Eiser heeft dat aanbod evenwel niet aangenomen. Ook is hij niet ingegaan op de melding door SES van een vacature receptionist bij een autodealer in Hengelo. Reeds om die reden is van een kennelijk onredelijk ontslag geen sprake.

4. de beoordeling

4.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is meerdere omstandigheden genoemd die ertoe moeten leiden dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

4.2 Zo heeft eiser aangevoerd dat bij de aanvraag ter verkrijging van de ontslagvergunning een brief van SES van 11 februari 2008 was gevoegd waarin wordt verwezen naar (vermeend) disfunctioneren. Hoewel genoemde brief als bijlage bij de ontslagaanvraag is gevoegd is de ontslagaanvraag louter en alleen gebaseerd op bedrijfseconomische omstandigheden. Het CWI heeft de aanvraag ook uitsluitend op de aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden beoordeeld. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat aan het ontslag een valse dan wel voorgewende reden ten grondslag is gelegd en derhalve om die reden van een kennelijk onredelijk ontslag sprake is, wordt die stelling gepasseerd.

4.3 SES heeft de stelling van eiser dat zij geen serieuze pogingen heeft ondernomen om ontslag te voorkomen door na te laten hem intern te herplaatsen in de functie ‘medewerker verkoop binnendienst’ voldoende gemotiveerd bestreden, nu zij heeft aangevoerd dat op die functie iemand met een HBO-opleiding en relevante ervaring is aangenomen, een opleidings- en ervaringsniveau waarover eiser niet beschikt. Nu eiser heeft nagelaten te concretiseren voor welke mogelijke andere functie(s) hij in aanmerking had kunnen/dienen te komen, zal de stelling van eiser dat SES niet in voldoende mate heeft getracht hem intern te herplaatsen worden verworpen.

4.4 Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of het ontslag kennelijk onredelijk is, zoals door eiser gesteld, gelet op het zogenoemde ‘gevolgencriterium’, één van de voorbeeldsituaties die de wet (art. 7: 681 lid 2 sub b BW) noemt als vallend onder de noemer ‘kennelijk onredelijk’, waarbij de wetgever als één van de toetsingscriteria expliciet de voor de werknemer ‘getroffen voorzieningen’ heeft genoemd. Volgens vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij opzegging, alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking te worden genomen (zie art. 7: 681 lid 2 sub b BW). Naast omstandigheden zoals de leeftijd van de werknemer, de lengte van het dienstverband en de mogelijkheden voor de werknemer op de arbeidsmarkt, speelt ook de vraag of, en zo ja, welke (financiële) voorzieningen voor de werknemer zijn getroffen, afgezet tegen de (financiële) belangen van de werkgever een rol.

4.5 Volgens (tot voor kort) vaste rechtspraak maakt(e) het ontbreken van een vergoeding een opzegging niet om die reden kennelijk onredelijk (zie HR 30 januari 1998, NJ 1998, 476, HR 15 februari 2008, JAR 2008, 76 en het door SES genoemde vonnis kantonrechter Enschede 17 juni 1999, JAR 1999, 131)).

4.6 In de literatuur bestaat al langere tijd discussie over de (on-)wenselijkheid van het verschil in de financiële afhandeling van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst in geval van een ontbinding (conform de kantonrechtersformule) en in geval van een na opzegging gevoerde kennelijk onredelijk ontslag procedure (zie bijvoorbeeld prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens ‘Ontslagvergoedingen op een dynamische arbeidsmarkt’, oratie mei 2007 en de door hem aangehaalde literatuur en prof. mr. G.J.J. Heerma van Voss, Ontbinding en kennelijk onredelijke opzegging in ‘De ontbinding van de arbeidsovereenkomst in tienvoud’, uitgave vereniging voor arbeidsrecht 2005.)

4.7 Door kantonrechters en gerechtshoven wordt in geval een opzegging kennelijk onredelijk wordt bevonden verschillend geoordeeld over de vraag of de toe te kennen schadevergoeding al dan niet overeenkomstig de kantonrechtersformule dient te worden vastgesteld. Daardoor is voor partijen de uitkomst van een kennelijk onredelijk ontslag procedure niet of nauwelijks in te schatten en de rechtsongelijkheid in gevallen die qua feitencomplex, maatschappelijk gezien, (nagenoeg) gelijk zijn, groot.

Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 17 januari 2008 (JAR 2008, 200) -nog?- overwogen dat de kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag niet van toepassing is. De kantonrechter Utrecht heeft in zijn vonnis van 7 mei 2008 (JAR 2008, 159) bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, nadat hij had geoordeeld dat gelet op alle omstandigheden van het geval de opzegging zonder dat daarbij aan de werknemer een vergoeding was toegekend kennelijk onredelijk was, voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding aansluiting gezocht bij de kantonrechtersformule. Het hof Den Haag (14 oktober 2008, JAR 2008, 290) heeft recent, in een poging om aan de hiervoor genoemde ongelijkheid een einde te maken, geoordeeld, kort gezegd, dat in een geval als het onderhavige, te weten een ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden, dat ontslag veelal kennelijk onredelijk zal zijn indien aan de werknemer geen vergoeding is toegekend overeenkomstig de kantonrechtersformule verminderd met een correctiefactor van 30%. Daarmee is de diversiteit aan uitkomsten geoptimaliseerd en lijkt de hiervoor aangehaalde rechtspraak dat een ontslag niet kennelijk onredelijk is alleen vanwege het ontbreken van een vergoeding doorbroken. De andere hoven hebben er tot op heden nog geen blijk van gegeven deze Haagse weg te zullen volgen. Het hof Den Bosch (16 september 2008, JAR 2008, 292) heeft, hoewel oordelend dat de kantonrechtersformule niet kan worden toegepast in een kennelijk onredelijk ontslag procedure, vervolgens wel in datzelfde arrest overwogen dat met het bestaan van die formule rekening dient te worden gehouden en (impliciet) enige aansluiting bij die formule kan worden gezocht. Daarmee lijkt dit hof (analogische) toepassing van die formule in 681-procedures niet uit te sluiten.

4.8 Vanuit historisch en dogmatisch oogpunt gezien kan de kantonrechtersformule niet zonder meer in geval van beëindiging door opzegging worden toegepast, noch ter toetsing van de vraag of sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, noch bij de vaststelling van de hoogte van de aan de werknemer toe te kennen vergoeding. De wetsgeschiedenis, het verschil in de repressieve respectievelijk preventieve toetsing, het verschil in duur van de procedure en de bij opzegging geldende opzegverboden staan daaraan in de weg (Vgl. kantonrechter Deventer, 7 januari 2009, zaaknummer 344595 CV EXPL 08-1674).

4.9 De hiervoor genoemde argumenten overtuigen - gelet op de ontwikkeling van de ontslagpraktijk de afgelopen jaren - niet langer, zodat op grond daarvan niet zonder meer van (analogische) toepassing van de kantonrechtersformule in 681-procedures kan worden afgezien. De ontbindingsprocedure, geschreven voor bijzondere situaties, ‘uitzonderingsgevallen’, is in de loop der jaren uitgegroeid tot een zeer veel gebruikte wijze waarop een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. In 2006 lag het aantal ontbindingen zelfs hoger dan het aantal aanvragen voor een ontslagvergunning (bron: Ministerie van SZW, Ontslagstatistiek). Ook in de adviespraktijk wordt bij beëindigingen met wederzijds goedvinden meestal aansluiting bij de kantonrechtersformule gezocht. Het is dus niet meer zo dat opzegging de hoofdregel is, ontbinding de uitzondering.

4.10 In een geval als het onderhavige, waar van een door de ontslagverboden bestreken situatie geen sprake is en uitsluitend op grond van bedrijfseconomische gronden tot opzegging is overgegaan, spelen ook de overige argumenten, te weten de duur van de CWI-procedure en de opzegtermijn geen doorslaggevende rol bij de vraag naar de (analogische) toepassing van de kantonrechtersformule. Zoals prof. Bouwens (zie hiervoor) terecht opmerkt, is het verschil in duur van beide procedures niet zo groot als veelal wordt verondersteld. Tussen de aanvraag (13 maart 2008) en de afgifte vergunning (1 april 2008) lag in de onderhavige zaak slechts een periode van 17 dagen (!). De opzegtermijn bedroeg twee maanden. Gelet op de aanbevelingen van de kring van kantonrechters dient de doorlooptijd van het verzoekschrift en de verzending van de beschikking niet langer te zijn dan acht weken. Mogelijk komt daar soms nog een ontbindingstermijn bij. Al met al is er dan in vergelijking met de onderhavige zaak geen sprake van een zodanig verschil in duur van de procedure dat dit het verschil in uitkomst van de door de werkgever te betalen vergoeding rechtvaardigt.

4.11 Hetgeen hiervoor is overwogen in ogenschouw nemend, kan in een geval als het onderhavige, dan ook niet (langer) voorbijgegaan worden aan de (analoge) toepassing van de kantonrechtersformule in een 681-procedure (Vgl. ook Olbers in De arbeidsovereenkomst, Losbladige Uitgave, Kluwer, artikel 7; 681 BW , aantekening 5.3 ). Ook de nog wel eens genoemde omstandigheid dat in een dergelijke procedure de werkgever niet onder de betaling ‘uit kan komen’, door in een ontbindingsprocedure het verzoek in te trekken, is, nu de werknemer altijd alsnog zelf een verzoek kan indienen en in geval van een 681-procedure hoger beroep mogelijk is, evenmin een doorslaggevend bezwaar.

4.12 De omstandigheid dat in dezelfde situatie indien ontbinding zou zijn verzocht, naar verwachting een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule zou zijn toegekend is dan ook één van de omstandigheden die een rol dient te spelen bij de beoordeling van het beroep op het gevolgencriterium (Vgl. prof. mr. Heerma van Voss, Ontbinding en kennelijk onredelijke opzegging, in ‘De arbeidsovereenkomst in tienvoud’, Vereniging voor Arbeidsrecht 2005, pag. 67). Nu de wetgever de - al dan niet - voor de werknemer getroffen (financiële) voorzieningen expliciet als mee te wegen factor bij een 681-procedure heeft genoemd (zie art. 7:681 lid 2 sub b BW), het begrip ‘kennelijk’ door de jaren heen, als gevolg van ontwikkelingen in de praktijk en het ‘maatschappelijk’ denken over ontslagzaken evolueert (zoals overwogen; in 50% of meer van de gevallen waarin een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt speelt de kantonrechtersformule een rol!) en in de kantonrechtersformule in de C-factor alle omstandigheden die ook bij de beoordeling van de vraag of een ontslag kennelijk onredelijk moet worden geoordeeld zijn ‘verwerkt’ dient mede vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid ook in een 681-procedure ook de omstandigheid dat in geval van ontbinding in hetzelfde geval een vergoeding conform de kantonrechtersformule als factor bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid is te worden ‘meegenomen’. Dit betekent dus niet dat iedere opzegging zonder vergoeding reeds om die reden kennelijk onredelijk is.

4.13 De kantonrechtersformule zal bij die toetsing overigens niet onverkort kunnen worden toegepast. Een correctie vanwege het mogelijke verschil in tijdsverloop tussen beide procedures (685 versus aanvraag ontslagvergunning /opzegging) zal in sommige gevallen moeten plaats vinden. Anders dan het hof Den Haag is de kantonrechter van oordeel dat die correctie niet ‘standaard’ op 30% van de uitkomst van de kantonrechtersformule kan worden gesteld. Een dergelijke standaardkorting doet geen recht aan verschillen in de lengte van het dienstverband en zal onevenredig ‘zwaar’ drukken bij de beëindiging van langere dienstverbanden. Correctie dient plaats te vinden door aftrek van het salaris dat overeenkomt met het verschil in duur tussen de beëindiging middels opzegging (inclusief CWI-procedure) en de ontbindingsprocedure.

4.14 Gelet op zijn leeftijd, de lengte van het dienstverband en zijn matige opleidingsniveau heeft eiser beperkte kansen op de arbeidsmarkt. Derhalve zijn de gevolgen die het ontslag (ook in financieel opzicht) voor eiser heeft ingrijpend. Gesteld noch gebleken is dat de financiële positie van SES ten tijde van de opzegging zodanig was dat aan eiser geen vergoeding kon worden toegekend. SES heeft om concurrentietechnische redenen nagelaten jaarstukken in het geding te brengen zodat geen enkel zicht op de financiële positie van het bedrijf bestaat. De enkele verklaring van de accountant over de daling van de omzet geeft niet het inzicht als hier bedoeld. De gevolgen daarvan komen wel voor rekening van SES.

In geval SES ontbinding zou hebben verzocht, zou, naar mag worden aangenomen, een vergoeding zijn toegekend overeenkomstig de kantonrechtersformule. In geval van een ontbinding wegens bedrijfseconomische omstandigheden geldt daarbij als uitgangspunt de correctiefactor C op 1 te stellen. De omstandigheid dat eiser niet is ingegaan op de suggestie van SES om te solliciteren naar een functie receptionist bij een autodealer en geen gebruik heeft willen maken van door SES aangeboden bemiddeling bij het vinden van ander werk doet, afgezet tegen de hiervoor genoemde andere omstandigheden aan de kennelijke onredelijkheid van het ontslag wegens het gevolgencriterium in het onderhavige geval niet af. Het zijn wel omstandigheden die vervolgens dienen mee te wegen bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, en wel binnen de ‘C-factor’ van de kantonrechtersformule.

Het had immers op de weg van eiser gelegen om iedere kans aan te grijpen die zijn werkgever hem aanreikte. De omstandigheid dat eiser elders voor een vergelijkbare functie is afgewezen maakte niet een sollicitatie op de door SES genoemde vacature op voorhand kansloos. SES heeft door de aangeboden doch door eiser geweigerde ‘bemiddeling’ de kans op beperking van ‘de gevolgen van het ontslag’ gefrustreerd.

4.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet er van uitgegaan worden dat in geval van ontbinding - alle andere omstandigheden meewegend - aan eiser een vergoeding zou zijn toegekend, met toepassing van een correctiefactor van minder dan 1. Nu aan eiser geen enkele vergoeding is betaald, is het ontslag vanwege het gevolgencriterium kennelijk onredelijk.

Derhalve zal een door SES aan eiser te betalen schadevergoeding moeten worden vastgesteld. Daarbij zal de vergoeding worden vastgesteld overeenkomstig de kantonrechtersformule, waarbij de correctiefactor C op 0,5 zal worden gesteld nu eiser door SES aangereikte mogelijkheden zonder deugdelijke grond niet heeft aangegrepen. Dat komt in dit geval neer op - afgerond - een bedrag van € 25.000,- (17 gewogen dienstjaren en een maandsalaris, incl. vakantiegeld van € 2.574,72 bruto).

De kantonrechter heeft daarbij de voor 1 januari 2009 van toepassing zijnde kantonrechtersformule gehanteerd, nu de opzegging van voor die datum dateert en naar de toen geldende normen dient te worden beoordeeld. Nu de duur tussen de CWI-procedure, inclusief opzegtermijn, niet langer heeft geduurd dan - naar verwachting - een ontbindingsprocedure inclusief ontbindingstermijn geduurd zou hebben, wordt in dit geval aan toepassing van een nadere correctie, zoals hierboven genoemd in alinea 4.13 niet toegekomen.

4.16 SES zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. beslissing

De kantonrechter,

verklaart dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is;

veroordeelt SES om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eiser een schadevergoeding te betalen wegens de kennelijke onredelijkheid van het gegeven ontslag ten bedrage van

€ 25.000,- bruto;

veroordeelt SES in de kosten van de procedure aan de zijde van eiser begroot op

€ 286,44 wegens verschotten en € 800,-- wegens salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. E.W. de Groot, kantonrechter, en op

27 januari 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature