E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBALK:2012:BW6317
LJN BW6317, Rechtbank Alkmaar, 12/1093

Inhoudsindicatie:

Verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen van de aanwijzing van het college van B&W H. op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, waarin het college onder meer heeft bepaald dat eigenaresse/ leidinggevende verzoekster 2 en voormalig leidinggevende verzoeker 3 niet meer als beroepskracht en ook niet meer de dagelijkse leiding over het kindercentrum mogen voeren.

Het besluit van het college van B&W H. is gebaseerd op het inspectierapport van de GGD. Het GGD-rapport is tot stand gekomen naar aanleiding van verklaringen van een aantal oud-medewerkers van het kindercentrum.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat het rapport van de GGD en het daarop gebaseerde besluit onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Het kindercentrum is in staat gesteld om haar zienswijze op het concept inspectierapport aan de GGD kenbaar te maken alvorens dit rapport openbaar is gemaakt en aan het college van B&W is aangeboden. De GGD mocht vanwege de bijzondere omstandigheden daarbij afwijken van haar vaste werkwijze en behoefde voorafgaande aan het opstellen van het concept inspectierapport geen vooroverleg met de leiding van het kindercentrum te voeren of andere ouders of medewerkers te horen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verklaringen van de oud-medewerkers en de daarin genoemde gedragingen van de leidinggevenden in het rapport talrijk en voldoende concreet zijn. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om aan de waarnemingen van deze oud-medewerkers van de situatie op het kindercentrum te twijfelen. De voorzieningenrechter acht van belang dat de verklaringen van de oud-medewerkers elkaar voor een belangrijk deel bevestigen, zowel ten aanzien van het algemeen beeld van het gedrag van de leidinggevenden als ten aanzien van concrete gedragingen. De voorzieningenrechter volgt het kindercentrum niet in de stelling dat een belangrijk deel van de gedragingen uitvloeisel is van verdedigbare pedagogische keuzen en is van oordeel dat het college mocht uitgaan van de deskundigheid van de GGD.

De door de het kindercentrum ingebrachte verklaringen van ouders en huidige medewerkers wegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen de verklaringen van oud-medewerkers die kennis en ervaring hebben van de dagelijkse praktijk en van de pedagogische grondslagen van de kinderopvang. De voorzieningenrechter heeft ook rekening gehouden met het gegeven dat de GGD na de openbaarmaking van het rapport nog meer belastende verklaringen van oud-medewerkers en ouders heeft ontvangen.

De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek afgewezen en geoordeeld dat er voldoende aanleiding is om aan te nemen dat de veilige en pedagogisch verantwoorde opvang van de kinderen op het kindercentrum in gevaar wordt gebracht door de aanwezigheid aldaar van de leidinggevenden. De gebleken gebreken en lacunes in de besluitvorming van het college kunnen, aldus de bestuursrechter, nog in de lopende bezwaarprocedure worden hersteld.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie