< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Eiseres in de hoofdzaak en verweerster in het incident en gedaagde in de hoofdzaak en eiser in het incident hebben op 11 mei 2000 een lease-overeenkomst gesloten met betrekking tot het product WinstVerdrieDubbelaar.

Uitspraak



UITSPRAAK 17 maart 2004

BvP

VONNIS VAN DE RECHTBANK TE ALKMAAR

sector civiel recht; meervoudige kamer

in de zaak met zaak- en rolnummer 69955 / HA ZA 03-1006 van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES in de hoofdzaak bij dagvaarding van 24 oktober 2003,

VERWEERSTER in het incident,

procureur mr. R. van der Hooft,

advocaat mr. H. Post te Helmond,

tegen:

toev.nr. 4EK2598

[gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident],

wonende te [woonplaats],

GEDAAGDE in de hoofdzaak,

EISER in het incident,

procureur mr. A.W.J. Castelijns,

advocaat mr. W.A. Tonckens te Amsterdam.

Partijen zullen verder worden genoemd Dexia en [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident].

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

In de hoofdzaak en in het incident:

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- dagvaarding, met zeven producties;

- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met twee producties;

- conclusie van antwoord in het incident, met drie producties.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

De enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van deze rechtbank heeft de zaak op grond van artikel 15, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering naar de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van deze rechtbank verwezen.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De feiten

In het incident

1. Als enerzijds gesteld, anderzijds erkend, althans niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de overgelegde stukken, staat tussen partijen het volgende vast.

a. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V. (hierna verder te noemen Legio Lease).

b. Labouchere en [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] hebben op 11 mei 2000 een lease-overeenkomst gesloten met betrekking tot het product WinstVerdrieDubbelaar, onder contractnummer 74410163 (hierna verder te noemen de overeenkomst). De overeenkomst had een looptijd van 36 maanden.

c. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] heeft van Labouchere een uit drie tranches bestaand aandelenpakket met een totaal aankoopbedrag van € 11.862,72 geleast voor een leasesom van € 14.351,76. De leasesom bestaat naast het genoemde aankoopbedrag uit een bedrag van € 2.489,04 aan totaal te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst.

d. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] was volgens de overeenkomst gehouden de leasesom als volgt te voldoen:

- 36 gelijke maandtermijnen van € 69,14, door middel van een automatische incasso te betalen op of omstreeks de 1e dag van iedere maand, te beginnen op of omstreeks de 1e dag van de maand volgend op de eerste aankoopdag van de aandelen;

- een bedrag van € 45,38 op of omstreeks de 35e maand;

- het restant zijnde een bedrag van € 11.817,34, aan het einde van de overeenkomst, welk restant in principe wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

e. Op de overeenkomst zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease (hierna verder te noemen de Bijzondere Voorwaarden) van toepassing.

f. In de overeenkomst en in de Bijzondere Voorwaarden wordt Labouchere aangeduid als Legio-Lease of Bank Labouchere, [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] wordt aangeduid als lessee en de geleaste aandelen worden aangeduid met waarden.

g. Artikel 5 van de overeenkomst luidt:

“Zodra lessee al datgene aan Legio-Lease heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.”

h. Artikel 6 van de overeenkomst luidt onder meer:

“(…) Deze premie zal door Legio-Lease worden verrekend met de gedurende looptijd van de lease-overeenkomst op de waarden betaalbaar gestelde dividenden. (…) Indien er sprake is van keuzedividend zal steeds gekozen worden voor dividend in de vorm van agiostock, tenzij Legio-Lease anders beslist.”

i. Artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden luidt:

“Legio-Lease en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Teneinde te bewerkstelligen dat lessee alsdan van rechtswege eigenaar van de waarden wordt, worden de in de overeenkomst genoemde waarden voorwaardelijk overgedragen aan lessee en wel onder de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Deze voorwaardelijke overdracht geschiedt doordat genoemde waarden onverwijld na verkrijging ervan door Legio-Lease ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van Bank Labouchere, overeenkomstig artikel 17 van de Wge, ter uitvoering van de in de eerste zin van dit artikel omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht. Legio-Lease behoudt het eigendom van de waarden totdat de lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden te beschikken zonder dat dit ten nadele van lessee werkt. Lessee kan niet over de waarden beschikken, behoudens met voorafgaande schriftelijke toestemming van Legio-Lease. Legio-Lease draagt het risico van het verloren gaan van de waarden totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.”

j. Artikel 3 van de Bijzondere Voorwaarden luidt onder meer:

“ Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. Legio-Lease zal, behoudens voor zover in de overeenkomst anders is bepaald, de dividendbaten zo spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee doen toekomen (…) Ingeval van een keuze-dividend zal de keuze van Legio-Lease worden bepaald door de lessee, behoudens voor zover in de overeenkomst anders is bepaald. Indien met betrekking tot de waarden andere rechten kunnen worden uitgeoefend zullen deze rechten ter keuze van Legio-Lease worden uitgeoefend.”

k. Artikel 10 van de Bijzondere Voorwaarden luidt:

“Indien lessee aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zullen de waarden aan lessee worden uitgeleverd, tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst zal in dat geval door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt zo spoedig mogelijk na opdracht daartoe plaats.”

Het geschil

In de hoofdzaak

2. Dexia vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te voldoen een bedrag van € 7.636,17, te vermeerderen met de contractuele rente ad. 0,96% per maand, althans de wettelijke rente, over een bedrag van € 6.621,50 vanaf 12 september 2003 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast vordert Dexia veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] in de kosten van het geding.

3. Dexia stelt daartoe – verkort weergegeven – dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst, door de hem toegestuurde eindafrekening onbetaald te laten.

In het incident

4. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Ter onderbouwing van de exceptie voert [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aan dat de tussen hem en Dexia gesloten overeenkomst een huurkoopovereenkomst is, nu de overeenkomst voldoet aan de kenmerken van huurkoop. De beoordeling van geschillen voortvloeiende uit een huurkoopovereenkomst behoren tot de bevoegdheid van de sector kanton van deze rechtbank, aldus [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident].

5. Dexia is van mening dat de rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Dexia stelt zich op het standpunt dat de tussen haar en [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] gesloten overeenkomst niet valt te kwalificeren als een huurkoopovereenkomst. Dexia voert daartoe aan dat de overeenkomst niet voldoet aan de criteria van koop op afbetaling en daarmee ook geen huurkoop als species van de koop op afbetaling kan zijn. Daaraan staat reeds in de weg dat de overeenkomst van koop op afbetaling alleen kan worden aangegaan met betrekking tot een zaak, dat wil zeggen een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Het vijfde lid van artikel 7A:1576 Burgerlijk Wetboek (hierna verder te noemen BW) beoogt volgens Dexia geen uitbreiding te geven van de werkingssfeer van koop op afbetaling. De litigieuze overeenkomst ziet op aandelen, welke zijn te kwalificeren als vermogensrechten, en daarmee geen zaken zijn, aldus Dexia.

6. Voorst voldoet, volgens Dexia, de overeenkomst niet aan de vereisten van een overeenkomst van koop op afbetaling zoals die volgen uit artikel 7A:1576, eerste lid, BW en daarmee kan evenmin sprake zijn van huurkoop .

7. Dexia stelt daartoe dat er geen sprake is van aflevering van de aandelen. [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] kreeg, anders dan bij koop op afbetaling, een zuiver voorwaardelijk recht, namelijk het recht op eigendom van de aandelen na betaling van de volledige koopsom. Bij het sluiten van de overeenkomst vond geen enkele afleveringshandeling met betrekking tot de aandelen plaats. De enige handeling die met betrekking tot de aandelen plaats had, was dat in de door Dexia ex. artikel 17 Wet giraal effectenverkeer (hierna verder te noemen Wge) aangehouden boekhouding een aantekening werd geplaatst met betrekking tot de voorwaardelijke overdracht van de aandelen. Met deze bijschrijving verkreeg [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident], zo voert Dexia aan, enkel het economisch risico, welk risico niet valt te kwalificeren als machtsverschaffing, waardoor niet is voldaan aan het vereiste van aflevering als bedoeld in artikel 7A:1576, eerste lid, BW . Bovendien ontbreekt, volgens Dexia, bij deze overeenkomst het recht van gebruik voorafgaand aan de volledige betaling van de koopsom, een gebruiksrecht dat kenmerkend is voor koop op afbetaling.

8. Voorts stelt Dexia dat er geen sprake is van betaling van twee of meer termijnen. Termijnen die geen betrekking hebben op de koopprijs, zoals rentebetalingen, hebben niet te gelden als termijnen in de zin van de regeling van koop op afbetaling. De overeenkomst met [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] voorziet in geregelde betalingen van rente en in een aflossing. Die aflossing is weliswaar gesplitst in een betaling van € 45,38 en een betaling van het restant van de hoofdsom, maar het feit dat de overeenkomst voorziet in een splitsing is onvoldoende om sprake te doen zijn van twee termijnbetalingen in de zin van artikel 7A:1576 BW . Bovendien is de termijn van € 45,38 in vergelijking met het restant van dermate geringe betekenis dat de overeenkomst daarmee niet het karakter van een overeenkomst tot koop op afbetaling krijgt.

Daarnaast voert Dexia aan dat het moment van de betaling van de termijn van € 45,38 niet expliciet is vastgelegd, nu deze termijn op of omstreeks de 35e maand moet worden betaald. Nu Dexia geen gebruik heeft gemaakt van de machtiging tot automatische incasso van deze termijn, valt de feitelijke betaling van die termijn samen met de betaling van het restant, aldus Dexia.

9. Tenslotte meent Dexia dat geen verkrijging van de aandelen in eigendom is beoogd. De overeenkomst voorziet niet in enige verplichting voor [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] om de effecten daadwerkelijk af te nemen, maar voorziet juist in de verkoop van die effecten aan een derde door kostenloze bemiddeling van Dexia, hetgeen benadrukt dat de verkrijging van die effecten niet het doel of het uitgangspunt van de overeenkomst is. De eigendomsoverdracht is daarmee onzeker, aldus Dexia, en de overeenkomst voldoet ook hierom niet aan de criteria voor huurkoop.

De beoordeling

In het incident

10. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] tijdig een beroep heeft gedaan op de exceptie van onbevoegdheid.

11. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] op de exceptie van onbevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst die tussen Dexia en [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] is gesloten gekwalificeerd dient te worden als een overeenkomst van huurkoop in de zin van artikel 7A:1576 h BW. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

12. Uit artikel 7A:1576, vijfde lid, BW volgt dat titel 5a van boek 7A, welke titel primair handelt over koop op afbetaling en huurkoop van zaken, van overeenkomstige toepassing is op vermogensrechten. Dit brengt mee dat aandelen, die als vermogensrechten zijn aan te merken, onderwerp kunnen zijn van koop op afbetaling en huurkoop in de zin van die titel. De door Dexia betoogde beperkte uitleg van het vijfde lid van artikel 7A:1576 BW zou deze bepaling zinledig maken en wordt dan ook niet gevolgd.

13. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aandelen reeds voorafgaand aan een mogelijke eigendomsoverdracht als afgeleverd in de zin van artikel 7A:1576, eerste lid, in combinatie met artikel 7A:1576h lid 1 BW dienen te worden aangemerkt. Hierbij is van belang dat de aandelen weliswaar niet in stoffelijke vorm in de macht van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] zijn gebracht, maar dat ingevolge artikel 17 Wge een bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de betrokken instelling heeft plaatsgevonden. Uit artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden volgt dat een dergelijke bijschrijving onverwijld na aanschaf van de aandelen door Legio-Lease geschiedt. Dexia heeft erkend dat voornoemde bijschrijving in casu ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Blijkens de memorie van toelichting op artikel 17 Wge is de strekking van die bepaling dat de levering, als formele handeling ten behoeve van de overdracht van een aandeel in een verzameldepot, geschiedt door middel van bijschrijving op naam van de verkrijger. Dat in casu [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident], zoals Dexia stelt, als de verkrijger een zuiver voorwaardelijk recht op de aandelen verkreeg maakt dit niet anders. Voorts kan de rechtbank Dexia niet volgen in haar betoog dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] niet het – voor koop op afbetaling dan wel huurkoop – kenmerkende gebruiksrecht van de aandelen heeft. Ingevolge artikel 3 van de Bijzondere Voorwaarden draagt [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] immers het economisch risico met betrekking tot de koersverschillen van de aandelen, komen hem, in beginsel, het dividend en de andere baten van de aandelen toe en is hij degene die, in beginsel, in het geval van een keuzedividend de keuze bepaalt. Dat Dexia en [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] wat betreft het dividend en de keuze bij keuzedividend in artikel 6 van de overeenkomst andere afspraken hebben gemaakt, is overigens in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7A:1576n, eerste lid, BW .

Tot slot, de omstandigheid dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] de aandelen niet kon vervreemden of bezwaren is inherent aan het feit dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] pas na voldoening aan zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst volledig eigenaar van, en daarmee volledig beschikkingsbevoegd met betrekking tot, de aandelen zou worden. Dit alles maakt niet dat niet is voldaan aan het vereiste van aflevering van de aandelen, in de zin van voornoemde bepalingen van titel 5a.

14. Voorts voorziet de overeenkomst in het betalen van de koopprijs in termijnen, hetgeen volgt uit het hierboven onder 1.d. vermelde betalingsschema van de overeenkomst. Hierbij is de totale leasesom als koopprijs in de zin van de artikelen 7A:1576, eerste lid, alsmede 7A:1576j, eerste lid, BW aan te merken. Daarbij is niet doorslaggevend dat genoemde som is opgebouwd uit een bedrag waarvoor Dexia de aandelen heeft aangekocht en een bedrag aan te betalen rente, nu uit artikel 7A:1576c, tweede lid, BW onder meer voortvloeit dat het daarbij gaat om alle betalingen waartoe [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident], bij regelmatige nakoming van de overeenkomst gehouden is. Het is, blijkens de door partijen aangevoerde standpunten en de daartoe overgelegde stukken, immers deze totale leasesom die [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] moet voldoen om de aandelen in eigendom te verkrijgen.

Met de in de overeenkomst vastgestelde en vastgelegde – periodieke – betalingen voldoet de overeenkomst daarmee tevens aan het criterium dat de koopprijs in meerdere termijnen door [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] moet worden voldaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Dexia zelf op de aan [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] toegestuurde eindafrekening wat het afgesplitste bedrag van € 45,38 betreft in een voetnoot het volgende opmerkt: “in verband met artikel 1576 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek deelt Dexia Bank Nederland deze hoofdsom in twee ën: in een ‘restant hoofdsom’ en een ‘eerste aflossingstermijn’ van € 45,38.”

15. Tenslotte hebben de partijen met hetgeen is opgenomen in de overeenkomst de eigendomsoverdracht, en wel onder opschortende voorwaarde, van de aandelen vooropgesteld. Immers, in artikel 5 van de overeenkomst alsmede in de artikelen 2 en 10 van de Bijzondere Voorwaarden is expliciet opgenomen dat, indien [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aan zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan, van rechtswege eigendomsoverdracht van de aandelen zal plaats vinden. Dit is slechts anders indien [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] Dexia verzoekt de aandelen te verkopen ten einde aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, dan wel verzoekt de looptijd van de overeenkomst te verlengen. Uitgangspunt is derhalve dat de eigendom van de aandelen van rechtswege wordt overgedragen aan [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] nadat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst.

De door Dexia gestelde onzekerheid met betrekking tot de eigendomsoverdracht is gelegen in de bevoegdheid van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] te verzoeken, dan wel een door Dexia door middel van het niet in rekening brengen van bemiddelingskosten geïnitieerde, verkoop van de aandelen, teneinde te bewerkstelligen dat [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aan het einde van de looptijd van de overeenkomst met de verkoopopbrengst het aankoopbedrag van de aandelen aan Dexia kan voldoen. Er is in deze geen sprake van een optie tot eigendomsoverdracht van de aandelen aan het einde van de overeenkomst, maar van een bevoegdheid tot het afzien van de, van rechtswege werkende, overdracht van de eigendom van de aandelen indien door [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] aan de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst is voldaan. Dit leidt ertoe dat eveneens voldaan is aan het criterium dat de overeenkomst voorziet in een voorbehoud en overgang van eigendom van de aandelen als bedoeld in artikel 7A:1576h, eerste lid, in combinatie met artikel 7A: 1576j, eerste lid, BW .

16. Het bovenstaande heeft tot gevolg dat de zaak op grond van artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door de sector kanton van de rechtbank dient te worden behandeld en beslist.

17. Als de in het incident in het ongelijk gestelde partij zal de rechtbank Dexia veroordelen in de kosten van dit incident.

In de hoofdzaak

18. De rechtbank zal gelet op bovenstaande en het bepaalde in artikel 71, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de sector kanton van deze rechtbank. De rechtbank zal een nieuwe roldatum bepalen. Partijen zijn niet verplicht bij de sector kanton bij procureur te verschijnen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

In de hoofdzaak en in het incident:

- verklaart zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen;

- verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rol van donderdag 15 april 2004 te 10:00 van de sector kanton locatie Den Helder, drs. F. Bijlweg 20 te Den Helder, van deze rechtbank, alwaar partijen in persoon of bij gemachtigde moeten verschijnen;

- verwijst Dexia in de in het incident gevallen kosten van het geding tot heden aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident] begroot op € 331,= aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door de rechters mrs. J. Blokland, voorzitter, A.H.E. van der Pol en H.A. van den Berg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature