< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG. Economische zaak. Feitelijk leiding geven aan 1. het in strijd handelen met voorschriften van de omgevingsvergunning, (art. 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2. (medeplegen van) het zich opzettelijk ontdoen van bedrijfsafvalstoffen door afgifte aan bedrijven die niet bevoegd waren die afvalstoffen te ontvangen (art. 10.37 Wet milieubeheer) en 3. (medeplegen van) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon. 13 middelen met onder meer bewijsklachten. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 21/01457, 21/01458, 21/01459 P en 21/01460 P.

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/01456

Zitting 10 mei 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

De verdachte is bij arrest van 24 maart 2021 door de economische kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. ‘feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’; 2. ‘feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’ en 3, 4 en 5, ‘feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en feitelijk leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot elf maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr en 240 uren taakstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Er bestaat samenhang met de zaken 21/01459, 21/01460, 21/01458 en 21/01457. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R. Hörchner, advocaat te Breda, heeft dertien middelen van cassatie voorgesteld.

Voor een goed begrip geef ik voorafgaand aan de bespreking van de middelen de bewezenverklaringen, onderdelen van de bewijsvoering, toepasselijke regelgeving en een deel van een Mededeling van de Europese Commissie weer.

Bewezenverklaring, bewijsvoering, toepasselijke regelgeving

5. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

‘1. [A] B.V. (…) in de periode van 6 februari 2012 tot en met 25 juni 2014, in de gemeente Putten, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met voorschriften van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland d.d. 30 juni 2005, welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd aan of nabij de [a-straat 1] te Putten, aangezien [A] :

- niet vergunde afvalstoffen, te weten:

- slib (geclassificeerd als euralcode 190811* of 190812) en

- proceswater (geclassificeerd als euralcode 161001* of 161002) en

- zuurwater (geclassificeerd als euralcode 161001* of 161002),

heeft op- en overgeslagen en bewerkt (i.s.m. vergunningsvoorschrift 9.5.1) en

- niet te allen tijde heeft gehandeld conform de in rapport 2 van de aanvraag bedoelde procedures (Acceptatie- en verwerkingsbeleid, AV-beleid en/of Administratieve organisatie en interne controle, AO/IC d.d. 31 oktober 2006 en/of daar genoemde richtlijnen, immers heeft [A] , toen aldaar:

- niet de benodigde gegevens over een product opgevraagd middels een AV-Formulier (Acceptatie-Vragenformulier), als bedoeld in bijlage 3 behorende bij het Acceptatie- en verwerkingsbeleid, AV-beleid en/of Administratieve organisatie en interne controle, AO/IC d.d. 31 oktober 2006, bij de ontdoener, te weten:

- [B] B.V. te Rotterdam en

- [C] B.V. te Heerhugowaard, en

- bij een kritisch product niet eens per 6 maanden een analyse beoordeeld en herhaald, te weten het slib van [B] B.V. (i.s.m. vergunningsvoorschrift 9.1.1),

zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

2. [A] B.V. (…) in de periode van 6 februari 2012 tot en met 25 juni 2014, in de gemeente Putten en/of gemeente Apeldoorn en/of gemeente Horst aan de Maas en/of gemeente Tiel en/of gemeente Súdwest-Fryslân en/of gemeente Schagen en/of gemeente Venray en/of gemeente Hoogeveen en/of gemeente Tietjerksteradeel, tezamen en in vereniging met één ander, althans alleen, zich opzettelijk heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen, te weten een afvalmengsel, door afgifte aan:

[BFK: 9 bedrijven]

terwijl die bedrijven niet bevoegd waren die afvalstoffen in te zamelen en/of te verwerken en/of nuttig toe te passen en/of te verwijderen, zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

3. [A] B.V. (…) in de periode van 4 februari 2012 tot en met 25 juni 2014, in de gemeente Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één ander, althans alleen,

- [BFK: 8 begeleidingsbrieven]

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn medeverdachte valselijk op die begeleidingsbrieven:

- [BFK: 3 keer] als Euralcode 020399 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was en

- in het veld 3A en/of 3B als ontdoener en/of locatie van herkomst " [A] B.V., [a-straat 1] , [postcode] Putten" aangegeven terwijl dit " [C] B.V., [b-straat 1] , [postcode] Heerhugowaard", moest zijn en

- [BFK: 4 keer] als Euralcode 020399 en 020304 en 020305 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

4. [A] B.V. (…) in de periode van 4 februari 2012 tot en met 25 juni 2014, in de gemeente Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één ander, althans alleen,

- [BFK: 24 begeleidingsbrieven]

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn medeverdachte valselijk op die begeleidingsbrieven:

- [BFK: 8 keer] als Euralcode 020204 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 190811* of 190812 was en- [BFK: 1 keer] als Euralcode 020204 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was en

- [BFK: 10 keer] als Euralcode 020299 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was en

- [BFK: 3 keer] als Euralcode 020399 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was en

- [BFK: 2 keer] als Euralcode 020304 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

5. [A] B.V. (…) in de periode van 4 februari 2012 tot en met 25 juni 2014, in de gemeente Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één ander, althans alleen:

[BFK: 32 begeleidingsbrieven]

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn medeverdachte valselijk op die begeleidingsbrieven:

[BFK: 13 keer] als Euralcode 020399 (en/of 020304 en/of 020305) ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was (en/of moest zijn) en

[BFK: 5 keer] in het veld 4B als locatie van bestemming " [A] B.V., [a-straat 1] , [postcode] Putten" aangegeven terwijl dit [BFK: een ander bedrijf] moest zijn en

[BFK: 5 keer] in het veld 3A (en/of 3B) als ontdoener (en/of locatie van herkomst) " [A] B.V., [a-straat 1] , [postcode] Putten" aangegeven terwijl dit [BFK: een ander bedrijf] moest zijn en

[BFK: 9 keer] als Euralcode 020399 ingevuld, terwijl de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 161001* of 161002 was,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, toen en aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.’

6. Het hof heeft een inleidende overweging van de rechtbank overgenomen die als volgt luidt (met weglating van een voetnoot):

7. ‘In de periode van 10 december 2009 tot en met 24 december 2013 stond de rechtspersoon [D] B.V. bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder van [A] . Verdachte is alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [D] B.V.

8. Vanaf 24 december 2013 staat [E] B.V. bij de Kamer van Koophandel als bestuurder van [A] vermeld. Verdachte is met ingang van 1 juli 2005 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [E] BV.

9. Op 26 september 2012 is [F] .NL B.V, gevestigd aan de [a-straat 1] te Putten, opgericht. Verdachte is alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder.

10. (…)

11. De hoofdactiviteit binnen de inrichting [A] is de op-/overslag en (voor-)bewerking van niet gevaarlijke organische rest- en afvalstoffen. Voor zover de afvalstoffen een bewerking dienen te ondergaan is deze mechanisch en bestaat deze uit het uitpakken (indien verpakt), opschonen (verwijderen van grove zichtbare verontreinigingen), verkleinen (shredderen), vermengen en vermalen (vermoesen) van de afvalstoffen tot een verpompbaar product.

12. Een korte beschrijving van de handling en routing van de rest- en afvalstoffen (hierna ook genoemd producten) binnen de inrichting is als volgt. In bulk aangevoerde producten worden gelost in de stortkelder of (bij vloeibare producten) eventueel rechtstreeks in de opslagtanks O.1 t/m O.6. Afvalstoffen die zijn gelost in de stortkelder worden na bewerking tot een vloeibare massa verpompt naar de opslagtanks O.1, O.2, O.3, O.5, O.6. Hieruit worden ze geladen in tankwagens voor afvoer naar erkende eindverwerkers/-gebruikers (inrichtingen voor biovergisting of compostering). Feitelijk betreft de inrichting een overloadstation voor organische rest- en afvalstoffen waarbij de producten worden bewerkt tot - en afgevoerd als - een verpompbare massa.

13. De rechtbank overweegt dat aan [A] - kort gezegd - wordt verweten dat zij zich niet aan enkele vergunningvoorschriften heeft gehouden (feit 1), dat zij producten heeft geleverd aan afnemers die die producten niet mochten ontvangen (feit 2) en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift ten aanzien van een groot aantal zogenoemde begeleidingsbrieven (feiten 3, 4 en 5). Verdachte zou feitelijk leiding hebben gegeven aan deze gedragingen.

14. Er zijn in het dossier vier voor de beoordeling van de tenlastelegging relevante zaaksdossiers opgenomen, te weten de dossiers “ [C] ”, “ [G] ”, ‘‘ [H] - vetresidu” en “ [H] - zuurwater”. In ieder zaaksdossier zijn, naast een algemeen deel over de van het betreffende bedrijf ( [C] , [G] en [H] ) door [A] ontvangen afvalstoffen, negen selectiedossiers opgenomen. In ieder selectiedossier wordt een door [A] ontvangen en vervolgens aan een biovergister geleverde afvalstroom beschreven. De in de tenlastelegging onder feit 3 ( [C] ), feit 4 ( [G] ) en feit 5 ( [H] ) genoemde begeleidingsbrieven behoren bij de in de selectiedossiers beschreven afvalstromen.’

15. Bij feit 1 heeft het hof (onder meer) de volgende bewijsoverwegingen van de rechtbank overgenomen (met weglating van voetnoten):

‘Feit 1 (vergunning en AV-beleid)

De rechtbank overweegt dat [A] onder feit 1 wordt verweten zich niet aan een aantal voorschriften van de vergunning van 30 juni 2005 te hebben gehouden. De rechtbank zal de in de tenlastelegging opgenomen gedragingen en nalatigheden in het navolgende bespreken.

Niet vergunde afvalstoffen heeft op- en/of overgeslagen en/of be- en/of verwerkt

Als voorschrift 9.5.1 is in de vergunning opgenomen dat de vergunning uitsluitend betrekking heeft op het op- en overslaan, be- en verwerken van de afvalstoffen met euralcodes 020203, 020204, 020301, 020302, 020304, 020305, 020399, 020403, 020499, 020501, 020502, 020599, 020601, 020602, 020603, 020699, 020701, 020702, 020704, 020705, 020799, 200108 en 200125.

Gelet op de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft opgenomen bij de behandeling van de afzonderlijke selectiedossiers acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [C] , [G] en [H] in de ten laste gelegde periode afvalstoffen aan [A] hebben geleverd, die ook daadwerkelijk op het terrein van [A] in Putten zijn op- en overgeslagen. Ook zijn verschillende soorten afvalstoffen, te weten afvalstoffen van verschillende herkomst, met verschillende euralcodes en/of met verschillende benamingen (zoals blijkt uit de tanklijsten, waarvan de relevante delen zijn opgenomen in de selectiedossiers), met elkaar vermengd door ze samen te brengen in dezelfde tank, hetgeen als het bewerken van de afvalstoffen moet worden beschouwd.

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar deze van [C] , [G] en [H] ontvangen afvalstoffen.

In het NFI-rapport van 21 oktober 2014 is geconcludeerd dat het proceswater van [C] zou moeten vallen onder paragraaf 16.10 (waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt) en meer specifiek onder de euralcodes 16.10.01* of 16.10.02, afhankelijk van of het proceswater al dan niet gevaarlijke stoffen bevat.

In het NFI-rapport van 30 oktober 2014 is geconcludeerd dat de afvalstoffen van [G] , te weten slib van een biologische afvalwaterzuivering, vallen onder subhoofdstuk 19.08 (niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering) van de Eural en specifiek onder de codes 19.08.11* of 19.08.12, afhankelijk van de vraag of het slib wel of niet gevaarlijke stoffen bevat.

In het NFI-rapport van 11 september 2014 is over het zuurwater van [H] geconcludeerd dat euralcode 02.03.99 niet de juiste euralcode is en dat de euralcodes 16.10.01* of 16.10.02, afhankelijk van of het water wel of niet als bijtend is aan te merken, vallend onder hoofdstuk 16.10 (‘waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt’), voor het zuurwater meer voor de hand liggen.

De rechtbank stelt vast dat de door het NFI genoemde euralcodes niet staan vermeld in de vergunning van [A] . Dit betekent dat [A] afvalstoffen op haar terrein heeft op- en overgeslagen en bewerkt die niet waren vergund.

(…)

Niet te allen tijde heeft gehandeld conform het AV-beleid en/of AO/IC door van [G] en [C] niet de benodigde gegevens over een product op te vragen middels een AV-formulier en door het slib van [G] niet eens per zes maanden te analyseren en beoordelen

In voorschrift 9.1.1 van de vergunning is vermeld dat de vergunninghouder te allen tijde dient te handelen conform de in rapport 2 van de aanvraag bedoelde procedures (Acceptatie- en verwerkingsbeleid en Administratieve organisatie en Interne controle, AO/IC) en de daar genoemde richtlijnen.

De rechtbank overweegt dat bij de vergunningaanvraag voor de inrichting aan de [a-straat 1] in Putten het AV-beleid van de aanvrager, te weten Fouragehandel [betrokkene 16] BV., van juni 2004 was gevoegd. Het beleid van [A] is uitvoerig beschreven in een rapport van Adviesburo [J] van 31 oktober 2006. Dit beleid is inhoudelijk niet anders dan dat van juni 2004.

In het Acceptatie- en verwerkingsbeleid, Administratieve Organisatie en Interne Controle van [A] , zoals beschreven in het rapport van Adviesburo [J] van 31 oktober 2006, is onder meer opgenomen dat wanneer een ontdoener bij [A] informeert of een product verwerkt mag worden, [A] de benodigde gegevens zal opvragen door middel van het als bijlage 3 opgenomen AV-formulier (Acceptatie-Vragenformulier). Verder is in het AV-beleid opgenomen dat voor kritische producten geldt dat bij een eenmaal goedgekeurd product dat over langere tijd/periode wordt aangeleverd, analyses eens per zes maanden worden herhaald en beoordeeld.

Uit het onderzoek is gebleken dat de AV-formulieren van de afvalstromen van [G] en [C] in de administratie van [A] ontbreken.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de afvalstromen van [G] en [C] naar [A] al bestonden voor de aanvangsdatum van de in de tenlastelegging opgenomen pleegperiode. Als er al iets niet goed is gegaan, is dat voor 6 februari 2012 geweest.

De rechtbank volgt verdachte niet in dit betoog. Daarbij is het volgende van belang.

Over de vooracceptatie is in het AV-beleid vermeld dat het door de ontdoener/aanbieder ingevulde AV-formulier door de KAM-manager moet worden getoetst. Als eerste moet beoordeeld worden of de aanbieder het aangeboden product al eens eerder aan [A] heeft geleverd conform het acceptatiebeleid. Als dat niet het geval is, moet de procedure ‘acceptatie nieuw product’ worden gevolgd. Doel van die procedure is het verkrijgen van voldoende informatie om te kunnen beoordelen of het aangeboden product mag worden geaccepteerd binnen de inrichting van [A] . Als het aangeboden product al wel eerder aan [A] is geleverd conform het acceptatiebeleid, kan de procedure ‘acceptatie bij een vervolgafgifte’ worden gevolgd. Deze procedure ziet op producten die door een bestaande relatie (ontdoener) opnieuw worden aangeboden als eenmalige levering of als serie van leveringen, en die al eerder akkoord zijn bevonden door de procedure ‘acceptatie nieuwe afvalstroom’. De periode tussen de ‘laatste levering’ en de ‘nieuwe levering’ mag echter niet langer zijn dan zes opeenvolgende kalendermaanden.

Uit informatie van het Landelijk Meldpunt Afval (hierna: LMA) volgt dat de afvalstroom van [C] naar [A] voor het eerst is gemeld op 7 januari 2008. De afvalstroom van [G] naar [A] is op 5 februari 2009 voor het eerst gemeld bij het LMA. De rechtbank stelt vast dat het AV-beleid van [A] toen ook van toepassing was.

Met name uit de beschrijving van de procedure ‘acceptatie bij een vervolgafgifte’ leidt de rechtbank af dat bij iedere levering, en dus ook van een product dat al eerder is geleverd door een bestaande klant, een acceptatieprocedure moet plaatsvinden op basis van een door de ontdoener in te vullen AV-formulier. Op basis van dat formulier wordt, zoals beschreven in het AV-beleid van [A] , beoordeeld of de uitgebreidere procedure ‘acceptatie nieuw product’ moet worden gevolgd of dat kan worden volstaan met de procedure ‘acceptatie bij een vervolgafgifte’.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] in strijd met haar eigen AV-beleid gehandeld door bij [G] en [C] niet telkens (dus per aangeboden partij) door middel van AV-formulieren de informatie op te vragen die nodig is om te kunnen beoordelen of een product binnen de inrichting mag worden gebracht. Gelet op hetgeen hierboven is beschreven, is ook wettig en overtuigend bewezen dat [A] dit in de ten laste gelegde periode heeft nagelaten.

In het AV-beleid is beschreven wat ‘kritische producten’ in het kader van de acceptatieprocedure zijn. Als eerste is genoemd “slib inclusief floculaat van afval-/proceswaterbehandelingsinstallaties ter plaatse (op de inrichting van de ontdoener)”. Gelet op het eerder beschreven proces zoals dat bij [G] plaatsvindt, is het van dat bedrijf afkomstige slib aan te merken als een kritisch product. In de administratie van [A] is één analyserapport aangetroffen.

[betrokkene 1] , sinds 1 januari 2013 bij [G] verantwoordelijk voor veiligheid, milieu, gezondheid, beveiliging en kwaliteit, heeft verklaard dat het slib niet is bemonsterd zolang hij bij [G] werkt.

Door het niet opnieuw herhalen en beoordelen van een analyse van het slib van [G] , heeft [A] gehandeld in strijd met het eigen AV-beleid.’

Bij feit 2 heeft het hof (onder meer) de volgende bewijsoverwegingen van de rechtbank overgenomen (met weglating van voetnoten):

‘Feit 2 (afgifte aan niet-bevoegde bedrijven)

Uit artikel 10.37 van de Wet milieubeheer volgt dat het verboden is zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen, tenzij het gaat om afgifte aan een persoon die bevoegd is die afvalstoffen in te zamelen, ze nuttig toe te passen of te verwijderen.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen zoals die bij het bespreken van de afzonderlijke selectiedossiers zijn opgenomen, volgt dat [A] afval heeft geleverd aan een aantal andere bedrijven. Dit zijn de [T] (RWZI) in Apeldoorn, [K] vof, later overgegaan in [L] BV., (beide gevestigd aan de [c-straat 1] Putten), [M] (gevestigd in Ooijen, gemeente Horst aan de Maas), [N] (gevestigd in Tiel), [O] (gevestigd in Tirns, gemeente Südwest-Fryslân), [P] (gevestigd in Warmenhuizen, gemeente Schagen), [Q] B.V. (gevestigd in Ysselsteyn, gemeente Venray), [R] B.V. (gevestigd [d-straat 1] Nieuweroord, gemeente Hoogeveen) en [S] B.V. (gevestigd [e-straat 1] Hurdegaryp, gemeente Tietjerksteradeel).

Over [N] is in het proces-verbaal beschreven dat niet is onderzocht of het bedrijf stoffen met euralcodes 19.12.11* en 19.12.12 mag ontvangen. Ook zou [N] alleen handelen in co-producten, maar niet zelf vergisten. Daarom komt de rechtbank tot een vrijspraak voor zover het gaat om afgifte van afvalstoffen aan [N] .’

8. Het hof heeft onder het kopje ‘Algemene overweging over opzettelijk handelen’ het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

‘De raadsman heeft aangevoerd dat [A] veelvuldig, in totaal 80 tot 100 keer, is gecontroleerd door Provincie, omgevingsdienst en/of NVWA en dat men steeds volledige inzage heeft gehad in de administratie. Dit betreft dus ook de aanwezigheid van dubbele begeleidingsbrieven en de euralcodes van de afvalstoffen die binnenkwamen en uitgingen. Bij gebrek aan waarschuwingsbrieven of andere maatregelen, moet worden aangenomen dat de toezichthouders akkoord zijn gegaan met de gang van zaken. Verdachte mocht er daarom (gerechtvaardigd) op vertrouwen dat deze gang van zaken in orde was, aldus de raadsman.

Hoewel de raadsman met dit verweer primair de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en subsidiair de afwezigheid van alle schuld heeft bepleit, overweegt het hof dat de aangevoerde omstandigheden ook van belang zijn voor de vraag of verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Immers, als steeds in afstemming met en met goedkeuring van de toezichthouders is gehandeld, kan dat betekenen dat verdachte erop mocht vertrouwen dat zijn handelwijze juist was. In dat geval zou dat tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij niet de juiste euralcode hanteerde en/of de begeleidingsbrieven vals opmaakte.

Het hof overweegt dat in het dossier verschillende bewijsmiddelen aanwezig zijn waaruit blijkt dat verdachte en/of [A] wel degelijk aangesproken zijn op haar handelwijze, en dat de toezichthouders met de gang van zaken zeker niet expliciet hebben ingestemd. Zo heeft [betrokkene 2] , toezichthouder van de NVWA, [I] er op 26 mei 2011 op gewezen dat een mengsel van verschillende afvalstoffen niet als wlom mag worden afgegeven omdat dit niet overeenkomt met de werkelijkheid. Bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 2] verklaard dat de stof benoemd werd als wlom in de zin van bijlage Aa, maar dat dit niet zo was. [betrokkene 2] stelde dat vast aan de hand van de tankstaat, waarop staat wat er in- en uitgaat. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat [betrokkene 2] juist verklaard zou hebben dat [A] de term wlom wel mocht gebruiken. Het hof heeft echter geen reden om te twijfelen aan het proces-verbaal van [betrokkene 2] en volgt verdachte daarom niet in zijn verklaring.

[betrokkene 4] , toezichthouder bij [A] vanaf 1 april 2013, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat er geen afspraken zijn gemaakt over het gebruik van euralcodes. Er is door hem niet gecontroleerd op euralcodes en hij heeft er niet mee ingestemd dat de euralcode 02.03.99 werd gebruikt voor de afzet van de op de inrichting gemengde afvalstoffen.

[betrokkene 5] , toezichthouder van de Provincie, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat er uitgebreide controles zijn uitgevoerd naar de euralcodes die door [A] werden gebruikt en dat er is vastgesteld dat er verkeerde euralcodes werden gebruikt. Dat is door de provincie ook medegedeeld. Hoewel de getuige daarbij niet specifiek heeft benoemd dat het daarbij om de afvalstromen gaat die onderwerp zijn van deze strafzaak, acht het hof het op grond hiervan wel aannemelijk dat de toezichthouder in ieder geval niet expliciet heeft ingestemd met de handelwijze van [A] . [betrokkene 5] heeft tevens verklaard dat hij in de periode 2008-2011 op de hoogte was van de rechtstreekse ritten waarbij twee begeleidingsbrieven werden gebruikt. Hij heeft niet met deze werkwijze ingestemd en ook gezegd dat het zo niet kan. Het hof geeft geen reden om te twijfelen aan deze verklaring. [betrokkene 5] wist daarnaast dat er bij [A] afvalstromen gemengd werden en dat deze onder een algemene code (99) werden afgevoerd. Die gang van zaken is nooit goedgekeurd.

[betrokkene 6] heeft verklaard dat hij in 2008 en 2009 controles heeft uitgevoerd bij [A] . Daarbij werd niet gecontroleerd of een afvalstof in een vrachtwagen feitelijk overeenkwam met wat er op de begeleidingsbrief vermeld stond. De controles richten zich vooral op de fysieke situatie op het bedrijf. [A] heeft niet met hem afgestemd of zij een bepaalde euralcode voor een bepaalde afvalstroom mochten gebruiken. Van het gebruik van twee begeleidingsbrieven bij rechtstreekse ritten was hij niet op de hoogte. Hij hoorde hier wel van nadat hij geen bedrijfscontroles meer deed. Hij heeft niet met deze werkwijze ingestemd.

[betrokkene 7] heeft verklaard dat hij als toezichthouder bij de provincie in 2011 en 2012 bij [A] controles heeft uitgevoerd. Hij heeft met [A] geen afspraken gemaakt over welke euralcodes ze moesten gebruiken of over (…) hoe de begeleidingsformulieren ingevuld moesten worden.

Het hof overweegt daarnaast dat er in beginsel op [A] ,en in het verlengde daarvan ook op verdachte, als professionele afvalverwerker, een eigen verantwoordelijkheid rust om te handelen conform de vergunning en conform de wet- en regelgeving. Daar hoort ook bij, zoals het hof eerder heeft overwogen, dat gehandeld wordt conform het beleid van [A] en onderzoek doet naar de afvalstoffen die binnen de inrichting worden ontvangen en afgegeven.

In de stelling dat bij gebrek aan handhavend optreden aangenomen moet worden dat de toezichthouders instemden met de gang van zaken, dan wel dat dit het gerechtvaardigde vertrouwen van verdachte kon wekken dat de gang van zaken in orde was, kan het hof de raadsman niet volgen. Immers kan handhavend optreden om verschillende redenen uitblijven, waarvan de onbekendheid van de toezichthoudende instanties met het onrechtmatig handelen van een betrokkene wel de meest voor de hand liggende is. Het doet in ieder geval naar het oordeel van het hof niet af aan voornoemde eigen verantwoordelijkheid van verdachte om conform de vergunning en wet- en regelgeving te handelen.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de toezichthouders hebben ingestemd met het handelen van verdachte en dat dit uit het enkele uitblijven van handhavend optreden ook niet mag worden afgeleid. Naar het oordeel van het hof kan hetgeen de raadsman op dit punt heeft aangevoerd dan ook niet afdoen aan het opzet van verdachte op het plegen van de feiten, zoals dat hiervoor steeds bij de afzonderlijke feiten is beschreven.’

9. Het hof heeft het onder 1 bewezenverklaarde gekwalificeerd als feitelijk leiding geven aan (opzettelijke) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo). Dat artikel luidde in de bewezenverklaarde periode als volgt:

‘Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op:

a. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;

b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i;

c. activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.’

10. Uit de bewezenverklaring volgt dat het gaat om een activiteit als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder e Wabo. Dat artikellid luidde in de bewezenverklaarde periode als volgt:

‘1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

e.

1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk’

11. Het hof heeft het onder 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als feitelijk leiding geven aan (-medeplegen van- opzettelijke) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet milieubeheer (verder: Wm). Dat artikel luidde in de bewezenverklaarde periode (voor zover van belang) als volgt:

‘1. Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.

2. Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:

a. die krachtens artikel 10.45 of 10.48 bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen;

b. die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen:

1o. krachtens hoofdstuk 8 of op grond van een omgevingsvergunning;

2o. (…);

c. (…)’

12. Art. 1.1 Wm bepaalde in de bewezenverklaarde periode (voor zover van belang) als volgt:

‘1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

(…)

bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;

(…)

huishoudelijke afvalstoffen: afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens, behoudens voor zover het ingezamelde bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;

13. Inzake de begeleidingsbrieven zijn in het bijzonder de artikelen 10.38, 10.39 en 10.41 Wm van belang. Die artikelen luidden in de bewezenverklaarde periode als volgt:

Artikel 10.38 Wm

‘1. Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige afgifte:

a. de datum van afgifte;

b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven;

c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen;

d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven;

e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen;

f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt.

2. De geregistreerde gegevens worden ten minste vijf jaar bewaard en gedurende die periode door de afvalstoffenhouder ter beschikking gehouden van degenen die zijn belast met het toezicht of de douanecontrole op de naleving van de wet en van voorgaande afvalstoffenhouders.

3. Een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b, die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een andere zodanige persoon, meldt met betrekking tot een zodanige afgifte de in het eerste lid bedoelde gegevens aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie.’

Artikel 10.39 Wm

‘1. Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met e, verstrekt:

a. aan deze persoon een omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van die afvalstoffen;

b. aan degene die opdracht heeft de afvalstoffen naar die persoon te vervoeren, een begeleidingsbrief.

2. De begeleidingsbrief bevat ten minste de in het eerste lid, onder a, en de in artikel 10.38, eerste lid, bedoelde gegevens.’

Artikel 10.41 Wm

‘1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de artikelen 10.38 tot en met 10.40 uitvoering wordt gegeven.’

14. Het (mede) op art. 10.41 Wm gebaseerde Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen hield in de bewezenverklaarde periode onder meer in:

‘Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. (…)

b. afvalstoffenlijst: afvalstoffenlijst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst;

c. (…)

§ 5. De verstrekking van een omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van afvalstoffen

Artikel 10

1. De in artikel 10.39, eerste lid, onder a, van de wet gestelde verplichting geldt niet voor de categorieën van gevallen waarin de afgifte betrekking heeft op bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b en niet geschiedt aan een persoon die een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder a, van de wet drijft om die afvalstoffen te laten storten.

2. Degene die een omschrijving als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a, van de wet verstrekt, vermeldt daarbij de van toepassing zijnde code van de afvalstoffenlijst.

3. (…)’

De Regeling Europese afvalstoffenlijst definieerde het begrip afvalstoffenlijst in de bewezenverklaarde periode als: ‘bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3)’.

De integrale tekst van de afvalstoffenlijst is in de Staatscourant gepubliceerd. Deze lijst houdt onder meer het volgende in:

‘02 AFVAL VAN LANDBOUW, TUINBOUW, AQUACULTUUR, BOSBOUW,

JACHT EN VISSERIJ EN DE VOEDINGSBEREIDING EN VERWERKING

(…)

02 02 afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van

dierlijke oorsprong

(…)

02 02 04 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse

02 02 99 niet elders genoemd afval

02 03 afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie,

cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse

(…)

02 03 04 voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal

02 03 05 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse

02 03 99 niet elders genoemd afval

(…)

16 NIET ELDERS IN DE LIJST GENOEMD AFVAL

(…)

16 10 waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt

16 10 01* c waterig vloeibaar afval dat gevaarlijke stoffen bevat

16 10 02 c niet onder 16 10 01 vallend waterig vloeibaar afval

(…)

19 AFVAL VAN INSTALLATIES VOOR AFVALBEHEER, OFF-SITE

WATERZUIVERINGSINSTALLATIES EN DE BEREIDING VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER EN WATER VOOR INDUSTRIEEL GEBRUIK

(…)

19 08 niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering

(…)

19 08 11* c slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat

19 08 12 c niet onder 19 08 11 vallend slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater

(…)

19 12 afval van niet elders genoemde mechanische afvalverwerking (bv.

sorteren, breken, verdichten, palletiseren)

(…)

19 12 11* c overig afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische

afvalverwerking dat gevaarlijke stoffen bevat

19 12 12 c overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen)

van mechanische afvalverwerking’

Bijlage 1 bij de Mededeling van de Europese Commissie inhoudende Technische richtsnoeren voor de indeling van afvalstoffen houdt onder meer het volgende in:

Rangorde voor hoofdstukken van de lijst van afvalstoffen zoals vastgelegd in de lijst van afvalstoffen

De hoofdstukken (tweecijferige codes) kunnen worden ingedeeld in drie verschillende reeksen die in overweging moeten worden genomen, volgens een vooraf bepaalde volgorde die is vastgelegd in de bijlage bij de lijst van afvalstoffen, wanneer wordt getracht te bepalen welke rubriek met absolute code of spiegelrubriek het beste overeenkomt met een onderzochte afvalstof:

A 01 tot en met 12 en 17 tot en met 20

hoofdstukken met betrekking tot de afvalbron

B 13 tot en met 15

hoofdstukken met betrekking tot het type afvalstof

C. 16

hoofdstuk voor niet elders in de lijst genoemde afvalstoffen

Ten eerste is het belangrijk om de hoofdstukken 01 tot en met 12 en 17 tot en met 20 in overweging te nemen (met uitzondering van hun algemene rubrieken met codes eindigend op 99) waarin een afvalstof wordt geïdentificeerd door te verwijzen naar de bron ervan of de industriële sector waaruit de afvalstof voortkomt. In plaats van te kijken naar het algemene type industrie waar de afvalstof ontstaat, moet eerder naar het specifieke industriële proces worden gekeken. Een voorbeeld is afval uit de auto-industrie: afhankelijk van het proces kunnen afvalstoffen worden ingedeeld in hoofdstuk 12 (afval van de machinale bewerking en de fysische en mechanische oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen), hoofdstuk 11 (afval van de chemische oppervlaktebehandeling en coating van metalen en andere materialen; non-ferrohydrometallurgie) of 08 (afval van bereiding, formulering, levering en gebruik (BFLG) van coatings (verf, lak en email ), lijm, kit en drukinkt). De codes eindigend op 99 in deze hoofdstukken mogen in deze fase niet worden gebruikt.

Indien in de hoofdstukken 01 tot en met 12 of 17 tot en met 20 geen passende code kan worden gevonden, zijn de hoofdstukken 13 tot en met 15 de volgende te controleren hoofdstukken volgens de vastgestelde rangorde (met uitzondering van de algemene rubrieken met codes eindigend op 99). Deze hoofdstukken hebben betrekking op de aard van de afvalstof zelf, bijvoorbeeld verpakkingsafval.

Indien geen van deze afvalcodes van toepassing is, moet de afvalstof worden geïdentificeerd volgens hoofdstuk 16 (met uitzondering van de algemene rubrieken met codes eindigend op 99), dat een diverse reeks afvalstromen vertegenwoordigt die niet anderszins specifiek kunnen worden gerelateerd aan een bepaald proces of een bepaalde sector, bv. AEEA of afgedankte voertuigen.

Indien de afvalstof redelijkerwijs evenmin aan een van de rubrieken in hoofdstuk 16 kan worden toegewezen, moet een geschikte rubriek met een code eindigend op 99 (niet elders genoemd afval) worden gevonden in het deel van de lijst dat overeenkomt met de in de eerste stap geïdentificeerde afvalbron.

Het bepalen van de best passende rubriek is een belangrijke stap in de indeling van afvalstoffen en vereist een gedegen en eerlijk oordeel van de exploitant, op basis van zijn kennis van de herkomst van de afvalstof en het proces waaruit de afvalstof voortkomt, alsmede van de potentiële samenstelling ervan. In bijlage 1.2 wordt meer gedetailleerde informatie verstrekt over de wijze waarop de lijst en de vooraf vastgestelde rangorde moeten worden toegepast en wordt de informatie samengevat die reeds in een stroomschema is verstrekt (zie figuur 1).’

Het eerste middel

18. Het eerste middel van de cassatieschriftuur, die zowel in de strafzaak tegen de verdachte als in die tegen de medeverdachten is ingediend, bevat de klacht dat het hof ten onrechte de dagvaarding ter zake van het gestelde onder feit 1 geldig heeft verklaard en het beroep op nietigheid van de dagvaarding op onjuiste gronden heeft verworpen.

18. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

‘ [A] B.V. (…) op één of meer tijdstippen in de periode van 6 februari 2012 tot en met 25 juni 2014, in de gemeente Putten, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland d.d. 30 juni 2005, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van een inrichting, gevestigd aan of nabij de [a-straat 1] te Putten, aangezien [A] en/of haar mededader(s):

- niet vergunde afvalstoffen, te weten:

- slib (geclassificeerd als euralcode 190811* of 190812) en/of

- proceswater (geclassificeerd als euralcode 161001* of 161002) en/of

- zuurwater (geclassificeerd als euralcode 161001* of 161002),

heeft op- en/of overgeslagen en/of be- en/of verwerkt (i.s.m. vergunningsvoorschrift 9.5.1) en/of

- in de opslagtanks O.1 en/of O.2 en/of O.3 en/of O.4 en/of O.5 en/of O.6 (organische) afvalproducten heeft bewerkt, door (organische) afvalproducten te mengen (i.s.m. vergunningsvoorschrift 3.2.9) en/of

- niet direct voorafgaand aan het verpompen van een batch uit de stortkelder naar een opslagtank de pH en/of de temperatuur van het te verpompen materiaal heeft gemeten en/of de verkregen waarden niet op een rapportageformulier heeft geregistreerd (i.s.m. vergunningsvoorschrift 3.2.3) en/of

- niet te allen tijde heeft gehandeld conform de in rapport 2 van de aanvraag bedoelde procedures (Acceptatie- en verwerkingsbeleid, AV-beleid en/of Administratieve organisatie en interne controle, AO/IC d.d. 31 oktober 2006 (…) en/of daar genoemde richtlijnen, immers heeft [A] en/of haar mededader(s), toen aldaar:

- niet de benodigde gegevens over een product opgevraagd middels een AV-Formulier (Acceptatie-Vragenformulier), als bedoeld in bijlage 3 behorende bij het Acceptatie- en verwerkingsbeleid, AV-beleid en/of Administratieve organisatie en interne controle, AO/IC d.d. 31 oktober 2006, bij de ontdoener, te weten:

- [B] B.V. te Rotterdam en/of

- [C] B.V. te Heerhugowaard, en/of

- bij (een) kritisch(e) product(en) niet eens per 6 maanden een analyse beoordeeld en herhaald, te weten het slib van [B] B.V. (i.s.m. vergunningsvoorschrift 9.1.1),

zulks terwijl hij, verdachte, toen en daar tot het hiervoor omschreven strafbare feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven’

20. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 februari 2021 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota is zowel in de strafzaak tegen de verdachte als in de strafzaken tegen de medeverdachten overgelegd en houdt onder meer in (p. 85):

‘Feit 1

In de tenlastelegging is niet gespecificeerd wat onder feit 1 bedoeld is met slib (190811* of 190812), proceswater (161001* of 161002) of zuurwater (161001* of 161002): dagvaarding is nietig dan wel feiten zijn niet bewijsbaar.’

21. Het hof heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen:

‘De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, aangezien niet gespecificeerd is wat bedoeld wordt met slib (190811* of 190812), proceswater (161001* of 161002) en zuurwater (161001* of 161002).

Het hof overweegt dat op grond van artikel 261, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de dagvaarding een opgave van het ten laste gelegde feit, alsmede de vermelding van de tijd, plaats en omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan moet bevatten. Bij de beoordeling van de vraag of in een concreet geval aan deze eisen is voldaan, dient te worden gekeken naar de functie van de dagvaarding en de daarin opgenomen tenlastelegging. In de eerste plaats dient de tenlastelegging een voldoende bepaald en omlijnd object van het door de rechter in te stellen onderzoek vast te leggen en in de tweede plaats dient de tenlastelegging de beschuldiging in voldoende precieze termen te formuleren zodat de verdachte daaruit kan begrijpen waarvoor hij zich moet verantwoorden.

Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij leiding heeft gegeven aan het in strijd met de omgevingsvergunning handelen door niet-vergunde afvalstoffen op- of over te slaan en/of te be- of verwerken. Deze afvalstoffen zijn in de tenlastelegging opgenomen onder de noemers slib, proceswater en zuurwater, waarbij ook steeds de euralcodes worden vermeld waaronder die afvalstoffen volgens de steller van de tenlastelegging zouden vallen. In het dossier worden deze afvalstoffen ook steeds onder deze benaming vermeld, terwijl het opsporingsonderzoek zich onder meer heeft gericht op de vraag onder welke euralcode deze afvalstoffen geclassificeerd dienen te worden. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging, in samenhang bezien met het dossier, voor verdachte voldoende duidelijk waarvoor hij zich moet verantwoorden en geeft deze feitelijke omschrijving ook een voldoende bepaald en omlijnd object van het door het hof in te stellen onderzoek. Het hof zal het verweer van de raadsman verwerpen.’

22. De steller van het middel meent dat zich in dit dossier niet de situatie voordoet dat klip en klaar is wat er met bepaalde aanduidingen wordt bedoeld of heel specifiek wordt verwezen naar pagina’s uit processen-verbaal. Dat zou te meer klemmen waar de dagvaarding onder andere spreekt van ‘slib (geclassificeerd als Eural-code 190811* of 190812) en/of proceswater (geclassificeerd als Eural-code 161001* of 161002)’ terwijl er in het dossier geen transporten worden beschreven betreffende slib en proceswater die door de ontdoener of de ontvanger met die Eural-codes waren geclassificeerd. De steller van het middel vermeldt daarbij dat het hof bij de bewezenverklaring van het onderhavige feit ‘diverse pagina’s’ nodig heeft om uit te leggen wat ‘eigenlijk zou zijn bedoeld’ en daarbij het ‘classificeren’ als bedoeld in de tenlastelegging gelijk stelt ‘aan de onzekere redenering die een medewerker van het NFI in (…) rapporten over ‘het zuurwater van [H] ’ heeft opgenomen’. Het hof zou voorts hebben miskend dat de term ‘stoffen classificeren als Eural-code 16.10.01 e.d.’ geen Nederlands is.

22. In HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541 m.nt. Reijntjes overwoog Uw Raad dat het verweer dat de dagvaarding nietig is wegens innerlijke tegenstrijdigheid omdat de feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedragingen onvoldoende is niet voor het eerst in cassatie kon worden gevoerd. In HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1089, NJ 2017/270 overwoog Uw Raad in dezelfde zin bij een verweer inhoudend dat de feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging onvoldoende was. In beide gevallen was het argument dat de beoordeling van het verweer samenhing ‘met waarderingen van feitelijke aard – onder meer wat betreft de vraag of en in hoeverre bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten – waarvoor in cassatie geen plaats is’. Deze rechtspraak brengt naar het mij voorkomt mee dat het middel niet kan slagen voor zover het erover klaagt dat het hof de dagvaarding ter zake van feit 1 ten onrechte geldig heeft verklaard. In cassatie staat centraal of het hof het beroep op nietigheid van de dagvaarding op toereikende gronden heeft verworpen.

22. In hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat de dagvaarding ter zake van feit 1 nietig is omdat niet is gespecificeerd wat bedoeld is met slib (190811* of 190812), proceswater (161001* of 161002) of zuurwater (161001* of 161002). Het hof heeft dat verweer verworpen en er daarbij op gewezen dat bij de termen ‘slib’, ‘proceswater’ en ‘zuurwater’ steeds de euralcodes zijn vermeld. Het hof wijst er daarbij op dat deze afvalstoffen in het dossier ook steeds onder deze benaming worden vermeld, en dat het opsporingsonderzoek zich onder meer heeft gericht op de vraag onder welke euralcode deze afvalstoffen geclassificeerd dienen te worden. Het hof oordeelt vervolgens dat bij dit onderdeel van de tenlastelegging voor de verdachte voldoende duidelijk is waarvoor hij zich moet verantwoorden, en dat de feitelijke omschrijving een voldoende bepaald en omlijnd object van onderzoek geeft. Aldus is het gevoerde verweer op niet onbegrijpelijke en toereikende gronden verworpen.

22. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

26. Het tweede middel bevat de klacht dat ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.

26. De overgelegde pleitnota houdt onder meer in (p. 30-33, 35, 48-49, 63, 85) :

‘Een belangrijk thema in dit dossier (dat door OM, Provincie en Omgevingsdienst te gemakkelijk wordt weggewimpeld) is de betrokkenheid van de overheid bij de gehele gang van zaken.

Essentieel voor een goede beoordeling van de gang van zaken is, dat [A] vrijwel continu onder toezicht heeft gestaan. [verdachte] heeft bij de RHC verklaard dat de onderneming langdurig toezicht van de omgevingsdienst, de provincie en de NVWA. Dat heeft geduurd vanaf 2005 tot en met 2015.

(…)

Met andere woorden: in de zaak waar we het vandaag over hebben zijn ambtenaren van Provincie/Omgevingsdienst en NVWA in totaal 80 tot 100 keer langsgekomen.

Toezichthouder [betrokkene 5] verklaart op 14 oktober 2016 daarover bij de RC (…) dat hij vóór 2008 het gebruik van Euralcodes ‘tot in den treuren’ met ‘hen’ heeft besproken. (…)

(…) Als hij in 2008 ‘tot in den treuren’ de Euralcodes heeft besproken, dan kan dat alleen maar hebben betekend dat die toen door [H] , [C] , [G] én [A] gebruikte codes kennelijk oké waren.

(…)

Op vraag 15 geeft hij toe dat hij al in de periode 2007-2011 bekend was met de zogenaamde ‘rechtstreekse ritten’.

(…)

Een vergelijkbare verklaring is afgegeven door toezichthouder [betrokkene 6] bij de RC

(…)

Verweer

Opmerkelijk is dat de toezichthouders, de politie en het OM geen controlerapporten van Provincie/Omgevingsdienst en NVWA aan het onderhavige strafdossier hebben toegevoegd. Dat is een gebrek dat voor rekening van het OM komt.

Als gevolg hiervan en ook uit de verklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en [betrokkene 2] moet worden aangenomen dat tijdens die 80 tot 100 controles (die soms wel tot vijf uur konden duren) alle aspecten van de vergunning op verschillende momenten aan bod zijn gekomen en dat men steeds volledige inzage heeft gehad in de administratie.

Dat betreft dus ook de aanwezigheid van dubbele (aan elkaar geniete) begeleidingsbrieven en rittenstaten en de Euralcodes van stoffen die inkwamen en uitgingen.

Aangenomen moet worden dat deze gang van zaken op een of meerdere momenten door de toezichthouders zijn getoetst. Bij gebrek aan overgelegde waarschuwingsbrieven en/of lasten onder dwangsom ter zake, moet worden aangenomen dat de Provincie/Omgevingsdienst en NVWA daar mee akkoord zijn gegaan, althans tenminste het gerechtvaardigde vertrouwen bij [A] / [verdachte] hebben gewekt dat de gang van zaken dienaangaand in orde was.

(…)

Uit de gang van zaken tijdens het toezicht van NVWA heeft [A] / [verdachte] toen dus wel degelijk mogen afleiden dat de gang van zaken rond WLOM en uitgepakte voedingsmiddelen in de ten laste gelegde periode in orde was.

(…)

Als er al onregelmatigheden zich hebben afgespeeld, dan betekent dit dat de overheid hieraan medeplichtig is geweest en wel zodanig dat de belangen van verdachten in grove zin zijn veronachtzaamd.

Bovendien hebben de ambtenaren door hun continue controles bij de verdachten het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de hiervoor genoemde zaken correct waren geregeld (Eural-codes, WLOM e.d., begeleidingsbrieven, A-C-transporten).

(…)

Gezien al die controles hadden [C] en [A] erop mogen vertrouwen dat hun handelwijze in beginsel correct was.

(…)

Hoe dan ook kwalificeert deze gang van zaken (inclusief de strafrechtelijke vervolging op dit punt) tenminste als onbehoorlijk bestuur.

Primair betekent dit (…) dat het OM niet ontvankelijk moet worden verklaard in deze onderdelen van de tenlastelegging (begeleidingsbrieven en Eural-codes [C] )

Subsidiair betekent dit dat [A] , [F] .nl en [verdachte] in casu op grond van ‘afwezigheid van alle schuld’ moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

(…)

Het achteraf (terwijl men al die jaren bekend was met de gang van zaken bij verdachten) met terugwerkende kracht stellen dat bij de afgifte van de stoffen door [G] eigenlijk Euralcode 10-zoveel had moeten worden toegepast, is onbehoorlijk en oneerlijk.

(…)

Slot (aan de hand van de tenlastelegging)

Primair verzoeken verdachten uw hof om het OM integraal niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het gehele traject van continu toezicht in de tenlastegelegde jaren (én daarvoor) gevolgd door het betreffende opsporingsonderzoek met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten heeft plaatsgevonden.

Alle feiten hebben ofwel met goedkeuring/instemming/medeweten van vergunningverleners en toezichthouders plaatsgevonden. Zij zijn ongeveer 80-100 keer ter plaatse gekomen en hebben alle activiteiten die nu als 'modus operandi' worden beschouwd vanaf het allereerste begin geweten en gevolgd. Er was een continue inzage in de administratie. Dubbele begeleidingsformulieren waren al in de periode 2007 - 2011 bekend en besproken. Ook het gebruik van Euralcodes is meermalen door vergunningverleners en toezichthouders met betrokkenen besproken. Er zijn geen controlerapporten overgelegd en uit niets blijkt dat de vergunningverleners en toezichthouders de thans ten laste gelegde feiten hebben afgekeurd - terwijl verdachten, met kracht van argumenten, stellen dat zij dat hebben goedgekeurd en/of dat verdachten gerechtvaardigd mochten vertrouwen op de toezichthouders en vergunningverleners.

E.e.a. geldt des te meer nu er niet is voorzien in een bestuurlijk traject met een waarschuwing of een last onder dwangsom. Zulks terwijl dat correct zou zijn en in gelijke(nde) gevallen ook gebeurt.’

28. Het hof heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen:

‘De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op verschillende punten de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit.

(…)

[C] B.V. ( [C] )

De raadsman heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de onderdelen van de tenlastelegging die zien op de van [C] afkomstige afvalstoffen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat [A] vrijwel continu gecontroleerd werd door de Provincie, omgevingsdienst en/of Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) en dat zij op geen enkel moment hebben aangegeven dat [A] de onjuiste euralcode gebruikte of dat de werkwijze met de begeleidingsbrieven bij rechtstreekse ritten niet toegestaan was. Verdachte mocht er daarom op vertrouwen dat zijn handelwijze correct was.

(…)

Tankservice Pernis BV ( [G] )

(…) De raadsman heeft daarnaast ook ten aanzien van [G] aangevoerd dat de toezichthouders verdachte er op hadden moeten wijzen dat de verkeerde euralcode gebruikt werd.

Algemeen

De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat het Openbaar Ministerie integraal niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het gehele traject van toezicht in de tenlastegelegde jaren en daarvoor, gevolgd door het opsporingsonderzoek, met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte heeft plaatsgevonden. Alle feiten hebben met goedkeuring of medeweten van de vergunningverleners en toezichthouders plaatsgevonden. De gebruikte euralcodes en het gebruik van dubbele begeleidingsformulieren is meermalen besproken en uit niets blijkt dat de toezichthouders en vergunningverleners deze handelwijze hebben afgekeurd. Verdachte mocht daar gerechtvaardigd op vertrouwen.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek een verdachte vervolgd dient te worden. De beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin, dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging.

(…)

Handelen met goedkeuring of medeweten toezichthoudende instanties

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat - kort gezegd - het handelen van verdachte met betrekking tot de gebruikte euralcodes en de dubbele begeleidingsbrieven steeds met goedkeuring of medeweten van de vergunningverleners en toezichthouders heeft plaatsgevonden en dat verdachte er daardoor op mocht vertrouwen dat haar handelwijze correct was, overweegt het hof het volgende. Wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat zij niet (verder) zal worden vervolgd, kan er sprake zijn van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend - zoals ambtenaren van de Provincie, de omgevingsdienst en de NVWA - kan gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend. Van een uitzondering is in dit geval geen sprake. Het uitblijven van handhavend optreden kan niet op één lijn worden gesteld met een door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlating of gedraging (vgl. HR 19 januari 2016; ECLI:NL:HR:2016:23).

Ook overigens doet de situatie dat door het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen in deze zaak concrete toezeggingen zijn gedaan aan de (mede)verdachten over niet-vervolging ter zake van de tenlastegelegde feiten, zich naar het oordeel van het hof niet voor. Het hof volgt het verweer van de raadsman niet.

(…)

Conclusie

Het hof is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.’

29. De steller van het middel leidt uit rechtspraak van Uw Raad af dat het openbaar ministerie in beginsel alleen aan zijn eigen toezeggingen en gedragingen gebonden is, maar dat uitzonderingen denkbaar zijn. Hij meent dat het hof ‘heeft overgenomen dat [A] c.s. in de periode van 2005-2014 onder continu toezicht van Provincie en NVWA hebben gestaan, inhoudend dat in totaal 80-100 maal fysiek bezoek van toezichthouders heeft plaatsgevonden, waarbij de administratie veelvuldig is onderzocht, vergunningen en transporten zijn gecontroleerd’. Wanneer ‘zo lang, zo vaak en zo diep toezicht van gespecialiseerde toezichthouders van de Provincie en de NVWA heeft plaatsgevonden’ zou ‘uit het feit dat er nimmer een schriftelijke waarschuwing, last onder dwangsom of andere negatieve reactie heeft plaatsgevonden’ mogen worden afgeleid ‘dat de gang van zaken akkoord en correct was’. Van belang zou voorts zijn dat de betreffende euralcodes ‘vrij eenvoudig vergunbaar waren, zonder aanpassing van de inrichting’. Als er tijdens de controles opmerkingen over zouden zijn gekomen, zou de milieuvergunning ‘eenvoudig aanpasbaar’ zijn geweest en zouden de ritten anders zijn ingericht. In dat licht, zo begrijp ik, zou ’s hofs motivering van de verwerping van het gevoerde verweer tekortschieten. In het bijzonder zou ontoereikend gemotiveerd zijn waarom hier geen sprake is van een ‘uitzonderlijk geval’.

29. In HR 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23, NJ 2016/129 m.nt. Reijntjes, waar ook de steller van het middel naar verwijst, heeft Uw Raad het volgende overwogen:

‘3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109).

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002).

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563.)’

31. Een uitzonderlijk geval doet zich derhalve voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. In deze formulering ligt besloten dat het openbaar ministerie ook gebonden kan zijn aan uitlatingen of gedragingen van andere overheidsinstanties. Voorwaarde is dan echter wel dat deze uitlatingen of gedragingen aan het openbaar ministerie zijn toe te rekenen.

31. Het hof heeft – in lijn met de geciteerde overwegingen van Uw Raad – overwogen dat aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend – zoals ambtenaren van de Provincie, de omgevingsdienst en de NVWA – in de regel niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven. Van een uitzondering is, zo oordeelt het hof, geen sprake. Het uitblijven van handhavend optreden kan naar ’s hofs oordeel niet op één lijn worden gesteld met een door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlating of gedraging.

31. Aldus heeft het hof het verweer op toereikende gronden verworpen. Ik neem daarbij in aanmerking dat Uw Raad in genoemd arrest van 19 januari 2016 (rov. 3.4.2) expliciet heeft overwogen dat het ‘uitblijven van handhavend optreden in zijn algemeenheid niet op één lijn kan worden gesteld’ met een door het openbaar ministerie gedane of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlating of gedraging als in de geciteerde rechtsoverweging 3.3 bedoeld. Een uitzondering op de geformuleerde regel kan zich voordoen bij uitlatingen of gedragingen van ambtenaren die binnen de invloedssfeer van het openbaar ministerie opereren. Daarvan is bij toezichthouders evenwel geen sprake. Daar komt bij dat het hof ‘overigens’ nog heeft vastgesteld dat, zo begrijp ik, door ‘functionarissen’ geen concrete toezeggingen zijn gedaan aan de (mede)verdachte(n) over niet-vervolging ter zake van de tenlastegelegde feiten.

34. Ik merk nog op dat de raadsman in het pleidooi niet wijst op concrete toezeggingen of andere uitlatingen of gedragingen van overheidsinstanties die kunnen meebrengen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is. De steller van het middel spreekt ook niet over aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen, maar van een ‘gang van zaken’ die ‘voor rekening’ van het openbaar ministerie komt. De gedachte dat bestuurlijke handhaving zonder meer ‘voor rekening’ van het openbaar ministerie komt, getuigt van een onjuist begrip van het recht. ’s Hofs oordeel is, ook in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

34. Ik wijs er – ten overvloede – ook nog op dat het hof onder het kopje ‘Algemene overweging over opzettelijk handelen’ (onder meer) heeft overwogen dat [betrokkene 5] , toezichthouder van de provincie, heeft verklaard dat er uitgebreide controles zijn uitgevoerd naar de euralcodes die werden gebruikt, dat er is vastgesteld dat er verkeerde euralcodes werden gebruikt, en dat dit door de provincie ook is meegedeeld. Het hof acht het op grond hiervan ‘aannemelijk dat de toezichthouder in ieder geval niet expliciet heeft ingestemd met de handelwijze van [A] ’. En het hof overweegt ook dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de verklaring van [betrokkene 5] dat hij in de periode 2008-2011 ‘op de hoogte was van de rechtstreekse ritten waarbij twee begeleidingsbrieven werden gebruikt’ maar dat hij ‘niet met deze werkwijze (heeft) ingestemd en ook (heeft) gezegd dat het zo niet kan’.

34. Het tweede middel faalt.

Het derde middel

37. Het derde middel bevat de klacht dat ’s hofs verwerping van het verweer dat sprake is geweest van afwezigheid van alle schuld ontoereikend gemotiveerd is. Ter onderbouwing van deze klacht verwijst de steller naar (de toelichting bij) het tweede middel.

37. Het hof heeft in verband met het beroep op afwezigheid van alle schuld het volgende overwogen:

‘Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte veelvuldig, in totaal 80 tot 100 keer, is gecontroleerd door Provincie, omgevingsdienst en/of NVWA en dat men steeds volledige inzage heeft gehad in de administratie. Dit betreft dus ook de aanwezigheid van dubbele begeleidingsbrieven en de euralcodes van de afvalstoffen die binnenkwamen en uitgingen. Bij gebrek aan waarschuwingsbrieven of andere maatregelen, moet worden aangenomen dat de toezichthouders akkoord zijn gegaan met de gang van zaken. Verdachte mocht er daarom op vertrouwen dat deze gang van zaken in orde was. Dit betekent dat verdachte op grond van afwezigheid van alle schuld moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof heeft hiervoor overwogen dat niet aannemelijk is dat de toezichthouders hebben ingestemd met het handelen van verdachte, dat dit uit het enkele uitblijven van handhavend optreden ook niet mag worden afgeleid en dat hetgeen de raadsman op dit punt heeft aangevoerd dan ook niet afdoet aan het opzet van [A] op het plegen van de feiten, zoals dat hiervoor steeds bij de afzonderlijke feiten is beschreven. Reeds hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat [A] verwijtbaar heeft gehandeld. Verdachte is als feitelijk leidinggever daarvoor strafbaar.’

39. De steller van het middel voert aan dat het hof zou hebben miskend dat het bij het avas-verweer zou gaan om de vraag of [A] c.s. redelijkerwijs mochten aannemen dat zij rechtmatig en correct handelden en om de vraag wat het bewustzijn is geweest van [A] c.s., mede in het licht van het langdurige toezicht. Daarbij zou van belang zijn dat er bij gebreke aan andersluidende signalen geen reden was om de vergunning aan te passen. De enkele verwijzing van het hof naar het opzet van [A] op het plegen van de feiten zou geen begrijpelijke en genoegzame weerlegging van het verweer opleveren.

39. Het hof heeft vastgesteld dat ‘niet aannemelijk is dat de toezichthouders hebben ingestemd met het handelen van verdachte, dat dit uit het enkele uitblijven van handhavend optreden ook niet mag worden afgeleid en dat hetgeen de raadsman op dit punt heeft aangevoerd dan ook niet afdoet aan het opzet van [A] op het plegen van de feiten, zoals dat hiervoor steeds bij de afzonderlijke feiten is beschreven’. Reeds op die grond komt het hof tot het oordeel dat [A] verwijtbaar heeft gehandeld. Ik begrijp deze overweging aldus dat het beroep op afwezigheid van alle schuld in de omstandigheden van dit geval faalt gegeven de vaststelling dat [A] de onder 3, 4 en 5 vermelde begeleidingsbrieven valselijk heeft opgemaakt. Ik wijs er daarbij op dat het hof het opzet bij feit 2 heeft afgeleid ‘uit het gebruik van onjuiste benamingen op de begeleidingsbrieven’. Deze overweging komt mij niet onbegrijpelijk voor. Van verontschuldigbare dwaling in de feiten of het recht zal, bij bewezenverklaring van valselijk opmaken, niet snel sprake kunnen zijn, van afwezigheid van alle schuld in de vorm van zorgvuldig gedrag evenmin. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden zijn in dit geval niet gesteld.

39. In aanvulling daarop merk ik op dat een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling eerst kan slagen indien aannemelijk is ‘dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (…). Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen’. Daarnaast kan sprake zijn van verontschuldigbare rechtsdwaling in situaties ‘waarin de gedachte om advies te vragen, niet bij de verdachte had hoeven opkomen’ en bij het afgaan op ‘algemene, maar onjuist gebleken overheidsvoorlichting’.Namens de verdachte is inzake de gebruikte euralcodes niet aangevoerd dat advies is ingewonnen bij een persoon of instantie waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat [A] (en de verdachte) daarop mocht(en) vertrouwen, of van onjuist gebleken voorlichting. En uit ’s hofs overwegingen onder het kopje ‘Algemene overweging over opzettelijk handelen’ (vgl. randnummer 9) blijkt dat de gedachte om advies te vragen alleen al naar aanleiding van de opmerkingen van de toezichthouders [betrokkene 2] en [betrokkene 5] bij [A] (en de verdachte) had moeten opkomen.

42. De steller van het middel meent dat het gestelde tekortschieten van de respons op het avas-verweer te meer klemt ‘daar waar het hof het vermeende opzet van [A] c.s. evenmin begrijpelijk, helder en correct gemotiveerd heeft bewezenverklaard’. Zo zou het hof niet zijn ingegaan op het verweer dat ‘kleurloos opzet’ in dezen niet voldoende is. En het hof zou in het midden hebben gelaten ‘waarom [A] c.s. zouden hebben moeten weten dat de door [C] , [H] en [G] gehanteerde Euralcodes niet juist zouden zijn geweest’.

42. Ik begrijp dit onderdeel van de toelichting aldus dat de steller van het middel daarin bestrijdt dat, bij het gestelde tekortschieten van de motivering van de verwerping van het avas-verweer, een adequate motivering wel kan worden gevonden in de bewijsoverwegingen die betrekking hebben op het opzet. Nu het hof het avas-verweer in de omstandigheden van dit geval naar het mij voorkomt heeft kunnen verwerpen door erop te wijzen dat de argumenten die daaraan ten grondslag zijn gelegd niet afdoen aan het opzet van [A] op het plegen van de feiten en dat daaruit volgt dat [A] verwijtbaar heeft gehandeld, meen ik dat aan dit onderdeel van de toelichting voorbij kan worden gegaan. Voor het geval Uw Raad daar anders over denkt, merk ik nog het volgende op.

42. In de pleitnota zijn enkele opmerkingen gemaakt over kleurloos opzet. Zo wordt opgemerkt: ‘De ontvanger kan niet via het begrip van ‘kleurloos opzet’ strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor het enkel onjuist opgeven van een Euralcode door de ontdoener’. Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan ik in deze opmerking(en) niet ontwaren, dat daarvan sprake zou zijn wordt in cassatie ook niet aangevoerd. Voor de volledigheid merk ik op dat Uw Raad noch bij valsheid in geschrift noch bij economische delicten boos opzet (opzet op de wederrechtelijkheid) eist.

42. In de geciteerde ‘Algemene overweging over opzettelijk handelen’ heeft het hof voorts – in aanvulling op overwegingen bij de afzonderlijke strafbare feiten – aangegeven op welke feiten en omstandigheden de bewezenverklaring van het opzet is gebaseerd. Het hof wijst op verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] . Uit deze overwegingen volgt dat het hof niet in het midden heeft gelaten waaruit het heeft afgeleid dat [A] welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gehanteerde Euralcodes niet juist waren en dat de begeleidingsbrieven vals waren. Deze overwegingen zijn ook niet onbegrijpelijk. Ik wijs daarbij in het bijzonder op de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 5] .

42. Het derde middel faalt.

Het vierde middel

47. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof niet genoegzaam en specifiek heeft gerespondeerd op het verweer dat de NFI-rapporten niet kwalificeren als deskundigenrapporten als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering en dat ook de deskundigheid van de betreffende NFI-medewerker niet is vastgesteld.

47. De overgelegde pleitnota houdt onder meer in (p. 10, 12, 51):

‘Euralcodes

(…)

Verweer

Een specifieke rol voor het NFI is hier niet weggelegd. Het behoort bovendien niet tot de expertise en taakstelling van het NFI om Euralcodes vast te stellen. Bovendien heeft de opsteller van de NFI-rapporten niet gemotiveerd op grond waarvan hij ter zake deskundig zou zijn.

Alle Euralcode-beoordelingsrapporten van het NFI, die zich in dit dossier bevinden, kwalificeren in deze zaak niet als deskundigenbewijs.

(…)

Maar wat is eigenlijk de waarde van die beoordeling door het NFI?

Het NFI heeft te gelden als de vaste gerechtelijke deskundige in strafzaken, die wordt gefinancierd door de Staat. Het heeft een behoorlijke staat van dienst op het gebied van technisch onderzoek. Het NFI is geen juridisch beoordelingsorgaan.

En waar staat beschreven dat zij deskundig zijn om Euralcodes te bepalen? In de NFI-rapporten wordt enige deskundigheid op dat vlak niet gemotiveerd of toegelicht.

Naar het oordeel van de verdediging is het NFI niet gerechtigd, althans behoort het niet tot de expertise van het NFI om Euralcodes te bepalen.

Sterker nog, het bepalen van 'De Juiste Euralcode' is bij uitstek een kwalificerende bezigheid. Hiervoor is al beschreven dat deze bezigheid in beginsel is voorbehouden aan de ontdoener. en moet passen binnen zijn vergunning. Als de toezichthouder in de tussentijd een rol heeft gespeeld, zoals bij [C] , dan moeten we er in beginsel van uit gaan dat zij de geschikte Euralcode hebben bepaald.’

49. Het hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

‘Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het NFI geen deskundigheid heeft als het gaat om het bepalen van de toepasselijke euralcode. De NFI-rapporten zijn daarom niet aan te merken als deskundigenbewijs.

(…)

Het hof overweegt aanvullend dat de NFI-rapporten zijn opgesteld door ir. G.G.C. Verstappen, NFI-deskundige procestechnologie en emissies en afvalstoffen, bouwstoffen en producten. Deze deskundige heeft steeds op basis van de verkregen informatie het proces van de ontdoener en de daarbij vrijkomende afvalstoffen beschreven. De verkregen informatie bestaat onder andere uit de omgevingsvergunning (en bijbehorende stukken) van de ontdoener en verhoren van werknemers van de ontdoeners. Vervolgens heeft de deskundige een oordeel gegeven over welke euralcode aan de vrijkomende afvalstoffen kan worden toegekend. Het hof ziet in het verweer van de raadsman geen aanleiding aan de deskundigheid van de deskundige op het onderhavige terrein te twijfelen. De raadsman heeft ook niet aangegeven waarom de door de deskundige beschreven processen en conclusies onjuist of onvolledig zijn, en heeft evenmin een contra-expertise ingebracht op grond waarvan de beoordeling door ir. Verstappen voor onjuist moet worden gehouden. Aldus is het hof van oordeel dat de rapportages van het NFI in deze als deskundigenrapportages zijn te beschouwen.’

50. De steller van het middel voert aan dat niet alleen niet is aangetoond dat de betreffende medewerker in het register van gerechtelijke deskundigen is opgenomen, maar ook dat de kennis en ervaring van de betreffende medewerker onvoldoende is beschreven en aangetoond. De ‘eisen omtrent registratie en deskundigheid’ gelden, zo wordt gesteld, ook voor NFI-medewerkers. Dat zou te meer klemmen nu de medewerker ‘alleen maar het papieren dossier heeft beoordeeld’, de ‘bedrijfsprocessen van [H] , [C] , [G] en [A] niet zelf (heeft) bezocht en beschouwd’ en ‘de samenstelling van de vele monsterpotjes die [A] c.s. als ontlastend bewijs aanwezig hadden’ niet heeft onderzocht. Daarbij zou ‘de kwalificatie van stoffen onder de Aa-lijst en de Eural-code-lijst toch bij uitstek een juridische aangelegenheid (zijn), die aan de rechter is voorbehouden’.

50. Het hof heeft vastgesteld dat de NFI-rapporten zijn opgesteld door ir. G.G.C. Verstappen, NFI-deskundige procestechnologie en emissie en afvalstoffen, bouwstoffen en producten. Het gaat om rapporten van 11 september, 20 oktober, 21 oktober en 30 oktober 2014. Aan deze rapporten ligt een benoeming door de rechter-commissaris ten grondslag van ‘de bij het NFI werkzame tekenbevoegde’ deskundige op de deskundigheidsgebieden ‘Afvalstoffen en Risico’. De opdracht strekt ertoe een op naam te ondertekenen onderzoek te verrichten ter beantwoording van ‘de vragen zoals die zijn weergegeven in de bijgevoegde vordering van de officier van justitie’. De rechter-commissaris vermeldt ‘dat nog geen deskundige is geregistreerd in het register van het NRGD op het deskundigheidsgebied waarvoor het onderzoek wordt gevorderd’. Uit de wet volgt dat dit niet aan een benoeming als deskundige door de rechter-commissaris in de weg staat (vgl. art. 227 Sv). Ik merk op dat het middel er niet over klaagt dat de rechter-commissaris geen specifieke persoon aanwijst.

50. Uit art.12 Besluit register deskundige in strafzaken (verder: Brgd) blijkt dat er eisen worden gesteld waaraan een deskundige moet voldoen wil hij in het register ingeschreven kunnen worden. Art. 20 Brgd bepaalt vervolgens: ‘Alvorens een deskundige te benoemen, die niet is opgenomen in het register, beoordeelt de rechter diens geschiktheid om als zodanig op te treden zoveel mogelijk aan de hand van de in artikel 12, tweede lid, genoemde kwaliteitseisen’. Daaruit kan worden afgeleid dat de eisen die aan registratie worden gesteld, tot op zekere hoogte ook gelden als een medewerker van het NFI die niet in het register is opgenomen door de rechter als deskundige wordt benoemd. Het gaat hier evenwel om een instructienorm die de rechter, in dit geval de rechter-commissaris, bij een benoeming in acht moet nemen. Uit de wettelijke regeling volgt niet dat in het geval (te) weinig (kenbaar) aandacht zou zijn besteed aan de betreffende kwaliteitseisen, de benoeming als deskundige nietig zou zijn en het rapport niet als deskundigenverslag kan gelden. Wel dient de rechter, indien de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren brengt waarin wordt bestreden dat de deskundige over de deskundigheid beschikte om de in het verslag neergelegde uitspraken te doen en het hof het verslag desalniettemin voor het bewijs bezigt, daarvoor toereikende redenen op te geven.

53. In dat verband is van belang dat de raadsman in de pleitnota vooral de competentie van het NFI heeft bestreden. Het zou niet tot de expertise en taakstelling van het NFI behoren om euralcodes te bepalen. Het NFI zou geen juridisch beoordelingsorgaan zijn. Deze stellingen zien er naar het mij voorkomt aan voorbij dat het bepalen van de euralcode slechts de uitkomst is van een analyse die het hof omschrijft als het ‘op basis van de verkregen informatie het proces en de daarbij vrijkomende afvalstoffen’ beschrijven. De raadsman heeft niet bestreden dat procestechnologie een deskundigheidsgebied is of dat het NFI op dat terrein deskundigheid in huis heeft. De raadsman heeft zelfs aangegeven dat het NFI ‘een behoorlijke staat van dienst (heeft) op het gebied van technisch onderzoek’. Mede in aanmerking genomen dat bij het NFI forensisch onderzoek over de volle breedte plaatsvindt, en dat op de website van het NFI (forensisch) milieuonderzoek met zoveel woorden als een specialisme is genoemd, meen ik dat het hof niet gehouden was (nader) in te gaan op de stellingname van de raadsman inzake expertise en taakstelling van het NFI.

53. Wat de deskundigheid van ir. Verstappen betreft is slechts aangevoerd dat ‘de opsteller van de NFI-rapporten niet (heeft) gemotiveerd op grond waarvan hij ter zake deskundig zou zijn’. Het hof heeft evenwel vastgesteld dat ir. Verstappen ‘NFI-deskundige procestechnologie en emissies en afvalstoffen, bouwstoffen en producten’ is. In de omstandigheid dat het NFI, met een brede taakstelling op het terrein van forensisch onderzoek, deze medewerker met het beantwoorden van de vragen die de rechter-commissaris heeft gesteld heeft belast, ligt een aanvullende waarborg van deskundigheid besloten. Het hof heeft voorts beschreven op welke wijze de deskundige zich een oordeel heeft gevormd. En het hof heeft erop gewezen dat de raadsman niet heeft aangegeven waarom de door de deskundige beschreven processen en conclusies onjuist of onvolledig zijn. Het hof heeft aldus toereikend gemotiveerd waarom het geen aanleiding ziet aan de deskundigheid van de deskundige op het onderhavige terrein te twijfelen.

53. Voor zover de steller van het middel aanvoert dat de deskundige ‘alleen maar het papieren dossier heeft beoordeeld’ en de ‘bedrijfsprocessen van [H] , [C] , [G] en [A] niet zelf (heeft) bezocht en beschouwd’ wijs ik erop dat uit het deskundigenverslag van 11 september 2014 blijkt dat de deskundige op 25 juni 2014 een bezoek heeft gebracht aan het bedrijf [H] . Daarbij doet een en ander niet af aan de vaststellingen inzake de deskundigheid van ir. Verstappen. Dat geldt ook voor de tegenwerping dat de deskundige ‘de samenstelling van de vele monsterpotjes die [A] c.s. als ontlastend bewijs aanwezig hadden’ niet heeft onderzocht. Dat een andere werkwijze mogelijk was geweest of ander, aanvullend (deskundigen)onderzoek had kunnen plaatsvinden brengt niet mee dat het hof de onderzoeker niet als deskundige heeft kunnen aanmerken. Ik stel daarbij nogmaals vast dat het hof erop heeft gewezen dat de raadsman niet heeft aangegeven waarom de door de deskundige beschreven processen en conclusies onjuist of onvolledig zijn. Dat de rechter de kwalificatiebeslissing neemt, doet er voorts niet aan af dat onderzoek naar de samenstelling van stoffen als waarvan in deze zaak sprake is bij uitstek een aangelegenheid van deskundigen is.

53. Het vierde middel faalt.

Het vijfde middel

57. Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof (A) niet ‘concreet en genoegzaam’ heeft gerespondeerd op enkele nadrukkelijk onderbouwde standpunten en daardoor (B) ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen van nader omschreven passages in de tenlastelegging. De steller van het middel formuleert onder (A) sub a t/m f stellingnames die betrekking hebben op het bepalen van de euralcode. Behoudens een enkele uitzondering wordt niet verwezen naar (passages in) de pleitnota. Die uitzondering betreft een verwijzing naar p. 13. Op die bladzijde staat een citaat uit, naar ik begrijp, de Bijlage bij de Beschikking van de Europese Commissie inzake de Europese Afvalstoffenlijst. Daaronder stelde de raadsman dat inherent aan het systeem (van die lijst) is ‘dat er enige beoordelingsmarge is’; dat de Europese Commissie ‘nergens stelt (…) dat er voor iedere afvalstof maar één code de juiste zou zijn’, en dat verschil van inzicht denkbaar is, maar dat iedere aangeboden afvalstof ‘wel (door de ontdoener) van ‘een’ code moet zijn voorzien die geschikt is’. In het licht van een één en ander zou, naar ik begrijp, de bewezenverklaring van valsheid in geschrifte voor zover betrekking hebbend op de begeleidingsbrieven (de steller van het middel citeert onder (B) de bewezenverklaring betrekking hebbend op vijf brieven, maar noemt daarnaast passages die ‘vergelijkbaar’ zijn) ontoereikend met redenen zijn omkleed. En door te overwegen dat er maar één Eural-code de juiste zou zijn, zou het hof het recht hebben miskend.

58. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

‘Overweging met betrekking tot het bewijs

(…)

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op verschillende punten vrijspraak bepleit.

Met betrekking tot de gebruikte euralcodes heeft de raadsman aangevoerd dat er niet maar één juiste code zou zijn, maar dat er steeds gezocht moet worden naar de meest geschikte code. Als de ene code meer geschikt is dan een andere code, dan is die andere code niet gelijk ‘fout’. Niet is bewezen dat verdachte verkeerde euralcodes heeft gebruikt, dan wel kon verdachte de euralcodes redelijkerwijs beoordelen zoals zij heeft gedaan. Verdachte kon of hoefde niet te weten dat de gehanteerde codes niet passend waren.

(…)

Ten aanzien van het van [H] B.V. ( [H] ) afkomstige proceswater/zuurwater heeft de raadsman aangevoerd dat het NFI alleen heeft geconcludeerd dat een andere euralcode passender zou zijn geweest. Daarmee is niet gegeven dat de gehanteerde euralcode onjuist was. Het dossier bevat geen bewijs dat de gehanteerde euralcode onjuist was.

Met betrekking tot de van [C] afkomstige afvalstoffen heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte betwist dat de code 02.03.99 niet passend zou zijn.

(…)

Begeleidingsbrieven

Met betrekking tot de begeleidingsbrieven bij de transporten die van [C] afkomstig waren heeft de raadsman aangevoerd dat deze begeleidingsbrieven door [C] zelf zijn opgemaakt.

Ten aanzien van de begeleidingsbrieven bij de transporten die van [H] afkomstig waren heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van [betrokkene 8] , inhoudende dat zij of [H] ‘onvoldoende expert’ waren om een begeleidingsformulier in te vullen of een euralcode te bepalen, leugenachtig is.

Met betrekking tot de andere begeleidingsbrieven heeft de raadsman aangevoerd dat de door verdachte gehanteerde euralcode juist en/of verdedigbaar was en dat de stoffen die afkomstig waren van verdachte wel degelijk wlom (waterig lecithine-oliemengsel) of uitgepakte voedingsmiddelen betroffen. Verdachte had geen opzet op het gebruik van onjuiste euralcodes en zij hoefde ook niet te twijfelen aan de juistheid ervan. Voorts mocht verdachte, gelet op de systematiek van de Aa-lijst, de aan derden geleverde afvalstoffen redelijkerwijs aanmerken als wlom, uitgepakte voedingsmiddelen of daarmee vergelijkbare stoffen.

De euralcode 19.12.12 is volgens de raadsman niet passend omdat er geen sprake is van mechanische afvalverwerking. De code 19.12.11* is sowieso niet van toepassing, omdat er geen sprake was van gevaarlijke afvalstoffen.

(…)

Het oordeel van het hof

(…)

Feit 1 (vergunning en AV-beleid)

(…)

Niet vergunde afvalstoffen heeft op- en/of overgeslagen en/of be- of verwerkt

Als voorschrift 9.5.1 is in de vergunning opgenomen dat de vergunning uitsluitend betrekking heeft op het op- en overslaan, be- en verwerken van de afvalstoffen met euralcodes 020203, 020204, 020301, 020302, 020304, 020305, 020399, 020403, 020499, 020501, 020502, 020599, 020601, 020602, 020603, 020699, 020701, 020702, 020704, 020705, 020799, 200108 en 200125.

(…)

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar deze van [C] , [G] en [H] ontvangen afvalstoffen.

In het NFI-rapport van 21 oktober 2014 is geconcludeerd dat het proceswater van [C] zou moeten vallen onder paragraaf 16.10 (waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt) en meer specifiek onder de euralcodes 16.10.01* of 16.10.02, afhankelijk van of het proceswater al dan niet gevaarlijke stoffen bevat.

In het NFI-rapport van 30 oktober 2014 is geconcludeerd dat de afvalstoffen van [G] , te weten slib van een biologische afvalwaterzuivering, vallen onder subhoofdstuk 19.08 (niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering) van de Eural en specifiek onder de codes 19.08.11* of 19.08.12, afhankelijk van de vraag of het slib wel of niet gevaarlijke stoffen bevat.

In het NFI-rapport van 11 september 2014 is over het zuurwater van [H] geconcludeerd dat euralcode 02.03.99 niet de juiste euralcode is en dat de euralcodes 16.10.01* of 16.10.02, afhankelijk van of het water wel of niet als bijtend is aan te merken, vallend onder hoofdstuk 16.10 ('waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt’), voor het zuurwater meer voor de hand liggen.

De rechtbank stelt vast dat de door het NFI genoemde euralcodes niet staan vermeld in de vergunning van [A] . Dit betekent dat [A] afvalstoffen op haar terrein heeft op- en overgeslagen en bewerkt die niet waren vergund.

(…)

Ten aanzien van het proceswater van [C] heeft de deskundige aangegeven dat [C] een afvalverwerkend bedrijf is dat afvalstoffen uit de voedingsmiddelenindustrie bewerkt, waarbij het proceswater vrijkomt. De hoofdactiviteiten van [C] zijn aan te duiden als afvalbeheer. Afvalstoffen die hierbij vrijkomen, zoals het proceswater, kunnen vallen onder hoofdstuk 19 van de eural (‘Afval van installaties voor afvalbeheer, off-site waterzuiveringsinstallaties en de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water en water voor industrieel gebruik’) en specifiek onder paragraaf 19.02 (‘afval van de fysisch-chemische behandeling van afval’). Aangezien in deze paragraaf geen geschikte euralcode is gevonden, is in hoofdstuk 16 gezocht. De inleiding van de bijlage van beschikking nr. 2000/532/EG vermeldt immers dat als er in de hoofdstukken 01 tot en met 12 of 17 tot en met 20 geen geschikte afvalcode kan worden gevonden, met uitzondering van de codes die op 99 eindigen, er vervolgens eerst in de hoofdstukken 13, 14, en 15 moet worden gezocht om de code te bepalen. Als geen van deze afvalcodes van toepassing is, moet de bepaling van de afvalcode aan de hand van hoofdstuk 16 gebeuren. Het proceswater van [C] kan binnen dit hoofdstuk onder paragraaf 16.10 vallen. De deskundige concludeert daarnaast dat de euralcode 02.03.99 niet de juiste code is voor het proceswater dat vrijkomt bij het bewerken van afvalstoffen uit de voedingsmiddelenindustrie. Het hof kan de deskundige hierin volgen en overweegt daartoe het volgende. De afvalstromen die bij [C] binnenkomen, ondergaan een bewerking. Deze stromen worden middels een chemisch fysisch proces bewerkt, door deze te verwarmen en daaraan zwavelzuur toe te voegen. Daarbij komt het proceswater vrij, waaraan vervolgens natronloog wordt toegevoegd om de zuurgraad te verhogen. Vervolgens wordt het proceswater opgeslagen in tanks en als afvalstof afgevoerd. Bij het bepalen van de juiste euralcode, dient dan ook beoordeeld te worden onder welk hoofdstuk van de eural het bij [C] vrijgekomen proceswater - zijnde een afvalstof van het proces bij [C] - valt. Onder paragraaf 02.03 valt afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse. [C] is echter een afvalverwerkend bedrijf dat niet de vorenbedoelde stoffen inneemt, maar afvalstoffen als soapstocks, gums, vetten en oliën uit de agro-voedingsindustrie. Het proceswater dat bij de verwerking van die afvalstoffen vrijkomt moet daarom als afval van dat afvalverwerkingsproces gezien worden. Het kan om die reden niet vallen onder paragraaf 02.03, aangezien die paragraaf alleen betrekking heeft op afval van de bereiding en bewerking van verschillende organische producten.

Met betrekking tot [G] beschrijft de deskundige dat bij het bedrijf sprake is van het be-/ verwerken van afvalstoffen. Het slib dat aan [A] wordt afgegeven ontstaat bij de biologische zuivering van afvalwater. Het afvalwater is afkomstig van de reiniging van tankauto’s en tankcontainers. De lading van de tankauto’s kan heel divers zijn geweest en kan gevaarlijke stoffen bevatten. Uitgaande van dit proces (afvalwaterzuivering) bij een bedrijf dat afvalstoffen be- en verwerkt, vallen de afvalstoffen van [G] onder hoofdstuk 19 van de eural.

Ten aanzien van [H] heeft de deskundige aangegeven dat de activiteiten van dit bedrijf vallen onder hoofdstuk 02.03 van de eural. Echter, in deze paragraaf worden geen afvalstromen genoemd die betrekking hebben op waterig afval of afvalwaterstromen. De deskundige komt daarom uit bij hoofdstuk 16, waarin een hoofdstuk is opgenomen waaronder het afvalwater kan vallen, te weten hoofdstuk 16.10.

Gelet op het voorgaande is het hof op grond van de NFI-rapporten, in onderling verband en samenhang bezien met de daarin opgenomen stukken waaruit blijkt op welke wijze de afvalstromen tot stand komen, van oordeel dat [A] in strijd met de omgevingsvergunning afvalstoffen heeft op- en overgeslagen en bewerkt.

(…)

Feit 2 (afgifte aan niet-bevoegde bedrijven)

(…)

Euralcode 19.12.11*/19.12.12

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de door [A] aan vergistingsinstallaties afgegeven afvalstoffen. Geconcludeerd is dat afvalstoffen die bij [A] een bewerking hebben ondergaan en/of worden gemengd, onder Euralcode 19.12.11* (overig afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking dat gevaarlijke stoffen bevat) of 19.12.12 (overig, niet onder 19.12.11* vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking) vallen, afhankelijk van de vraag of de afvalstoffen al dan niet gevaarlijke stoffen bevatten.

Met betrekking tot de RWZI en [Q] overweegt de rechtbank dat (zoals beschreven in selectiedossier 1 van zaaksdossier [G] ) op 8 februari 2012 afval uit de stortput is overgepompt naar tank 1, waar dan al ander afval in aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat bij [A] is gemengd. Daarna valt dit mengsel onder euralcode 19.12.11* dan wel 19.12.12. Op 3 februari 2012 is afval uit deze tank vervoerd naar de RWZI. Op dezelfde datum is ook materiaal uit tank 1 vervoerd naar [Q] .

Afvalstoffen met de euralcodes 19.12.11* en 19.12.12 mogen niet worden geaccepteerd door [Q] (voorheen [Q] ). Hetzelfde geldt voor RWZI in Apeldoorn.

Bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

[A] zet een deel van de door haar ontvangen afvalstoffen af naar zogenoemde co-vergistingsinstallaties. Deze installaties produceren biogas uit dierlijke mest, waaraan co-materialen zijn toegevoegd. Als men het digestaat (het restant dat na vergisting overblijft) als meststof wil toepassen of verhandelen, dan dienen de gebruikte co-materialen te zijn vermeld in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Uit onderzoek naar de aard en samenstelling van de mengsels die uit de tanks 1, 2, 3, 4, 5 en 6 dan wel rechtstreeks naar de inzamelaars/eindverwerkers zijn gegaan, volgt dat de afvalstoffen die vanuit de tanks 3, 4, 5 en 6 en rechtstreeks door [A] worden geleverd, niet zijn opgenomen in onderdeel IV van bijlage Aa.

De rechtbank overweegt dat ook afval uit de tanks 1 en 2 is geleverd aan enkele in de tenlastelegging genoemde bedrijven. Dit afval bestond (onder meer) uit slib van [G] . Het slib van [G] is een afvalstof die niet voorkomt op de bijlage Aa van artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Daarom mag het niet worden verwerkt in (co)vergisters.

De rechtbank overweegt het volgende met betrekking tot concrete leveringen.

Op 26 maart 2012 is een afvalmengsel uit tank 3, met daarin onder andere proceswater van [H] , samen met afval uit tank 4, vervoerd naar [S] . De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de bespreking van selectiedossier 1 van zaaksdossier [H] - zuurwater. [betrokkene 9] , verantwoordelijk voor de vergistingsinstallatie bij [S] , heeft verklaard dat alleen de stoffen genoemd in de bijlage Aa in de installatie mogen. Dit volgt ook uit de vergunningvoorschriften.

Op 30 januari 2013 is afval uit tank 5, met daarin onder andere slib van [G] , vervoerd naar [K] . De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de bespreking van selectiedossier 4 van zaaksdossier [G] . Uit de vergunningvoorschriften volgt dat binnen de inrichting co-substraten zoals genoemd in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet worden verwerkt. Ook [L] heeft verklaard dat in de vergistingsinstallatie stoffen van de positieve lijst, de Aa-lijst mogen.

Op 7 oktober 2013 is afval uit tank 5 naar [R] vervoerd. Die partij bestond uit proceswater van [H] en ander afval. De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de bespreking van selectiedossier 5 van zaaksdossier [H] - zuurwater. [R] heeft verklaard dat stoffen van de Aa-lijst in de vergistingsinstallatie mogen. Stoffen die niet op die lijst staan, mogen niet in de vergistingsinstallatie.

Op 13 december 2013 is afval uit tank 1, onder andere bestaand uit slib van [G] , vervoerd naar [O] . Uit diezelfde tank is op 13 december 2013 nog meer afval geladen. Samen met afval uit de opslag is dit op 13 december2013 vervoerd naar [P] . De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de bespreking van selectiedossier 6 van zaaksdossier [G] : [O] en [P] zijn erkend als co-vergister. Dit betekent dat onderdeel IV van bijlage Aa geldt.

Op 1 april 2014 is afval uit tank 4, samen met afval uit tank 5, vervoerd naar [L] . De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de bespreking van selectiedossier 8 van zaaksdossier [H] . [L] heeft met ingang van 1 oktober 2013 de activiteiten van [K] overgenomen.

Op 5 juni 2014 is afval vervoerd naar [M] . Dit afval bestond onder andere uit slib van [G] . De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de bespreking van selectiedossier 9 van zaaksdossier [G] . [M] is erkend als co-vergister. Dit betekent dat onderdeel IV van bijlage Aa geldt.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [A] afvalstoffen (een afvalmengsel) heeft afgegeven aan bedrijven die niet bevoegd waren die afvalstoffen in te zamelen, nuttig toe te passen en/of te verwijderen.

(…)

Opzettelijk handelen

(…)

Zoals bewezen is verklaard heeft [A] feitelijk afvalstoffen afgegeven die niet mochten worden ontvangen door de bedrijven waaraan [A] leverde. Naar het oordeel van de rechtbank volgt het opzet van [A] uit het gebruik van onjuiste benamingen op de begeleidingsbrieven. [I] heeft verklaard dat verdachte vaststelde of een bedrijf waaraan afvalstoffen werden geleverd die stoffen mocht ontvangen.

(…)

Feit 3 (documenten uit zaaksdossier [C] )

Het hof overweegt dat de begeleidingsbrieven die in de tenlastelegging zijn vermeld onder A1, C1, E1, G1, I1, K1, M1 en O1, horen bij het vervoer van proceswater van [C] naar [A] . Ten aanzien van deze begeleidingsbrieven is - kort gezegd - ten laste gelegd dat [A] en/of [F] deze valselijk heeft opgemaakt, door daarop de verkeerde euralcode of locatie van bestemming op te nemen. Uit het dossier blijkt dat deze begeleidingsbrieven door [C] werden verstrekt aan de chauffeurs. De brieven waren deels voorbedrukt: onder andere de euralcode en de locatie van bestemming waren al ingevuld. Nu [C] de begeleidingsbrieven verstrekte en ook de euralcode en bestemming invulde, is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden - ook niet in de vorm van medeplegen - dat [A] en/of [F] deze brieven valselijk heeft opgemaakt. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van dit gedeelte van de tenlastelegging.

Het NFI heeft ook onderzoek gedaan naar de door [A] aan vergistingsinstallaties afgegeven afvalstoffen. Geconcludeerd is dat afvalstoffen die bij [A] een bewerking hebben ondergaan en/of worden gemengd, onder Euralcode 19.12.11* (overig afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking dat gevaarlijke stoffen bevat) of 19.12.12 (overig, niet onder 19.12.11* vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking) vallen, afhankelijk van de vraag of de afvalstoffen al dan niet gevaarlijke stoffen bevatten.

De rechtbank stelt vast dat op twee begeleidingsbrieven van het vervoer van afval naar [R] als euralcode 020399 staat vermeld. Dit zijn de begeleidingsbrieven met de nummers AB17333357 en AB1733391. Deze documenten zijn op de tenlastelegging aangeduid met B1 en D1.

Dezelfde code staat op de begeleidingsbrief van het vervoer van afval naar [S] met nummer AB17756870. Dit document is op de tenlastelegging aangeduid met F1.

Op twee andere begeleidingsbrieven van vervoer van afval naar [R] staan de euralcodes 020399/020304/020305 vermeld. Dit ziet op de begeleidingsbrieven met de nummers AB18187959 en AB38158855. Dit betreft de documenten J1 en P1, zoals opgenomen in de tenlastelegging.

Dezelfde codes staan ook op de begeleidingsbrieven die horen bij het vervoer naar [K] (begeleidingsbrief nummer AB18189104) en [S] (begeleidingsbrieven nummer AB37362186). Dit zijn de documenten L1 en N1, zoals genoemd in de tenlastelegging.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van alle hierboven genoemde documenten wettig en overtuigend bewezen is dat daarin onjuiste euralcodes zijn opgenomen.

Ook is een begeleidingsbrief opgesteld voor het vervoer van 31.840 kilo proceswater naar [S] (document H1 op de tenlastelegging). Daarop is [A] vermeld als ontdoener en locatie van herkomst. Uit de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de bespreking van zaaksdossier 4 volgt echter dat sprake is geweest van een rechtstreekse vracht van [C] naar [S] . Dit betekent dat wettig en overtuigend bewezen is dat [...] in begeleidingsbrief met nummer AB01817048 ten onrechte is vermeld dat [A] de ontdoener is. Dit had [C] moeten zijn.

De rechtbank is van oordeel dat begeleidingsbrieven bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. In artikel 10.44 van de Wet milieubeheer is vermeld dat degene die bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen vervoert, verplicht is een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 bij die afvalstoffen aanwezig te hebben zolang hij die afvalstoffen onder zich heeft. Bij controle dient een begeleidingsbrief te worden getoond zodat gecontroleerd kan worden welke stof wordt vervoerd. Bij vermelding van een onjuiste code wordt verhuld wat er wordt vervoerd en wordt ontvangen door de afnemers. En bij vermelding van de onjuiste ontdoener/ontvanger wordt de werkelijke ontdoener of de werkelijke ontvanger verhuld. Hieruit en uit de aard van dit document vloeit naar het oordeel van de rechtbank het oogmerk van misleiding voort.

(…)

Opzettelijk handelen

(…)

[I] heeft verklaard dat het bepalen van de euralcode voor de afgifte vanaf [A] in overleg tussen verdachte [I] zelf en adviesbureau [J] is gegaan, maar dat het uiteindelijk verdachte is geweest die het heeft bepaald. De vervoersdocumenten werden door [I] of een andere collega ingevuld, maar deze werden alleen opgesteld als verdachte ze had goedgekeurd.

Daarnaast overweegt het hof dat ten aanzien van bovenstaande documenten [A] steeds de ontdoener was. De wettelijke verantwoordelijkheid voor het hanteren van de juiste euralcode lag dus bij [A] . Nu [A] , en in het verlengde daarvan de verdachte, structureel en professioneel in de afvalbranche werkzaam was, moeten zij hebben geweten hoe een euralcode toegekend moet worden aan een afvalstof en welke dat moet zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de euralcode die door [A] gehanteerd had moeten worden, te weten 19.12.11* of 19.12.12. Deze code is van toepassing als de afvalstoffen binnen de inrichting worden bewerkt, waaronder ook mengen moet worden verstaan. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en overwegingen blijkt dat binnen de inrichting van [A] steeds afvalstoffen werden gemengd en bewerkt. Verdachte moet daarom hebben geweten dat de op de begeleidingsbrieven vermelde codes niet juist konden zijn. Door toch deze codes te vermelden heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de documenten op dit punt vals zouden zijn.

(…)

Feit 4 (documenten uit zaaksdossier [G] )

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de afvalstoffen die door [G] aan [A] zijn afgegeven. In het rapport van 30 oktober 2014 is geconcludeerd dat de afvalstoffen, te weten slib van een biologische afvalwaterzuivering, vallen onder subhoofdstuk 19.08 (niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering) van de Eural en specifiek onder de codes 19.08.11* of 19.08.12, afhankelijk van de vraag of het slib wel of niet gevaarlijke stoffen bevat.

De rechtbank stelt vast dat op de acht begeleidingsbrieven die behoren bij het vervoer van stoffen van [G] naar [A] als euralcode 020204 is ingevuld. Dit betreft de begeleidingsbrieven met de nummers AB04050844, AB05367679, AB05367676, AB18188365, AB18188645, AB37359419, AB37362150 en AB37362153. Dit zijn de documenten die in de tenlastelegging zijn aangeduid met A2, B2, C2, E2, G2, I2, O2 en R2.

Het NFI heeft ook onderzoek gedaan naar de door [A] aan vergistingsinstallaties afgegeven afvalstoffen. Geconcludeerd is dat afvalstoffen die bij [A] een bewerking hebben ondergaan en/of worden gemengd, onder Euralcode 19.12.11* (overig afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking dat gevaarlijke stoffen bevat) of 19.12.12 (overig, niet onder 19.12.11* vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking) vallen, afhankelijk van de vraag of de afvalstoffen al dan niet gevaarlijke stoffen bevatten.

De rechtbank stelt vast dat op de acht begeleidingsbrieven die horen bij het vervoer van afval van [A] naar de RWZI euralcode 020299 vermeld staat. Dit zijn de begeleidingsbrieven met de nummers AB17758528, AB3736142010, AB37362029, AB38100939, AB38158079, AB38158081, AB38158122 en AB38158278. Dit betreft de documenten die in de tenlastelegging worden aangeduid met D2, J2, N2, P2, S2, T2, U2 en V2. Dezelfde euralcode is vermeld op de begeleidingsbrieven die horen bij het vervoer van afval van [A] naar [M] . Dit betreft de begeleidingsbrieven met de nummers AB18188708, AB38100909, en AB38102622. Deze stukken zijn in de tenlastelegging aangeduid als H2, Q2 en W2.

Euralcode 020399 is vermeld op de begeleidingsbrieven die horen bij het vervoer van afval van [A] naar [K] (nummer AB17757574, document F2), [N] (nummer AB37358874, document K2) en [Q] (nummer AB38100576, document X2). Op de begeleidingsbrieven die horen bij het vervoer van afval van [A] naar [O] (nummer AB37357533, document L2) en [P] (nummerAB37361473, document M2) staat euralcode 020304 vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat op alle in de tenlastelegging opgenomen documenten een onjuiste euralcode is vermeld.

De rechtbank verwijst naar haar overwegingen bij feit 3 ten aanzien van het gebruik van begeleidingsbrieven.

(…)

Opzettelijk handelen

[betrokkene 15] , van [G] , heeft verklaard dat de begeleidingsbrieven voor het vervoer naar [A] al gedeeltelijk waren voorgedrukt. De datum en de tijd van het transport werden door [G] ingevuld. [betrokkene 15] heeft geen idee welke euralcode er op de begeleidingsbrief stond.

Chauffeur [betrokkene 12] heeft verklaard dat de begeleidingsbrief bij Pernis altijd werd meegenomen vanaf [A] .

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij naar een klant ging om het productieproces te bekijken. Hij nam de code over die de concurrent gebruikte. Hij dacht daar wel over na.

Naar het oordeel van de rechtbank had [A] niet mogen volstaan met het overnemen van de door een concurrent gebruikte euralcode. Door te volstaan met het overnemen van de door een concurrent gebruikte code, heeft verdachte bewust haar onderzoeksplicht niet nageleefd. Naar het oordeel van het hof heeft zij daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat die euralcode niet zou kloppen.

Het hof overweegt daarbij het volgende.

Uit de verklaring van een medewerker van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (hierna: LMA) volgt dat de ontdoener van het afval de euralcode moet verstrekken, maar dat het in de praktijk vaak de ontvanger is die de euralcode bepaalt.

In het AV-beleid van [A] is opgenomen dat alleen producten die kunnen worden ondergebracht onder de in bijlage 1 vermelde codes kunnen worden geaccepteerd binnen de inrichting. De acceptatieprocedure is bedoeld om voldoende informatie te ontvangen om te kunnen beoordelen of het aangeboden product mag worden geaccepteerd binnen de inrichting. Zoals onder feit 1 bewezen is verklaard, heeft [A] zich niet aan dit beleid gehouden. Naar het oordeel van het hof heeft [A] , door niet te controleren of de door de ontdoener gehanteerde euralcode juist was, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die code niet zou kloppen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [A] zelf ook weer afval afzette bij andere bedrijven. [A] was dus ook een ontdoener en daarmee had [A] de wettelijke plicht om de euralcode voor dat afval te bepalen. Het hof overweegt dat die verantwoordelijkheid ook betekent dat gecontroleerd moet worden wat er in dat kader op de inrichting voor stoffen worden ontvangen en welke euralcode daaraan moet worden toegekend. Dan volstaat het niet om zonder nader onderzoek de door de leverancier aan [A] verstrekte informatie over te nemen.

(…)

Feit 5 (documenten uit zaaksdossiers [H] )

Zaaksdossier [H] -vetresidu

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de door [A] aan vergistingsinstallaties afgegeven afvalstoffen. Geconcludeerd is dat afvalstoffen die bij [A] een bewerking hebben ondergaan en/of worden gemengd, onder Euralcode 19.12.11* (overig afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking dat gevaarlijke stoffen bevat) of 19.12.12 (overig, niet onder 19.12.11* vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking) vallen, afhankelijk van de vraag of de afvalstoffen al dan niet gevaarlijke stoffen bevatten.

De rechtbank stelt vast dat op de begeleidingsbrieven van vervoer van afval van [A] naar [R] als euralcode 020399 (nummer AB17017271, document A3) dan wel 020399/020304/020305 (nummers AB18189117 en AB38100992, documenten F3 en N3) vermeld staat. Op een begeleidingsbrief van vervoer van afval van [A] naar [L] staat ook 020399/020304/020305 vermeld (nummer AB37362398, document M3).

Hiermee is wettig en overtuigend bewezen dat op deze begeleidingsbrieven onjuiste euralcodes staan vermeld.

De rechtbank overweegt dat met betrekking tot een aantal begeleidingsbrieven ten laste is gelegd dat een onjuiste ontvanger dan wel een onjuiste ontdoener is vermeld.

De rechtbank stelt vast dat de locatie van [A] in een aantal gevallen als locatie van bestemming is opgenomen in het vak '4B', terwijl uit de bewijsmiddelen die bij de bespreking van de selectiedossiers zijn opgenomen volgt dat sprake is geweest van een rechtstreekse rit, zodat de locatie van [A] niet de bestemming van die rit is geweest. De juiste locatie van bestemming op begeleidingsbrieven met nummers AB05367516 en AB37360888 (documenten B3 en K3) had [S] moeten zijn. [R] had de bestemming moeten zijn op de begeleidingsbrieven met nummers AB17758755 en AB37360890 (documenten D3 en I3). [K] had de bestemming moeten zijn op de begeleidingsbrief met nummerAB01812481 (document G3).

De rechtbank stelt verder vast dat [A] ook een aantal malen in het vak ‘3A’ en/of ‘3B’ is vermeld als ontdoener, terwijl uit de eerder opgenomen bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een rechtstreekse rit, zodat [A] niet de ontdoener is geweest. Op de begeleidingsbrief met nummerAB17016842 (document C3) had als ontdoener [H] en/of [betrokkene 13] moeten zijn opgenomen.

Op de begeleidingsbrief met nummer AB17756933 (document E3) had als ontdoener [H] ( [f-straat] ) en/of [V] moeten zijn opgenomen.

[H] ( [f-straat] en/of [g-straat] ) had als ontdoener moeten zijn opgenomen op de begeleidingsbrieven met nummers AB37359261 en AB37360572 (documenten H3 en L3).

Op de begeleidingsbrief met nummer AB05374091 (document J3) had als ontdoener [H] ( [f-straat] ) en/of [betrokkene 14] moeten zijn opgenomen.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat op de in de tenlastelegging vermelde documenten een onjuiste euralcode dan wel een onjuiste ontvanger of ontdoener is vermeld.

Voor wat betreft het gebruik van de begeleidingsbrieven verwijst de rechtbank naar hetgeen zij bij feit 3 heeft overwogen.

(…)

Zaaksdossier [H] -zuurwater

In het NFI-rapport van 11 september 2014 is over het zuurwater van [H] geconcludeerd dat bijvoorbeeld euralcode 02.03.99 niet de juiste euralcode is en dat de euralcodes 16.10.01* of 16.10.02, afhankelijk van of het water wel of niet als bijtend is aan te merken, vallend onder hoofdstuk 16.10 (‘waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt’), voor het zuurwater meer voor de hand liggen.

De rechtbank stelt vast dat op de negen begeleidingsbrieven behorend bij het vervoer van afval van [H] naar [A] als euralcode 020399 vermeld staat. Dit zijn de brieven met de nummers AB05368594, AB01816988, AB17334838, AB18187413, AB18187417, AB37361191, AB37361934, AB37361933 en AB38158311. Dit betreft de documenten die op de tenlastelegging zijn aangeduid met A4, C4, E4, G4, I4, K4, M4, O4 en Q4.

Het NFI heeft ook onderzoek gedaan naar de door [A] aan vergistingsinstallaties afgegeven afvalstoffen. Geconcludeerd is dat afvalstoffen die bij [A] een bewerking hebben ondergaan en/of worden gemengd, onder Euralcode 19.12.11* (overig afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking dat gevaarlijke stoffen bevat) of 19.12.12 (overig, niet onder 19.12.11* vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking) vallen, afhankelijk van de vraag of de afvalstoffen al dan niet gevaarlijke stoffen bevatten.

De rechtbank stelt vast dat euralcode 020399 vermeld staat op begeleidingsbrieven die horen bij het vervoer van [A] naar [S] (nummer AB17756562, document D4), [R] (nummer AB17758679, document F4) en [L] / [K] (nummer AB38158547, document P4). De euralcodes 020399/020305/020304 staan vermeld op begeleidingsbrieven die horen bij het vervoer van afval van [A] naar [S] (nummers AB18189282 en AB38158116, documenten H4 en R4), [R] (nummers AB38100992, AB37359930 en AB37357926, documenten B4, J4 en N4) en [L] (nummerAB37358920, document L4).

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat op alle in de tenlastelegging genoemde documenten onjuiste euralcodes zijn vermeld.

Met betrekking tot het gebruik van de begeleidingsbrieven verwijst de rechtbank naar haar overwegingen bij feit 3.’

59. Ik begrijp het middel aldus dat (in de eerste plaats) geklaagd wordt dat het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven die ertoe hebben geleid dat de beslissing afwijkt van hetgeen in het bestreden arrest als standpunt van de raadsman is vermeld. De steller van het middel voert niet aan dat de samenvatting geen recht doet aan hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, en dat het gestelde op p. 13 van de pleitnota niet met die samenvatting in lijn is.

59. Voor zover door de raadsman is aangevoerd dat steeds moet worden gezocht naar de meest geschikte code, meen ik dat het hof niet is afgeweken van het door de raadsman gestelde. Uit ’s hofs overwegingen volgt ook niet dat het ervan is uitgegaan dat het systeem nergens enige beoordelingsmarge laat. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof heeft aangenomen dat er bij het bepalen van een euralcode nooit enige beoordelingsmarge kan zijn, ontbeert het feitelijke grondslag.

59. In de bewezenverklaring van in het bijzonder de feiten 3, 4 en 5 ligt besloten dat het hof is afgeweken van het standpunt dat [A] c.s. de euralcodes redelijkerwijs konden beoordelen zoals zij hebben gedaan. En het hof is blijkens die bewezenverklaring ook voorbijgegaan aan het standpunt dat [A] c.s. niet konden en behoefden te weten dat de gehanteerde codes niet passend waren. Het hof heeft in het bestreden arrest evenwel redenen opgegeven waarom het in strijd met deze standpunten heeft beslist. In – uit het vonnis overgenomen – overwegingen is uiteengezet waarom de opgegeven euralcodes niet en andere wel als juist kunnen worden aangemerkt. Voor zover in het middel de klacht besloten ligt dat het hof niet zou hebben gerespondeerd op het verweer dat (uit de pleitnota kan worden afgeleid en) door het hof in het bestreden arrest aldus is samengevat, ontbeert het derhalve eveneens feitelijke grondslag. Tegen de overwegingen waarin wordt uiteengezet waarom de gebruikte euralcodes onjuist waren, worden geen klachten naar voren gebracht.

59. In de toelichting op het middel klaagt de steller dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat [A] c.s. er zeker in geval van ‘zéér grote, professionele ontdoeners als [H] en [C] ’ in beginsel op mochten vertrouwen ‘dat de Eural-code waaronder de ontdoener zich van de stoffen ontdoet, correct, althans verdedigbaar is’.

59. Deze stelling maakt geen deel uit van het verweer waar het middel (in de kern) op ziet, en dat de beoordelingsruimte bij het bepalen van euralcodes betreft. Een verwijzing naar een andere passage in de pleitnota ontbreekt. Inhoudelijk wijs ik op de overwegingen van het hof bij feit 4 inzake het acceptatie- en verwerkingsbeleid van [A] . In dat (AV-)beleid is ‘opgenomen dat alleen producten die kunnen worden ondergebracht onder de in bijlage 1 vermelde codes kunnen worden geaccepteerd binnen de inrichting. De acceptatieprocedure is bedoeld om voldoende informatie te ontvangen om te kunnen beoordelen of het aangeboden product mag worden geaccepteerd binnen de inrichting’. Het hof leidt uit dit beleid af dat [A] , en in het verlengde daarvan ook de verdachte, niet zonder nader onderzoek op de door (professionele) ontdoeners aan afvalstoffen gegeven euralcodes mocht vertrouwen. Het hof acht daarbij tevens van belang dat [A] ook weer afval afzette bij andere bedrijven en daarmee de wettelijke plicht had om de euralcode voor dat afval te bepalen. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof niet is ingegaan op de stelling dat [A] c.s. mochten vertrouwen op de euralcodes die door professionele ontdoeners aan afvalstoffen waren toegekend, ontbeert het middel derhalve wederom feitelijke grondslag.

59. De steller van het middel voert in de toelichting ook aan dat het voordrukken van standaardteksten op begeleidingsformulieren iets anders zou zijn dan het ‘bepalen van de Eural-code’ of het ‘vaststellen van de Eural-code’. En hij brengt naar voren dat volgens vele getuigenverklaringen [C] , [H] en [G] in de tenlastegelegde periode zelf de euralcode hebben bepaald.

59. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan (het medeplegen van) het valselijk opmaken van een deel van de begeleidingsbrieven die op de transporten vanaf [C] betrekking hadden (feit 3). Voor zover het feitelijk leidinggeven aan (medeplegen van) het invullen van begeleidingsformulieren onder 3 bewezen is verklaard heeft het hof daaraan blijkens de bewijsmotivering onder meer de verklaring van [I] ten grondslag gelegd. [I] heeft verklaard dat de vervoersdocumenten door hem of een collega werden ingevuld, nadat verdachte ze had goedgekeurd, en dat ‘uiteindelijk’ verdachte de euralcode bepaalde. Uit de bewijsoverwegingen die betrekking hebben op feit 4 blijkt onder meer dat [betrokkene 15] , van [G] , heeft verklaard dat de begeleidingsbrieven voor het vervoer naar [A] al gedeeltelijk waren voorgedrukt en dat verdachte verklaarde dat hij de code overnam die de concurrent gebruikte. Uit de bewijsoverwegingen bij feit 5 blijkt onder meer dat [betrokkene 8] van [H] heeft verklaard dat de benodigde vervoersdocumenten werden ingevuld door de afnemer, en dat verdachte heeft verklaard dat hij de code één op één heeft overgenomen van [betrokkene 16] . Deze vaststellingen worden in de toelichting op het middel niet bestreden. Zij brengen mee dat het hof de bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan (het medeplegen van) het invullen van de begeleidingsformulieren uit de bewijsvoering heeft kunnen afleiden.

59. Uit de bewijsvoering volgt voorts dat het hof heeft geoordeeld dat [A] en de verdachte bij de keuze van de ingevulde euralcode niet (alleen) op het kompas van [C] , [G] of [H] voeren. Verdachte heeft verklaard dat hij de code overnam van een concurrent resp. van [betrokkene 16] , het bedrijf dat voorheen op dezelfde locatie actief was. Maar ook waar [A] en de verdachte wel op informatie van [C] , [G] of [H] zouden hebben vertrouwd, neemt dat hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid ter zake van het invullen, dat ook kan plaatsvinden door op het betreffende formulier standaardteksten voor te drukken, niet weg.

59. Ten overvloede merk ik op dat in het onderhavige middel en de toelichting voor zover ik zie niet wordt geklaagd over de bewijsvoering van het voor de feiten 3, 4 en 5 vereiste opzet, dan wel over de verwerping van een daarmee verband houdend verweer.

59. Het vijfde middel faalt.

Het zesde middel

69. Het zesde middel bevat de klacht dat het hof in strijd met het recht en op onbegrijpelijke wijze tot bewezenverklaringen is gekomen in de zaaksdossiers ‘ [H] , vetresidu’ en ‘ [H] , zuurwater’, waarbij het hof zulks uiteindelijk heeft gekwalificeerd als valsheid in geschrift. Deze klacht ziet aldus op de bewijsvoering van feit 5.

69. In de toelichting voert de steller van het middel aan dat een afvalstof van zichzelf geen euralcode heeft. Daarom zou de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat ‘de Euralcode van de afvalstof die vervoerd werd 191211* of 191212 was’ in strijd zijn met het Europese afvalstoffensysteem.

69. Uit de afvalstoffenlijst die op Europees niveau is vastgesteld, volgt dat elke afvalstof met één euralcode kan worden aangeduid. Daarbij zijn grensgevallen denkbaar en kan er een zekere beoordelingsmarge zijn. Aan het uitgangspunt doet dat evenwel niet af. Zo kan ook (Bijlage 1 bij) de Mededeling van de Europese Commissie worden begrepen: verhelderd wordt hoe binnen het geheel van euralcodes de passende code kan worden bepaald. In dat licht getuigt de bewezenverklaring van feit 5 niet van een onjuiste rechtsopvatting in zoverre het verband tussen euralcode en afvalstof daarin met het werkwoord ‘zijn’ tot uitdrukking is gebracht.

69. De steller van het middel voert vervolgens aan dat het zeer wezenlijk is dat de ontvanger van een afvalstof de euralcode van de ontdoener niet kan of mag aanpassen. Dat zou meebrengen dat de afvalstoffencodes van de [H] -leveringen respectievelijk 020399, 020305 en 020304 waren ‘omdat [H] zich onder die Eural-code van de stoffen ontdeed’.

69. Uit de afvalstoffenlijst kan worden afgeleid dat de samenstelling van de afvalstof de euralcode van de betreffende afvalstof bepaalt. In zoverre het middel op de gedachte berust dat een afvalstof een euralcode heeft enkel omdat de ontdoener zich onder die euralcode van de afvalstof heeft ontdaan, gaat het uit van een onjuiste uitleg van het recht.

69. In zoverre het onderhavige middel er tevens toe zou strekken te klagen dat het hof [A] en de verdachte ten onrechte strafrechtelijk aansprakelijk heeft gehouden wegens het invullen van een onjuiste euralcode, wijs ik op de bespreking van het voorgaande middel. Dat degene die zich van bedrijfsafvalstoffen ontdoet door afgifte aan een andere (rechts-)persoon gehouden is aan de vervoerder een begeleidingsbrief met euralcode te verstrekken (art. 10.39 Wm en art. 10 Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen), doet er niet aan af dat ook andere (rechts-)personen zich aan valsheid in geschrift schuldig maken als zij een dergelijke begeleidingsbrief valselijk opmaken.

69. Het zesde middel faalt.

Het zevende middel

76. Het zevende middel bevat de klacht dat het hof in strijd met het recht en op onbegrijpelijke wijze tot bewezenverklaringen is gekomen in het zaaksdossier ‘ [H] , zuurwater’. De steller van het middel wijst erop dat de rechtbank in verband met dit onderdeel van de bewezenverklaring van feit 5 heeft overwogen dat de euralcodes 16.10.01* of 16.10.02 volgens het NFI-rapport ‘voor het zuurwater meer voor de hand liggen’. Deze verklaring van de deskundige zou ‘onvoldoende helder, onderbouwd en stellig (zijn) om de betreffende bewezenverklaring te kunnen dragen’. Niet alleen zou de NFI-medewerker eraan voorbij zijn gegaan dat [A] ‘als ontvanger er bij een voedingsmiddelengigant vanuit mag gaan dat deze een correcte Euralcode gebruikt – en al zeker als deze valt onder hoofdstuk 02’. Maar uit het rapport zou ook blijken ‘dat 02.03.99 zeer verdedigbaar was én de NFI-medewerker het zelf eigenlijk ook niet precies weet’. Dat zou te meer klemmen ‘waar de NFI-medewerker uiteindelijk tot een kwalificatie onder het (…) rest-hoofdstuk 16 concludeert (…) terwijl [H] zelf tot de voedingsmiddelen-restcategorie 020399 of de specifiekere categorieën 020304 en 020305 was gekomen’.

76. Het hof heeft onder 5 in het zaaksdossier ‘ [H] , zuurwater’ feitelijk leidinggeven aan (medeplegen van) valsheid in geschrift door [A] in 18 begeleidingsbrieven bewezenverklaard. Die valsheid bestond er daarbij in dat als euralcode 020399 (en/of 020305 en/of 020304) was ingevuld terwijl de euralcode (9 keer) 161001* of 161002 dan wel (9 keer) 191211* of 191212 was. Naar ik begrijp ziet deze bewijsklacht op de bewezenverklaring van feit 5 voor zover daarin de euralcodes 161001* of 161002 zijn vermeld.

76. Kenmerkend voor afval onder 0203 is dat het gaat om afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse. Categorie 16 betreft ‘niet elders in de lijst genoemd afval’. Bij 1610 gaat het om ‘waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt’; 161001* betreft ‘waterig vloeibaar afval dat gevaarlijke stoffen bevat’ en 161002 ziet op ‘niet onder 161001 vallend waterig vloeibaar afval’.

76. Inzake de samenstelling van dit zuurwater (of ‘proceswater’) overweegt het hof: ‘Deze afvalstof bestaat uit een waterige vloeistof met een lage pH die vrijkomt bij de raffinage van zonnebloemolie’. Vervolgens worden vaststellingen ontleend aan negen ‘selectiedossiers’. Daarbij heeft de eerste vaststelling in elk dossier telkens betrekking op het vervoer van proceswater van [H] naar [A] en het aldaar lossen in een tank. Dit vervoer vond plaats op respectievelijk 16 maart, 14 augustus en 22 oktober 2012, 13 april, 30 september en 29 december 2013, en 3 maart, 17 mei en 13 juni 2014. Daarbij worden als documenten genoemd A4, C4, E4, G4, I4, K4, M4, O4 en Q4. De tweede vaststelling is telkens dat ook ander afval in de betreffende tank is gelost, dan wel aanwezig was. De derde vaststelling heeft telkens betrekking op het vervoer naar een derde van een vloeistof die deels uit proceswater van [H] en deels uit ander afval bestond. Dit vervoer vond plaats op respectievelijk 26 maart, 20 augustus en 23 oktober 2012, 16 april, 7 oktober en 31 december 2013, en 5 maart, 19 mei en 16 juni 2014. Daarbij worden als documenten genoemd B4, D4, F4, H4, J4, L4, N4, P4 en R4. Uit de tenlastelegging van feit 5 volgt dat als juiste euralcode van de afvalstoffen die bij [H] wordt opgehaald telkens 161001* of 161002 is aangemerkt. Bij de afvalstoffen die naar derden worden vervoerd zijn telkens de euralcodes 191211* of 191212 als de juiste vermeld.

80. Voor zover de steller van het middel in de toelichting op dit middel wederom aanvoert dat [A] c.s. ervan zouden hebben mogen uitgaan dat [H] een correcte euralcode gebruikt, verwijs ik naar de bespreking van het vijfde middel. Dat de deskundige zich bij de beoordeling van de afvalstof waar het hier om gaat beperkt tot de vaststelling dat de euralcodes 161001* of 161002 voor het zuurwater meer voor de hand liggen, staat er voorts niet aan in de weg dat het hof de bewezenverklaring in zoverre op het deskundigenrapport heeft kunnen baseren. Ik neem daarbij in aanmerking dat hoofdstuk 16, anders dan de steller van het middel aanvoert, geen hoofdstuk is ‘waar stoffen onder vallen als men het eigenlijk niet meer weet’, en dat het deskundigenrapport in zoverre derhalve geen onzekerheid uitdrukt.

80. Het hof geeft in het bestreden arrest voorts niet alleen het oordeel van de deskundige maar ook de onderbouwing van dat oordeel weer: ‘Ten aanzien van [H] heeft de deskundige aangegeven dat de activiteiten van dit bedrijf vallen onder hoofdstuk 02.03 van de eural. Echter, in deze paragraaf worden geen afvalstromen genoemd die betrekking hebben op waterig afval of afvalwaterstromen. De deskundige komt daarom uit bij hoofdstuk 16, waarin een hoofdstuk is opgenomen waaronder het afvalwater kan vallen, te weten hoofdstuk 16.10’. De juistheid van deze gedachtegang wordt door de steller van het middel niet – onderbouwd – bestreden. Ik neem daarbij in aanmerking dat (een blik over de papieren muur leert dat) het op het zuurwater van [H] betrekking hebbende deskundigenrapport van 11 september 2014 een beschrijving bevat van het raffinageproces die duidelijk maakt waarom de deskundige op een euralcode in hoofdstuk 16 uitkomt. Zo citeert de deskundige getuige [betrokkene 17] , die verklaart ‘dat het zuurwater dat door [A] wordt opgehaald, een pH heeft van 1 à 2’. De deskundige spreekt in dit verband van een ‘extreme zuurgraad’; het zuurwater ‘zal zwavelzuur bevatten dat bij de vetzuursplitsing wordt toegevoegd’. Het is derhalve niet onduidelijk waar de deskundige zich op heeft gebaseerd.

80. In de pleitnota is inzake dit onderdeel van het NFI-rapport alleen gesteld dat ‘onvoldoende stellig’ is ‘gegeven dat de code die [H] toepaste (…) te weten 02.03.99, in casu onjuist was’. En dat het bij 16.10.01 en 16.10.02 om een restcategorie gaat ‘die alles behalve concreet omschreven is’. Al met al kan ook in het licht van de pleitnota niet worden gezegd dat het hof ‘op onbegrijpelijke wijze’ tot ‘bewezenverklaring en kwalificatie’ is gekomen.

80. Het zevende middel faalt.

Het achtste middel

84. Het achtste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de onder feit 1 genoemde bedrijven niet bevoegd waren om ‘die afvalstoffen in te zamelen en/of te verwerken en/of nuttig toe te passen en/of te verwijderen’.

84. Het komt mij voor dat de steller van het middel zich heeft vergist in de nummering van de bewezenverklaarde feiten. Onder 1 is bewezenverklaard dat de verdachte (kort gezegd) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [A] opzettelijk in strijd handelen met vergunningsvoorschriften door slib, proceswater en zuurwater op en over te slaan en te bewerken, door niet de benodigde gegevens over een product op te vragen bij de ontdoener en door bij slib van [G] niet eens per 6 maanden een analyse te beoordelen en te herhalen. Onder 2 is bewezenverklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [A] tezamen en in vereniging met een ander zich opzettelijk ontdoen van bedrijfsafvalstoffen door afgifte aan negen met naam genoemde bedrijven ‘terwijl die bedrijven niet bevoegd waren die afvalstoffen in te zamelen en/of te verwerken en/of nuttig toe te passen en/of te verwijderen’. Onderdeel van de bewijsmotivering van feit 2 is ook de zin die de steller van het middel in de toelichting bekritiseert: ‘Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [A] afvalstoffen (een afvalmengsel) heeft afgegeven aan bedrijven die niet bevoegd waren die afvalstoffen in te zamelen, nuttig toe te passen en/of te verwijderen’.

84. In de bewijsoverwegingen bij feit 2 wordt vastgesteld dat op 3 februari 2012 mengsels die onder de euralcodes 19.12.11* en 19.12.12 vallen zijn vervoerd naar RZWI en [Q] (voorheen [Q] ), terwijl afvalstoffen met deze euralcodes door deze bedrijven niet mogen worden geaccepteerd. Deze laatste vaststelling wordt als ik het goed zie door de steller van het middel niet bestreden.

84. Vervolgens wordt overwogen dat [A] een deel van de ontvangen afvalstoffen afzet naar co-vergistingsinstallaties, die biogas produceren uit dierlijke mest waaraan co-materialen zijn toegevoegd. Het restant van vergisting kan alleen als meststof worden toegepast of verhandeld als deze co-materialen zijn vermeld in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Uit onderzoek naar de aard en samenstelling van de mengsels die naar de inzamelaars/eindverwerkers zijn gegaan volgt volgens het hof dat de afvalstoffen die vanuit de tanks 3, 4, 5 en 6 en rechtstreeks door [A] zijn geleverd, niet zijn opgenomen in onderdeel IV van bijlage Aa. En dat afval uit de tanks 1 en 2 onder meer bestond uit slib van [G] . Dat is een afvalstof die niet op bijlage Aa voorkomt en daarom niet mag worden verwerkt in co-vergisters. Daarna wordt in de bewijsoverwegingen aandacht besteed aan concrete leveringen. Bij enkele bedrijven waaraan geleverd is, verklaart een persoon dat alleen de stoffen genoemd in de bijlage Aa in de installatie mogen. Bij andere bedrijven wordt op grond van een erkenning als co-vergister vastgesteld dat ‘onderdeel IV van bijlage Aa geldt’.

84. De steller van het middel klaagt dat met de betreffende verklaringen ‘geenszins gegeven (is) dat zij niet bevoegd zouden zijn geweest om de in dit dossier aan de orde gestelde stoffen op hun bedrijf te ontvangen’.

84. Art. 10.37, eerste lid, Wm bepaalt dat het verboden is zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen te ontdoen. Dat verbod geldt krachtens het tweede lid (onder meer) niet indien de bedrijfsafvalstoffen worden afgegeven aan een persoon (a) die krachtens art. 10.45 of art. 10.48 Wm bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen. En het verbod geldt ingevolge het tweede lid ook niet indien de bedrijfsafvalstoffen worden afgegeven aan een persoon die bevoegd is de betrokken afvalstoffen in één van vier nader omschreven gevallen ‘nuttig toe te passen of te verwijderen’. Ik begrijp de tenlastelegging (en bewezenverklaring) aldus dat daarin niet alleen de bestanddelen van het verbod van het eerste lid, maar ook het niet van toepassing zijn van de uitzonderingen van het tweede lid onder a en b is verwerkt.

84. Naar ik meen heeft het hof – mede – op grond van de betreffende verklaringen kunnen aannemen dat van een toegestane nuttige toepassing als bedoeld in art. 10.37, tweede lid, Wm geen sprake was. Nu door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat één van de uitzonderingen van het tweede lid zich voordoet, is de bewezenverklaring in dat licht naar het mij voorkomt in zoverre toereikend met redenen omkleed.

84. De steller van het middel voert ook nog aan dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat co-vergisters zijn vrijgesteld van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer en over vergunningen beschikken die wel Aa-lijst-stoffen benoemen maar geen euralcodes bevatten.

84. Ook hier geeft de steller van het middel niet aan uit welk onderdeel van de pleitnota kan worden afgeleid dat dit verweer is gevoerd. In hetgeen hieromtrent in de pleitnota is opgemerkt kan ik geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ontwaren. Maar ook los daarvan meen ik dat de klacht faalt, nu ’s hofs beslissingen niet met het gestelde in strijd zijn. Waar het om gaat is dat [A] zich niet van de bedrijfsafvalstoffen mocht ontdoen door afgifte aan deze bedrijven. Dat hun vergunningen geen Euralcodes zouden bevatten is niet een aanwijzing dat die afgifte zou zijn toegestaan.

84. Het achtste middel faalt.

Het negende middel

94. Het negende middel houdt in dat het hof ten onrechte een passage uit het vonnis van de rechtbank heeft overgenomen en een proces-verbaal van bevindingen als bewijsmiddel heeft gebruikt. Het hof zou voorts niet toereikend hebben gerespondeerd op het standpunt dat de stoffen die [A] c.s. leverden en de stoffen die rechtstreeks vanaf [C] en [H] werden geleverd wel degelijk op de Aa-lijst stonden vermeld, althans dat de aard, samenstelling en eigenschappen van deze stoffen zodanig waren dat zij worden geacht onder de door de verdediging concreet benoemde slibstoffen, waterzuiveringsstoffen en andere reststoffen van de voedingsmiddelenindustrie dan wel voedingsmiddelenbereiding zoals genoemd in de Aa-lijst te vallen, dan wel dat zij daar zodanig mee vergelijkbaar waren dat de stoffen van [A] c.s. wel degelijk mochten worden verwerkt door de co-vergisters.

94. De uit het vonnis overgenomen passage waar de steller van het middel op doelt betreft de volgende: ‘Uit onderzoek naar de aard en samenstelling van de mengsels die uit de tanks 1, 2, 3, 4, 5 en 6 dan wel rechtstreeks naar de inzamelaars/eindverwerkers zijn gegaan, volgt dat de afvalstoffen die vanuit de tanks 3, 4, 5 en 6 en rechtstreeks door [A] worden geleverd, niet zijn opgenomen in onderdeel IV van bijlage Aa’. In een voetnoot wordt daarbij verwezen naar ‘Proces-verbaal samenstelling WLOM, p. 4001640-4001642’. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de aard en samenstelling van de stoffen op geen enkel moment is onderzocht door de politie, de NVWA of het NFI, en dat de geciteerde zin daarom sowieso onbegrijpelijk is. Er zou uitsluitend zijn beredeneerd wat moet worden verstaan onder ‘waterig lecithine oliemengsel’ (WLOM). Dat is beredeneerd wat moet worden verstaan onder WLOM, en dat de samenstelling niet langs scheikundige weg is vastgesteld, staat er naar het mij voorkomt evenwel niet aan in de weg dat gesproken kan worden van een ‘onderzoek naar de aard en samenstelling van de mengsels’.

94. De overgelegde pleitnota houdt onder meer in (p. 55-56):

‘De stoffen van [C] geen WLOM?

(…)

Verweer

De Aa-lijst sluit geenszins uit dat Aa-lijst-stoffen bepaalde additieven of sporen van andere stoffen zouden bevatten.

Dat blijkt bovendien ook uit de systematiek rond de G-stoffen van de Aa-lijst. Voor die G-stoffen gelden specifieke, extra normen, die zijn opgenomen om bodemverontreiniging tegen te gaan. Naast het feit dat nergens is aangetoond dat de normen in deze zaak zouden zijn overschreden, is het omgekeerde ook relevant: de stoffen C t/m F juist kunnen zeer goed additieven of deels andere stoffen bevatten.

Relevant in deze zaak is dat [A] de stoffen WLOM heeft mogen noemen. Niet zozeer omdat het evident WLOM-stoffen zijn, maar wel omdat het gaat om stoffen die daarmee vergelijkbaar zijn.

Verweer

Naar het oordeel van de verdediging is de systematiek van de Aa-lijst, met slechts algemene benamingen, zonder een serieuze definitie en specifieke milieu- en gezondheidsnormen, zodanig gebrekkig of laat zodanige ruimte voor interpretatie, dat verdachten in casu de stoffen die zij van [C] of [H] ontvingen, alsmede de stoffen die zij (al dan niet na menging in Putten) aan derden leverden; zoals [R] , redelijkerwijs mochten aanmerken als WLOM/C1.12, uitgepakte voedingsmiddelen of daarmee vergelijkbare stoffen.

De stoffen van [A] betroffen stoffen met dezelfde of vergelijkbare eigenschappen als de volgende Aa-lijststoffen (productie 16):

(…)’

97. Artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet luidde in de bewezenverklaarde periode als volgt:

‘Voor zover zij voldoen aan de artikelen 9 tot en met 15 van het besluit zijn aangewezen:

a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder I, opgenomen stoffen;

b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in bijlage Aa, onder II, opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;

c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in bijlage Aa, onder III, opgenomen stoffen; en

d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in bijlage Aa, onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.’

98. Onderdeel IV van bijlage Aa betreft ‘Eindproducten van bewerkingsprocédés die als meststof kunnen worden verhandeld’ en kent vier categorieën. De eerste categorie zag aan het begin van de bewezenverklaarde periode op ‘Product dat verkregen is door vergisting van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met als nevenbestanddeel uitsluitend één of meer van de stoffen die genoemd zijn onder de in onderstaande tabel onderscheiden categorieën of subcategorieën (covergiste mest)’. Onder C worden ‘Stoffen afkomstig uit de voedings- en genotmiddelindustrie’ vermeld. Onder C1, ‘Stoffen van plantaardige herkomst’ stonden 31 stoffen vermeld, waaronder bijvoorbeeld (onder 4) ‘Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige verwijdering van schillen met behulp van stoom van vooraf gewassen aardappelen en die bestaat uit aardappelschillen in water (aardappelstoomschillen)’. Onder C2, ‘Stoffen van dierlijke herkomst al dan niet gecombineerd met stoffen van plantaardige herkomst’ stonden 8 stoffen vermeld, waaronder (onder 2) ‘Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige bereiding van consumptie-ijs en die bestaat uit grondstofresten, ijsmixresten en afgekeurde ijsproducten en vrij is van verpakkingsmateriaal en reinigingswater (ijsafval)’.

98. Kort na aanvang van de bewezenverklaarde periode werden in de eerste categorie onder G opgenomen: ‘Stoffen waar de in bijlage II, onder tabel 1, bij het besluit opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel en de in bijlage II, onder tabel 4, bij het besluit opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel voor gelden’. Onder G1 (‘Plantaardige stoffen en stoffen afkomstig van de verwerking van plantaardige producten’) werden 75 stoffen vermeld, waaronder (sub 5) ‘Reststof die is verkregen bij het schillen van zonnebloemzaad Helianthus annuus L. (zonnebloemzaadschillen)’. De categorieën 2, 3 en 4 zagen (kort gezegd) op (2) digestaat (3) dunne fractie uit digestaat en (4) dikke fractie uit digestaat van plantaardige covergistingsmaterialen.

100. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is eerst sprake indien dat standpunt ‘door argumenten geschraagd’ is. De uitgewerkte systematiek van onderdeel IV en de precisie waarmee elk van de stoffen die onder de subcategorieën vallen zijn omschreven wijzen erop dat elke afwijking in samenstelling van de gegeven omschrijving tot gevolg heeft dat de betreffende stof niet onder bijlage Aa valt. De raadsman heeft niet beargumenteerd waarom op de Aa-lijst vermelde stoffen desondanks ‘additieven of sporen’ van andere stoffen zouden mogen bevatten. De enkele omstandigheid dat voor de stoffen genoemd onder G specifieke, extra normen gelden, is geen argument voor de stelling dat de stoffen genoemd onder C t/m F additieven of sporen zouden mogen bevatten. Dat de omschrijving van de stoffen ruimte zou laten voor interpretatie is evenmin een argument om ook stoffen die niet door (grammaticale) interpretatie onder de lijst kunnen worden gebracht daar toch onder te begrijpen. Al met al meen ik dat het hof niet behoefde uiteen te zetten waarom het aan dit standpunt voorbij ging. Voor zover Uw Raad daar anders over denkt wijs ik erop dat in de door de steller van het middel geciteerde overweging besloten ligt dat het hof heeft geoordeeld dat de toevoegingen meebrengen dat de mengsels niet onder omschrijvingen van stoffen in onderdeel IV van bijlage Aa kunnen worden gebracht. Daarmee doet zich naar het mij voorkomt het geval voor dat de uitspraak in de bewijsmotivering de gegevens bevat waarin de vereiste nadere motivering besloten ligt.

101. Het negende middel faalt.

Het tiende middel

102. Het tiende middel houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer dat geen enkele van de aanwezige monsterpotjes van [A] c.s. is geanalyseerd. Door opzettelijk of verwijtbaar na te laten ontlastend bewijs te onderzoeken en de resultaten niet aan het dossier toe te voegen zou een ernstige inbreuk zijn gemaakt op de beginselen van een eerlijk proces. In de toelichting doet de steller van het middel een beroep op EHRM 16 december 1992, appl. nr. 13071/87, Edwards v. Verenigd Koninkrijk. Daaruit zou volgen dat het openbaar ministerie gehouden is om ook ontlastend bewijs, zoals monsterpotjes van transporten, te analyseren wanneer het hierop gewezen is. Dat zou te meer gelden nu de verdachten hebben aangegeven dat de aard en de samenstelling van de stoffen in overeenstemming was met de tekst of de bedoeling van de Aa-lijst bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, dat het zou gaan om ongevaarlijke afvalstoffen, en dat zij terecht door [C] , [H] of [G] zijn voorzien van de door hen doorgegeven Euralcode.

102. De overgelegde pleitnota houdt onder meer in (p. 57-58):

‘Monsters

Zeer opvallend is dat de politie en het OM in deze zaak een enorm grote broek hebben aangetrokken

- alsof zij zelf supergoed weten hoe Euralcodes in elkaar zitten

- en waarbij [verdachte] als een grote crimineel wordt neergezet,

terwijl het onderzoek van de politie, NVWA en OM eigenlijk zelfs aan de laagste eisen nog niet voldoet.

Zo heeft men nagelaten de stoffen zelf te onderzoeken, terwijl die stoffen zelf én monsterpotjes van eerdere leveringen gewoonweg voorhanden waren.

[R] heeft de politie en NVWA maar liefst 60 monsters aangeboden van Q1 2014 en Q2 2014 (…):

(...) Er zijn geen monsters genomen op mijn bedrijf, waaruit zou blijken dat WLOM niet aan de eisen voldoet. Ik heb 60 potjes met monsters; die door het NVWA gebruikt kunnen worden voor analyse. Aan het einde van het verhoor hebben we opnieuw gesproken met [betrokkene 2] . Voorlopig wilde de NVWA geen maatregelen nemen. Ze hebben het nog in beraad omdat er nog geen overtuigend bewijs is, dat het WLOM niet aan de eisen voldoet. (...)

Ook [verdachte] had tientallen monsters op zijn kantoor staan, die op ieder moment zouden kunnen worden gecontroleerd: Hij stelt dat hij die ook heeft aangeboden aan de politie.

De producties 19 t/m 22 illustreren bovendien dat [A] / [F] .nl de stoffen van ontdoeners ook regelmatig liet onderzoeken: Politie en OM hebben dit punt volledig laten zitten.

Ook [C] trok vrijwel standaard monsters van de stoffen die zij afgaven. Ook zij hebben die aangeboden aan de politie.

Bovendien kwamen Provincie/Omgevingsdienst en NVWA sinds ongeveer 2005 iedere maand, respectievelijk iedere zes weken voor een controle op het bedrijf. Gedurende die 80 tot 100 bezoeken hadden zij op ieder moment beschikking over de getrokken monsters.

De stelling van een van de toezichthouders ‘dat er nooit een tankauto aanwezig was als wij kwamen controleren’ is volstrekt onjuist en kan zelfs als leugenachtig worden bestempeld. Controles duurden soms wel vijf uur. Er waren dagelijks zo’n 10 vrachtwagens op het terrein. Deze verbleven daar ongeveer. 1 – 1 1/2 uur. Kortom, er moeten wel degelijk vrachtwagens aanwezig zijn geweest. Bovendien laat de betreffende toezichthouder onbesproken, waarom hij dan niet gewoon gewacht zou hebben op een tankauto of bevolen zou hebben dat een tankauto aanwezig zou zijn.

Verweer

Als we dit strafdossier van politie en het OM moeten geloven dan hebben zij over de volledige periode van 2010 - 2014 alle aanwezige monsterpotjes niet geanalyseerd.

In het dossier komt eigenlijk maar één analyse aan een monster voor. En daarvan heeft RlKILT en politie nu juist vastgesteld dat die aan de eisen voldeed.

Dit betekent ofwel dat het dossier niet correct is samengesteld en dat resultaten van analyses aan monsters niet in het dossier zijn gevoegd en zijn verzwegen; ofwel dat politie en OM geen enkel onderzoek hebben gedaan naar het ontlastende bewijs dat hen werd aangedragen.

De verdediging is van oordeel dat hier een ernstig verwijt past aan het adres van politie en OM wel zodanig dat dit tot een niet-ontvankelijkverklaring van het OM zou moeten leiden.’

104. Het hof heeft in het bestreden arrest als volgt overwogen:

104. ‘Ook heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de politie en het Openbaar Ministerie de bij verdachte en [R] aanwezige monsters hebben laten analyseren. Dit betekent dat ofwel de resultaten van de analyses niet aan het dossier zijn toegevoegd en zijn verzwegen, ofwel dat de politie en het Openbaar Ministerie geen onderzoek hebben gedaan naar ontlastend bewijs dat hen werd aangedragen. Ook om deze reden dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden.

104. (…)

104. (Ontbreken van) analyses van monsters

104. Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat beschikbare monsters niet geanalyseerd zijn, dan wel dat de resultaten daarvan niet aan het dossier zijn toegevoegd, overweegt het hof het volgende.

104. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan aan de orde zijn indien er sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. De strekking van deze maatstaf is dat bij een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat - in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - “the proceedings as a whole were not fair” (zie HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889)

104. Van een inbreuk als hiervoor bedoeld is geen sprake. Dat de politie en/of het Openbaar Ministerie de monsters wel zouden hebben geanalyseerd, maar de resultaten daarvan niet aan het dossier hebben toegevoegd, is niet aannemelijk geworden. Dat de politie en/of het Openbaar Ministerie er bij het opsporingsonderzoek kennelijk voor hebben gekozen om geen monsters te laten analyseren, maakt naar het oordeel van het hof niet dat aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Het hof verwerpt het verweer.’

104. Uit de geciteerde overwegingen volgt dat het middel feitelijke grondslag mist voor zover wordt geklaagd dat het hof niet zou hebben gerespondeerd op het verweer dat de politie, het openbaar ministerie, de provincie en de NVWA geen enkel monsterpotje zouden hebben laten analyseren. Het hof heeft dat verweer, dat strekte tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging, verworpen op grond van de vaststelling dat geen sprake is van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd.

104. Voor zover in het middel de klacht besloten ligt dat het hof het bedoelde verweer op ontoereikende gronden heeft verworpen, merk ik nog het volgende op. In het door het hof genoemde arrest heeft Uw Raad inderdaad de door het hof genoemde maatstaf centraal gesteld. Van een dergelijke schending van het recht op een eerlijk proces kan in het bijzonder sprake zijn als het onderzoeksmateriaal waarmee de verdediging stelt de onschuld van de verdachte te kunnen aantonen in beslag is genomen en vernietigd. Die situatie doet zich in casu niet voor. De verdachte beschikte over het onderzoeksmateriaal; het stond de verdachte vrij de inhoud van de monsterpotjes door een deskundige te laten onderzoeken en de resultaten in het geding te brengen. Het stond de verdediging ook vrij om in het voorbereidend onderzoek of tijdens het onderzoek ter terechtzitting te verzoeken om (benoeming van een deskundige met het oog op) onderzoek aan die inhoud. Met het hof kan worden geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat politie en/of openbaar ministerie er niet voor hebben gekozen om onderzoek te doen aan de inhoud van de monsterpotjes niet meebrengt dat aan het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan.

107. Het tiende middel faalt.

Het elfde middel

108. Het elfde middel klaagt blijkens de toelichting over de onderbouwing van ’s hofs oordeel dat [A] c.s. ‘willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zij niet-vergunde afvalstoffen ontving’. Deze klacht ziet blijkens de toelichting op de bewijsvoering van feit 1.

108. Het hof heeft onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte (kort gezegd) feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [A] opzettelijk in strijd met vergunningsvoorschriften handelen door niet vergunde afvalstoffen, te weten slib geclassificeerd met euralcodes 190811* of 190812 alsmede proceswater en zuurwater geclassificeerd met euralcodes 161001* of 161002 op en over te slaan en te bewerken, door niet de benodigde gegevens over een product op te vragen bij de ontdoener en door bij slib van [G] niet eens per 6 maanden een analyse te beoordelen en te herhalen. In verband met het bewezenverklaarde opzet heeft het hof overwogen (met weglating van een voetnoot):

108. ‘Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde opzettelijk handelen is vereist dat [A] wist, dan wel willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat zij in strijd met de vergunningsvoorschriften handelde.

108. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, is de op [A] van toepassing zijnde milieuvergunning in eerste instantie verleend aan Fouragehandel [I] B.V. Vanaf 22 juni 2009 is de exploitatie van de vergunning - op aanvraag van [A] - overgenomen door [A] . Het hof is van oordeel dat er daarom van uit mag worden gegaan dat [A] bekend was met de inhoud van de op haar aanvraag overgenomen milieuvergunning.

108. Verdachte was bekend met het feit dat [A] een omgevingsvergunning had en was ook bekend met de inhoud daarvan, zoals volgt uit de verklaring van milieu inspecteur [betrokkene 6] , die een keer met verdachte om de tafel heeft gezeten om een dieptecontrole te doen op de vergunning. Ze hebben de vergunning compleet doorgeakkerd, voorschrift voor voorschrift.Zoals bewezen is verklaard zijn er door [A] afvalstoffen ontvangen die niet waren vergund. Verdachte was bekend met de systematiek van de euralcodes. Volgens [betrokkene 18] was het verdachte die bij een nieuwe klant besliste over de benamingen en de euralcode. Ook [betrokkene 5] heeft verklaard dat de provincie aan [A] heeft medegedeeld dat er verkeerde euralcodes werden gebruikt. Dat was in de tijd dat verdachte de leiding had. Er is tot in den treuren besproken hoe moest worden omgegaan met de euralcodes, aldus [betrokkene 5] .

108. Naar het oordeel van het hof volgt daar ook uit dat verdachte bekend was met het in de vergunning opgenomen AV-beleid.

108. Door te handelen in strijd met het eigen AV-beleid, heeft [A] niet de verantwoordelijkheid genomen die zij wel op zich had geladen gelet op de - op haar eigen aanvraag - verleende vergunning. Het NFI heeft vastgesteld dat de euralcodes van een aantal door verdachte ontvangen afvalstoffen onjuist waren. Voor zover [A] (in de persoon van haar leidinggevende verdachte) dit niet al wist, zou dit [A] , als zij zou hebben gehandeld in overeenstemming met haar AV-beleid, ook duidelijk zijn geweest.

108. Door niet te handelen in overeenstemming met het AV-beleid en niet te controleren of de afvalstoffen wel door [A] mochten worden ontvangen, heeft [A] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij niet vergunde afvalstoffen ontving.’

108. Uit deze passage kan worden afgeleid dat het hof wat de bewijsvoering van het opzet van [A] betreft onderscheid maakt tussen de gedragingen die onder 1 zijn bewezenverklaard. Het opzet op het in strijd met vergunningsvoorschrift 9.1.1 niet de benodigde gegevens opvragen over een product bij de ontdoener en het opzet op het in strijd met dat voorschrift bij het slib van [G] niet eens per 6 maanden een analyse beoordelen en herhalen heeft het hof afgeleid uit de omstandigheid dat verdachte bekend was met de voorschriften van de vergunning. Het opzet op het opzettelijk in strijd met vergunningsvoorschrift 9.5.1 niet vergunde afvalstoffen op- en overslaan en bewerken heeft het hof (mede) gebaseerd op het niet handelen in overeenstemming met het AV-beleid.

108. De overgelegde pleitnota houdt onder meer in (p. 29):

‘De verdediging stelt het OM niet heeft bewezen, noch aannemelijk gemaakt dat het halfjaarlijks indienen van een dergelijk formulier de gang van zaken zou hebben veranderd.

De processen bij [C] , [H] en [G] waren in deze jaren niet veranderd. De door hen gehanteerde Euralcodes waren niet veranderd. Bovendien hebben de ontdoeners (zie b.v. [C] ) altijd zelf monsters genomen van de stoffen die zij afgaven. Ook de co-vergisters hebben altijd monsters genomen, deze laten onderzoeken en bewaard.

Uit die monsternemingen zijn, in ieder geval in de jaren 2010-2014 geen onregelmatigheden of milieurisico’s gebleken.

Bovendien hebben de toezichthouders van Provincie/Omgevingsdienst en NVWA alsmede de politie nagelaten om gedurende deze jaren (waarin zij vrijwel continu aanwezig waren) monsters te nemen. En ook was er voor hen in die jaren aldus geen aanleiding om te veronderstellen dat stoffen of processen veranderd waren.’

112. De steller van het middel voert aan dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer dat het halfjaarlijks laten invullen van een AV-formulier door [C] , [H] en [G] de gang van zaken niet wezenlijk zou hebben veranderd en aldus sprake zou zijn van een zeer formeel verwijt aan [A] c.s. dat feitelijk inhoudt dat formulieren niet zijn ingevuld.

112. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is sprake indien dat standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Naar het mij voorkomt voldoet het aangevoerde niet aan deze eisen. Tenlastegelegd is onder meer het feitelijk leiding geven aan het door [A] opzettelijk niet de benodigde gegevens over een product opvragen door middel van een AV-formulier. Daarmee volgt uit de tenlastelegging dat het hof zich over dit verwijt een oordeel diende te vormen. Niet duidelijk is (in dat licht) ook welke conclusie de raadsman aan het gestelde verbond.

114. De steller van het middel klaagt voorts over de bewijsmotivering. Het zou onbegrijpelijk zijn dat het hof heeft gesteld dat wanneer wel halfjaarlijkse AV-formulieren door [C] , [H] en [G] zouden zijn ingevuld, [A] zou hebben onderkend of hebben kunnen onderkennen dat de onjuiste Euralcodes werden gebruikt, en dat [A] door dat niet te doen voorwaardelijk opzet op onjuiste Euralcodes zou hebben gehad.

114. Het hof heeft over het AV-beleid van [A] overwogen hetgeen onder randnummer 7 is weergegeven. Uit deze overwegingen volgt dat het AV-beleid van [A] verschillende elementen kende. In het acceptatiebeleid wordt onderscheid gemaakt tussen ‘acceptatie bij een vervolgafgifte’ en ‘acceptatie nieuw product’. Onderdeel van de procedure was voorts toetsing door de KAM-manager. Daarbij geldt een bijzondere procedure bij kritische producten; eens per zes maanden dient analyse plaats te vinden. Voor zover de steller van het middel het ‘handelen in overeenstemming met het AV-beleid’ gelijkstelt aan het doen invullen van formulieren door de ontdoeners, gaat het middel in dit licht uit van een onjuiste lezing van het arrest.

114. Het hof heeft overwogen dat [A] door ‘niet te handelen in overeenstemming met het AV-beleid en niet te controleren of de afvalstoffen wel door [A] mochten worden ontvangen’ willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij niet vergunde afvalstoffen ontving. Daarmee heeft het hof zich niet enkel gebaseerd op het niet handelen in overeenstemming met het AV-beleid. Het accent ligt mede daardoor ook niet op de informatie die door de ingevulde formulieren zou zijn verkregen maar op de informatie waar [A] bij adequate controle over zou hebben beschikt. Het gaat blijkens ’s hofs overwegingen voorts niet om incidenteel tekortschieten. Het hof heeft vastgesteld dat de AV-formulieren van de afvalstromen van [G] en [C] in de administratie van [A] (geheel) ontbreken. En dat in de administratie van [A] slechts één analyserapport van een kritisch product is aangetroffen. Mede tegen die achtergrond meen ik dat ’s hofs overweging niet onbegrijpelijk is.

114. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof na de bewijsoverwegingen die op de vijf bewezenverklaarde feiten afzonderlijk betrekking hebben ook nog een ‘Algemene overweging over opzettelijk handelen’ heeft opgenomen (zie randnummer 9). Die overweging is derhalve ook van belang in verband met het onder 1 bewezenverklaarde feit. Het hof stelt daarin onder meer vast dat [betrokkene 2] , toezichthouder van de NVWA, [I] erop heeft gewezen dat een mengsel van verschillende afvalstoffen niet als wlom mag worden afgegeven omdat dit niet overeenkomt met de werkelijkheid. En dat [betrokkene 5] , toezichthouder van de provincie, heeft verklaard dat er uitgebreide controles zijn uitgevoerd naar de euralcodes die werden gebruikt, dat er is vastgesteld dat er verkeerde euralcodes werden gebruikt, en dat dit door de provincie ook is meegedeeld. En het hof overweegt ook dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de verklaring van [betrokkene 5] dat hij in de periode 2008-2011 ‘op de hoogte was van de rechtstreekse ritten waarbij twee begeleidingsbrieven werden gebruikt’ maar dat hij ‘niet met deze werkwijze (heeft) ingestemd en ook (heeft) gezegd dat het zo niet kan’. Het opzet op het handelen in strijd met vergunningsvoorschriften is derhalve niet alleen afgeleid uit niet handelen in overeenstemming met eigen beleid en niet controleren, maar ook uit (het negeren van) waarschuwingen van toezichthouders en de bedrijfscultuur die meer in het algemeen uit de verklaringen van toezichthouders spreekt.

114. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doet niet af dat, zoals de steller van het middel in de toelichting aanvoert, de verdediging heeft benadrukt dat de genoemde bedrijven sinds 2005 klant waren en dat zij gebruik maakten van ‘onveranderlijke bedrijfsprocessen’. Uit de overwegingen van het hof volgt dat [G] en [C] niet eerder AV-formulieren hadden ingeleverd, en dat derhalve ook van controle van in deze formulieren verstrekte gegevens geen sprake was. Aan die begrijpelijkheid doet evenmin af dat, zoals de steller van het middel aanvoert, medewerkers van [C] , [H] en [G] hebben verklaard dat zij de stoffen onder de juiste Euralcode aan [A] hebben geleverd. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt (zo bleek bij de bespreking van het vijfde middel) dat [A] de onder 3, 4 en 5 vermelde begeleidingsformulieren (samen met een ander) invulde met een onjuiste euralcode.

114. Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet tenslotte ook niet af dat door de verdediging zou zijn aangevoerd dat uit monsternemingen over 2010 – 2014 door de ontdoeners en [A] geen ‘onregelmatigheden’ zijn gebleken. Ik neem daarbij in aanmerking dat in de pleitnota wordt gesproken over monsters die zijn genomen (p. 57) maar niet over een analyse van deze monsters waaruit zou blijken dat de classificatie in het NFI-rapport onjuist zou zijn.

114. Ik merk ten slotte op dat het middel niet specifiek klaagt over ’s hofs overwegingen voor zover het opzet daarin (mede) lijkt te worden afgeleid uit de verantwoordelijkheid die [A] op zich heeft genomen en voor zover daarin de mogelijkheid wordt opengelaten dat [A] niet (zeker) wist dat de euralcodes van de door haar ontvangen afvalstoffen onjuist waren. Ik meen ook dat deze overwegingen niet onverenigbaar zijn met de daaropvolgende vaststelling van voorwaardelijk opzet.

114. Het elfde middel faalt.

Het twaalfde middel

122. Het twaalfde middel klaagt dat het hof geen bijzondere of genoegzame redenen heeft opgegeven waarom een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, een passende sanctie zou zijn. De steller van het middel formuleert vervolgens onder sub a t/m g omstandigheden die zouden maken dat is voldaan aan het verbazingscriterium. De strafoplegging zou daardoor onvoldoende gemotiveerd zijn.

122. Verkort weergegeven houden de onder a t/m g vermelde omstandigheden in dat a. geen schade aan milieu of gezondheid is bewezen; b. geen persoonlijke verrijking door verdachte heeft plaatsgevonden; c. [A] c.s. open en eerlijk zijn geweest naar de toezichthouders; d. [A] c.s. hebben mogen aannemen dat hun handelen met de wet overeenstemde; e. de feitelijk leidinggevers van de ontdoeners niet zijn vervolgd; f. de jurisprudentie zou laten zien dat in dit soort zaken gevangenisstraffen niet aan de orde zijn; g. het hof in belangrijke mate tot een vrijspraak is gekomen. De steller van het middel vermeldt niet of één of meer van deze omstandigheden in hoger beroep is/zijn aangevoerd en voert (derhalve) niet aan dat het hof onvoldoende gemotiveerd zou zijn afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

122. Het hof heeft in het kader van de strafmotivering het volgende overwogen:

122. ‘De economische kamer van de rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en een beroepsverbod voor de duur van drie jaren.

122. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en een beroepsverbod voor de duur van drie jaren.

122. De raadsman heeft aangevoerd dat alle handelingen die in deze zaak aan de orde zijn gesteld, hebben plaatsgevonden in de jaren dat verdachte onder continu toezicht van de Provincie, omgevingsdienst en NVWA stonden. Verdachte heeft dus gehandeld met instemming van de toezichthouders of zij mocht er in ieder geval gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar handelen correct was. Daarom zou er redelijkerwijs geen straf mogen worden opgelegd en is toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aan de orde.

122. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

122. Verdachte heeft feitelijke leiding gegeven aan een bedrijf, [A] B.V., dat over een langere periode heeft gehandeld in strijd met de eisen die aan een afvalverwerkingsbedrijf gesteld worden. In die periode heeft [A] structureel afval ontvangen dat zij volgens de vergunning niet had mogen ontvangen. Ook ten aanzien van het AV-beleid heeft [A] in strijd met haar eigen vergunning gehandeld. Daarnaast heeft [A] de afvalstoffen die bij haar binnenkwamen, afgezet bij partijen die deze afvalstoffen niet mochten ontvangen. [A] heeft dit kunnen doen omdat door haar handelswijze de indruk gewekt werd dat deze partijen de afvalstoffen wel mochten ontvangen. De voorschriften die verdachte hiermee overtreden heeft dienen onder meer ter bescherming van het milieu. Daarnaast heeft verdachte hiermee financieel gewin behaald: afnemers betaalden voor afvalstoffen die zij eigenlijk niet mochten ontvangen.

122. [A] heeft zich daarnaast veelvuldig schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op begeleidingsbrieven de onjuiste benaming en/of euralcode van een afvalstof op te nemen of door een onjuiste ontdoener of ontvanger te vermelden. Ook hiermee werd de werkelijke gang van zaken verhuld. Verdachte heeft hier feitelijk leiding aan gegeven.

122. Het hof heeft hiervoor overwogen dat niet is gebleken dat de toezichthouders hebben ingestemd met het handelen van verdachte en dat dit uit het enkele uitblijven van handhavend optreden ook niet mocht worden afgeleid. Het hof acht het reeds daarom niet passend om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de verdediging is verzocht.

122. Het hof overweegt dat de door verdachte gepleegde feiten geen incidenten betroffen, maar plaatsvonden binnen de normale bedrijfsvoering van het bedrijf. Daarnaast gelet op de lange periode en het grote aantal overtredingen is het hof van oordeel dat de ernst van de gepleegde feiten oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk maken. Het hof zal daarnaast ook, gelet op de ernst van de feiten, een taakstraf opleggen. Het hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur ook nodig om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Verdachte heeft immers verklaard dat hij nog werkzaam is in de afvalbranche. Omdat aan verdachte een voorwaardelijke straf van langere duur wordt opgelegd, acht het hof oplegging van een beroepsverbod - zoals gevorderd door de advocaat-generaal - niet noodzakelijk.

122. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, passend en geboden is.

122. Ten aanzien van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn behandeld overweegt het hof het volgende. Vanaf het moment van de zoekingen op 25 juni 2014 tot aan de dag van het arrest zijn bijna zeven jaren verstreken. De rechtbank heeft na drie en een half jaar vonnis gewezen, het hof zal ruim drie jaar daarna arrest wijzen. Alhoewel de omvang van de zaak en de ingewikkeldheid ervan een redelijke termijn van langere duur rechtvaardigen, is het hof wel van oordeel dat de redelijke termijn in geringe mate is overschreden. Het hof zal daarom de op te leggen gevangenisstraf met één maand verminderen.’

122. Vooropgesteld dient te worden dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij bij de strafoplegging van belang acht. Deze afweging is aan de feitenrechter voorbehouden en zijn oordeel daaromtrent behoeft geen motivering. De strafmotivering dient wel te voldoen aan de eisen die art. 359 Sv daaraan stelt. Die eisen brengen mee dat extra motivering vereist is als de straf zonder die uitleg verbazing oproept. Bij de beantwoording van de vraag of de strafmotivering inderdaad aan de eisen voldoet, pleegt Uw Raad zich terughoudend op te stellen.

126. Van een strafoplegging die verbazing wekt, kan bijvoorbeeld sprake zijn als een aanmerkelijke strafverhoging in appel niet wordt toegelicht. Daarvan is in casu geen sprake. Integendeel: het hof heeft een aanzienlijk lagere (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf opgelegd dan de rechtbank. De straf is ook aanmerkelijk lager dan door de advocaat-generaal was gevorderd. Van belang is voorts dat het hof de opgelegde (gevangenis)straf uitgebreid heeft gemotiveerd. De door de steller van het middel genoemde omstandigheden brengen niet mee dat de strafmotivering tekortschiet.

126. Het twaalfde middel faalt.

Het dertiende middel

128. Het dertiende middel klaagt dat het hof de gevangenisstraf expliciet heeft gebaseerd op de vaststelling dat de verdachte financieel gewin heeft behaald, terwijl dit niet uit de bewijsmiddelen zou kunnen blijken en ook het dossier daartoe geen enkele steun zou bieden. De strafoplegging zou daardoor onjuist en onvoldoende gemotiveerd zijn.

128. Het hof heeft in de hiervoor geciteerde strafmotivering inderdaad overwogen dat de verdachte financieel gewin heeft behaald doordat ‘afnemers betaalden voor afvalstoffen die zij eigenlijk niet mochten ontvangen’. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof hiermee doelt op privé-voordeel dat door verdachte zou zijn behaald, gaat hij naar het mij voorkomt uit van een verkeerde lezing van ’s hofs overwegingen. Het hof overweegt immers eerst dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het bedrijf [A] B.V, dat over een langere periode heeft gehandeld in strijd met de eisen die aan een afvalverwerkingsbedrijf gesteld worden. De bedoelde overweging moet mijns inziens dan ook zo worden gelezen dat verdachte in die hoedanigheid met zijn handelen financieel gewin heeft behaald, zonder dat is vastgesteld waar dat voordeel (vervolgens) terecht is gekomen.

128. Ik wijs er in dat verband nog op dat het hof in het arrest dat gewezen is in de strafzaak tegen [A] B.V. heeft overwogen dat de verdachte met zijn handelen ‘financieel gewin (heeft) behaald: afnemers betaalden voor afvalstoffen die zij eigenlijk niet van verdachte mochten ontvangen waar verdachte zelf had moeten betalen om zich van die afvalstoffen te ontdoen’. Het verschil met de formulering in het arrest dat gewezen is tegen de verdachte maakt duidelijk dat het hof zich het verschil in positie van beide verdachten gerealiseerd heeft.

128. Het dertiende middel faalt.

Afronding

132. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

132. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Zie de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Stb. 2010, 142, in werking getreden op 1 oktober 2010 (Stb. 2010, 231).

Zie de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Stb. 2008, 496, zoals gewijzigd door de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Stb. 2010, 142.

Zie de Wet structuur beheer afvalstoffen, Stb. 2001, 346, in werking getreden op 8 mei 2002 (Stb. 2002, 206), zoals gewijzigd door de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Stb. 2010, 142 en de Wet van 29 april 2010, Stb. 2010, 187.

De geciteerde begripsomschrijvingen zijn in de kern terug te voeren op de Wet structuur beheer afvalstoffen, Stb. 2001, 346.

Met ingang van 1 juli 2020 is in deze begripsomschrijving ‘preparaten’ vervangen door ‘mengsels’ (Wet van 17 mei 2020 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (PbEU L 150) (Implementatiewet wijziging EU-kaderrichtlijn afvalstoffen), Stb. 2020, 158).

Ook de formulering van deze artikelen is in de kern terug te voeren op de Wet structuur beheer afvalstoffen, Stb. 2001, 346.

Zie het Besluit van 4 oktober 2004, Stb. 2004, 522, zoals gewijzigd door het Besluit van 12 juni 2009, Stb. 2009, 250.

Stcrt. 19 april 2002, nr. 76.

Pb C 124 van 9.4.2018, blz. 1-134.

Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 14e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 186 onder verwijzing naar (onder meer) HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:513, NJ 2015/200 m.nt. Reijntjes.

HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4664, NJ 2007/144 m.nt. Schalken, rov. 6.3.

K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 223, met verwijzing naar jurisprudentie.

Stb. 2009, 330, in werking getreden op 1 januari 2010 (Stb. 2009, 351).

Beschikking van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 1147) (Voor de EER relevante tekst), PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3-24. Zie ook het Besluit van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad, PB L 370 van 30.12.2014, blz. 44-86.

Voetnoot 121 in het arrest noemt M1 in plaats van M4.

Uitzondering is selectiedossier 9.

Voetnoot 118 in het arrest noemt J1 in plaats van J4.

Zie de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, Stcrt. 2005, 226, zoals gewijzigd door de Wijziging Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, Stcrt. 2007, 247, in werking getreden op 1 januari 2008 (Stcrt. 2007, 247).

Regeling van 11 april 2011, Stcrt. 2012, 6892.

HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma , rov. 3.7.1.

HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2.

HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.5.2.

Vgl. Keulen en Knigge, a.w., p. 588, met verwijzing naar o.m. HR 21 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4600, NJ 2011/318.

HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.

A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 9e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 264-265 en aldaar genoemde jurisprudentie.

Van Dorst, a.w., p. 267-268.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature