< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummers:

Inhoudsindicatie:

Rechtspersonenrecht. Procesrecht. Boek 10 BW. Verzoek ex art. 2:20 lid 1 BW en art. 10:122 BW m.b.t. Nederlandse en buitenlandse Hells Angels-organisaties. Samenhangende zaken: 21/01164 en 21/01186.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummers 21/01164 en 21/01186

Zitting 25 maart 2022

CONCLUSIE

B.F. Assink

In de zaak (21/01164)

1. Stichting IEHA

2. [verzoeker 2]

3. [verzoeker 3]

4. [verzoeker 4]

5. [verzoeker 5]

6. En twee anderen

tegen

Het Openbaar Ministerie (Landelijk Parket)

en

In de zaak (21/01186)

Het Openbaar Ministerie (Landelijk Parket)

tegen

1. Hells Angels Motorcycle Corporation

2. Stichting IEHA

3. [verzoeker 2]

4. [verzoeker 3]

5. [verzoeker 4]

6. [verzoeker 5]

7. En twee anderen

Inleiding

a. In rov. 2 van de bestreden beschikking van 15 december 2020 (hierna: de beschikking) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) een samenvatting gegeven van het in hoger beroep voorliggende geschil en zijn oordeel ter zake.

b. In deze samenvatting staat:

- “OM” voor het Openbaar Ministerie (hierna: het OM), door het hof in de beschikking geduid als verweerder in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210);

- “HAMC” voor Hells Angels Motorcycle Club (hierna: HAMC), door het hof in de beschikking geduid als corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW en belanghebbende in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210);

- “HAMC Holland” voor Hells Angels Motorcycle Club Holland (hierna: HAMC Holland), door het hof in de beschikking geduid als informele vereniging naar Nederlands recht en belanghebbende in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210);

- “HAM Corporation” voor Hells Angels Motorcycle Corporation (hierna: HAM Corporation), door het hof in de beschikking geduid als corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW en belanghebbende in hoger beroep respectievelijk appellante in hoger beroep (in de zaken 200.265.259 en 200.265.210).

c. Rov. 2 van de beschikking luidt als volgt:

“2. Samenvatting

Het OM vraagt in deze zaak feitelijk om een verbod van HAMC en HAMC Holland in Nederland. Reden daarvan is dat volgens het OM de werkzaamheid van deze clubs in strijd is met de openbare orde. De vraag die eerst moet worden beantwoord, is of deze clubs als zodanig bestaan en organisaties zijn die op grond van de wet kunnen worden verboden.Het hof komt, net als de rechtbank, tot de conclusie dat dit inderdaad zo is: HAMC, de wereldwijde organisatie van de Hells Angels, wordt aangemerkt als buitenlandse corporatie en HAMC Holland, de organisatie waarin de Nederlandse charters zijn verenigd, als informele vereniging naar Nederlands recht.De volgende vraag is of de activiteiten van HAMC en HAMC Holland strijdig zijn met de openbare orde in Nederland. Het hof vindt dat het OM dit voldoende heeft aangetoond.Het hof is er verder van overtuigd dat een verbod van deze organisaties noodzakelijk is.De door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht dat de werkzaamheid van HAMC in strijd is met de openbare orde en de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland blijven daarom in stand.Het hof deelt niet het oordeel van de rechtbank dat HAM Corporation is te beschouwen als een onderdeel van HAMC. HAM Corporation, de organisatie die de merkrechten van de Hells Angels beheert, is een vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten die ook zelfstandig naar buiten toe optreedt. De verklaring voor recht ten aanzien van HAMC raakt haar niet direct. Het hof ziet onvoldoende grond om aan te nemen dat de werkzaamheid van HAM Corporation zelf in strijd is met de openbare orde. Het verzoek van het OM wordt daarom ten aanzien van HAM Corporation alsnog afgewezen.Voor de Hells Angels charters in Nederland en hun leden geldt het volgende.De charters zijn (onder)afdelingen van HAMC (Holland), maar hebben zelf ook alle kenmerken van een informele vereniging. Twee charters zijn bovendien georganiseerd in een formele vereniging. Zij zijn dus zelf ook rechtspersonen en vallen daarom niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Hetzelfde geldt voor de stichtingen die aan de charters zijn verbonden. Maar dit neemt niet weg dat, als de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring van HAMC Holland onherroepelijk is geworden, de voortzetting van hun activiteiten in Nederland is verboden, ook voor de charters en hun leden. Onder meer betekent dit dat de Hells Angels niet meer in het openbaar hun colors mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden.Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot deze beslissingen komt.”

d. In het cassatieberoep dat bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01164 worden zijdens verzoekers tot cassatie (hierna ook: de Stichting c.s.) vanuit diverse invalshoeken pijlen gericht op ’s hofs oordeel in de beschikking dat de in eerste aanleg uitgesproken verklaring voor recht dat de werkzaamheid van HAMC in strijd is met de openbare orde (art. 10:122 BW in verbinding met art. 2:20 lid 1 BW), alsmede de in eerste aanleg uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland (art. 2:20 lid 1 BW), in stand blijven. Ook klagen zij over ’s hofs uiteenzetting dat, als dit oordeel inzake HAMC en HAMC Holland onherroepelijk is geworden, de voortzetting van hun activiteiten in Nederland is verboden, ook voor de charters en hun leden. Het OM heeft daartegen verweer gevoerd.

e. In het cassatieberoep dat bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01186 worden zijdens het OM vanuit diverse invalshoeken pijlen gericht op ’s hof oordeel in de beschikking dat het verzoek van het OM ten aanzien van HAM Corporation alsnog wordt afgewezen en dat de Hells Angels-charters in Nederland niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland vallen. HAM Corporation en de Stichting c.s. hebben daartegen verweer gevoerd.

f. Gelet op de samenhang tussen beide cassatieberoepen, en in lijn met het verhandelde ter mondeling pleidooi van 29 oktober 2021 (in de onder d. hiervoor bedoelde zaak), behandel ik in deze conclusie opeenvolgend beide cassatieberoepen (onder 3 respectievelijk 4). Eerst schets ik de achtergrond van de onderhavige zaak en het procesverloop (onder 1 respectievelijk 2).

g. M.i. missen deze pijlen alle doel en kan de beschikking derhalve in stand blijven. Deze conclusie strekt dan ook in beide cassatieberoepen tot verwerping (onder 5).

1 Achtergrond van de zaak

In cassatie kan - met het hof - het volgende tot vertrekpunt worden genomen, ontleend aan rov. 3.1-3.3 van de beschikking, daar weergegeven onder het opschrift “3. Achtergrond van de zaak, verzoek en beslissing van de rechtbank” (waartoe ook behoort een weergave van het verzoek dat uiteindelijk tot de beschikking heeft geleid en van het procesverloop in eerste aanleg, in deze conclusie verwerkt onder 2.1-2.16 hierna).

1.1

Hells Angels Motorcycle Club is een internationale motorclub, die zijn oorsprong heeft in Californië (Verenigde Staten). In 1948 is daar de eerste club met deze naam opgericht. In de jaren ’50 is de Hells Angels Motorcycle Club opgericht door verschillende clubs in Californië. Daarna zijn ook elders plaatselijke afdelingen van de Hells Angels, charters genoemd, ontstaan. In 1961 is het eerste charter in het buitenland gestart. In 1978 is in Amsterdam het eerste Hells Angels-charter in Nederland gevestigd. Tegenwoordig zijn er ruim 500 Hells Angels-charters op de wereld, verspreid over circa 63 landen, met in totaal ongeveer 5000 leden. In Nederland bestaan 18 charters, met in totaal ongeveer 240 leden. Er zijn twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen) en 16 stichtingen verbonden aan de Hells Angels-charters in Nederland.HAM Corporation is opgericht in 1970. Zij houdt zich bezig met de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (handelsmerken: logo’s en opschriften) van de Hells Angels.

1.2

Het OM stelt zich al langer op het standpunt dat de activiteiten van de Hells Angels in strijd zijn met de openbare orde. In 2006 heeft het OM verzoekschriften op grond van art. 2:20 BW ingediend tegen alle bij de Kamer van Koophandel ingeschreven verenigingen en stichtingen waarbinnen de Hells Angels zich destijds in Nederland hadden georganiseerd. Deze procedure is geëindigd met een beschikking van de Hoge Raad van 26 juni 2009 in één van de zaken (tegen de stichting Stichting Northcoast Harlingen en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Rockers Northcoast M.C.). Daarin is het cassatieberoep tegen de voor het OM ongunstige beschikking van het gerechtshof Leeuwarden van 12 december 2007 verworpen.

1.3

In de onderhavige zaak richt het OM zich niet (ook) tegen de Hells Angels-charters, maar tegen HAMC als wereldwijde organisatie van de Hells Angels en tegen HAMC Holland als organisatie van alle Hells Angels in Nederland. Volgens het OM is HAMC een buitenlandse corporatie als bedoeld in art. 10:117, aanhef en onder a BW en HAMC Holland een informele vereniging als bedoeld in art. 2:26 BW. In de visie van het OM is HAM Corporation een onderdeel van HAMC. Het OM stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheid van deze organisaties in strijd is met de openbare orde. Met de ingediende verzoeken wil het OM bereiken dat de Nederlandse afdeling van de Hells Angels wordt verboden en ontbonden, dat er in de toekomst geen nieuwe afdelingen mogen worden opgericht en dat er ook door leden van buitenlandse afdelingen van HAMC en HAM Corporation geen clubactiviteiten in Nederland meer mogen worden verricht. Het doel van het OM is kortom dat aan de aanwezigheid van HAMC in Nederland, in welke hoedanigheid of verschijningsvorm ook, een definitief einde komt.

2 Het procesverloop (op hoofdlijnen)

In eerste aanleg 2.1

Het OM heeft daartoe de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) bij verzoekschrift van 29 mei 2018 verzocht om:

- op grond van art. 10:122 BW voor recht te verklaren dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW, althans - voor het geval de rechtbank oordeelt dat HAM Corporation geen onderdeel uitmaakt van HAMC - voor recht te verklaren dat de werkzaamheid van HAM Corporation (zelfstandig) in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW;

- op grond van art. 2:20 BW HAMC Holland verboden te verklaren en te ontbinden, onder benoeming van een vereffenaar, met bepaling dat een eventueel batig saldo na vereffening wordt uitgekeerd aan de Staat;

- de te geven beschikking hierover uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2

Stichting IEHA (hierna: de Stichting) en HAM Corporation hebben op 31 januari 2019 elk een verweerschrift ingediend.

2.3

Het OM heeft de rechtbank bij brief van 12 februari 2019 onder meer schriftelijke standpunten gestuurd met het oog op de mondelinge behandeling, gevolgd door een reactie daarop zijdens de Stichting bij brief aan de rechtbank van 18 februari 2019.

2.4

Bij brief van 28 februari 2019 zijn zes leden van de Hells Angels als belanghebbende verschenen. Zij hebben op 1 maart 2019 gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

2.5

HAMC en HAMC Holland zijn niet verschenen.

2.6

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6, 7 en 13 maart 2019. Het OM, de Stichting en genoemde zes leden van de Hells Angels (hierna met de Stichting dus de Stichting c.s.) alsmede HAM Corporation hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, het OM en de Stichting c.s. ook aan de hand van een PowerPointpresentatie. Van de zittingen is telkens een proces-verbaal opgemaakt.

2.7

Bij beschikking van 29 mei 2019 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan naar het oordeel van de rechtbank HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Tevens heeft zij daarbij HAMC Holland verboden verklaard en ontbonden. De rechtbank heeft haar beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8

Bij beschikking van 12 juli 2019 heeft de rechtbank een vereffenaar benoemd van de in Nederland gelegen goederen van HAMC en het vermogen van HAMC Holland, een rechter-commissaris benoemd, haar beschikking wat dit een en ander betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

In hoger beroep

2.9

De Stichting c.s. zijn bij beroepschrift van 29 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 (dit is zaak 200.265.259). Ook HAM Corporation is van die beschikking in hoger beroep gekomen, bij beroepschrift van diezelfde datum (dit is zaak 200.265.210). Beide beroepschriften bevatten een incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank.

2.10

Het OM heeft op 20 november 2019 in beide zaken een verweerschrift ingediend in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het OM heeft op 27 januari 2020 een verweerschrift ingediend in de hoofdzaak.

2.11

Nadat bij brief van 24 december 2019 de Stichting c.s. het hof hadden verzocht in staat te worden gesteld een mondelinge toelichting te geven in het incident, en het OM bij brief van 2 januari 2020 het hof had medegedeeld dat het OM geen mondelinge behandeling in het incident in de beide zaken wenst, heeft HAM Corporation bij brief van 7 januari 2020 het hof bericht dat zij afziet van een mondelinge behandeling in het incident en hebben de Stichting c.s. bij fax van 14 januari 2020 aan het hof laten weten alsnog af te zien van een mondelinge behandeling in het incident.

2.12

Bij beschikking van 28 januari 2020 heeft het hof schorsing bevolen van de werking van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 en verder iedere beslissing aangehouden.

2.13

Na brieven van de Stichting c.s. aan het hof van 9 maart 2020 en 10 april 2020 met een daarbij overgelegd nader stuk, en een brief van het OM aan het hof van 1 mei 2020 met daarbij overgelegde nadere stukken, hebben de Stichting c.s. bij incidenteel verzoekschrift van 22 mei 2020 een verzoek tot voorlopige voorziening ex art. 223 Rv ingediend, gevolgd door brieven van de Stichting c.s. aan het hof van 29 mei 2020 en 10 juni 2020 met een daarbij overgelegd nader stuk alsmede een verweerschrift van het OM van 12 juni 2020 in genoemd incident.

2.14

Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft het hof dit verzoek tot voorlopige voorziening ex art. 223 Rv van de Stichting c.s. afgewezen en verder iedere beslissing aangehouden.

2.15

Volgend op door de Stichting c.s. bij brief van 9 juli 2020 overgelegde nadere stukken en een daarbij gegeven schriftelijke reactie op door het OM overgelegde nadere stukken (zie onder 2.13 hiervoor), op door het OM bij brief van 17 augustus 2020 overgelegde nadere stukken, en op een schriftelijke reactie daarop met tevens daarbij overgelegde nadere stukken door de Stichting c.s. bij brief van 31 augustus 2020, heeft op 7 oktober 2020 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De Stichting c.s., HAM Corporation en het OM hebben daarbij hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, de Stichting c.s. voorts ook aan de hand van een PowerPointpresentatie. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het hof heeft HAMC en HAMC Holland volgens de regels opgeroepen voor de zitting van het hof, maar zij zijn niet verschenen. Aan het slot van de zitting heeft het hof bepaald dat een beschikking zal worden gegeven.

2.16

Bij genoemde beschikking van 15 december 2020 heeft het hof: de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 vernietigd voor zover daarin in de uitgesproken verklaring voor recht is opgenomen dat HAM Corporation onderdeel uitmaakt van HAMC en voor zover die beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard; die beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd, met verbetering van gronden; het OM (in de zaak tegen HAM Corporation) in de kosten veroordeeld van beide instanties en van het incident (zie onder 2.12 hiervoor); en het meer of anders verzochte afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer als volgt overwogen:

“(…)

3 Achtergrond van de zaak, verzoek en beslissing van de rechtbank

(…)

3.6.

De rechtbank heeft in de beschikking van 29 mei 2019 geoordeeld dat HAMC en HAMC Holland inderdaad bestaan en dat HAM Corporation een onderdeel is van HAMC. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de werkzaamheid van deze organisaties in strijd is met de openbare orde. De rechtbank heeft daarom de verzoeken van het OM toegewezen. In de zaak tegen HAMC heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de werkzaamheid van HAMC, waarvan HAM Corporation onderdeel uitmaakt, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 BW . In de zaak tegen HAMC Holland heeft de rechtbank HAMC Holland verboden verklaard en ontbonden. De rechtbank heeft de beschikking wat deze onderdelen betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder heeft de rechtbank de zaken aangehouden in afwachting van de benoeming van een vereffenaar (die moet zorgen voor de vereffening van de in Nederland gelegen goederen van HAMC en het vermogen van HAMC Holland). Bij beschikking van 12 juli 2019 heeft de rechtbank een vereffenaar benoemd.

4 Omvang van het hoger beroep

4.1.

HAM Corporation en de Stichting c.s. hebben ieder afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019. Beide verzoeken zij het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van het OM alsnog af te wijzen. Zij hebben een groot aantal, deels elkaar overlappende, bezwaren (grieven) tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd. Daarmee leggen zij de zaak in volle omvang voor aan het hof.

4.2.

Alleen het verzoek van het OM te bepalen dat een eventueel batig saldo na vereffening toevalt aan de Staat is in deze zaak niet meer aan de orde (de rechtbank heeft dit verzoek niet toegewezen en het OM is daartegen niet opgekomen in hoger beroep).

5 De beoordeling in het hoger beroep

(…)

Plan van behandeling

5.2.

Het hof zal hierna eerst ingaan op de vraag of HAMC en HAMC Holland bestaan en zijn aan te merken als een buitenlandse corporatie respectievelijk een informele vereniging in de zin van de wet. Daarna zal het hof beoordelen of de werkzaamheid van deze organisaties in strijd is met de openbare orde en of een verbod van deze clubs noodzakelijk is. Vervolgens zal het hof ingaan op de positie van HAM Corporation. Daarna komt de reikwijdte van de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland aan de orde. Daarbij gaat het er met name om wat dit betekent voor de charters en hun leden in Nederland. Ten slotte zal het hof beslissen over het verzoek van het OM de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bestaat HAMC en is HAMC een corporatie in de zin van artikel 10:117 BW?

5.3.

Volgens het OM is HAMC een wereldwijde organisatie van de Hells Angels, die voldoet aan de definitie van een corporatie in artikel 10:117 BW . De Stichting c.s. en HAM Corporation betwisten dat: zij betogen dat de Hells Angels charters onafhankelijk van elkaar bestaan en dat geen sprake is van een wereldwijde, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten tredende club. De rechtbank heeft geoordeeld dat HAMC wel als een zelfstandige organisatie naar buiten treedt en dus een corporatie is in de zin van artikel 10:122 BW .

De Stichting c.s. en HAM Corporation keren zich tegen dat oordeel en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Het hof overweegt daarover het volgende.

5.4.

Zoals hiervoor al is vermeld, houdt artikel 10:122 BW in dat het OM de rechtbank kan verzoeken voor recht te verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Volgens artikel 10:117, aanhef en onder a, BW wordt onder ‘corporatie’ verstaan “een vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en samenwerkingsverband”. In het arrest in de Bandidos-zaak heeft de Hoge Raad over dit begrip samengevat het volgende overwogen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het begrip ‘corporatie’ een ruim te interpreteren verzamelbegrip is voor die naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend. Niet is vereist dat sprake is van een rechtspersoon. Evenmin is vereist dat de bevoegdheid bestaat drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten of in rechte op te treden. Voldoende is dat als zelfstandige eenheid naar buiten wordt opgetreden, waarbij het niet behoeft te gaan om economische of bedrijfsmatige zelfstandigheid. Het enige criterium voor het zijn van een ‘corporatie’ is dat de corporatie als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreedt en dat het toepasselijke recht daar bepaalde gevolgen aan verbindt. Het beslissende criterium bestaat dus in het naar buiten als zelfstandige eenheid optreden, dat duidelijk het verschil met een zuiver contractuele samenwerking markeert.

Als het OM een verzoek doet op de voet van artikel 10:122 BW , moet het stellen en zo nodig onderbouwen dat sprake is van een ‘corporatie’ in de zin van art. 10:117 aanhef en onder a BW. Welke eisen in dit verband kunnen worden gesteld aan de stelplicht van het OM en in hoeverre het OM zijn stellingen moet onderbouwen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Met toewijzing van een verzoek op grond van artikel 10:122 BW staat vast dat het doel of de werkzaamheid van de corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Deelname in Nederland aan de werkzaamheden van de corporatie is daarna strafbaar. De verklaring voor recht betekent daarom een ernstige inbreuk op grondrechten (de vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting), waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Daarom moeten hoge eisen worden gesteld aan een verzoek op de voet van art. 10:122 BW en de motivering en onderbouwing daarvan: daaruit moet onder meer blijken dat sprake is van een corporatie zoals bedoeld in artikel 10:122 BW .

5.5.

Het gaat er dus om of HAMC een wereldwijde, als zelfstandige organisatie naar buiten tredende motorclub is. Op grond van de volgende feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat dit inderdaad het geval is.

5.6.

In de eerste plaats staat vast dat er worldrules zijn die gelden voor alle Hells Angels ter wereld. Deze worldrules bestaan uit constitutional rules, admission rules, traditions, internet rules, voting rules en prohibitive rules (zoals in rov. 4.7 van de beschikking van de rechtbank verder beschreven). De regels gaan onder meer over de motorfiets die ieder lid en prospect moet hebben, stemrecht (het principe van one man, one vote), het dragen van patches (herkenningstekens), het beslechten/uitvechten van conflicten, ongewenst gedrag, wie zijn uitgesloten van lidmaatschap van de club, het verbod om tevens lid te zijn van een andere motorclub, de proeftijd van een jaar die geldt voor alle nieuwe leden, het vormen van charters, de procedure die moet worden gevolgd als een lid de club verlaat of wil overgaan naar een ander charter en het verbod om zaken te verkopen of dragen met de naam Hells Angels en/of het death head-logo zonder de vereiste licentie van HAM Corporation.

De worldrules worden ook daadwerkelijk gehandhaafd. Zo zijn er boetes gesteld op diverse overtredingen van de worldrules, die ook daadwerkelijk worden opgelegd. Overtreding van sommige worldrules kan leiden tot tijdelijke of definitieve verwijdering uit de club.

Dat de charters moeten controleren op de naleving van de wereldwijde regels en de boetes innen, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, doet niet af aan het dwingende karakter van de clubregels die op wereldniveau worden bepaald.

5.7.

In de tweede plaats zijn er worldmeetings, wereldwijde bijeenkomsten van de Hells Angels die twee keer per jaar worden gehouden. Alle landen waarin de Hells Angels zijn gevestigd, moeten daarbij zijn vertegenwoordigd. Daarnaast vinden er world runs plaats waarbij gezamenlijke activiteiten worden ondernomen. Waar en wanneer de world runs plaatsvinden en welk onderdeel de activiteiten organiseert, wordt tijdens de worldmeetings besproken. Alle charters zijn verplicht om aan deze evenementen deel te nemen, op straffe van een boete.

5.8.

Op de worldmeetings worden verder clubzaken besproken die voor alle Hells Angels (wereldwijd) van belang zijn. Tijdens de worldmeetings worden ook voorstellen besproken voor de invoering van nieuwe of aanpassing of schrapping van bestaande worldrules. Zoals in de notulen van de worldmeeting in Italië in 2018 is vastgelegd, geldt het volgende besluitvormingsproces voor deze zogenoemde world rule motions: de motion wordt gepresenteerd tijdens een eerste worldmeeting, daarna wordt de motion bediscussieerd tijdens een tweede worldmeeting en ten slotte wordt over de motion gestemd en besloten (voted and tallied) bij een derde worldmeeting. De Stichting c.s. hebben betoogd dat de besluitvorming niet tijdens de worldmeeting plaatsvindt, maar dat alle leden een stem uitbrengen en dat deze stemmen via de charters worden verzameld. Ook als dat zo is, neemt dat niet weg dat de resultaten van de stemming wereldwijd worden vastgesteld. Daarmee wordt bindend vastgesteld dat een world rule motion is aangenomen of niet, wat wordt vastgelegd in de notulen van de worldmeeting. Blijkens notulen van worldmeetings die zich in het dossier bevinden, gaan world rule motions bijvoorbeeld over regels voor het dragen van herkenningstekens van andere landen/charters, de plaats waar bepaalde herkenningstekens op de kleding moeten worden gedragen en welke leden een bepaald onderscheidingsteken mogen dragen (zie voorbeelden in rov. 4.8 van de beschikking van de rechtbank). Deze voorbeelden illustreren dat over zaken die de onderlinge verhoudingen tussen de Hells Angels (charters) en/of het imago van de hele club raken op wereldwijd niveau wordt gesproken en beslist. Het standpunt van de Stichting c.s. dat de worldmeeting slechts een evenement is voor alle Hells Angels ter wereld waarvan verder geen gezag uitgaat, volgt het hof dus niet. Het is onmiskenbaar (ook) een wereldwijde, besluiten nemende vergadering waaraan alle Hells Angels zijn onderworpen. Uit de regelmatige vergaderingen en activiteiten op wereldniveau blijkt voorts dat er wereldwijd wordt samengewerkt door de Hells Angels uit de verschillende werelddelen en landen.

5.9.

Uit de worldrules blijkt tevens van een wereldwijde organisatiestructuur. Zo is in de voting rules bepaald dat motions (to pass a rule of for request or approval) kunnen worden ingediend op drie forums: ‘Regional, National and World’. Uit de gedingstukken blijkt dat er naast worldmeetings bijvoorbeeld ook European meetings zijn waar motions worden ingebracht. Duidelijk is dat, voor zover het gaat om onderwerpen die voor alle Hells Angels van belang zijn, daarover uiteindelijk op wereldniveau moet worden beslist. Uit de voting rules kan dus worden afgeleid dat er een organisatie bestaat op wereldwijd niveau, regionaal niveau (per werelddeel) en nationaal niveau. De notulen van worldmeetings en European meetings die het OM heeft overgelegd, bevestigen dat op deze verschillende niveaus structureel wordt overlegd en over clubzaken wordt beslist. De charters zijn meestal binnen één land georganiseerd (en bevinden zich dan dus onder het nationale niveau) maar kunnen zich ook over meer dan één land uitstrekken. Dat laatste doet niet af aan het beeld van een wereldwijde organisatie die een geografische onderverdeling kent.

5.10.

Uit dit alles blijkt dat er een organisatorisch verband van alle Hells Angels ter wereld bestaat. Dat er geen president of bestuur op mondiaal niveau is en dat er geen internationaal hoofdkantoor bestaat, doet daaraan onder deze omstandigheden niet af. Het hof onderkent daarbij dat de Hells Angels bottom up zijn georganiseerd, wat tot uitdrukking komt in het feit dat besluiten over alle relevante zaken worden genomen op basis van het principe one man, one vote. De charters hebben ook een zekere vorm van zelfstandigheid. Maar dat neemt niet weg dat zij een duidelijk gestructureerd geheel vormen op wereldschaal, waarbij alle Hells Angels lid zijn van één en dezelfde club. Het hof merkt daarbij nog op dat, zoals uit het voorgaande blijkt, op wereldniveau over wezenlijke zaken van de club - over regels die de identiteit van de Hells Angels betreffen en over concrete clubzaken die alle Hells Angels aangaan of die het lokale niveau overstijgen - wordt gesproken en beslist.

5.11.

Verder treedt HAMC onmiskenbaar als zelfstandige organisatie naar buiten toe op. Allereerst blijkt dit uit de unieke uiterlijke kenmerken die alle Hells Angels gebruiken om te tonen dat zij lid van de Hells Angels zijn. Zo ziet de achterkant van de colors (zwarte mouwloze vesten) die elke Hells Angel draagt er in de kern hetzelfde uit: een toprocker met de naam Hells Angels (in rode letters op een wit vlak), het death head-logo met daarnaast de afkorting MC in het midden (in rode letters op een wit vlak) en een bottomrocker met een geografische naam (bijvoorbeeld Holland, in rode letters op een wit vlak). Iedereen die een persoon ziet met deze uiterlijke kenmerken weet dat hij te maken heeft met een lid van de Hells Angels. De Stichting c.s. hebben er weliswaar op gewezen dat ieder charter (in Nederland althans) een eigen death head logo gebruikt. Bij het zien van deze logo’s vallen echter vooral de overeenkomsten op (de typerende afbeelding van een doodshoofd met vleugels), veel meer dan de verschillen (diverse kleuren, varianten in vorm op detailniveau en toevoeging van een afkorting of symbool voor de locatie; zie bijlage 12 bij de brief van mr. Knoops van 31 augustus 2020 en het overzicht in zijn PowerPointpresentatie in hoger beroep). Dat op een siderocker (aan de voor-/zijkant van het vest) de naam van het charter staat, doet ook niet af aan het beeld van één club. Het geheel levert het beeld op dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied, en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel. Van belang is daarbij ook nog dat de charters en leden een licentieovereenkomst moeten sluiten met HAM Corporation om de naam en logo’s van de Hells Angels onder meer voor dit doel te mogen gebruiken. Zoals hiervoor al is vermeld, is dit ook vastgelegd in de worldrules. De charters regelen vervolgens zelf de productie en uitgifte van clubkleding, logo’s en onderscheidingstekens voor hun leden. Dat neemt niet weg dat het gebruiken van de clubkleding (met namen, logo’s en onderscheidingstekens) op deze manier strikt is gereguleerd op wereldniveau. Met dit alles is onmiskenbaar dat de Hells Angels zich presenteren als wereldwijde motorclub.

5.12.

Daarnaast treedt HAMC naar buiten toe op via de website www.hells-angels.com. Deze website bevat informatie over Hells Angels MC World, met op de homepage de kenmerkende toprocker met de naam Hells Angels, het death head-logo en de bottomrocker met de geografische aanduiding World. Deze aanduiding blijft zichtbaar als andere pagina’s op de website worden bezocht. Verder bevat de website informatie over de verschillende geografische verbanden van ‘HAMC World’. De Stichting c.s. hebben weliswaar aangevoerd dat het OM niet heeft aangetoond dat deze website wordt beheerd door een wereldwijde organisatie van de Hells Angels, maar dat is hier niet doorslaggevend. Uit de internet rules (onderdeel van de worldrules) blijkt dat alle leden, prospects en hangarounds van de Hells Angels, waar ook ter wereld, moeten bijdragen in de kosten van de World Web Master. Vaststaat dat die bijdrage ook daadwerkelijk wordt betaald. Het OM heeft de webmaster inmiddels geïdentificeerd, te weten een zekere [betrokkene 1], lid van de Hells Angels. De Stichting c.s. hebben dat niet betwist. Dat de webmaster de content van de website zelf mag bepalen, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, heeft hooguit relatieve betekenis: het neemt in elk geval niet weg dat hij is gebonden aan de wereldwijd vastgestelde clubregels van de Hells Angels. Het is verder moeilijk voorstelbaar dat de Hells Angels deze website ongemoeid zouden laten als zij niet achter de inhoud ervan zouden staan. Dit alleen al vanwege de strenge regels voor het gebruik van hun naam en logo, die strikt worden gehandhaafd. Gelet op deze omstandigheden moet de website wel degelijk worden beschouwd als uiting van HAMC, waarmee zij naar buiten treedt als wereldwijde organisatie van de Hells Angels.

5.13.

Recapitulerend betekent dit (a) dat er wereldwijd wordt samengewerkt tussen de Hells Angels uit alle werelddelen en landen waarin zij zijn gevestigd, (b) dat er een wereldwijde besluiten nemende vergadering bestaat waaraan alle Hells Angels zijn onderworpen, (c) dat de Hells Angels een wereldwijde organisatiestructuur kennen, (d) dat er worldrules zijn met bepalingen over de organisatie, toelating van leden, tradities, stemrecht en gedragsregels waaraan alle Hells Angels ter wereld zijn gebonden, (e) dat de Hells Angels zich met hun clubkleding, logo’s en onderscheidingstekens als wereldwijde motorclub presenteren en (f) dat er een door alle Hells Angels bekostigde, gemeenschappelijke website is waarop HAMC als wereldwijde organisatie van de Hells Angels naar buiten treedt. Op grond van deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat HAMC bestaat en alle kenmerken heeft om haar als corporatie in de zin van artikel 10:117 BW aan te merken. Het gaat niet slechts om een losse verzameling van charters die dezelfde kenmerken hebben omdat zij nu eenmaal dezelfde oorsprong hebben, hetzelfde gedachtengoed aanhangen en dezelfde regels volgen, en die elkaar af en toe ontmoeten om gezamenlijke activiteiten te ondernemen en vrijblijvend te overleggen om tradities in stand te houden. Dat HAMC geen rechtspersoon is doet in dit verband verder niet ter zake. De bezwaren van de Stichting c.s. tegen dit oordeel worden dan ook verworpen.

Bestaat HAMC Holland en is HAMC Holland een informele vereniging?

5.14.

De volgende vraag is of HAMC Holland bestaat en is aan te merken als een informele vereniging, zoals het OM betoogt. De Stichting c.s. betwisten dat. Zij voeren aan dat, als de Hollandse (charters van de) Hells Angels onderling al een verband vormen, in elk geval geen sprake is van een informele vereniging omdat niet aan de vereisten daarvoor is voldaan.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er wel een informele vereniging HAMC Holland is. Dat oordeel bestrijden de Stichting c.s. in dit beroep. Het hof overweegt daarover het volgende.

5.15.

Volgens artikel 2:26 lid 1 BW is de vereniging een rechtspersoon met leden die is gericht op een bepaald doel. Als de statuten van een vereniging zijn opgenomen in een notariële akte is sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, ook wel een formele vereniging genoemd. Als een vereniging niet beschikt over statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, is sprake van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het Bandidos-arrest, volgt uit artikel 2:26 lid 1 BW en de toelichting daarop dat voor het zijn van een informele vereniging is vereist dat er een zelfstandig lichaam is dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel.

Dit veronderstelt enig organisatorisch verband. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat er min of meer vaste regels of gebruiken zijn, dat een of meer leden coördinerende taken vervullen ten behoeve van het zelfstandige lichaam, dat er ledeninspraak is, dat gelden worden ingezameld of contributie wordt geheven, dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van het zelfstandige lichaam of dat er een gemeenschappelijke kas is. Opmerking verdient nog dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bestaan van een informele vereniging niet te zware eisen moeten worden gesteld.

5.16.

Een informele vereniging kan dus vormvrij ontstaan. Nodig is alleen dat aan de hiervoor vermelde inhoudelijke criteria is voldaan, wat uit de omstandigheden van het geval moet blijken. Een specifieke oprichtingshandeling is niet vereist. Op grond van de volgende omstandigheden is het hof van oordeel dat HAMC Holland inderdaad als organisatorisch verband bestaat en voldoet aan de vereisten om haar als informele vereniging aan te merken.

5.17.

Allereerst is van belang dat in de worldrules de wezenlijke clubzaken van de Hells Angels zijn geregeld. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn alle leden van de Hells Angels hieraan gebonden. Uit de worldrules blijkt verder dat de Hells Angels zijn georganiseerd op wereldniveau, regionaal niveau en nationaal niveau. In deze structuur is HAMC Holland het nationale niveau, gevormd door de Hells Angels in Nederland. Op dit niveau zijn er ook onmiskenbaar vaste regels en gebruiken. Zo bestaan er HAMC Holland Richtlijnen (met versies voor members, prospects en hangarounds). Hierin zijn bepalingen opgenomen over allerlei clubzaken, variërend van regels over het toelaten van nieuwe leden (van hangaround tot prospect en van prospect tot member), het gebruik van de motorfiets, het verplicht dragen van colors, de aanwezigheid van leden en charters bij (Holland) meetings, het betalen van contributie aan de charters en de mogelijkheid om vrijstelling hiervan te krijgen, het nemen van beslissingen over eervol of oneervol ontslag (good or bad standing, met bijbehorende consequenties), sancties bij ongewenst gedrag, het overstappen naar een ander charter en het vormen van nieuwe charters in Nederland, tot stemregels. Op overtreding van diverse bepalingen zijn sancties gesteld (zoals inname van colors, uitstoting en boetes). Het standpunt van de Stichting c.s. dat het hierbij slechts gaat om richtlijnen en niet om bindende regels, volgt het hof niet. Sommige bepalingen hebben inderdaad meer het karakter van aanwijzingen of een gedragscode (zoals de bepalingen dat men bij het defect gaan van de motorfiets moet zorgen dat deze binnen een maand gerepareerd of in een vergevorderd stadium van reparatie is, dat men de motorfiets in goede staat van onderhoud moet houden, dat men de motorfiets klaar moet hebben en bij het begin van het seizoen - februari/maart - moet rijden), maar de meeste bepalingen zijn wel degelijk dwingend van aard, mede gelet op de sancties die zijn gesteld op het niet naleven ervan (zoals verplicht afmelden voor een meeting op straffe van een boete, zie rov. 5.19.). Dat de regels op charterniveau worden gehandhaafd, doet ook niet af aan het dwingende karakter van de regels die landelijk zijn vastgesteld. Zoals uit de HAMC Holland Richtlijnen verder blijkt, zijn er Holland meetings waarop over zaken op nationaal clubniveau wordt overlegd en beslist. Dat er gestemd wordt volgens het principe one man, one vote en de stemmen per charter worden verzameld, neemt ook niet weg dat er op deze manier wel besluiten worden genomen op landelijk niveau waaraan de Hells Angels in Nederland vervolgens zijn gebonden. Deze Holland meetings vinden ook daadwerkelijk regelmatig plaats, naast andere landelijke activiteiten.

5.18.

Van een president of bestuur op nationaal niveau is geen sprake. Wel zijn er leden die coördinerende taken vervullen ten behoeve van de Hells Angels in Nederland. Zo is er een national secretary, die ledenlijsten beheert van de Nederlandse charters, informatie onder de charters verspreidt, als contactpunt fungeert voor communicatie met buitenlandse charters en bij stemmingen op nationaal, Europees en mondiaal niveau de stemmen verzamelt die de Nederlandse leden hebben uitgebracht. Ook is er een national treasurer, die ervoor zorgt dat de charter-overstijgende kosten (zoals kosten voor world- en euroruns, cadeaus, rouwkransen en -advertenties, begrafenissen in het buitenland en advocaatkosten) worden betaald en omgeslagen over de Nederlandse leden. Daarvoor houdt hij ook een administratie bij. De jaarlijkse licentievergoeding voor HAM Corporation en de bijdrage voor de world web master worden geïnd via de charters en verzameld door de national secretary of treasurer.

5.19.

In de HAMC Holland Richtlijnen is opgenomen dat, als een member niet naar de meeting kan komen, hij zich moet afmelden op straffe van een boete. Daaruit volgt dat de leden in beginsel worden geacht aanwezig te zijn, en in elk geval ook aanwezig mogen zijn bij de Holland meetings. Bij stemmingen geldt, net als op wereldniveau, het beginsel van one man one vote. Ieder lid heeft dus een stem in de besluitvorming, ook op nationaal niveau. De HAMC Holland Richtlijnen bepalen daarbij dat voor besluiten een 2/3 meerderheid is vereist, behalve bij besluiten over toelating van nieuwe leden en prospect MC’s waarbij unanimiteit is vereist. Ledeninspraak is dus nadrukkelijk aanwezig, ook op nationaal niveau.

5.20.

Zoals in de HAMC Holland Richtlijnen is bepaald, betalen de leden maandelijks contributie aan hun charter. Van de geldelijke bijdragen die de leden betalen aan de charters, wordt een deel betaald ten behoeve van HAMC Holland en gebruikt voor betalingen voor charter-overstijgende aangelegenheden (zie rov. 5.18). Voor dat doel worden ook gelden ingezameld via de charters. Indirect ontvangt HAMC Holland dus wel clubbijdragen van de Nederlandse HA-leden.

5.21.

Niet is gebleken dat een bankrekening wordt aangehouden op naam van HAMC Holland. Wel worden gelden ingezameld van de Nederlandse Hells Angels voor het betalen van de charter-overstijgende kosten (zie ook wat dit betreft rov. 5.18). De Stichting c.s. hebben niet betwist dat dit verloopt via bankrekeningen die zijn gelieerd aan het charter waarvan de national treasurer lid is (charter North Coast) en contante betalingen. In die zin is wel sprake van een clubkas met gelden van HAMC Holland.

5.22.

Verder is van belang dat de Nederlandse Hells Angels zich naar buiten toe als eenheid presenteren onder de naam Hells Angels MC Holland. Dat blijkt allereerst uit de uiterlijke kenmerken waarmee de Nederlandse leden zich in het openbaar vertonen. Zo staat op de achterkant van de colors die zij dragen in het groot ‘Hells Angels’ op de toprocker, ‘Holland’ op de bottomrocker en het death head logo met ‘MC’ daartussenin. De uitleg van de Stichting c.s. dat het in de biker scene gebruikelijk is dat onder het logo een landnaam wordt vermeld, zodat bij evenementen duidelijk is waar iedereen vandaan komt, neemt niet weg dat de Nederlandse leden zich op deze manier voor een ieder herkenbaar als eenheid presenteren. Het feit dat op een siderocker de naam van het charter staat waartoe het lid behoort, doet ook niet af aan het beeld dat het gaat om een lid van de Hells Angels, onderdeel Holland. De kleine verschillen tussen de charterlogo’s doen dat evenmin. De logo’s hebben alle dezelfde wezenlijke kenmerken, waardoor zij direct herkenbaar zijn als het symbool van de Hells Angels. Dat de clubkleding met deze varianten moet worden gezien als uiting van één organisatie, wordt ondersteund door het feit dat het gebruik ervan strikt is gereguleerd op het hoogste niveau (zie rov. 5.11).

5.23.

Daarnaast wordt op websites van de Hells Angels gerefereerd aan HAMC Holland. Zo bevat de website www.hells-angels.com (van HAMC, zie rov. 5.12) een link naar het Nederlandse gedeelte van de club. Op de desbetreffende pagina staat informatie over de charters in Nederland, met daarnaast een afbeelding met het opschrift ‘Hells Angels’, het death head logo met ‘MC’ en het onderschrift ‘Holland - Est. 1978’. Daarnaast bestaat de website www.hellsangels.nl. Daarop is een kaart van Nederland afgebeeld met daarin het death head logo, waarop de Nederlandse charters zijn aangegeven. Bovenaan de pagina staat ‘Welcome to Holland’. Deze website bevat weer een link naar de website van HAMC en bevat ook links naar websites van Nederlandse charters. De Stichting c.s. hebben aangevoerd dat niet is aangetoond dat deze website wordt beheerd door HAMC Holland. Zij wijzen er daarbij op dat tegenwoordig iedereen vrij eenvoudig een website kan maken en online kan zetten en dat dit ook kan zonder toestemming van degene op wie de website betrekking heeft. Die betwisting volstaat hier echter niet. Het is immers onwaarschijnlijk dat zo maar een derde een website met de bedoelde informatie over de Hells Angels in Nederland opzet. Daarbij zou het voor de hand hebben gelegen dat tegen deze website was opgetreden als deze niet de instemming van de Hells Angels had gehad, zeker nu de beschermde naam en het logo van de Hells Angels erop worden gebruikt. Dat dit niet is gebeurd, wijst erop dat de website de goedkeuring heeft van de Hells Angels in Nederland. Het OM heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog vermeld dat de website inmiddels niet meer is te raadplegen en dat de homepage zwart is gemaakt. Dat doet niet af aan de conclusie dat HAMC Holland tot voor kort op deze wijze naar buiten toe als eenheid werd gepresenteerd.

5.24.

Voorts blijkt uit het dossier dat er betalingen en donaties worden gedaan uit naam van HAMC Holland en ook dat er wordt gefactureerd aan HAMC Holland. Dat dit een praktische achtergrond heeft, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, mag zo zijn, maar wil niet zeggen dat deze omstandigheid geen betekenis heeft, zeker nu het gaat om een structurele praktijk.

5.25.

Ten slotte bevestigen recente voorbeelden uit het dossier dat HAMC Holland als organisatorisch verband bestaat en voor de Nederlandse leden ook daadwerkelijk betekenis heeft. In een afgeluisterd telefoongesprek van 11 oktober 2017 spreken de president van charter Northcoast en de treasurer (die tevens national treasurer is) over een rouwadvertentie van ‘Holland’. In een telefoongesprek van 29 december 2017 spreekt een lid van charter Rotterdam met de sergeant at arms van charter Northcoast over de uitvaart van de dochter van een lid van Satudarah met wie hij bevriend is. Uit het gesprek blijkt dat hij toestemming nodig heeft van ‘Holland’ om deze uitvaart bij te wonen. Bij gesprekken in het clubhuis van charter Northcoast op 15 juni 2018 gaat het over de strategie die de charter moet volgen in verband met het verzoek van het OM tot verbodenverklaring van de Hells Angels in Nederland. Besproken wordt dat aan ‘Holland’ moet worden gevraagd of Holland het goed vindt dat charter Northcoast een second opinion vraagt aan de eigen advocaat (zie bijlage 28 onder 2.1.5, 2.1.6 en 2.1.8). Uit het tweede en derde voorbeeld blijkt ook dat het niet slechts om vrijblijvende afstemming gaat.

5.26.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof dat HAMC Holland een zelfstandige organisatie vormt van alle Hells Angels in Nederland, die ook als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer. Daarbij zijn de Nederlandse Hells Angels mede te beschouwen als lid van HAMC Holland. Het feit dat zij allen (kunnen) deelnemen aan de Holland meetings en activiteiten en een stem hebben bij besluiten op landelijk niveau, is daarvoor een belangrijke aanwijzing. Het lijdt verder geen twijfel dat HAMC Holland is gericht op een bepaald doel, namelijk het bevorderen van de activiteiten en de samenwerking van de Hells Angels in Nederland. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat HAMC Holland een informele vereniging is. De bezwaren van de Stichting c.s. tegen dit oordeel worden dus verworpen.

Is de werkzaamheid van HAMC en/of HAMC Holland in strijd met de openbare orde?

5.27.

De vraag is dan of de werkzaamheid van HAMC (Holland) in strijd is met de openbare orde, zoals het OM betoogt. De Stichting c.s. hebben dat betwist. In de kern gaat het daarbij om de vraag in hoeverre gedragingen van (individuele) Hells Angels kunnen worden toegerekend aan HAMC (Holland) en of op basis van het door het OM aangeleverde dossier kan worden vastgesteld dat sprake is van zodanige gedragingen van de Hells Angels dat de openbare orde in Nederland daardoor wordt bedreigd. De rechtbank heeft samengevat overwogen dat de geweldscultuur van HAMC een bijzondere omstandigheid is die maakt dat het plegen van geweld door Hells Angels in veel gevallen moet worden toegerekend aan HAMC, ook al heeft HAMC daaraan geen leiding gegeven of daarvoor doelbewust gelegenheid gegeven. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het geweld vaak zo ernstig is en zorgt voor zoveel onrust in de samenleving dat inderdaad sprake is van een werkzaamheid in strijd met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 BW . Dat oordeel bestrijden de Stichting c.s. uitvoerig in hoger beroep.

5.28.

Bij de beoordeling hiervan stelt het hof het volgende voorop, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp.

5.29.

Bij de beantwoording van de vraag of de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde geldt als uitgangspunt dat de in artikel 8 van de Grondwet en artikel 11 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vergadering een grondbeginsel is van de democratische rechtsstaat. Het verbieden van een rechtspersoon betekent een ernstige inbreuk op dit grondrecht, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Voor een verbodenverklaring moet het dan ook gaan om meer dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. De verbodenverklaring moet worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving (kunnen) ontwrichten. Dit dwingt tot een terughoudende toepassing van de in artikel 2:20 BW neergelegde mogelijkheid tot het verbieden en ontbinden van rechtspersonen. Deze noodzaak tot terughoudendheid verzet zich tegen een ruime uitleg, die zou meebrengen dat aan een rechtspersoon gedragingen van derden als eigen 'werkzaamheid' worden toegerekend, alleen doordat de rechtspersoon daarvan of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden geen of onvoldoende afstand heeft genomen. Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, zoals members of binnen- of buitenlandse zusterorganisaties, zelf niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen 'werkzaamheid' worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven.

5.30.

Artikel 2:20 BW moet verder worden uitgelegd in het licht van de artikelen 7 en 8 Grondwet en 10 en 11 EVRM, die de fundamentele vrijheden van meningsuiting en van vereniging waarborgen. Die vrijheden zijn niet absoluut. De vrijheid van meningsuiting geldt volgens artikel 7 lid 1 van de Grondwet ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Volgens artikel 10 lid 2 EVRM kan de uitoefening daarvan worden onderworpen aan bepaalde beperkingen (i) die bij de wet zijn voorzien en (ii) die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn (iii) in het belang van limitatief omschreven gronden, waaronder de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. De uitoefening van de vrijheid van vereniging kan volgens artikel 8 Grondwet bij wet worden beperkt in het belang van de openbare orde, en volgens artikel 11 lid 2 EVRM onder dezelfde voorwaarden als gelden voor de vrijheid van meningsuiting. Daarbij wordt met openbare orde in artikel 2:20 BW hetzelfde bedoeld als met de goede zeden in artikel 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM . Gelet op de grote betekenis van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging in een democratische samenleving moet de rechter terughoudendheid betrachten bij de beantwoording van de vraag of dergelijke beperkingen noodzakelijk zijn. Aan de hiervoor onder (i) vermelde voorwaarde is voldaan in het geval van het verbod en de ontbinding van een vereniging op de voet van artikel 2:20 BW, omdat de uitoefening van voormelde vrijheden wordt beperkt op grond van een uitdrukkelijke wetsbepaling die met voldoende precisie is geformuleerd, en voldoende basis biedt om willekeur te voorkomen. Bij de beoordeling of aan de hiervoor onder (ii) gestelde voorwaarde is voldaan, dient de rechter blijkens vaste rechtspraak van het EHRM na te gaan of de beperking van de onderhavige fundamentele vrijheid haar grond vindt in een pressing social need, of de inbreuk proportioneel is aan het daarmee nagestreefde wettige doel, en of de gehanteerde gronden ter zake dienend en toereikend zijn. In zijn beoordeling of aan deze eis is voldaan, moet de rechter onder meer de aard van de werkzaamheid van de vereniging betrekken, en ook de kennelijke bedoeling bij en de gevolgen van de desbetreffende uitingen en gedragingen. In dit verband is niet noodzakelijk dat de vereniging al daadwerkelijk een gevaar vormt voor de openbare orde.

5.31.

Het OM heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de bijlagen bij het verzoekschrift en diverse updates, waarin talloze voorbeelden uit binnen- en buitenland worden gegeven van geweld en andere vormen van criminaliteit gepleegd door de Hells Angels. Het OM heeft daarbij aangevoerd dat sprake is van een afgedwongen zwijgplicht voor leden, intimidatie en geweld richting getuigen, overheidspersoneel en anderen ter voorkoming van effectief optreden tegen HAMC, verdere afscherming van de club, structurele criminaliteit gepleegd door (bestuurs-) leden en gefaciliteerd en gestimuleerd door de club, structureel geweld vanuit de club, het ontzeggen van de vrijheid van vereniging en vrijheid van persoonlijke levenssfeer aan buitenstaanders, een uittredingsbeleid waarbij leden niet vrij zijn de club (zonder consequenties) te verlaten en misleiding van buitenstaanders over de werkzaamheid van de club. Volgens het OM blijkt uit het geheel dat de gedragingen te plaatsen zijn in en voortkomen uit de subcultuur van wetteloosheid die wordt gecultiveerd vanuit de traditie van de zogenaamde 1%-MC’s. Volgens het OM blijkt hieruit dat de werkzaamheid van HAMC, waaronder ook de werkzaamheid van HAMC Holland moet worden verstaan, in strijd is met de openbare orde.

5.32.

De Stichting c.s. hebben dit uitvoerig betwist. Zij voeren in de eerste plaats aan dat de cijfers die de grondslag vormen van de integrale aanpak van OMG’s (Outlaw Motorcycle Gangs), waar deze zaak uit voortkomt, sterk moeten worden gerelativeerd. In de tweede plaats betogen zij dat de overheid doelbewust bezig is om het maatschappelijke beeld van de Hells Angels te veranderen van een motorclub naar een criminele organisatie. Het beeld van de Hells Angels als bende of gang omdat relatief veel leden betrokken zouden zijn bij (ernstige) strafbare feiten, is volgens hen onzorgvuldig en niet onderbouwd. In de derde plaats voeren zij aan dat ten onrechte al het geweld wordt toegerekend aan alle rechtspersonen die op de verschillende niveaus bij de Hells Angels zouden bestaan. In de vierde plaats uiten zij kritiek op het door het OM aangevoerde bewijsmateriaal: volgens hen is sprake van een structurele onevenwichtigheid tussen de belanghebbenden en het OM, is de kwaliteit en betrouwbaarheid van de door het OM gebruikte bronnen onvoldoende en is niet voldaan aan de uit artikel 21 Rv voortvloeiende eis van volledigheid en waarheidsgetrouwheid. Met dat laatste doelen zij erop dat veel in de bijlagen genoemde buitenlandse rechtspraak niet te traceren is en dat veel andere bronnen bestaan uit persberichten en informatie uit politiesystemen die voor hen niet is te verifiëren. Verder voeren zij aan dat de politieonderzoeken maar zeer beperkt resultaat hebben opgeleverd, dat er ook maar een beperkt aantal rechterlijke uitspraken tegen de Hells Angels in Nederland is gedaan (voor zover zij konden nagaan 9 strafrechtelijke veroordelingen, die deels nog niet onherroepelijk zijn, en één bestuurszaak over intrekking van een vergunning in de afgelopen 21 jaar) en dat het aantal buitenlandse incidenten dat in de bijlagen is genoemd niets zegt, omdat het gaat om in totaal 719 incidenten in de afgelopen 60 jaar, in 34 van 63 landen waarin de Hells Angels actief zijn, waarbij meer dan de helft van de bronnen daarover niet toegankelijk is voor hen. Ook bestrijden zij de stellingen van het OM over het bestaan van een geweldscultuur.

5.33.

Het hof gaat niet in op de algemene kritiek van de Stichting c.s. op het OMG-beleid en op de rapportages die in dat kader zijn uitgebracht. Het debat over de achtergrond en ontwikkeling in de betekenis van de begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’ laat het hof ook onbesproken. Het hof stelt alleen vast dat motorclubs met deze aanduiding zich nadrukkelijk plaatsen buiten de maatschappelijke orde en zich presenteren als clubs met eigen regels, waarbij vrijgevochtenheid, eergevoel en broederschap (onderling respect binnen de club, hulp en steun met alle middelen tegen buitenstaanders) centraal staan. Dat is waar de begrippen ‘outlaw’ en ‘1%’ (tegenover 99% brave burgers) tegenwoordig in elk geval voor staan. En dat is ook waarmee deze motorclubs, ook de Hells Angels, zich identificeren.

5.34.

Voor het hof is bepalend of op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat sprake is van zodanig ernstige en structurele, aan HAMC en HAMC Holland toe te rekenen gedragingen, dat deze een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. De bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die tot deze conclusie kunnen leiden, rust op het OM. Dat volgt uit de regels van het bewijsrecht, die op grond van artikel 284 Rv van overeenkomstige toepassing zijn in deze verzoekschriftprocedure (in dit geval: artikel 150 Rv). Op grond van artikel 152 Rv mag het OM zich daarbij in beginsel op alle bewijsmiddelen beroepen. Voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, moet het hof die feiten op grond van artikel 149 Rv als vaststaand aannemen.

Naar het oordeel van het hof zijn er voldoende feiten en omstandigheden komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde. Het hof acht verder aannemelijk gemaakt dat een verbod van deze organisaties in Nederland om die reden noodzakelijk is. Het hof licht dat hierna toe.

5.35.

Het hof kent weinig betekenis toe aan de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn. Wel van betekenis zijn de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt. De Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - moeten in staat worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, rijst uit deze bronnen het beeld op van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld.

5.36.

Het hof gaat eerst in op de bedoelde cultuur. Onbetwist is dat leden van de Hells Angels het ‘1%’ teken op hun colors dragen en ook dat dit in tatoeages en op websites en social-media uitingen van de Hells Angels wordt gebruikt (ook het ‘1%-teken in combinatie met het death head logo en ‘HAMC’). De Stichting c.s. voeren weliswaar aan dat er geen bewijsmiddel is waaruit blijkt dat dit ‘veel’ gebeurt, maar een gemotiveerde betwisting dat dit het geval is, is dat nog niet. Ontegenzeggelijk wordt hiermee uitgedragen dat men behoort tot een club die zich niet conformeert aan de burgermaatschappij en zijn eigen regels volgt. Er zijn geen aanwijzingen dat de club zich daarvan werkelijk heeft gedistantieerd.

5.37.

Verder vormen de Hells Angels een sterk gesloten club die overheidsgezag zoveel mogelijk buiten de deur houdt. Dat blijkt al direct uit de worldrule over wie zijn uitgesloten van het lidmaatschap: ‘No undesirables in the club. For example: No snitches, junkies, cops or ex-cops, etc. Membership shall be limited to men who are not and have never chosen to belong to, or worked with any law enforcement agency nor authority which has the power of arrest or incarceration.’ Hieruit spreekt duidelijk wie vooral geen lid mogen zijn van de club: verraders, agenten en ex-agenten en personen die werken of hebben gewerkt voor andere handhavingsinstanties of die daarmee samenwerken. Daarbij is duidelijk dat deze regel geldt voor alle leden, en niet alleen bij de toelating van een nieuw lid. Waar de club wordt gevormd door de leden, is dat een belangrijk uitgangspunt. Het behoort onmiskenbaar tot het geheel van normen, waarden, tradities en regels - en dus tot de cultuur - van de club. Het dossier bevat verder veel voorbeelden van verzet en geweld van Hells Angels tegen de politie, of dreiging daarmee (bijlage 10 onder 2.1, bijlage 26 onder 10.2.6 en 10.2.7, en bijlage 32 onder 10.2.1). Wat daarin is vermeld, is door de Stichting c.s. niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Daaruit blijkt ook in de praktijk van een structureel vijandige houding van de Hells Angels tegenover de politie.

5.38.

De geslotenheid van de club wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag. De Stichting c.s. betwisten dat weliswaar, maar er zijn voldoende voorbeelden in het dossier waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5, bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. Slogans zoals ‘Omerta’ (wandschildering in het clubhuis van de Hells Angels in Haarlem), ‘Be careful of what you say on this phone’, ‘What you hear in this room stays in this room’, ‘Silence is golden, duct tape is silver’, ‘Three can keep a secret if two are dead’ en ‘We don’t call 911’ (stickers verkrijgbaar via diverse buitenlandse websites van de Hells Angels) illustreren dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht. De zwijgplicht die geldt voor de Hells Angels kan niet worden gelijkgesteld met het zwijgrecht dat verdachten hebben in een strafproces. Zoals de naam al zegt, is dat een recht en geen plicht; een ieder moet de vrijheid hebben om er wel of geen gebruik van te maken. Dat er voorbeelden zijn waarbij leden van een charter wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces, doet aan het voorgaande ook niet af. Het gaat daarbij om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist. Er zijn meerdere voorbeelden waaruit valt af te leiden dat geen verklaringen worden afgelegd omdat dit tot ernstige repercussies kan leiden (zie bijvoorbeeld bijlage 4, onder 4.2.7, bijlage 26 onder 2.1.1). Verder blijkt uit diverse bronnen de toepassing van bad standing beleid dat gepaard gaat met geweld (zie bijvoorbeeld bijlage 26 onder 8.2.1, bijlage 28 onder 3.2.3 en 7.2.1 en bijlage 32 onder 4.2.1).

5.39.

Zoals hiervoor is besproken, staan de Hells Angels niet onder een centraal bestuur. Wel zijn zij onderworpen aan de regels die centraal zijn vastgesteld en de besluiten die op bovenlokaal niveau worden genomen. De charters kennen verder wel een hiërarchische structuur, met vaste rangen en functies en bijbehorende onderscheidingstekens. Er zijn niet alleen bestuursfuncties, er is ook de militair aandoende functie van sergeant at arms. Volgens de clubregels is deze verantwoordelijk voor de discipline in de charter; hij moet zorgen dat clubregels worden nageleefd en opdrachten van de president worden uitgevoerd. Verder bestaat er een vorm van hiërarchie tussen Hells Angels charters en supportclubs en tussen leden (full members) en kandidaat-leden (prospects en hangarounds). In deze opzichten is wel sprake van een duidelijke hiërarchie bij de Hells Angels en hun aanhangers, die gehoorzaamheid afdwingt in de onderlinge verhoudingen.

5.40.

Met het logo (een doodshoofd met vleugels) en vaste motto’s (zoals AFFA (‘Angels Forever, Forever Angels’), FTW (‘Fuck the World’) en ACAB (‘All Cops Are Bastards’)) dragen de Hells Angels verder een sterke interne loyaliteit, geldingsdrang, een vijandige houding naar de buitenwereld en een affiniteit met geweld uit. In veel aan de Hells Angels gerelateerde merchandise wordt geweld ook verheerlijkt. Dit soort uitingen is op zichzelf geen reden voor een verbod. Maar zij zijn wel kenmerkend voor de cultuur van de Hells Angels waaruit de feitelijke gedragingen voortkomen die aanleiding geven voor het verbod.

5.41.

Daar komt bij dat er gebruiken zijn die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels. Zo zijn er defence funds en jail funds en worden er wereldwijd BHC (Big House Crew)-lijsten bijgehouden van leden die vastzitten. Daarbij worden andere leden via nieuwsbrieven opgeroepen hen moreel en financieel te steunen. Typerend is een worldmotion uit 2010, die bij de national secretary van HAMC Holland is aangetroffen, met deze inhoud: ‘Brothers in jail shall be treated with respect and we shall do everything we can to make the inmates situation as good as it can be. Remember brothers, it can be you sitting there tomorrow.’ Een fonds voor juridische bijstand van lotgenoten en financiële steun voor gedetineerden hoeft op zichzelf geen vragen op te roepen, maar wat hier opvalt is dat strafvervolging en detentie worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Een uitleg waarom dat zo is ontbreekt, anders dan dat de Hells Angels kennelijk activiteiten die serieuze strafrechtelijke consequenties kunnen hebben erbij vinden horen.

Dat in Nederland geen fonds voor juridische bijstand bestaat en dat het hoogst uitzonderlijk is dat alle Hells Angels charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, doet aan het voorgaande niet af.

5.42.

De Stichting c.s. hebben er in dit verband nog op gewezen dat drie leden van de Haarlemse Hells Angels charter zijn geroyeerd, voordat het onderhavige verzoekschrift is ingediend, en dat zij ook niet financieel zijn ondersteund tijdens hun vervolging/detentie. Het OM heeft echter aangevoerd dat deze leden al lange tijd strafbare feiten pleegden voordat de royering plaatsvond en dat HAMC (Holland) daar niets tegen heeft gedaan. Ook is aangevoerd dat deze leden op een BHC-lijst hebben gestaan en dat zij zijn geroyeerd omdat zij hun maatschap misbruikten en niet omdat het plegen van strafbare feiten werd afgekeurd. Zoals het OM heeft vermeld, ging het bij één van hen om bezit van onder meer een raketwerper, zware mishandeling met voorbedachten rade, mishandeling, afpersing, brandstichting en bedreiging. De Stichting c.s. zijn daarop verder niet ingegaan. In het licht daarvan doet het uiteindelijke royement van deze drie leden geen afbreuk aan het beeld dat het plegen van dit soort feiten wordt geaccepteerd (zolang het niet schadelijk is voor de club zelf).

5.43.

Van belang is verder dat er eretekens zijn waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt. Dit betreft in de eerste plaats de Filthy Few-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels die een moord (of zwaar geweld) hebben gepleegd voor de club. Dit volgt uit diverse verklaringen van (voormalige) Hells Angels en een rechterlijke uitspraak, zoals vermeld in rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank. Het standpunt van de Stichting c.s. dat er vraagtekens zijn te plaatsen bij de betrouwbaarheid van deze verklaringen, gezien de beweerdelijke zwijgplicht die binnen HAMC zou bestaan, kan het hof niet volgen. Dat er een zwijgplicht bestaat, wil immers niet zeggen dat leden die deze plicht doorbreken wellicht niet de waarheid spreken. Dat deze voorbeelden dateren uit 2003-2013 en betrekking hebben op het buitenland, neemt de betekenis ervan voor deze zaak ook niet weg. De affidavit van mr. Caplan (raadsman van de Hells Angels in de Verenigde Staten) en de beschrijving van [betrokkene 2] (voormalig president van Hells Angels charter Minneapolis), waarop de Stichting c.s. zich beroepen, vindt het hof onvoldoende om aan de genoemde betekenis van deze patch te twijfelen.

Mr. Caplan verklaart dat met filthy few ‘the hardest partyers’ worden bedoeld (degenen die bij een evenement het eerst aankomen en het laatst weggaan), wat zou teruggaan op een evenement in 1966 waarbij dit voor het eerst is gebruikt. Wat er van de gestelde oorsprong ook zij, dit doet niet af aan de verklaringen over de betekenis die de patch met deze naam volgens meerdere (voormalige) Hells Angels heeft gekregen. [betrokkene 2] schrijft in zijn boek (met de veelzeggende naam ‘Breaking the code’): ‘I saw a ton of Filthy Few patches. It seemed as if everyone was wearing one. Same with Outlaws and their lightening bolts. And I would wonder where the bodies were. It just didn’t add up. It turns out the patches are mostly flash. A lot of the guys get theirs just by asking for them.’ Uit het citaat blijkt dat volgens de schrijver de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord. Alleen zegt hij erbij dat dit bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is. Zijn conclusie is dat de patches voornamelijk voor de show zijn. De stelling van de Stichting c.s. dat de patch vrijelijk verkrijgbaar is via internet en wordt uitgedeeld bij allerlei evenement, duidt daar ook op. Maar ook als dat zo is, neemt dat niet weg dat een teken dat staat voor het plegen van moord wordt gebruikt als statussymbool. En het neemt ook niet weg dat dit ereteken in sommige gevallen wel reële betekenis heeft.

5.44.

In de tweede plaats gaat het om de Dequiallo-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten (op de gronden als vermeld in rov. 4.38 van de beschikking van de rechtbank). Voor dat oordeel is redengevend dat er diverse voorbeelden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen, en dat uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee leden van de Haarlemse Hells Angels-charter duidelijk deze betekenis naar voren komt (‘Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weet je hé?). De opmerking van de Stichting c.s. dat deze leden de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, wat hun een royering heeft opgeleverd, is onvoldoende om de betekenis aan het gesprek te ontnemen. Daar komt bij dat de Stichting c.s. de door hen verdedigde uitleg - dat deze patch symbool zou staan voor het overkomen en overwinnen van tegenslag in het leven - ook in hoger beroep op geen enkele manier hebben onderbouwd.

5.45.

In de derde plaats bestaat de Death head Purple Heart Pin en -oorkonde. Deze wordt door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. Op de oorkonde staat: ‘Any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood, in the Defence and Honor of the Hells Angels Motorcycle Club, and shall forever be revered by his fellow members’. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om Hells Angels die slachtoffer zijn geworden van geweld tegen de club, zoals de verklaring van mr. Caplan inhoudt, maar kan volgens de tekst ook zeer wel betrekking hebben op leden die actief zijn opgetreden ter bescherming van (de eer van) de club en daarbij gewond zijn geraakt. De strekking is in elk geval dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd. Geweld staat ook hierbij centraal.

5.46.

Vervolgens is van groot belang de verhouding van de Hells Angels met andere motorclubs. Feit is dat er sterke vijandigheden bestaan met sommige rivaliserende motorclubs, die regelmatig leiden tot gewelddadigheden. Of dit komt omdat de Hells Angels zich profileren als eerste, grootste en machtigste 1%-motorclub waar andere clubs naar moeten luisteren, wat andere motorclubs niet accepteren - zoals de rechtbank heeft aangenomen, maar wat de Stichting c.s. bestrijden -, is daarbij niet cruciaal. Waar het om gaat is dat de Hells Angels niet tolereren dat (leden van) andere motorclubs zich in hun territorium begeven, wat blijkt uit vele voorbeelden in het dossier. Gebeurt dat wel, dan ontstaat er een conflict. En ook om andere redenen kunnen er vechtpartijen tussen deze clubs ontstaan, zoals de Stichting c.s. zelf opmerken. Hoe dan ook gaat dit gepaard met ernstig geweld, soms met dodelijke afloop.

5.47.

In rov. 4.40 van de beschikking van de rechtbank zijn vijf voorbeelden daarvan genoemd, te weten:

a. een zware mishandeling in 2013 in Denemarken van een 16-jarige jongen die zich tegenover een clubhuis van de Hells Angels bevond en die werd aangezien voor een lid van Bandidos MC;

b. het in brand steken van een café in Kerkrade dat regelmatig werd bezocht door leden van de Bandidos in 2015 door een lid van een supportclub van de Hells Angels; de uitbater en zijn gezin konden ternauwernood van de dood worden gered;

c. een massale vecht- en schietpartij op 7 april 2016 in een Van der Valk-hotel in Rotterdam tussen Hells Angels en leden van Mongols MC, te midden van hotelgasten en personeel;

d. een gewelddadige confrontatie op 25 juni 2016 op een drukke straat in Leipzig, Duitsland, tussen Hells Angels in colors en leden van United Tribunes in colors, waarbij een Hells Angel een lid van United Tribunes doodschoot;

e. een massale vechtpartij op 20 augustus 2017 op straat bij een café in Ottawa, Canada, tussen Hells Angels in colors en leden van Outlaws MC in colors, waarbij de leden van beide clubs vuurwapens, messen en boksbeugels bij zich hadden.

Over de incidenten op 7 april 2016, 25 juni 2016 hebben de Stichting c.s. aangevoerd dat deze niet in verband staan met ‘de houding van HAMC ten opzichte van andere motorclubs’ of met langdurige oorlogen. Het ontgaat het hof echter wat de relevantie daarvan is. Niet ter discussie staat dat het telkens ging om gewelddadige confrontaties tussen de Hells Angels en leden van andere motorclubs, voor de ogen van het publiek. Over het incident op 7 april 2016 hebben de Stichting c.s. nog aangevoerd dat de aanwezige Hells Angels niet in colors waren en dat deze personen door de rechtbank zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld. Zij hebben echter niet (gemotiveerd) betwist wat het OM daarover heeft gesteld, kort gezegd dat het ging om een afspraak op neutraal terrein tussen leden van beide clubs waarbij de Hells Angels met een vooropgezet plan geweld hebben gebruikt. De Stichting c.s. hebben ook niet betwist dat drie leden van de Hells Angels in verband met dit incident zijn veroordeeld wegens openlijke geweldpleging. Al met al illustreren deze incidenten dat de rivaliteit tussen de Hells Angels en andere motorclubs leidt tot ernstige incidenten, met massaal geweld dat ook plaatsvindt te midden van het publiek.

5.48.

Het dossier bevat verder diverse voorbeelden van gevallen waarin ex-leden, slachtoffers en getuigen geen verklaring durven af te leggen over incidenten waarbij de Hells Angels zijn betrokken. Ook zijn er voorbeelden waaruit blijkt dat de Hells Angels daadwerkelijk intimideren met het doel te voorkomen dat er aangifte wordt gedaan of verklaringen worden afgelegd (zie bijvoorbeeld bijlage 10 en bijlage 26 onder 11.2.1). Het gaat hierbij dus om beduidend meer dan het voorbeeld dat in rov. 4.35 van het vonnis van de rechtbank is genoemd. Op grond daarvan is de conclusie gerechtvaardigd dat door de intimiderende uitstraling en intimiderend optreden van de Hells Angels justitieel optreden wordt bemoeilijkt, zo niet onmogelijk wordt gemaakt.

5.49.

Aan de hiervoor genoemde voorbeelden kan op basis van de stukken nog het volgende worden toegevoegd over ernstige incidenten met de Hells Angels in buurland Duitsland en in Nederland. Bijlage 26 vermeldt onder 8.1.12 de veroordeling van acht Hells Angels van charter Berlijn voor de moord op een aanhanger van Bandidos MC in 2014. Dezelfde bijlage bevat onder 14.1.2 en 14.1.3 een reeks voorbeelden van ernstig geweld en andere criminaliteit (waaronder grootschalig wapenbezit) door de Hells Angels Köln en Bonn in de periode 2012-2019. Bijlage 32 vermeldt onder 10.2.3 de veroordeling van een lid van Hells Angels charter Rotterdam voor een (in colors uitgevoerde) moord en bezit van een semi-automatisch pistool in 2018. Dat deze uitspraak nog niet onherroepelijk is, betekent niet dat daaraan in dit kader geen betekenis kan worden gehecht. Dat het gaat om de gedraging van één persoon, die is geschorst in afwachting van de uitkomst van de strafzaak, neemt ook niet weg dat dit past in de reeks voorbeelden van ernstig geweld door leden van de Hells Angels.

5.50.

Uit het voorgaande blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie, die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels bestaat. Een belangrijke factor is het gewelddadige imago, waarvan de leden gebruik maken en dat zij als het nodig is ook consequent waar maken. Daarbij wordt dat geweld op verschillende manieren aangemoedigd en verheerlijkt. Een andere factor is de rivaliteit met andere motorclubs, die regelmatig leidt tot machtsstrijd en bijbehorende geweldsconfrontaties. Deze conflicten worden daarbij meer dan eens uitgevochten te midden van het publiek op straat. Het bad standing-beleid leidt ertoe dat leden zich moeilijk kunnen losmaken van de club en gaat eveneens gepaard met geweld en dreiging met geweld. Intimidatie van (ex-)leden, slachtoffers en getuigen zorgt er verder voor dat justitieel optreden sterk wordt bemoeilijkt.

5.51.

Het hof onderkent dat niet alle charters en leden deze feiten plegen en dat in een deel van de landen waarin de Hells Angels zijn gevestigd dit soort incidenten niet voorkomt (althans dat daarvan in dit dossier niet is gebleken). Dat neemt echter niet weg dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden de club als geheel - en wat betreft de gedragingen in Nederland mede het Hollandse onderdeel - wel daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden. Gelet op deze bijzondere feiten en omstandigheden moeten de wereldwijde gedragingen van de Hells Angels waar het hier om gaat worden toegerekend aan HAMC en de gedragingen van de Hells Angels in Nederland mede aan HAMC Holland. Dit ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen, in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven.

5.52.

De hiervoor beschreven gedragingen vormen een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. Deze gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen deze ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen en de gezondheid en rechten en vrijheden van anderen te beschermen. De gewelddadige aard van deze activiteiten van HAMC en HAMC Holland en de schadelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en veiligheid van anderen is daarbij doorslaggevend. Zoals het OM heeft toegelicht, wordt al langer strafrechtelijk en bestuursrechtelijk opgetreden tegen de Hells Angels, maar is dat niet voldoende gebleken om deze schadelijke activiteiten een halt toe te roepen. Niet gebleken is dat er nog andere, minder vergaande maatregelen mogelijk zijn om het gevaar dat daarvan uitgaat voor de openbare orde in te dammen. Aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en relevantie is daarmee voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde en dat een verbod van deze organisaties is gerechtvaardigd.

De positie van HAM Corporation

5.53.

De rechtbank heeft geoordeeld dat HAM Corporation als een onderdeel van HAMC moet worden gezien. Onder meer tegen dat oordeel keert HAM Corporation zich met haar beroep. De Stichting c.s. sluiten zich daarbij aan. Daarover overweegt het hof het volgende.

5.54.

HAM Corporation is een Amerikaanse rechtspersoon die in 1970 is opgericht. Volgens de statuten (gewijzigd in 1984) is haar doelstelling ‘to exercise legitimate control over the use of, and licensing for, the various trade, service and collective membership marks utilized by various independant motorcycle chapters organized under the laws of various states and/or foreign countries’. Kort gezegd omvat dit het beheer en de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels. Bij statutenwijziging in 2008 is bepaald dat HAM Corporation geen leden heeft.

5.55.

HAM Corporation is eigenaar van de naam Hells Angels en een aantal logo’s, zoals het death head-logo, en andere beeldmerken van de Hells Angels. HAM Corporation heeft een board of directors, met zeven bestuursleden. Op grond van het toepasselijke Californische recht worden nieuwe bestuurders gekozen door het bestaande bestuur. Zij worden gekozen op advies van de Amerikaanse leden van de Hells Angels, na advies van het bestuur van HAM Corporation. Bestuursleden kunnen ook alleen door het bestuur uit hun functie worden gezet. Als daarvan sprake is, worden de leden van de Hells Angels daarover wel geïnformeerd. In elk land wordt een lid van de Hells Angels aangewezen als vertegenwoordiger die verantwoordelijk is voor het onderzoek naar inbreuken in het desbetreffende land. Als een mogelijke inbreuk wordt vastgesteld, moet deze persoon HAM Corporation hiervan op de hoogte stellen. Het bestuur beslist, op advies van de juridische adviseurs van HAM Corporation, welk intellectueel eigendomsrecht kan worden beschermd, waar registratie van intellectuele eigendomsrechten wordt aangevraagd en voor welk type goederen of diensten. Het bestuur houdt zich bezig met het verkrijgen van nieuwe intellectuele eigendomsrechten en het onderhouden en bijwerken van bestaande registraties. Het bestuur besluit ook tegen welke inbreuken wordt opgetreden en welke stappen daarbij worden ondernomen. HAM Corporation richt zich daarbij ook op het opsporen en aanpakken van structurele inbreukplegers. Beslissingen over het al dan niet ondernemen van juridische stappen tegen inbreuken worden niet voorgelegd aan charters of leden van de Hells Angels. HAM Corporation geeft wel updates over haar activiteiten aan de Hells Angels. Verder sluit HAM Corporation licentieovereenkomsten met de charters en leden, die hen het recht geven om het intellectueel eigendom onder strikte voorwaarden te gebruiken. Tijdens worldmeetings van de Hells Angels rapporteert HAM Corporation ten slotte over haar activiteiten.

5.56.

Blijkens het voorgaande houdt HAM Corporation zich bezig met het registreren en onderhouden van intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels, het verlenen van licenties voor het gebruik van deze rechten en het optreden tegen inbreuken op deze rechten. Duidelijk is dat zij deze activiteiten uiteindelijk verricht ten dienste van de Hells Angels. Zoals uit het voorgaande blijkt, is haar organisatie ook nauw verweven met de Hells Angels (het bestuur van HAM Corporation bestaat uit leden van de Hells Angels, benoemd op advies van de Hells Angels, en rapporteert aan de wereldwijde vergadering van de Hells Angels). Dat wil echter niet zeggen dat HAM Corporation voor de toepassing van artikel 10:122 BW moet worden beschouwd als onderdeel van HAMC. HAM Corporation is immers zelf een (buitenlandse) vennootschap en zij treedt ook als zelfstandige organisatie naar buiten toe op. Dat zij onlosmakelijk is verbonden met de Hells Angels, maakt dat niet anders. Dat betekent dat zij zelf een corporatie is in de zin van artikel 10:117 BW . Een verklaring voor recht als bedoeld in artikel 10: 122 BW kan ten opzichte van haar dan ook alleen worden uitgesproken als, naar aanleiding van een tegen haar gericht verzoek, wordt vastgesteld dat haar werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. Een andere opvatting zou niet stroken met het uitgangspunt dat, omdat toewijzing van een verzoek op grond van artikel 10:122 BW leidt tot een ernstige inbreuk op de vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting, hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering en onderbouwing van zo’n verzoek, ook waar het gaat om de vraag of sprake is van een corporatie zoals bedoeld in dit artikel. Een andere uitleg zou zich ook niet verdragen met het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht van een rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede tot gevolg kan hebben dat haar eigen activiteit wordt verboden in Nederland.

5.57.

Het voorgaande wordt niet anders als juist zou zijn dat HAM Corporation in gerechtelijke procedures optreedt ten behoeve van HAMC en HAMC daarbij presenteert als overkoepelend geheel van leden en charters wereldwijd, zoals het OM heeft gesteld.

Dat maakt immers nog niet dat HAM Corporation zelf geen corporatie is en/of dat zij moet worden gezien als een orgaan van HAMC. Het OM heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat HAM Corporation deze positie inneemt. Uit de juridische procedures waarnaar het OM in dit verband verwijst, kan dit onvoldoende worden afgeleid.

In de uitspraak in de strafzaak R. v. Lindsay (2005) wordt overwogen dat elk charter een licentieovereenkomst moet sluiten met HAM Corporation. Dat wijst niet op een andere activiteit van HAM Corporation dan beheer en bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels. Dat verder wordt gesproken over een mother chapter in Oakland waar matters concerning the club langs moeten, doet daaraan niet af, omdat niet duidelijk is dat dit slaat op HAM Corporation.

De zaak R. v. HAM Corporation (2009) betreft een geval waarin HAM Corporation zich verzette tegen verbeurdverklaring/ onttrekking aan het verkeer van voorwerpen die bij clubhuizen van de Hells Angels in Canada in beslag waren genomen. HAM Corporation heeft erop gewezen dat het daarbij ging om voorwerpen met het beeld-/handelsmerk van de Hells Angels en dat volgens de licentieovereenkomst de licentie vervalt bij inbeslagname van deze voorwerpen. Haar optreden kan dan ook worden verklaard vanuit haar positie als merkrechthebbende. Dat de Canadese rechter concludeerde dat HAM Corporation bekend is met de criminaliteit van de Canadese charters, maakt de positie van HAM Corporation in dit verband op zichzelf niet anders.

In de zaak HAM Corporation v. County of Monterey (2000) trad HAM Corporation op als mede-eiser nadat bij een doorzoeking van een clubhuis van de Hells Angels in Oakland zaken in beslag waren genomen. HAM Corporation voert aan dat zij bij deze zaak was betrokken omdat zij destijds op dit adres was gevestigd en er ook eigendommen van haar in beslag waren genomen. Het OM heeft dat niet (gemotiveerd) betwist. Ook hieruit volgt dus niet dat HAM Corporation meer in het algemeen optreedt ter bescherming van de rechten van de Hells Angels.

In de zaak HAM Corporation v. Napolitano (2012) ging het om visumbeperkingen waardoor buitenlandse Hells Angels de Verenigde Staten niet binnenkwamen. Dit is de enige (in dit kader naar voren gebrachte) zaak waarin HAM Corporation duidelijk wel over meer dan intellectuele eigendomsrechten heeft geprocedeerd. Volgens HAM Corporation is zij feitelijk niet betrokken geweest bij deze procedure. Maar wat daar van zij, dit voorbeeld is onvoldoende om aan te nemen dat HAM Corporation optreedt namens HAMC als overkoepelende organisatie van alle Hells Angels.

5.58.

Gelet op het voorgaande is het primaire verzoek van het OM niet toewijsbaar, voor zover het betrekking heeft op HAM Corporation als onderdeel van HAMC. De verklaring voor recht die ten aanzien van HAMC is uitgesproken, raakt HAM Corporation dus niet direct. Dit betekent dat het hof alsnog het subsidiaire verzoek moet beoordelen, dat tegen HAM Corporation als zelfstandige corporatie is gericht. Het OM heeft daarvoor aangevoerd dat HAM Corporation een vehikel is dat in het leven is geroepen met als uitsluitende taak om de (commerciële) belangen van HAMC te behartigen. Volgens het OM verricht HAM Corporation uitsluitend activiteiten die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand houden en faciliteren en is haar werkzaamheid daarmee per definitie ongeoorloofd.

5.59.

Dit standpunt volgt het hof niet. Zoals hiervoor is overwogen, houdt HAM Corporation zich bezig met het beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels. Het mag zo zijn dat HAM Corporation daarmee zorgt voor de exclusiviteit van de uiterlijke kenmerken van de Hells Angels, die een prominente rol spelen bij de activiteiten van deze club, maar dat is onvoldoende voor het oordeel dat de activiteiten van HAM Corporation als zodanig in strijd zijn met de openbare orde. Dat de clubnaam en andere uiterlijke kenmerken bijdragen aan het gewelddadige imago van de Hells Angels, dat wordt gebruikt om buitenstaanders te intimideren, en geweld uitlokt van rivaliserende groeperingen, betekent niet dat het in stand houden van deze kenmerken zelf een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormt van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel en onze samenleving ontwricht of kan ontwrichten. Ook volgt daar niet uit dat een verbod op deze activiteit - naast een verbod van (de activiteiten van) de Hells Angels zelf - noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, openbare orde of rechten en vrijheden van anderen.

Dat geldt ook voor het beschermen van rechten op herkenningstekens zoals de Filthy few patch en Dequiallo patch, ook al neemt het hof de gewelddadige betekenis ervan aan.

Het OM heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat HAM Corporation feitelijk leiding geeft aan of gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde. Het hof ziet dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat de werkzaamheid van HAM Corporation in strijd is met de openbare orde. Het subsidiaire verzoek van het OM wordt daarom afgewezen.

5.60.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van HAM Corporation slaagt.

Op de overige bezwaren van HAM Corporation hoeft niet meer te worden ingegaan.

Reikwijdte verklaring en verbod, positie van de charters

5.61.

De rechtbank heeft overwogen dat de verklaring en het verbod inhouden dat alle Hells Angels, omdat zij tezamen de cultuur van HAMC en HAMC Holland vormen, niet meer als Hells Angels in Nederland actief mogen zijn. Dat geldt dus ook voor de Hells Angels die lid zijn van een Nederlandse HA-charter. De Stichting bestrijden ook dit oordeel.

5.62.

Bij de beoordeling hiervan geldt het volgende uitgangspunt. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het Bandidos-arrest, kan zowel een formele als een informele vereniging afdelingen hebben waarbinnen leden van de vereniging bijvoorbeeld geografisch of functioneel zijn ingedeeld. Voor het antwoord op de vraag of een vereniging afdelingen heeft, komt onder meer betekenis toe aan de statuten of reglementen van die vereniging. Het is mogelijk dat een afdeling van een vereniging ook zelf rechtspersoonlijkheid heeft. Zo kan een afdeling ook weer een formele of informele vereniging zijn.

Als een vereniging op de voet van artikel 2:20 lid 1 BW wordt verboden, strekt dat verbod zich niet uit tot de afdelingen van de vereniging die zelf als rechtspersoon moeten worden aangemerkt. Reden daarvan is dat met de toewijzing van een op de voet van artikel 2:20 BW gedaan verzoek een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de in de Grondwet en het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Dit betekent dat artikel 2:20 lid 1 BW strikt moet worden uitgelegd. Toewijzing van een verzoek op grond van dit artikel heeft daarom tot gevolg dat uitsluitend de rechtspersoon ten aanzien van wie het verzoek is gedaan, verboden wordt verklaard en wordt ontbonden. Het heeft dus niet tot gevolg dat daarmee tevens een andere rechtspersoon wordt verboden. Dat zou zich ook niet verdragen met het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht van die andere rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede rechtsgevolg kan hebben voor zijn eigen voortbestaan. Het voorgaande laat onverlet dat het een andere rechtspersoon - waaronder begrepen de afdeling die zelf als rechtspersoon moet worden aangemerkt - niet vrijstaat om de werkzaamheid van de verboden rechtspersoon voort te zetten.

5.63.

Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, zijn de Hells Angels georganiseerd op wereldniveau, regionaal niveau en nationaal niveau. HAMC moet worden beschouwd als de wereldwijde organisatie van alle Hells Angels en HAMC Holland als onderdeel daarvan: de organisatie op nationaal niveau, gevormd door de Hells Angels in Nederland. HAMC Holland voldoet daarbij aan de kenmerken van een informele vereniging. Statuten of reglementen heeft HAMC Holland niet, afgezien van de HAMC Holland richtlijnen. Daarin zijn onder meer regels opgenomen die betrekking hebben op de charters. Gelet op de algemene organisatiestructuur van de Hells Angels en de inhoud van de hiervoor genoemde regels kunnen de charters als afdelingen van HAMC Holland worden beschouwd.

De vraag is dan of deze charters zelf ook formele of informele verenigingen zijn.

5.64.

Er zijn twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen) en 16 stichtingen verbonden aan de Hells Angels charters in Nederland (zie rov. 3.1). Dit zijn zelfstandige rechtspersonen. De verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland strekt zich in elk geval niet over hen uit. Het hof gaat ervan uit dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam. Dat betekent dat zij alleen al daarom niet vallen onder het verbod en de ontbinding van HAMC Holland.

Voor de overige charters geldt dat niet. Zij zijn niet georganiseerd in formele verenigingen en vallen ook niet samen met de stichtingen, omdat de charters leden hebben terwijl een stichting een rechtspersoon is die geen leden kent (artikel 2:285 BW). Daarmee blijft de vraag over of deze charters wel informele verenigingen zijn.

5.65.

De Hoge Raad heeft in het Bandidos-arrest overwogen dat, wanneer een afdeling van een vereniging geen formele vereniging is, het afhangt van de omstandigheden van het geval of de vereniging een informele vereniging is. Daarbij is niet doorslaggevend of de statuten of reglementen van de hoofdvereniging of de afdeling expliciet of impliciet voorzien in rechtspersoonlijkheid van die afdeling. Wel kan een afdeling van een vereniging alleen dan ook zelf een vereniging zijn en dus rechtspersoonlijkheid bezitten, als de afdeling als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt en deelneemt aan het rechtsverkeer. Daarbij gelden verder de maatstaven zoals vermeld in rov. 5.15. Niet is vereist dat de afdeling in overwegende mate onafhankelijk functioneert ten opzichte van de vereniging.

5.66.

Er zijn geen statuten of reglementen van HAMC Holland of van de charters die in rechtspersoonlijkheid van de charters voorzien (behalve bij de formele verenigingen Westport en Nijmegen). Zoals hiervoor is overwogen, zijn de Hells Angels in Nederland mede te beschouwen als lid van HAMC Holland (zie rov. 5.26). Zij zijn echter ook nadrukkelijk verbonden aan een charter. De charters vormen daarbij bestendige organisaties. Zij beschikken ieder over een eigen bestuur, met vaste functies zoals president, secretary, treasurer, sergeant at arms en road captain. Zij hebben ook een eigen naam (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied). Zij hebben eigen leden, wat wordt bevestigd door de ledenlijsten die worden bijgehouden per charter. Zij hebben eigen vergaderingen en clubavonden (wekelijkse meetings). De maandelijkse contributie moet ook aan de charters worden betaald. De charters hebben eigen onderscheidingstekens op de kleding (de eigen variant van het death head logo en de siderocker en andere emblemen met de naam van het charter), waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheid. De charters hebben verder eigen clubhuizen en activiteiten. Een aantal charters heeft ook een eigen website. Ten slotte weegt mee dat, zoals in rov. 5.10 is geconstateerd, de Hells Angels sterk bottom up zijn georganiseerd. Op alle niveaus, ook dat van de charters, geldt het principe van one man one vote. Weliswaar zijn zij gebonden aan de strakke internationale regels, maar die zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn verder vrij in hun doen en laten. Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.

5.67.

Gelet op dit alles zijn de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen aan te merken. Zij vallen dus niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Dat neemt niet weg dat de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring van HAMC Holland indirect wel gevolgen hebben voor de Nederlandse charters en hun leden. Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn, staat het hen ook niet meer vrij om de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland voort te zetten. Onder meer betekent dit dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden. Tot een andere beslissing over het verzoek van het OM dan de rechtbank heeft gegeven, leidt dit overigens niet.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring?

5.68.

De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betreft de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Deze bepaling houdt in dat het instellen van beroep de werking van de beschikking niet schorst, wat volgens de wet wel het geval zou zijn zonder die bepaling. Dat betekent dat gevolg moet worden gegeven aan de beschikking terwijl nog niet is beslist over het beroep. Ook tegen de toewijzing van dit onderdeel van het verzoek van het OM keren de Stichting c.s. zich in dit hoger beroep.

5.69.

In de beschikking in het schorsingsincident van 28 januari 2020 heeft het hof al overwogen dat de wet weliswaar niet uitsluit dat een verbodenverklaring en ontbinding van een Nederlandse rechtspersoon op grond van artikel 2:20 BW en een verklaring voor recht ten aanzien van een buitenlandse corporatie als bedoeld in artikel 10:122 BW uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard, maar dat de wetgever wel nadrukkelijk de bezwaren daartegen onder ogen heeft gezien. Ontbinding is een onherroepelijke ingreep en verbodenverklaring heeft slechts strafrechtelijke gevolgen. Die gevolgen treden pas in als de verbodenverklaring onherroepelijk is. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft in zoverre dus geen rechtsgevolg en heeft slechts symbolische betekenis. Naar het oordeel van het hof weegt in het licht daarvan het belang van HAMC en HAMC Holland bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op een eventueel nog in te stellen rechtsmiddel is beslist zwaarder dan het belang van het OM dat de beschikking intussen al ten uitvoer kan worden gelegd. Het hof wijst het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren daarom alsnog af. Het bezwaar van de Stichting c.s. wordt op dit punt dus gehonoreerd.

5.70.

Er zijn geen voldoende concrete feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Het hof komt daarom niet toe aan (nadere) bewijslevering. Aan het bewijsaanbod dat de Stichting c.s. heeft gedaan ten aanzien van een aantal stellingen en het algemene bewijsaanbod van het OM gaat het hof dan ook voorbij. Op het bewijsaanbod van HAM Corporation hoeft bij gebrek aan belang niet te worden ingegaan.

6 Slotsom

6.1.

Het hoger beroep van de Stichting c.s. leidt alleen tot verduidelijking ten aanzien van de reikwijdte van het verbod en slaagt ten aanzien van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring. Voor het overige faalt hun beroep. Het hoger beroep van HAM Corporation slaagt wel.

Het hof zal de bestreden beschikking daarom op de genoemde punten vernietigen en voor het overige bekrachtigen, en afwijzen wat meer of anders is verzocht.

6.2.

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, behalve in de zaak tegen HAM Corporation. Daarin zal het hof het OM als in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van beide instanties en in het incident.

(…)”

In cassatie

2.17

Bij verzoekschrift tot cassatie van 15 maart 2021 hebben de Stichting c.s. tijdig cassatieberoep ingesteld van de beschikking (dit betreft de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01164). Het OM heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun respectieve standpunt toegelicht bij mondeling pleidooi op 29 oktober 2021.

2.18

Bij verzoekschrift tot cassatie van 15 maart 2021 heeft ook het OM tijdig cassatieberoep ingesteld van de beschikking (dit betreft de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01186). De Stichting c.s. en HAM Corporation hebben (gezamenlijk) geconcludeerd tot verwerping van het beroep. In deze zaak heeft geen mondeling pleidooi plaatsgevonden.

3. Het cassatieberoep van de Stichting c.s. (in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01164)

De cassatieklachten

3.1

Het cassatiemiddel van de Stichting c.s. bestaat uit een inleiding (onder I), die geen klachten bevat, en zeven onderdelen (“cassatieklachten” genoemd, onder II) die zijn genummerd van 1 t/m 7, waarvan de eerste zes uiteenvallen in subonderdelen en de zevende een voortbouwklacht behelst. Onder 8 hebben de Stichting c.s. nog op de voet van art. 428 lid 1 Rv verzocht de zaak mondeling te mogen toelichten, welk verzoek is ingewilligd en heeft geleid tot genoemde mondelinge pleidooi op 29 oktober 2021 (zie onder 2.17 hiervoor).

Onderdeel 1: “Achtergrond begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’ (rov. 5.33 en rov. 5.36): strijd met hoor en wederhoor”

3.2

Onderdeel 1 start met een aanloop, waarin een samenvatting wordt gegeven van rov. 5.33 en 5.36 van de beschikking. In rov. 5.33 en 5.36 oordeelt het hof als volgt:

“5.33. Het hof gaat niet in op de algemene kritiek van de Stichting c.s. op het OMG-beleid en op de rapportages die in dat kader zijn uitgebracht. Het debat over de achtergrond en ontwikkeling in de betekenis van de begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’ laat het hof ook onbesproken. Het hof stelt alleen vast dat motorclubs met deze aanduiding zich nadrukkelijk plaatsen buiten de maatschappelijke orde en zich presenteren als clubs met eigen regels, waarbij vrijgevochtenheid, eergevoel en broederschap (onderling respect binnen de club, hulp en steun met alle middelen tegen buitenstaanders) centraal staan. Dat is waar de begrippen ‘outlaw’ en ‘1%’ (tegenover 99% brave burgers) tegenwoordig in elk geval voor staan. En dat is ook waarmee deze motorclubs, ook de Hells Angels, zich identificeren.(…)5.36. Het hof gaat eerst in op de bedoelde cultuur. Onbetwist is dat leden van de Hells Angels het ‘1%’ teken op hun colors dragen en ook dat dit in tatoeages en op websites en social-media uitingen van de Hells Angels wordt gebruikt (ook het ‘1%-teken in combinatie met het death head logo en ‘HAMC’). De Stichting c.s. voeren weliswaar aan dat er geen bewijsmiddel is waaruit blijkt dat dit ‘veel’ gebeurt, maar een gemotiveerde betwisting dat dit het geval is, is dat nog niet. Ontegenzeggelijk wordt hiermee uitgedragen dat men behoort tot een club die zich niet conformeert aan de burgermaatschappij en zijn eigen regels volgt. Er zijn geen aanwijzingen dat de club zich daarvan werkelijk heeft gedistantieerd.”

3.3

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof ten onrechte niet ingaat op de kritiek van de Stichting c.s. op het OMG-beleid en de rapportages die in dat kader zijn uitgebracht en het debat over de achtergrond en ontwikkeling in de betekenis van de begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’ onbesproken laat (rov. 5.33 van de beschikking), terwijl het hof vervolgens uit de stellingen van het OM over genoemde begrippen wel verstrekkende conclusies trekt ten nadele van de Stichting c.s., namelijk “dat de motorclubs (waaronder de Hells Angels) zich daarmee nadrukkelijk plaatsen buiten de maatschappelijke orde, zich presenteren als clubs met eigen regels en het begrip 1% tegenover 99% ‘brave burgers’ moet worden geplaatst” (rov. 5.33 en 5.36). Dit oordeel is onjuist, voor zover het is gebaseerd op de opvatting dat het hof niet behoefde in te gaan op de betwistingen van de Stichting c.s. in dit verband. Het hof heeft in dat geval miskend dat het contradictoire beginsel van hoor en wederhoor meebrengt dat aan beide partijen het recht toekomt door de rechter te worden gehoord en dat het de rechter bijgevolg verboden is kennis te nemen van de stukken of informatie van één der partijen zonder acht te slaan op hetgeen de wederpartij daartegen heeft ingebracht, aldus nog steeds het subonderdeel.

3.4

Subonderdeel 1.2 klaagt dat “[d]at oordeel” van het hof althans ontoereikend gemotiveerd is, voor zover het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd dat hetgeen de Stichting c.s. in dit verband ter betwisting te berde hebben gebracht irrelevant of niet ter zake dienend is. In dat geval rust het oordeel van het hof op een onbegrijpelijke uitleg der gedingstukken. De Stichting c.s. hebben de door het OM naar voren gebrachte conclusies uitdrukkelijk gemotiveerd bestreden en namen ter betwisting essentiële stellingen in, die het subonderdeel als volgt weergeeft:

- (i):

“Het begrip 1% is geen creatie van de Hells Angels zelf. De AMA, waartoe de Hells Angels niet behoren, heeft naar aanleiding van een incident in de V.S. in 1947 gepoogd om clubs die geen onderdeel waren van de AMA zwart te maken door te stellen dat 99% van de motorrijders degelijke en gezagsgetrouwe burgers zijn, daarmee implicerend dat de overige 1% niet met de AMA verbonden clubs dat niet zouden zijn. Dat heeft ertoe geleid dat motorclubs zoals de Hells Angels het begrip 1% MC als geuzennaam hebben omarmd, onder meer door het begrip tot uiting te brengen op hun clubkleding. Dit begrip heeft niets te maken met het ondernemen van criminele activiteiten, het gevoel buiten de burgermaatschappij of de maatschappelijke orde te staan althans enig ander gevoel boven de wet te staan”.

- (ii):

“In de V.S. is met name de Californische overheid al in de jaren ’60 begonnen om de beeldvorming rondom de betekenis van het 1% begrip en ‘outlaw bikers’ te duiden in termen van criminaliteit en 'public enemies’. Dit terwijl uit onderzoek is gebleken dat daartoe in ieder geval ten aanzien van de Hells Angels geen enkele grond was, aangezien zij in die tijd 'virtuallly non existent’ waren, terwijl dat beeld vervolgens in populaire cultuur (zoals films) in de jaren ’60 verder werd gestereotypeerd”.

- (iii):

“Pas in 1978 werd de eerste Hells Angels charter in Nederland opgericht. Blijkens een politierapport uit 2010 werden sinds 1996 de Hells Angels, Satudarah, Black Sheep, Rogues, Confederates, Demons, Veterans en Animals aangemerkt als '1% motorclub’. Vervolgens hebben de Nederlandse autoriteiten een eigen betekenis aan dat 1%-begrip gegeven. De begrippen 1% en ‘outlaw motorcycle club’ werden, zeker sinds de introductie van de integrale aanpak, steevast in verband gebracht met criminaliteit en ‘buiten de maatschappij staan’, waarbij dit soort stigmatiserende bewoordingen werden gebruikt om de aard van bepaalde motorclubs, waaronder de Hells Angels, te duiden zonder dat daar een eenduidige definitie of onderzoek aan ten grondslag lag. Overigens heeft een aantal motorclubs zelfs besloten om te stoppen met het dragen van een 1% patch op hun clubkleding vanwege de negatieve connotatie die de overheid daaraan gaf. De Hells Angels waren in Nederland de eerste motorclub die daartoe besloot. Vervolgens is de overheid het begrip ‘outlaw motorcycle gang’ gaan hanteren, aan welk begrip eveneens stigmatiserende connotaties werden verbonden. Een OMG zou zich boven de wet plaatsen en betrokken zijn bij criminele en ondermijnende activiteiten. Ook aan deze denominatie lag geen helder criterium of gedegen onderzoek ten grondslag”.

- (iv):

“Vervolgens is in het kader van de integrale aanpak van OMG’s sinds 2012 een expliciete mediastrategie opgezet om het beeld omtrent 1%-motorclubs te ‘reframen’ van ‘stoere motorrijders’ naar ‘crimineel’. De overheid beïnvloedt daarmee doelbewust het debat over motorclubs zoals door criminologisch onderzoek, dat de Hells Angels in het geding hebben gebracht en in hun gedingstukken hebben beschreven, wordt bevestigd. In de media wordt betrokkenheid van afzonderlijke clubleden bij een delict zonder uitzondering in verband gebracht met de motorclub, zonder dat sprake is van enig verband tussen het delict en de club. Aldus construeert de overheid gedurende meerdere jaren zelf het beeld van 1%-motorclubs als clubs die zich buiten de maatschappelijke orde plaatsen”.

- (v):

“De framing van 1%-motorclubs door de overheid is op bezwaren van de Ombudsman gestuit. Na een klacht van de motorclub Veterans MC is de Ombudsman tot de slotsom gekomen dat de kwalificatie van deze club als OMG niet gerechtvaardigd is op basis van de door de overheid genoemde cijfers. Objectief toetsbare gegevens ontbreken in dit verband, aldus de Ombudsman”.

- (vi):

“Anders dan verschillende overheidslichamen willen doen voorkomen, is het eerder zo dat hun aanpak van OMG’s de oorzaak is dat leden van dit soort motorclubs buiten de samenleving komen te staan. De Stichting c.s. hebben in dit verband twee sprekende voorbeelden genoemd van clubleden van de Hells Angels van onbesproken gedrag, die enkel vanwege hun lidmaatschap van een Hells Angels-charter door hun werkgever zijn ontslagen (na respectievelijk 26 jaar trouwe dienst bij de Amsterdamse brandweer en een vlekkeloos dienstverband bij de Ter Haak Group in de haven van Amsterdam)”.

De gedingstukken laten geen andere uitleg toe dan dat deze stellingen essentieel zijn, nu gegrondbevinding daarvan het hof tot een ander oordeel had genoopt. Het hof is derhalve in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten door daarop met geen woord in te gaan, aldus nog steeds het subonderdeel.

3.5

De subonderdelen 1.1 en 1.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.31 van de beschikking vat het hof samen wat het OM ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd. In rov. 5.32 geeft het hof de uitvoerige betwisting daarvan door de Stichting c.s. weer. Vervolgens overweegt het hof in rov. 5.33 dus als volgt:

“5.33. Het hof gaat niet in op de algemene kritiek van de Stichting c.s. op het OMG-beleid en op de rapportages die in dat kader zijn uitgebracht. Het debat over de achtergrond en ontwikkeling in de betekenis van de begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’ laat het hof ook onbesproken. Het hof stelt alleen vast dat motorclubs met deze aanduiding zich nadrukkelijk plaatsen buiten de maatschappelijke orde en zich presenteren als clubs met eigen regels, waarbij vrijgevochtenheid, eergevoel en broederschap (onderling respect binnen de club, hulp en steun met alle middelen tegen buitenstaanders) centraal staan. Dat is waar de begrippen ‘outlaw’ en ‘1%’ (tegenover 99% brave burgers) tegenwoordig in elk geval voor staan. En dat is ook waarmee deze motorclubs, ook de Hells Angels, zich identificeren.”

Deze vaststelling van het hof in rov. 5.33 komt terug in rov. 5.36, dat dus als volgt luidt:

“5.36. Het hof gaat eerst in op de bedoelde cultuur. Onbetwist is dat leden van de Hells Angels het ‘1%’ teken op hun colors dragen en ook dat dit in tatoeages en op websites en social-media uitingen van de Hells Angels wordt gebruikt (ook het ‘1%-teken in combinatie met het death head logo en ‘HAMC’). De Stichting c.s. voeren weliswaar aan dat er geen bewijsmiddel is waaruit blijkt dat dit ‘veel’ gebeurt, maar een gemotiveerde betwisting dat dit het geval is, is dat nog niet. Ontegenzeggelijk wordt hiermee uitgedragen dat men behoort tot een club die zich niet conformeert aan de burgermaatschappij en zijn eigen regels volgt. Er zijn geen aanwijzingen dat de club zich daarvan werkelijk heeft gedistantieerd.”

Ik wend mij nu tot de subonderdelen.Ik stel vast dat het hof gezien ook rov. 5.32 onderkent dat de betwisting zijdens de Stichting c.s. onder meer betrekking heeft op het OMG-beleid en de rapportages die in dat kader zijn uitgebracht alsmede op de achtergrond en ontwikkeling in de betekenis van de begrippen ‘outlaw motorcycle club’ en ‘1%-motorclub’, hetgeen dekt wat door de subonderdelen met vindplaatsverwijzingen aan stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties naar voren is gebracht. Ik stel tevens vast dat het hof gezien ook rov. 5.33 en 5.36 deze betwisting zijdens de Stichting c.s. betrekt bij zijn oordeel aldaar (daarop acht slaat aldaar), maar daarop niet verder ingaat dan het aldaar doet nu het deze betwisting niet (potentieel) blokkerend - en daarmee niet relevant - acht voor de aldaar door hem getrokken conclusies waarop de subonderdelen doelen, dus:

“dat de motorclubs (waaronder de Hells Angels) zich daarmee uitdrukkelijk plaatsen buiten de maatschappelijke orde, zich presenteren als clubs met eigen regels en het begrip 1% tegenover 99% ‘brave burgers’ moet worden geplaatst”.

Hieruit volgt dat subonderdeel 1.1 vastloopt op een onjuiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Anders dan dit subonderdeel veronderstelt, huldigt het hof (ook) in rov. 5.33 en 5.36 dus niet de opvatting dat het niet behoefde in te gaan op de betwisting zijdens de Stichting c.s. in dit verband, daarmee miskennend dat het contradictoire beginsel van hoor en wederhoor meebrengt dat aan beide partijen het recht toekomt door de rechter te worden gehoord en dat het de rechter bijgevolg verboden is kennis te nemen van de stukken of informatie van één der partijen (hier het OM) zonder acht te slaan op hetgeen de wederpartij (hier de Stichting c.s.) daartegen heeft ingebracht. Kortom, de in subonderdeel 1.1 vervatte rechtsklacht strandt.Dit laatste geldt ook voor de in subonderdeel 1.2 vervatte motiveringsklacht. Gezien ook rov. 5.33 en 5.36 acht het hof de betwisting zijdens de Stichting c.s. in dit verband, met inbegrip van de in subonderdeel 1.2 met vindplaatsverwijzingen genoemde stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties, niet (potentieel) blokkerend - en daarmee niet relevant - voor zijn bevindingen (in rov. 5.33) dat:

“motorclubs met deze aanduiding zich nadrukkelijk plaatsen buiten de maatschappelijke orde en zich presenteren als clubs met eigen regels, waarbij vrijgevochtenheid, eergevoel en broederschap (onderling respect binnen de club, hulp en steun met alle middelen tegen buitenstaanders) centraal staan. Dat is waar de begrippen ‘outlaw’ en ‘1%’ (tegenover 99% brave burgers) tegenwoordig in elk geval voor staan. En dat is ook waarmee deze motorclubs, ook de Hells Angels, zich identificeren”

en (in rov. 5.36) dat:

“[o]nbetwist is dat leden van de Hells Angels het ‘1%’ teken op hun colors dragen en ook dat dit in tatoeages en op websites en social-media uitingen van de Hells Angels wordt gebruikt (ook het ‘1%-teken in combinatie met het death head logo en ‘HAMC’). De Stichting c.s. voeren weliswaar aan dat er geen bewijsmiddel is waaruit blijkt dat dit ‘veel’ gebeurt, maar een gemotiveerde betwisting dat dit het geval is, is dat nog niet. Ontegenzeggelijk wordt hiermee uitgedragen dat men behoort tot een club die zich niet conformeert aan de burgermaatschappij en zijn eigen regels volgt. Er zijn geen aanwijzingen dat de club zich daarvan werkelijk heeft gedistantieerd”.

De onder 3.4 sub (i) t/m (vi) hiervoor weergegeven stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties, waarop subonderdeel 1.2 zich beroept met vindplaatsverwijzingen en waaraan het hof niet voorbijziet (zie ook rov. 5.32), brengen naar de aard en gezien hetgeen het hof overweegt in rov. 5.33 en 5.36 niet mee dat het hof niet zonder nadere motivering kon komen tot deze bevindingen in rov. 5.33 en 5.36, zodat van ‘essentiële’ stellingen (waarop het hof nog weer nader had moeten responderen) hier niet kan worden gesproken. Daarbij betrek ik mede, kort gezegd, dat het hof zijn bevindingen in rov. 5.33 toespitst op de tegenwoordige tijd (“Dat is waar de begrippen ‘outlaw’ en ‘1%’ (tegenover 99% brave burgers) tegenwoordig in elk geval voor staan. En dat is ook waarmee deze motorclubs, ook de Hells Angels, zich identificeren”), zoals ook terugkomt in rov. 5.36 van de beschikking (“dragen”, “wordt gebruikt”, “wordt hiermee uitgedragen”, etc.), en dat het hof in rov. 5.36 in aanmerking neemt dat een gemotiveerde betwisting ter zake zijdens de Stichting c.s. ontbreekt (“De Stichting c.s. voeren weliswaar aan”, etc.) alsmede dat er geen aanwijzingen zijn dat de club zich daadwerkelijk heeft gedistantieerd van de daar bedoelde gedragslijn (“Er zijn geen aanwijzingen”, etc.), welke ruimte het hof had met inachtneming ook van het partijdebat. Kortom, dat wat subonderdeel 1.2 aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof in rov. 5.33 en/of rov. 5.36 zijn oordeel ontoereikend motiveert, in het bijzonder een onbegrijpelijke uitleg geeft aan de gedingstukken.Hierop stuiten de subonderdelen af.

3.6

Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.

Onderdeel 2: “Afwijzing verzoek ex artikel 22 Rv en betrekking niet verifieerbare stukken in bewijsoordeel hof (rov. 5.35): strijd met het beginsel van equality of arms”

3.7

Onderdeel 2 start met een aanloop. Daarin wordt gesteld dat het OM zich, ten bewijze van zijn vaststelling dat HAMC en HAMC Holland zodanig zijn ingebed in een cultuur van geweld dat hun werkzaamheid in strijd moet worden geacht met de openbare orde (rov. 5.36-5.52 van de beschikking), heeft gebaseerd op diverse bronnen, waaronder persberichten, informatie uit politiesystemen en (buitenlandse) rechtspraak. Het OM heeft die bronnen niet in het geding gebracht, maar er enkel naar verwezen en op basis daarvan stellingen ingenomen. De Stichting c.s. hebben in hoger beroep laten weten geen toegang tot een groot deel van deze bronnen te hebben en hebben daarom bij brief van 14 april 2020 ex art. 22 Rv verzocht het OM te bevelen een afschrift van al deze bronnen te verstrekken, welk verzoek het hof bij beslissing van 24 april 2020 ongemotiveerd heeft afgewezen. Niettemin heeft het hof zijn bewijswaardering in de beschikking in belangrijke mate gebaseerd op het gebruik van voor de Stichting c.s. niet controleerbare of verifieerbare bronnen, waartoe het hof in rov. 5.35 overweegt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren, aldus nog steeds het onderdeel.

3.8

Subonderdeel 2.1 klaagt dat “[d]it oordeel” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 22 Rv jo. art. 6 EVRM.Het hof heeft in de plaats miskend dat het waarborgen van de equality of armshet hof ertoe noopte van zijn bevoegdheid ex art. 22 Rv gebruik te maken teneinde ervoor te zorgen dat alle informatie die in het proces wordt gebruikt, controleerbaar en verifieerbaar is voor alle deelnemers aan het proces. Het betreft hier weliswaar een discretionaire bevoegdheid van de rechter, maar dat neemt niet weg dat de rechter een gemotiveerd verzoek van één van de partijen niet zonder enige motivering naast zich neer kan leggen, zeker niet als het beginsel van equality of arms aan de orde is. Ik noem dit de eerste klacht van het subonderdeel.Vervolgens heeft het hof in rov. 5.35-5.52 van de beschikking het in art. 6 EVRM besloten beginsel van equality of armsopnieuw miskend door het gebruik door het OM van deze informatie niet alleen toe te staan, maar die informatie ook aan zijn oordeel ten grondslag te leggen. Dat oordeel is “principieel onjuist”, nu uitvloeisel van het beginsel van equality of arms is dat informatie-asymmetrie ten aanzien van de voor het goede partijdebat en de rechterlijke beslissing relevante informatie zoveel mogelijk moet worden voorkomen en nu uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat dit beginsel niet alleen met zich brengt dat partijen gelijke kansen moeten hebben op het terrein van informatieverstrekking aan elkaar en aan de rechter, maar ook dat alle informatie die een partij aan haar betoog in het proces ten grondslag legt controleerbaar en verifieerbaar moet zijn en op zo’n manier beschikbaar dient te zijn dat zij te allen tijde toegankelijk en controleerbaar is voor alle deelnemers aan het proces en ook voor derden. Ik noem dit de tweede klacht van het subonderdeel.

3.9

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Art. 22 Rv behelst een discretionaire bevoegdheid van de rechter om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen.Bij de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of partijen erover kunnen klagen dat de rechter geen bevel op de voet van art. 22 Rv heeft gegeven. Dat is niet het geval. De rechter hoeft zelfs niet uitdrukkelijk te beslissen op een verzoek gebruik te maken van de bevoegdheid ex art. 22 Rv, al zal hij een gemotiveerd verzoek van een van de partijen om toepassing te geven aan art. 22 Rv uiteraard niet zonder meer naast zich neerleggen. Ik citeer Tjong Tjin Tai:

“Bij de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of partijen erover kunnen klagen dat de rechter geen bevel op de voet van art. 22 Rv heeft gegeven. Dat is niet het geval. Volgens de minister [zie Kamerstukken II 99/20, 26855, 5, p. 28, A-G] behoeft de rechter zelfs niet uitdrukkelijk te beslissen op een verzoek van partijen om gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 22 Rv, al zal de rechter een gemotiveerd verzoek van een der partijen terzake uiteraard niet zonder meer naast zich neerleggen. Aangezien de rechter dienaangaande een discretionaire bevoegdheid heeft, kunnen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de rechter terzake. Een partij die het overleggen van bescheiden door haar wederpartij wil afdwingen, kan - indien aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van deze bepaling is voldaan - ook gebruik maken van art. 843a Rv. Bij een beroep op art. 843a Rv is bovendien de vrije beoordelingsruimte van de rechter kleiner (de rechter heeft in dat geval geen discretionaire bevoegdheid) en gelden ook hogere motiveringseisen.”[zonder verwijzing in origineel, A-G]

Het is wellicht niet uitgesloten dat de rechter in een concreet geval gehouden is om een bevel ex art. 22 Rv te geven, ter vermijding van schending van art. 6 EVRM (en het daarin besloten liggende equality of arms-beginsel). Partijen gaan ervan uit dat het hof bij beslissing van 24 april 2020 het in de aanloop van onderdeel 2 bedoelde verzoek van de Stichting c.s. ex art. 22 Rv (ongemotiveerd) heeft afgewezen.De standaardoverweging van het EHRM over het recht op tegenspraak in het kader van art. 6 EVRM, waarvan het beginsel van equality of arms onderdeel uitmaakt, luidt aldus:

“30. The Court reiterates that the concept of a fair hearing implies the right to adversarial proceedings, in accordance with which the parties must have the opportunity not only to adduce evidence in support of their claims, but also to have knowledge of, and comment on, all evidence or observations filed, with a view to influencing the court’s decision (see Nideröst-Huber v. Switzerland, 18 February 1997, Reports 1997-I, p. 108, § 24, and K.S. v. Finland, no. 29346/95, § 21, 31 May 2001). (…)”

Voor zover hier relevant, moet dus een procesdeelnemer in staat zijn om door andere procesdeelnemers ingebrachte “evidence or observations” te kennen en daarop te responderen met het oog op het beïnvloeden van de rechterlijke beslissing, waarbij zij aangetekend dat hier geen sprake is van een recht met een absoluut karakter. Daarbij gaat het in essentie dus om het waarborgen van een zeker evenwicht (een ‘fair balance’) tussen de procesdeelnemers. Dit brengt bijvoorbeeld, in de woorden van A-G Wesseling-van Gent:

“niet het recht van een partij mee op de overlegging van de bewijsstukken die de wederpartij onder zich heeft. Het feit dat partijen in een procedure niet over dezelfde stukken beschikken en er aldus sprake is ongelijkheid tussen de procespartijen, is op zichzelf onvoldoende om tot strijd met art. 6 EVRM te kunnen concluderen. Het EHRM toetst niet of het nationale procesrecht van de verdragsstaten in abstracto voldoet aan de eisen van art. 6 lid 1 EVRM, maar of de concrete procedure in haar geheel 'eerlijk' is verlopen.”[zonder verwijzingen in origineel, A-G]

Ik wend mij nu tot het subonderdeel, na eerst nogmaals een blik te hebben geworpen op de beschikking.Het hof stelt in rov. 5.34 van de beschikking voorop, kort gezegd, dat “bepalend is of op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting” kan worden vastgesteld dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde, waarbij geldt dat de bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die tot deze conclusie kunnen leiden op het OM rust. Daarbij verwijst het hof naar de toepasselijke regels van het bewijsrecht (specifiek art. 150 Rv in verbinding met art. 284 Rv), overweegt het hof dat op grond van art. 152 Rv het OM zich daarbij in beginsel op alle bewijsmiddelen mag beroepen, en stelt het hof vast dat voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, het hof die feiten op grond van art. 149 Rv als vaststaand moet aannemen. Daarop laat het hof volgen dat naar zijn oordeel er voldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde, dat het hof verder aannemelijk gemaakt acht dat een verbod van deze organisaties in Nederland om die reden noodzakelijk is, en dat het hof dat daarna toelicht. ’s Hofs oordeel in rov. 5.34 wordt in cassatie niet (kenbaar) bestreden. Vervolgens zet het hof in rov. 5.35 het volgende uiteen:

“5.35. Het hof kent weinig betekenis toe aan de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn. Wel van betekenis zijn de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt. De Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - moeten in staat worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, rijst uit deze bronnen het beeld op van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld.”

Het hof bouwt daarop voort in o.a. rov. 5.36-5.52.Hieruit volgt onder meer dat naar ’s hofs oordeel in de beschikking wél van betekenis zijn “de bronnen” die in de onderhavige procedure zijn ingebracht door het OM en “die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, alsmede dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen responderen op deze voor hen kenbare bronnen (waartoe de Stichting c.s. ook in de gelegenheid zijn gesteld), ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren, nu het gaat om deze bronnen met concrete gegevens die (leden van) de Hells Angels zelf betreffen. Zoals het voorgaande laat zien, is dit oordeel van het hof in de beschikking niet in tegenspraak met (rechtspraak van het EHRM in het kader van) art. 6 EVRM, waaronder het beginsel van equality of arms. Dit laatste geldt - in het verlengde van het voorgaande - evenzeer voor het vervolgoordeel van het hof aldaar dat, ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht:

- uit “deze bronnen” (dus “de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, zoals in de onderhavige procedure ingebracht door het OM) het beeld oprijst van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland,

- daaruit (dus: uit deze bronnen) ook blijkt van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden, en

- daaruit (dus: uit deze bronnen) ook is af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld,

zoals het hof nader uiteenzet in rov. 5.36-5.52.Daarmee is gegeven dat de tweede klacht van het subonderdeel kapseist, nu van de daarin veronderstelde ‘principiële onjuistheid’ van ’s hofs oordeel in de beschikking geen sprake is: deze rechtsklacht leest te veel in art. 6 EVRM (inclusief het beginsel van equality of arms) en de in het subonderdeel genoemde rechtspraak van het EHRM ter zake, terwijl het hof in de beschikking voldoet aan hetgeen wel volgt uit (deze EHRM-rechtspraak inzake) art. 6 EVRM (inclusief het beginsel van equality of arms). In het voetspoor daarvan slaat ook om de eerste klacht van het subonderdeel, eveneens een rechtsklacht: “het waarborgen van de equality of arms” noopte het hof niet ertoe van zijn bevoegdheid ex art. 22 Rv gebruik te maken “teneinde ervoor te zorgen dat alle informatie die in het proces wordt gebruikt controleerbaar en verifieerbaar is voor alle deelnemers aan het proces”, terwijl daarin evenmin aanleiding gelegen was voor het hof genoemde beslissing van 24 april 2020 nader te motiveren. Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.10

Subonderdeel 2.2 klaagt dat althans in het licht van de gedingstukken onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd ’s hofs oordeel (in rov. 5.35 van de beschikking) dat de Stichting c.s. in staat moeten worden geacht op de informatie van het OM gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om niet-geverifieerde berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Daartoe voert het subonderdeel aan dat het hof hier immers voorbijgaat aan het gedegen onderbouwde (o.a. met een rapport van [betrokkene 4]), niet weersproken verweer van de Stichting c.s. dat een aanzienlijk deel van deze door het OM genoemde bronnen (vooral informatie uit politiesystemen) gesloten en bijgevolg ontoegankelijk voor controle is, de door het OM gebruikte persberichten uit anonieme bronnen afkomstig zijn en daarom niet op betrouwbaarheid zijn te controleren, terwijl een groot deel van de (buitenlandse) rechterlijke uitspraken door geen of onjuiste opgave van vindplaatsen niet traceerbaar is. Het subonderdeel wijst, “puntsgewijs samengevat”, als volgt op hetgeen de Stichting c.s. in dit verband naar voren hebben gebracht:

- (i):

“Ten aanzien van de door het OM genoemde voorvallen van onregelmatigheden in Nederland, waarbij Hells Angels betrokken zouden zijn, is 35% gebaseerd op een persbericht. Voor buitenlandse incidenten geldt dat dit percentage 55 is. Slechts van 30% van deze persberichten is de auteur bekend, terwijl het OM zich met regelmaat beroept op informatie uit de roddelpers of obscure nieuwswebsites. De juistheid daarvan is veelal niet te verifiëren, omdat het OM geen andere bewijsmiddelen aandraagt die de informatie uit dergelijke persberichten ondersteunt. Ten aanzien van de binnenlandse persbronnen hebben de Stichting c.s. bovendien opgemerkt dat vanuit de overheid bewust wordt ingezet op ‘framing’ van de Hells Angels via de media. De Stichting c.s. hebben in dit verband de vraag opgeworpen of het OM aldus niet gebruik maakt van 'zelf gecreëerde’ bronnen, althans minst genomen als gevolg van die framing gebruik maakt van twijfelachtige bronnen”.

- (ii):

“Ten aanzien van de door het OM aan zijn verzoek ten grondslag gelegde, niet in het geding gebrachte binnenlandse bronnen is het schrikbarende percentage van 91% (namelijk maar liefst 555 van de 607 door het OM genoemde bronnen) niet toegankelijk voor de Stichting c.s. en dus niet op juistheid te controleren, laat staan dat de Stichting c.s. daarop fatsoenlijk kunnen responderen. Het betreft in overwegende mate zeer fragmentarisch gepresenteerde informatie uit politiesystemen, waarvan dus ook nog eens belangrijke context ontbreekt.Bovendien hebben de Stichting c.s. zich ten aanzien van het gebruik door het OM van gesloten bronnen uit politiesystemen beroepen op een deskundigenrapport van professor [betrokkene 4]. Professor [betrokkene 4] concludeert dat het gebruik door het OM van gesloten bronnen, te weten informatie uit politieonderzoeken en politiesystemen, de Stichting c.s. ernstig belemmeren in de mogelijkheid om op deze stukken adequaat te kunnen responderen. Ook de open bronnen (berichten uit de pers, wetenschappelijke publicaties en gerechtelijke uitspraken) zijn in zijn ogen overigens niet of nauwelijks toegankelijk, laat staan controleerbaar”.

- (iii):

“Ten aanzien van de door het OM ter adstructie van zijn verzoek gebruikte bronnen bestaande uit strafrechtelijke beslissingen van buitenlandse gerechtelijke autoriteiten hebben de Stichting c.s. zich eveneens beroepen op het deskundige oordeel van professor [betrokkene 4]. [betrokkene 4] concludeert dat een substantieel deel van de buitenlandse gerechtelijke uitspraken (door het OM dus niet in het geding gebracht), die het OM ter onderbouwing van zijn verzoek heeft genoemd, van een onjuiste vindplaats zijn voorzien. Derhalve is een groot deel van die uitspraken door de Stichting c.s. niet gevonden, terwijl eerst na zeer tijdrovend zoekwerk slechts enkele uitspraken konden worden getraceerd, zij het met een andere vindplaats dan door het OM opgegeven. Professor [betrokkene 4] concludeert ten aanzien van dit punt dat de aantallen waar het hier om gaat dermate significant zijn dat de rechter uiterst behoedzaam te werk moet gaan met het gebruik van dergelijke bronnen in zijn oordeel. Dat is temeer noodzakelijk gelet op de zware motiveringsplicht die in dit verband op het OM rust als consequentie van de vergaande inperking op de vrijheid van vereniging (artikel 11 Gw en artikel 8 EVRM ) die toewijzing van het verzoek van het OM met zich brengt ”.

- (iv):

“Ten slotte heeft het OM zich beroepen op een aantal criminologische onderzoeken, onder andere een onderzoek van Blokland uit 2014 en Blokland e.a. uit 2017. Uit die onderzoeken zou volgens het OM blijken dat HAMC één van de meest prominent vertegenwoordigde organisaties zou zijn op het gebied van criminaliteit. De Stichting c.s. hebben die stelling gemotiveerd betwist en de onderzoeken, waarop het OM deze stelling baseert, laten analyseren door [betrokkene 3]. [betrokkene 3] concludeert in zijn rapport dat de cijfermatige onderbouwing van het OM ook op dit punt ernstige gebreken vertoont. De cijfers geven bijvoorbeeld geen uitsluitsel over de vraag of een persoon voor of tijdens zijn lidmaatschap van de Hells Angels is veroordeeld. Bovendien zijn de cijfers niet-concludent en erg suggestief waar het gaat om het percentage van Hells Angels-leden dat een strafrechtelijke veroordeling op zijn naam zou hebben.De Stichting c.s. hebben er bovendien op gewezen dat Blokland zelf een kritische reflectie op het gebruik van zijn onderzoeken heeft gegeven in het Tijdschrift voor Criminologie. Blokland stelt daarin zelf dat zijn bevindingen voor de juridische oordeelsvorming omtrent ‘de werkzaamheid van de vereniging’ hooguit indirect bewijs opleveren”.

- (v):

“Voorts hebben de Stichting c.s. gewezen op het rapport van de Nationale Ombudsman ten aanzien van de klacht van de motorclub Veterans MC, die net als [betrokkene 3] in de onderhavige procedure, concludeert dat de cijfermatige onderbouwing voor de kwalificatie van Veterans MC als 'outlaw motorcycle gang’ zeer twijfelachtig is en die kwalificatie derhalve niet rechtvaardigt”.

Deze (door het OM onweersproken) stellingen laten geen andere uitleg toe dan dat sterk moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van het bewijs dat het OM aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, maar niet in het geding heeft gebracht. Bovendien hebben de Stichting c.s. aangevoerd dat zij ernstig in hun verdedigingsmogelijkheden zijn geschaad omdat er qua bewijspositie sprake is van een structurele onevenwichtigheid tussen partijen, zodat het beginsel van equality of arms is geschonden. Het hof geeft geen enkele respons op dit essentiële verweer, waarmee het in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten en uit het oog heeft verloren dat op het OM een verzwaarde stelplicht en bewijslast rust in verband met de verstrekkende aard van zijn verzoek, aldus nog steeds het subonderdeel.

3.11

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Vooreerst springt in het oog dat het subonderdeel, zich beroepend met vindplaatsverwijzingen op door de Stichting c.s. aangevoerde stellingen in feitelijke instanties, bijna uitsluitend verwijst naar door de Stichting c.s. in een laat stadium van het hoger beroep ingebrachte stukken: het ‘verweer inzake het bewijs’, een dataset, het rapport van [betrokkene 4] en de bij de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen. In dit verband is relevant dat de hogerberoepsrechter een verweer dat is gevoerd in een bij een processtuk overgelegde productie of bijlage dient te betrekken in zijn beoordeling, indien - voor zover hier relevant - dit verweer redelijkerwijs kenbaar is en is gevoerd binnen de grenzen van het grondenstelsel en, in verband daarmee, de ‘tweeconclusieregel’. Ik ga ervan uit dat aan het een en ander in dit geval is voldaan, ook nu de Stichting c.s. tijdens de mondelinge behandeling onweersproken hebben gesteld dat het ‘verweer inzake het bewijs’ als processtuk ter rolle is ingediend, in dat verweer en deze spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. wordt verwezen naar de andere bijlagen, en het in het ‘verweer inzake het bewijs aangevoerde’ een uitwerking of precisering vormt van grief 30 in het beroepschrift zijdens de Stichting c.s.Het subonderdeel trekt ten strijde tegen ’s hofs oordeel in rov. 5.35 van de beschikking dat:

“5.35. (…) [d]e Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat [moeten] worden geacht daarop [dus: “de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt” welke door het OM ingebrachte bronnen “[w]el van betekenis zijn”, te onderscheiden van “de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn”, A-G] gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren.”

Zoals onder meer uiteengezet onder 3.9 hiervoor volgt hieruit dat naar ’s hofs oordeel in de beschikking wél van betekenis zijn “de bronnen” die in de onderhavige procedure zijn ingebracht door het OM en “die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, alsmede dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen responderen op deze voor hen kenbare bronnen (waartoe de Stichting c.s. ook in de gelegenheid zijn gesteld), ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren, nu het gaat om deze bronnen met concrete gegevens die (leden van) de Hells Angels zelf betreffen, hetgeen niet in tegenspraak is met (rechtspraak van het EHRM in het kader van) art. 6 EVRM, waaronder het beginsel van equality of arms.De onder 3.10 sub (i) t/m (v) hiervoor weergegeven stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties, waarop subonderdeel 2.2 zich beroept met vindplaatsverwijzingen en waaraan het hof niet voorbijziet (zie ook rov. 5.32), brengen naar de aard en gezien hetgeen het hof overweegt in rov. 5.35 niet mee dat het hof niet zonder nadere motivering kon komen tot dit oordeel in rov. 5.35, zodat van ‘essentiële’ stellingen (waarop het hof nog weer nader had moeten responderen) hier niet kan worden gesproken. Daarbij betrek ik mede, kort gezegd:

- dat het hof dit oordeel in rov. 5.35 toespitst op genoemde, door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en voor de Stichting c.s. kenbare “bronnen” die “concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, welke bronnen wél van betekenis zijn, te onderscheiden van “de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn”, waaraan het hof weinig betekenis toekent;

- dat de door het hof onderkende omstandigheid dat het bij deze bronnen met concrete gegevens ten dele gaat over “berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren” onverlet laat, naar het hof aldaar ook onderkent, dat het te dezen gaat om deze bronnen met “concrete gegevens” die (leden van) de Hells Angels zelf betreffen (want zien op “incidenten met leden van de Hells Angels” en “de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”);

- dat dit oordeel van het hof betrekking heeft op de vraag of de Stichting c.s. - en in ieder geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen reageren op deze bronnen met concrete gegevens, niet (ook) op bijvoorbeeld de te onderscheiden vraag naar, kort gezegd en in de woorden van het subonderdeel, “de betrouwbaarheid van het bewijs dat het OM aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, maar niet in het geding heeft gebracht”;

- dat het hof met dit oordeel kenbaar - en dus niet ten onrechte: zie onder 3.9 hiervoor - tot uitdrukking brengt (“moeten in staat worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren”, etc.) dat van enige, met het equality of arms-beginsel strijdige “onevenwichtigheid tussen partijen” ter zake geen sprake is.

Kortom, dat wat het subonderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof in rov. 5.35 zijn oordeel ontoereikend motiveert. Zoals dit een en ander ook laat zien, missen tevens grond de stellingen aan het slot van het subonderdeel dat het hof “geen enkele respons [geeft] op dit essentiële verweer” en dat het hof daarmee “schromelijk in zijn motiveringsplicht [is] tekortgeschoten” en “uit het oog [heeft] verloren dat op het OM een verzwaarde stelplicht en bewijslast rust in verband met de verstrekkende aard van zijn verzoek”, waarbij nog zij aangetekend dat het hof door de beschikking heen - zie o.a. rov. 5.27-5.31, 5.34 en 5.52 - juist blijk ervan geeft de voor het OM geldende drempel ten aanzien van zijn verzoek (ook in termen van stelplicht en bewijslast) steeds scherp voor ogen te hebben.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.12

Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.

Onderdeel 3: “Beoordeling van de ‘structurele situatie van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit’, ‘ingebed in een cultuur van geweld’ bij de Hells Angels (rov. 5.35-5.50): oneigenlijke toepassing van art. 149 Rv. in strijd met de goede procesorde en de waarheidsvinding”

3.13

Onderdeel 3 start met een aanloop, waarin een samenvatting wordt gegeven van rov. 5.35-5.50 van de beschikking.

3.14

Subonderdeel 3.1 klaagt dat “[d]eze oordeelvorming”, waarmee het kort gezegd doelt op ’s hofs oordeel in rov. 5.35-5.50 van de beschikking met als “conclusie dat zowel wereldwijd als in Nederland sprake is van een ‘structurele situatie van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit’”, reeds geen stand kan houden voor zover zij voortborduurt op en tevens is gebaseerd op het in onderdeel 2 als ondeugdelijk (in strijd met het beginsel van equality of arms) aangemerkte uitgangspunt van het hof in rov. 5.35.

3.15

Het subonderdeel faalt, nu het voortbouwt op onderdeel 2 dat faalt, in welk lot het subonderdeel deelt. Zie onder 3.7-3.12 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.

3.16

Subonderdeel 3.2 klaagt dat “[a]fgezien daarvan” ’s hofs “beoordeling” mede in zoverre onjuist is:

“3.2 (…) dat het hof miskent dat de toepassing van art. 149 Rv in dit geval ertoe leidt dat de feitelijke (deels) niet verifieerbare stellingen van het OM omtrent de geweldscultuur van de Stichting c.s. voor waar worden gehouden, zonder enige vorm van verificatie door het hof. Deze wijze van beoordeling is in strijd met de goede procesorde. Bovendien heeft het hof aldus het uit een oogpunt van waarheidsvinding onaanvaardbare risico voor lief genomen dat het recht zou spreken op basis van een verondersteld ‘feitensubstraat’ dat niet correspondeert met de werkelijkheid. Daartoe heeft het oordeel van het hof - naar de bevinding van de Stichting c.s. - dan ook geleid: een kafkaëske situatie, die voor de Stichting c.s. dreigt te eindigen in de nachtmerrie van een valse procedurele werkelijkheid die de feitelijke werkelijkheid niet alleen verdringt maar ook vernietigt.”

3.17

Subonderdeel 3.3 klaagt vervolgens:

“3.3 De - niet geverifieerde - vaststelling van het hof is mede in zoverre onjuist, dat het zich niet verdraagt met de hoge eisen die moeten worden gesteld aan stelplicht en bewijslast omtrent de ‘werkzaamheid in strijd met de openbare orde’, behorend bij een vordering tot verbod van een (informele) vereniging ex art. 2:20 BW, gelet op de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en art. 11 EVRM.”

3.18

De subonderdelen 3.2 en 3.3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.34 van de beschikking overweegt het hof als volgt:

“5.34. “5.34. Voor het hof is bepalend of op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat sprake is van zodanig ernstige en structurele, aan HAMC en HAMC Holland toe te rekenen gedragingen, dat deze een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. De bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die tot deze conclusie kunnen leiden, rust op het OM. Dat volgt uit de regels van het bewijsrecht, die op grond van artikel 284 Rv van overeenkomstige toepassing zijn in deze verzoekschriftprocedure (in dit geval: artikel 150 Rv). Op grond van artikel 152 Rv mag het OM zich daarbij in beginsel op alle bewijsmiddelen beroepen. Voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, moet het hof die feiten op grond van artikel 149 Rv als vaststaand aannemen.

“5.34. Naar het oordeel van het hof zijn er voldoende feiten en omstandigheden komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde. Het hof acht verder aannemelijk gemaakt dat een verbod van deze organisaties in Nederland om die reden noodzakelijk is. Het hof licht dat hierna toe.”

Dit oordeel wordt in cassatie niet (kenbaar) bestreden. De toelichting waarop het hof wijst in rov. 5.34 is vervat in rov. 5.35-5.52, welke overwegingen van het hof in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Dit laatste geldt ook voor de onderhavige subonderdelen, dus 3.2 en 3.3.In de eerste plaats geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepassing van art. 149 Rv in dit geval door te overwegen zoals het doet in rov. 5.34 en 5.35-5.52, waarvan onderdeel uitmaken ’s hofs oordelen (i) dat voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, het hof die feiten op grond van art. 149 Rv als vaststaand moet aannemen (rov. 5.34), en (ii) dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen reageren op de door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren (rov. 5.35), waarover nader onder 3.9 en 3.11 hiervoor. Anders dan subonderdeel 3.2 veronderstelt, is hier dus geen sprake van “feitelijke (deels) niet verifieerbare stellingen van het OM omtrent de geweldscultuur van de Stichting c.s.”, waarbij zij aangetekend dat die stellingen van het OM (evenals ’s hof oordeel ter zake, zie o.a. rov. 5.27, 5.31, 5.35-5.45, 5.50-5.52) niet zozeer betrekking hebben op “de geweldscultuur” van “de Stichting c.s.”, als wel op die van HAMC (Holland). In het verlengde daarvan ziet subonderdeel 3.2 tevens eraan voorbij dat het hof, mede gezien zijn overwegingen in rov. 5.34 en 5.35-5.52, niet gehouden was - ook niet in het licht van art. 149 Rv of de eisen van een goede procesorde - genoemde stellingen van het OM zelf nog weer aan “enige vorm van verificatie” te onderwerpen, noch aldus oordelend “het uit een oogpunt van waarheidsvinding onaanvaardbare risico voor lief [heeft] genomen dat het recht zou spreken op basis van een verondersteld ‘feitensubstraat’ dat niet correspondeert met de werkelijkheid.” Daarmee valt ook de bodem weg onder de slotzin van het subonderdeel 3.2, waar enkel wordt geponeerd - een te onderscheiden, eigenstandige klacht kan ik er nochtans niet in lezen - dat “naar de bevinding van de Stichting c.s.” het oordeel van het hof “dan ook” heeft geleid tot “een kafkaëske situatie”, die voor hen dreigt te eindigen “in de nachtmerrie van een valse procedurele werkelijkheid die de feitelijke werkelijkheid niet alleen verdringt, maar ook vernietigt.” Daarop loopt subonderdeel 3.2 vast.Voorts geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting zoals bedoeld in subonderdeel 3.3. Voor zover dit subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 3.2 (“De - niet geverifieerde - vaststelling van het hof”, etc.), deelt het in het lot daarvan: zie hiervoor. Voor het overige geldt dat het hof met de in subonderdeel 3.3 bedoelde “vaststelling”, wat - voor zover het subonderdeel feitelijke grondslag heeft - kennelijk betrekking heeft op ’s hofs oordeel inzake “de geweldscultuur” van HAMC (Holland) in rov. 5.35-5.50, niet voorbijziet aan, wat het subonderdeel noemt, de (hoge) eisen die moeten worden gesteld aan stelplicht en bewijslast omtrent de ‘werkzaamheid in strijd met de openbare orde’ behorend bij een verbod van een (informele) vereniging ex art. 2:20 BW gelet op de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en art. 11 EVRM, te onderscheiden van de werking van art. 149 Rv. Daarbij zij herhaald dat het hof door de beschikking heen - zie o.a. rov. 5.27-5.31, 5.34 en 5.52 - juist blijk ervan geeft de voor het OM geldende drempel ten aanzien van zijn verzoek (ook in termen van stelplicht en bewijslast) steeds scherp voor ogen te hebben. Zie onder 3.11 hiervoor. Waarom dit anders zou zijn, legt het subonderdeel ook niet uit. Daarop strandt subonderdeel 3.3.Hierop stuiten de subonderdelen af.

3.19

Subonderdeel 3.4 klaagt dat althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 5.35 van de beschikking dat, ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, uit deze bronnen het beeld oprijst van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland en dat daaruit ook blijkt van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. Het hof heeft verzuimd te responderen op de essentiële stellingen van de Stichting c.s., die “er kort gezegd op neerkomen dat uit het door het OM naar voren gebrachte bewijsmateriaal onmogelijk het beeld kan oprijzen van een veelheid aan geweldsincidenten, ingebed in een cultuur van geweld.” Het subonderdeel wijst daartoe op het volgende, ik citeer weer:

- (i):

“Ten aanzien van de door het OM gebezigde informatie uit Nederlandse politiesystemen, die 60% van de totaal door het OM gebruikte bronnen uitmaakt, hebben de Stichting c.s. aangetoond dat 75% van die informatie is gebaseerd op slechts een viertal politieonderzoeken (De onderzoeken Toren, Yngvi/VIDAR, Acroniem en Kievit), die gezamenlijk over een periode van twintig jaar hebben gelopen en concreet ten aanzien van slechts 5 personen een verdenking hebben opgeleverd. Dit terwijl slechts één van die onderzoeken (onderzoek Toren) tot een daadwerkelijke veroordeling heeft geleid. Het OM werd ten aanzien van het onderzoek Acroniem niet-ontvankelijk verklaard omdat het in die zaak maar liefst 128 geheimhoudersgesprekken tussen advocaten en hun cliënten had opgenomen. Ten aanzien van het onderzoek Kievit heeft het OM zelf erkend dat dat onderzoek niet heeft geleid tot aanhouding van een verdachte, terwijl ook niet kon worden vastgesteld dat enige motorclub bij het onderzochte incident was betrokken. De Stichting c.s. hebben hieruit geconcludeerd dat deze onderzoeken bezwaarlijk het oordeel van een geweldscultuur kunnen staven, nu van de in totaal 18 Nederlandse Hells Angels charters, met een totaal ledenaantal van 241, in de afgelopen ruwweg twintig jaar slechts twee charters en vijf leden voorwerp van strafrechtelijk onderzoek zijn geweest, dit ondanks de geïntensiveerde integrale aanpak van motorclubs”.

- (ii):

“Ten aanzien van de Nederlandse rechtspraak, die door het OM is aangevoerd en 34 incidenten behelst in een periode van 21 jaar, hebben de Stichting c.s. erop gewezen dat elf van de door het OM opgevoerde uitspraken niet controleerbaar zijn. Van de in het kader van deze bron genoemde incidenten hebben er drie überhaupt geen betrekking op leden van de Hells Angels. In drie andere gevallen ging het om een incident dat in het kader van andere bronnen al eens door het OM was genoemd, zodat in zoverre sprake is van dubbeltelling. De uitspraken die wel verifieerbaar waren, het zijn er tien, betreffen zonder uitzondering uitspraken die (i) uiteindelijk zijn geëindigd in een vrijspraak (ii) weliswaar in een veroordeling zijn geëindigd, maar het betreffende Hells Angels-lid is geroyeerd en de Hells Angels afstand hebben genomen van het betreffende incident of (iii) een veroordeling is uitgesproken waarbij het gaat om een incident dat volkomen losstaat van het lidmaatschap van de dader van de Hells Angels en waarbij de Hells Angels in de betreffende gerechtelijke uitspraak niet worden genoemd”.

- (iii):

“Ten aanzien van de door het OM opgevoerde buitenlandse bronnen hebben de Stichting c.s. naar voren gebracht dat in totaal slechts 34 landen van de in totaal 63 landen, waar zich charters bevinden, worden vertegenwoordigd. Meer dan 70% van de genoemde incidenten is gebaseerd op publicaties in de pers - waaronder niet geverifieerde berichten in sensatiebeluste boulevardbladen zoals Bild en The Sun -, terwijl van de door het OM genoemde buitenlandse uitspraken meer dan de helft niet verifieerbaar is, onder meer vanwege het ontbreken van vindplaatsen of het noemen van onjuiste vindplaatsen door het OM. De Stichting c.s. hebben op basis van deze feiten en omstandigheden gesteld dat onmogelijk een wereldwijde werkzaamheid van HAMC kan worden vastgesteld”.

Het hof heeft door voorbij te gaan aan deze essentiële verweren en stellingen van de Stichting c.s. zijn oordeel ongenoegzaam gemotiveerd, aldus nog steeds het subonderdeel.

3.20

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.32 van de beschikking zet het hof - samenvattend - uiteen wat de Stichting c.s. hebben aangevoerd ter betwisting van hetgeen door het OM is aangevoerd, zoals bedoeld in rov. 5.31. Zoals blijkt uit rov. 5.32, onderkent het hof daarin (ook) de stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties waarop het subonderdeel een beroep doet met vindplaatsverwijzingen (zie onder 3.19 sub (i) t/m (iii) hiervoor). Zoals blijkt uit rov. 5.33-5.52, betrekt het hof (ook) deze stellingen van de Stichting c.s. in zijn beoordeling. ’s Hofs - door het subonderdeel bestreden - overweging in rov. 5.35:

- dat ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, uit deze bronnen het beeld oprijst van “een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland”,

- dat daaruit (dus: uit deze bronnen) ook blijkt van “structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden”, en van “structureel verzet tegen overheidsoptreden”, en

- dat ook daaruit (dus: uit deze bronnen) is af te leiden dat dit een “structurele situatie” is, die is “ingebed in een cultuur van geweld”,

vindt afdoende grondslag in hetgeen het hof daaraan blijkens rov. 5.36-5.52 concreet ten grondslag legt, zoals bestudering van rov. 5.36-5.52 leert. Dat hetgeen het hof daaraan blijkens rov. 5.36-5.52 concreet ten grondslag legt een nadere motivering behoefde in het licht van de - door het hof dus onderkende - stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties waarop het subonderdeel een beroep doet met vindplaatsverwijzingen (zie onder 3.19 sub (i) t/m (iii) hiervoor), valt niet in te zien: aan hetgeen het hof daar overweegt, staan die stellingen - ook voor zover daarin niet gericht verworpen door het hof, zie o.a. rov. 5.48-5.49 en 5.51 - naar de aard niet in de weg, zoals bestudering van rov. 5.36-5.52 en die stellingen leert. Het subonderdeel, dat zich naar de kern genomen beperkt tot de klacht dat hof heeft verzuimd te responderen op de daarin genoemde stellingen van de Stichting c.s. die “er kort gezegd op neerkomen dat uit het door het OM naar voren gebrachte bewijsmateriaal onmogelijk het beeld kan oprijzen van een veelheid aan geweldsincidenten, ingebed in een cultuur van geweld”, legt verder ook niet uit, laat staan onder verwijzing naar specifieke overwegingen van het hof in rov. 5.36-5.52, waarom dit laatste anders zou zijn. Bij dit een en ander zij nog in herinnering gebracht wat het hof overweegt in rov. 5.34 en de eerste drie zinnen van rov. 5.35, waarover onder 3.9, 3.11 en 3.18 hiervoor. Kortom, van ‘essentiële’ verweren en stellingen van de Stichting c.s. (waarop het hof nog weer nader had moeten responderen) kan hier niet worden gesproken.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.21

Subonderdeel 3.5 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.37-5.38, 5.46 en 5.48-5.49 van de beschikking tevens onbegrijpelijk is gemotiveerd, voor zover het rust op niet overgelegde, ongespecificeerde, gesloten of anderszins oncontroleerbare bronnen van het OM enerzijds en de bevinding van het hof dat de inhoud daarvan onvoldoende (gemotiveerd) door de Stichting c.s. is betwist anderzijds.Dit oordeel is bovendien innerlijk tegenstrijdig met de overweging van het hof in rov. 5.35, voor zover het hof in deze “rechtsoverwegingen” verwijst naar incidenten genoemd in de bijlagen van het OM zonder dat duidelijk wordt waarop de daarin genoemde beschuldigingen zijn gebaseerd en wat precies de feiten zijn. In rov. 5.35 heeft het hof namelijk overwogen dat het van weinig betekenis zal achten de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn.Deze “algemene motiveringsklachten” worden voor iedere “rechtsoverweging” afzonderlijk uitgewerkt door de Stichting c.s., onder 3.5.1 t/m 3.5.5 van het subonderdeel. Ik behandel het subonderdeel op basis van deze ‘afzonderlijke uitwerking’ onder 3.5.1 t/m 3.5.5, waarbij ik verwijs naar subonderdeel 3.5.1 t/m 3.5.5. Lopen deze aldus uitgewerkte klachten vast, dan delen genoemde “algemene motiveringsklachten” in het lot daarvan.

3.22

Subonderdeel 3.5.1 keert zich tegen rov. 5.37 van de beschikking, waarin het hof overweegt, in de woorden van het subonderdeel, “dat het dossier veel voorbeelden bevat van verzet en geweld van de Hells Angels tegen de politie of dreiging daarmee en dat daaruit zou blijken van een structureel vijandige houding van de Hells Angels tegenover de politie (waarbij het hof verwijst naar bijlage 10 onder 2.1, bijlage 26 onder 10.2.6 en 10.2.7, en bijlage 32 onder 10.2.1), welke voorbeelden niet voldoende gemotiveerd door de Stichting c.s. zijn betwist (rov. 5.37).” Dat oordeel is onbegrijpelijk, omdat het hier gaat om ongespecificeerde informatie uit oncontroleerbare bronnen waarvan niet valt in te zien hoe de Stichting c.s. de inhoud daarvan gemotiveerd zouden hebben kunnen betwisten.

3.23

Subonderdeel 3.5.2 richt zich tegen rov. 5.38 van de beschikking, waarin het hof, in de woorden van het subonderdeel, “zijn oordeel, dat de geslotenheid van de club wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag wederom [baseert] op ongespecificeerde, niet-verifieerbare/controleerbare bronnen (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5, bijlage 28 onder 1.1.3), die het niet of onvoldoende gemotiveerd betwist acht door de Stichting c.s.” Dat oordeel is evenzeer onbegrijpelijk, omdat het hof ook hier eraan voorbijziet dat de Stichting c.s. redelijkerwijs niet op genoemde bronnen konden ingaan en de inhoud daarvan dus niet (genoegzaam) konden betwisten.

3.24

De subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.35 van de beschikking overweegt het hof als volgt:

“5.35. Het hof kent weinig betekenis toe aan de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn. Wel van betekenis zijn de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt. De Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - moeten in staat worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, rijst uit deze bronnen het beeld op van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld.”

Zie daarover onder 3.9 en 3.11 hiervoor. Het hof werkt dit een en ander uit in rov. 5.36-5.52. Zie daarover onder 3.18 en 3.20 hiervoor. Ik wend mij nu tot de subonderdelen.In rov. 5.37, voor zover bestreden door subonderdeel 3.5.1, gaat het naar ’s hofs oordeel dus om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt (specifiek veel voorbeelden van verzet en geweld van Hells Angels tegen de politie, of dreiging daarmee, tevens blijk gevend van een structureel vijandige houding van de Hells Angels tegenover de politie ook in de praktijk), ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Voor zover subonderdeel 3.5.1 (met de verwijzing daarin naar “ongespecificeerde informatie uit oncontroleerbare bronnen”, etc.) uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het erop stuk dat bestudering van de daarin genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert dat deze niet de conclusie rechtvaardigen dat dit bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is, niettegenstaande hetgeen (in algemene termen) is opgemerkt in noten 50-52 bij het subonderdeel. Kort en goed: wat het hof ter zake overweegt, heeft afdoende grond in genoemde vindplaatsen.In rov. 5.38, voor zover bestreden door subonderdeel 3.5.2, gaat het naar ’s hofs oordeel dus ook om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt (specifiek voorbeelden van de geslotenheid van de club - dus van de Hells Angels, een sterk gesloten club (zie rov. 5.37) - versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag), ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Voor zover subonderdeel 3.5.2 (met de verwijzing naar het redelijkerwijs door de Stichting c.s. niet op genoemde bronnen kunnen ingaan en de inhoud daarvan dus niet (genoegzaam) kunnen betwisten) uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het erop stuk dat bestudering van de daarin genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert dat deze niet de conclusie rechtvaardigen dat dit bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is, niettegenstaande hetgeen (in algemene termen) is opgemerkt in noten 53-54 bij het subonderdeel. Kortom, ook hier geldt dat wat het hof ter zake overweegt, afdoende grond heeft in genoemde vindplaatsen.Hierop stuiten de subonderdelen af.

3.25

Subonderdeel 3.5.3 bestrijdt rov. 5.46 van de beschikking, waarin het hof, in de woorden van het subonderdeel, “[constateert] dat ‘uit vele voorbeelden in het dossier’ zou volgen dat de Hells Angels niet tolereren dat (leden van) andere motorclubs zich in hun territorium begeven en, indien dit wel gebeurt, een conflict ontstaat.” Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof heeft verzuimd aan te geven uit welke bronnen het deze constatering precies afleidt. ’s Hofs constatering is daarom op zichzelf al oncontroleerbaar, nog afgezien van het feit dat de kans groot is dat de bronnen, waar het hof op hint maar die op basis van zijn nogal algemene overweging niet uit de enorme hoeveelheid materiaal zijn te achterhalen, evenmin controleerbaar/verifieerbaar zijn.

3.26

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het subonderdeel ziet vooreerst eraan voorbij dat rov. 5.46 van de beschikking niet geïsoleerd gelezen moet worden, maar in onderling(e) verband en samenhang met o.a. hetgeen het hof overweegt in rov. 5.47 (“vijf voorbeelden daarvan”, etc.), 5.48 (“Het dossier bevat verder diverse voorbeelden van gevallen”, etc.) en 5.49 (“Aan de hiervoor genoemde voorbeelden kan op basis van de stukken nog het volgende worden toegevoegd”, etc.). Daarin benoemt het hof telkens de concrete basis in het procesdossier voor deze vaststellingen, daarmee zijn oordeel ter zake controleerbaar makend. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, opperen van ‘een grote kans’ dat de bronnen waarop het hof doelt in rov. 5.46 “evenmin controleerbaar/verifieerbaar zijn”). Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.27

Subonderdeel 3.5.4 klaagt dat “[h]etzelfde motiveringsgebrek” te vinden is in rov. 5.48 van de beschikking, waar het hof, in de woorden van het subonderdeel, “‘uit diverse voorbeelden uit het dossier’ afleidt dat ex-leden, slachtoffers en getuigen geen verklaring durven af te leggen over incidenten waarbij de Hells Angels zouden zijn betrokken.” Het hof maakt ook hier niet inzichtelijk waarop zijn oordeel is gebaseerd. Bovendien rust dit oordeel opnieuw op niet-verifieerbaar bewijs van het OM, in zoverre het hof overweegt, in de woorden van het subonderdeel, “dat er voorbeelden zijn waaruit blijkt dat de Hells Angels daadwerkelijk zouden intimideren met het doel te voorkomen dat er aangifte wordt gedaan of verklaringen worden afgelegd (met verwijzing naar bijlage 10 en bijlage 26 onder 11.2.1).”

3.28

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het subonderdeel ziet vooreerst eraan voorbij dat rov. 5.48, eerste zin van de beschikking niet geïsoleerd gelezen moet worden, maar in onderling(e) verband en samenhang met hetgeen het hof overweegt in rov. 5.48, tweede zin. De in rov. 5.48, tweede zin benoemde concrete basis in het procesdossier (“zie bijvoorbeeld bijlage 10”, etc.) is ook relevant voor de vaststelling in rov. 5.48, eerste zin, waarmee het hof zijn oordeel ter zake controleerbaar maakt. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, suggereren dat ’s hofs oordeel in rov. 5.48, tweede zin (dat er ook voorbeelden zijn waaruit blijkt dat de Hells Angels daadwerkelijk intimideren met het doel te voorkomen dat er aangifte wordt gedaan of verklaringen worden afgelegd) “opnieuw” berust op bronnen waarop het OM beroep doet maar niet gemotiveerd gereageerd kan worden). Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.29

Subonderdeel 3.5.5 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.49 van de beschikking evenzeer ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof, in de woorden van het subonderdeel, zijn oordeel “dat sprake is van een reeks ernstige geweldsincidenten door leden van Hells Angels” wederom put uit het niet voor de Stichting c.s. verifieerbaar of überhaupt toegankelijke, door het OM weliswaar genoemde, maar niet daadwerkelijk in het geding gebrachte materiaal (bijlage 26 onder 8.1.12 en 14.1.2-14.1.3), zonder inzichtelijk te maken uit welk materiaal.

3.30

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.49 van de beschikking wijst het hof “op basis van de stukken”, te weten diverse genummerde (onderdelen van) bijlagen en daarin vermelde gevallen van ernstig geweld door leden van de Hells Angels die het hof traceerbaar uitlicht, aanvullend nog op “ernstige incidenten met de Hells Angels in buurland Duitsland en in Nederland.” Daarmee maakt het hof dus wel degelijk inzichtelijk waarop het zich hier concreet baseert. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, suggereren dat ’s hofs oordeel in rov. 5.49 (“dat sprake is van een reeks ernstige geweldsincidenten door leden van Hells Angels”) “wederom” berust op bronnen waarop het OM beroep doet maar niet gemotiveerd gereageerd kan worden). Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.31

Daarmee is gegeven dat subonderdeel 3.5 faalt.

3.32

Subonderdeel 3.6 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.37-5.38, 5.41 en 5.43-5.50 van de beschikking bovendien onbegrijpelijk gemotiveerd is, omdat het hof steevast “op eenzijdige en grofmazige wijze tot verstrekkende conclusies komt” ten aanzien van ‘de structurele situatie van het plegen van strafbare feiten’, ‘ingebed in een cultuur van geweld’ bij de Hells Angels, waarbij het hof verzuimt te responderen op essentiële verweren en nuanceringen die de Stichting c.s. ten aanzien van de door het hof besproken afzonderlijke omstandigheden naar voren hebben gebracht.Deze “motiveringsklacht” wordt per genoemde “rechtsoverweging” uitgewerkt door de Stichting c.s., onder 3.6.1 t/m 3.6.7 van het subonderdeel. Ik behandel het subonderdeel op basis van deze ‘uitwerking’ onder 3.6.1 t/m 3.6.7, waarbij ik verwijs naar subonderdeel 3.6.1 t/m 3.6.7. Lopen deze aldus uitgewerkte klachten vast, dan deelt genoemde “motiveringsklacht” in het lot daarvan.

3.33

Subonderdeel 3.6.1 luidt als volgt:

“3.6.1 In rov. 5.37 overweegt het hof dat de Hells Angels een sterk gesloten club vormen die overheidsgezag zoveel mogelijk buiten de deur houdt, onder meer door de regel dat ‘verraders’, (ex-)agenten en personen die werken of hebben gewerkt voor andere handhavingsinstanties geen lid van de Hells Angels mogen worden. Ook zou in de praktijk blijken van een vijandige houding tegenover de politie. Het hof bespreekt vervolgens de beweerde zwijgplicht, het strikte verbod om mee te werken met overheidsgezag alsmede een bad standing beleid binnen de Hells Angels dat gepaard gaat met geweld. Zo stelt het hof in rov. 5.38 vast dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht, die niet op één lijn te stellen is met het zwijgrecht van verdachten in een strafproces. Het hof leidt dat af uit een aantal uitspraken (zoals ‘silence is golden, duct tape is silver’ en ‘three may keep a secret if two are dead’). Dat er voorbeelden zijn waarbij leden van een charter wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces, doet wat het hof betreft aan zijn oordeel niet af. Volgens het hof zijn meerdere voorbeelden voorhanden waaruit valt af te leiden dat geen verklaringen worden afgelegd omdat dit tot ernstige repercussies kan leiden (verwijzend naar bijlage 4, onder 4.2.7 en bijlage 26 onder 2.1.1). Dit terwijl uit diverse bronnen zou blijken van een bad standing beleid gepaard gaand met geweld (verwijzend naar bijlage 26 onder 8.2.1, bijlage 28 onder 3.2.3 en 7.2.1 en bijlage 32 onder 4.2.1). In rov. 5.48 herhaalt het hof dat het dossier diverse voorbeelden zou bevatten van gevallen waarin ex-leden, slachtoffers en getuigen geen verklaring af durven te leggen (met verwijzing naar bijlage 10 en bijlage 26 onder 11.2.1). Uit dit alles leidt het hof een structurele situatie van geweldspleging, ingebed in een geweldscultuur af (vgl. rov. 5.50-5.52).Deze oordeelsvorming is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof met geen woord ingaat op [i] het geadstrueerde verweer van de Stichting c.s. dat de voorbeelden van een zwijgplicht uit bijlage 4, paragraaf 2 van het OM slechts rusten op mediaberichten waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het zwijgrecht, dat iedere verdachte in een strafproces toekomt, en de beweerde vanuit de Hells Angels aan het betreffende lid opgelegde zwijgplicht, en dat door het OM slechts vijf zaken worden genoemd waaruit deze zwijgplicht zou moeten blijken, terwijl uit het merendeel van die gevallen niet valt af te leiden dat sprake is van een door de Hells Angels opgelegde zwijgplicht maar dat de zwijgzaamheid van het betreffende lid een vrijwillige keuze was. Bovendien [ii] hebben de Stichting c.s. ten aanzien van een aantal leuzen (zoals ‘silence is golden, duct tape is silver’ en ‘three may keep a secret if two are dead’ - afkomstig van Benjamin Franklin, één van de oprichters van de VS) gesteld dat deze geen slogans van de Hells Angels zijn maar in brede kring gebruikte kreten die, op allerlei voorwerpen geprint of gedrukt, vrij verkrijgbaar zijn op internet en veeleer aantonen dat er kennelijk een markt is voor rebelse teksten met een gezonde dosis humor dan dat deze teksten aanzetten tot geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde. Mede in het licht van deze verweren is de overweging van het hof, dat de voorbeelden waarin door Hells Angels leden wel wordt meegewerkt met de politie, zoals door de Stichting c.s. opgemerkt, niet afdoen aan zijn oordeel dat bij 'de club’ sprake is van een zwijgplicht, onbegrijpelijk.”[vetgedrukte Romeinse cijfers tussen blokhaken toegevoegd, A-G]

3.34

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., waarnaar het subonderdeel verwijst (noot 59 aldaar) en voor zover relevant voor de stelling in het subonderdeel onder [i], hebben de Stichting c.s. het volgende aangevoerd:

“332. Ten derde: Het bestaan van een zogenaamde zwijgplicht of “omerta” waaraan Hells Angels leden zouden moeten voldoen, heeft verzoeker eveneens onvoldoende onderbouwd. Verzoeker heeft niet voldoende onderbouwd dat Hells Angels-leden zouden worden verplicht om zich op hun zwijgrecht te beroepen, of een zwijgplicht hebben. De aangehaalde voorbeelden in bijlage 4 paragraaf 2 van verzoeker berusten voornamelijk op mediaberichten, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het zwijgrecht dat iedere verdachte heeft en de beweerdelijke zwijgplicht. Het is dan ook niet duidelijk of men zich beroept op hun zwijgrecht of dat deze wordt opgelegd. Berichten uit de media kunnen niet als voldoende betrouwbaar worden geacht om de stelling van verzoeker te bewijzen. Iedere nadere onderbouwing ontbreekt - waaruit zou moeten blijken dat deze zwijgplicht bestaat en door Hells Angels charters zou worden opgelegd aan hun leden - ontbreekt.333. Verzoeker heeft in bijlage 4 paragraaf 3 slechts vijf zaken genoemd waaruit deze zwijgplicht zou moeten blijken. Het merendeel van deze zaken geeft bovendien geen blijk van de juistheid van de stelling van verzoeker dat de zwijgplicht door de Hells Angels zou worden opgelegd aan hun leden. Het lijkt eerder een vrijwillige keuze van het betrokken lid.”

In rov. 5.38 van de beschikking overweegt het hof allereerst als volgt:

“5.38. De geslotenheid van de club wordt verder versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag. De Stichting c.s. betwisten dat weliswaar, maar er zijn voldoende voorbeelden in het dossier waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. (…)”

Reeds hieruit volgt dat het hof de stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken (zie hiervoor) onder ogen ziet (“De Stichting c.s. betwisten dat weliswaar”, etc.) en daaraan gemotiveerd voorbijgaat (“maar er zijn voldoende voorbeelden in het dossier waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken”). Voor zover het subonderdeel ter zake uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel ter zake wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat het hof met zijn geciteerde overweging in rov. 5.38 - onder verwijzing naar “bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3” - dat het dossier “voldoende voorbeelden” bevat waaruit “blijkt” dat “[d]e geslotenheid van de club wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag” en die “niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken”, geen onbegrijpelijke uitleg geeft aan die bronnen noch aan die stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken en als geheel navolgbaar motiveert waarom het de betwisting door de Stichting c.s. passeert, welk oordeel zich - verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard - niet voor verdere toetsing in cassatie leent. Daarbij wijs ik er nog op:

- dat het hof in rov. 5.38 ook diverse slogans noemt (blijkend uit een wandschildering in het clubhuis van de Hells Angels in Haarlem en uit stickers verkrijgbaar via diverse buitenlandse websites van de Hells Angels) die “illustreren dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht”;

- dat het hof in rov. 5.38 met zoveel woorden onderkent dat “[d]e zwijgplicht die geldt voor de Hells Angels niet [kan] worden gelijkgesteld met het zwijgrecht dat verdachten hebben in een strafproces”, dat “[z]oals de naam al zegt, dat [dit zwijgrecht, A-G] een recht [is] en geen plicht; een ieder moet de vrijheid hebben om er wel of geen gebruik van te maken”, wat nog eens bevestigt dat het hof genoemde bronnen ook beziet met inachtneming van dit verschil;

- dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat aan het daarvoor overwogene evenmin afdoet dat er te onderscheiden voorbeelden zijn waarbij leden van een charter “wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces”, nu het daarbij gaat om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist;

- dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat er meerdere voorbeelden zijn “waaruit valt af te leiden dat geen verklaringen worden afgelegd omdat dit tot ernstige repercussies kan leiden (zie bijvoorbeeld bijlage 4, onder 4.2.7, bijlage 26 onder 2.1.1)”;

- dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat verder uit diverse bronnen blijkt “de toepassing van het bad standing beleid dat gepaard gaat met geweld (zie bijvoorbeeld bijlage 26 onder 8.2.1, bijlage 28 onder 3.2.3 en 7.2.1 en bijlage 32 onder 4.2.1)”;

- dat, anders dan het subonderdeel suggereert, ’s hofs bevindingen in rov. 5.50-5.52 niet slechts voortvloeien uit rov. 5.37-5.38 en 5.48, maar uit rov. 5.36-5.49 welke overwegingen weer bezien moeten worden in het licht van het daaraan voorafgaande, waaronder rov. 5.27-5.35.

Daarbij dient voorts te worden bedacht dat het naar ’s hofs oordeel in rov. 5.36-5.52 - derhalve ook in rov. 5.38 - dus gaat om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt, ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren (zie rov. 5.35). Zie onder 3.9 en 3.11 hiervoor. Zoals duidelijke moge zijn, strandt dus de klacht in het subonderdeel dat de daarin bedoelde “oordeelsvorming ontoereikend [is] gemotiveerd” nu het hof met geen woord ingaat op die stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken.

In de spreekaantekeningen in eerste aanleg (eerste termijn, deel II) zijdens de Stichting c.s., waarnaar het subonderdeel verwijst (zie noot 60 aldaar) in het kader van de stelling in het subonderdeel onder [ii], hebben de Stichting c.s. het volgende aangevoerd:

“89. Waar het overige patches betreft zoals “silence is golden, duct tape is silver”, “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” en “three may keep a secret if two are dead” weigert verzoeker volledig van context te voorzien. Deze patches zijn vrij verkrijgbaar en ook op websites te vinden die volledig los staan van de Hells Angels. Zo is de kreet “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” bij onder andere de webshop Me by me (www.mebymeshop.com) gemakkelijk te verkrijgen op mokken, kussens, kleding en portemonnees. Hieruit blijkt dat hooguit dat er een markt is voor rebelse teksten met een gezonde dosis galgenhumor.90. Ook de tekst “silence is golden, duct tape is silver” is onder meer zichtbaar op producten verkrijgbaar in een webshop genaamd fruugo (ww.fruugo.nl) en wordt door de webshop zelf bestempeld als “grappige womens t-shirt”. De Amerikaanse punkband Against All Authority heeft zelfs een muzieknummer getiteld “silence is golden, duct tape is silver” uit 2006, deze teksten lijken in deze context generlei aan te zetten tot geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde.91. De laatste tekst die in een ander licht gezien dient te worden is “three may keep a secret if two are dead”. De oorsprong van deze uitspraak lijkt te liggen bij een bekende Amerikaanse politicus uit de 18de eeuw genaamd Benjamin Franklin. Deze uitspraak is opgenomen in zijn “poor Richard’s Almanak”, die jaarlijks uitgebracht werd tussen 1733 en 1758. Op geen enkele wijze is deze expressie in deze context verbonden aan geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde.”[onderstrepingen toegevoegd, A-G]

Het hof overweegt in rov. 5.38 dat “[s]logans zoals ‘Omerta’ (wandschildering in het clubhuis van de Hells Angels in Haarlem), ‘Be careful of what you say on this phone’, ‘What you hear in this room stays in this room’, ‘Silence is golden, duct tape is silver’, ‘Three can keep a secret if two are dead’ en ‘We don’t call 911’ (stickers verkrijgbaar via diverse buitenlandse websites van de Hells Angels) illustreren dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht”. Deze ‘illustratie’ zoals bedoeld door het hof moet worden gelezen in het licht van het daaraan voorafgaande in rov. 5.38 (weer aansluitend op rov. 5.37), waar het hof overweegt dat de geslotenheid van de club (de Hells Angels) verder wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag, alsmede dat de Stichting c.s. dit weliswaar betwisten, maar er voldoende voorbeelden in het dossier zijn waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken; waarover hiervoor. Dat wat in die spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. geïsoleerd is opgemerkt over de daar bedoelde “patches” (“zoals “silence is golden, duct tape is silver”, “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” en “three may keep a secret if two are dead””) en “teksten” (“silence is golden, duct tape is silver”, “three may keep a secret if two are dead”) in de daar bedoelde ‘neutrale’ context die onderscheiden moet worden van hetgeen het hof in rov. 5.38 specifiek op het oog heeft in het kader van genoemde club, staat naar de aard niet in de weg aan deze of andere overwegingen van het hof in rov. 5.38 - noch overigens de in het subonderdeel bedoelde “oordeelsvorming” van het hof - en gaf het hof (dus) geen aanleiding zijn oordeel nog weer nader te motiveren, derhalve ook niet voor zover op dat in die spreekaantekeningen opgemerkte een beroep wordt gedaan in het kader van de stelling in het subonderdeel onder [ii]. Kortom, ook voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel in de beschikking ontoereikend motiveert vanwege die stelling in het subonderdeel onder [ii], loopt het subonderdeel vast.De uitkomst wordt niet anders door het slot van het subonderdeel, erop neerkomend dat “[m]ede in het licht van deze verweren” onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 5.38 dat de voorbeelden waarin door Hells Angels-leden wel wordt meegewerkt met de politie, waarop door de Stichting c.s. is gewezen, niet afdoen aan zijn oordeel dat bij de club sprake is van een zwijgplicht. Gegeven het voorgaande valt zonder meer, welk meerdere in het subonderdeel ontbreekt, niet in te zien dat die “verweren” - waarmee ten hoogste gedoeld kan worden op de stellingen in het subonderdeel onder [i] en [ii], zoals betrokken door de Stichting c.s. in feitelijke instanties - ’s hofs bestreden oordeel onbegrijpelijk zouden maken. Daarbij betrek ik mede dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat aan het daarvoor overwogene evenmin afdoet dat er te onderscheiden voorbeelden zijn waarbij leden van een charter “wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces”, nu het daarbij gaat om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist, welke betwisting ik ook in nr. 334 van het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s. dus niet lees.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.35

Subonderdeel 3.6.2 luidt als volgt:

“3.6.2 Het hof overweegt dat er gebruiken zijn, die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere vormen van criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels. In dat verband wijst het hof op defence funds en jail funds en het bestaan van BHC (Big House Crew)-lijsten van leden die vastzitten. Andere leden zouden via nieuwsbrieven opgeroepen worden hen moreel en financieel te steunen. Het hof overweegt dat strafvervolging en detentie aldus worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Dat in Nederland geen fonds voor juridische bijstand bestaat en dat hoogst uitzonderlijk is dat alle Hells Angels charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, doet aan het voorgaande niet af, aldus het hof (rov. 5.41).Deze overweging is reeds onbegrijpelijk, omdat zij niet is te rijmen met het betoog van de Stichting c.s. dat in Nederland geen fonds voor bijstand aan (gedetineerde) Hells Angels bestaat en de stelling dat het OM maar één voorbeeld van dergelijke ondersteuning heeft kunnen geven, dat bovendien zag op de uitzonderlijke situatie waarbij een Hells Angels lid mogelijk met de doodstraf werd geconfronteerd. Tevens hebben de Stichting c.s. gesteld dat door de Hells Angels geenszins wordt aangemoedigd aan dergelijke fondsen bij te dragen. Niet valt in te zien waarom deze stellingen 'niet af zouden doen’ aan de constatering dat strafrechtelijke vervolging vanwege het bestaan van ‘defence funds’ en 'jail funds’ door de Hells Angels als een soort bedrijfsrisico wordt gezien.”

3.36

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.41 van de beschikking overweegt het hof als volgt:

“5.41. Daar komt bij dat er gebruiken zijn die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels. Zo zijn er defence funds en jail funds en worden er wereldwijd BHC (Big House Crew)-lijsten bijgehouden van leden die vastzitten. Daarbij worden andere leden via nieuwsbrieven opgeroepen hen moreel en financieel te steunen. Typerend is een worldmotion uit 2010, die bij de national secretary van HAMC Holland is aangetroffen, met deze inhoud: ‘Brothers in jail shall be treated with respect and we shall do everything we can to make the inmates situation as good as it can be. Remember brothers, it can be you sitting there tomorrow.’ Een fonds voor juridische bijstand van lotgenoten en financiële steun voor gedetineerden hoeft op zichzelf geen vragen op te roepen, maar wat hier opvalt is dat strafvervolging en detentie worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Een uitleg waarom dat zo is ontbreekt, anders dan dat de Hells Angels kennelijk activiteiten die serieuze strafrechtelijke consequenties kunnen hebben erbij vinden horen.

Dat in Nederland geen fonds voor juridische bijstand bestaat en dat het hoogst uitzonderlijk is dat alle Hells Angels charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, doet aan het voorgaande niet af.”

In de eerste alinea van rov. 5.41 geeft het hof diverse, wereldwijde voorbeelden van gebruiken die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels. Aan al hetgeen het hof daar overweegt, doet naar de aard nog niet af, zoals het hof onderkent in de tweede alinea van rov. 5.41, dat specifiek “in Nederland” niet zo’n fonds voor juridische bijstand bestaat en dat het “hoogst uitzonderlijk” is dat “alle” Hells Angels-charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, waarmee het hof doelt op de stellingname ter zake van de Stichting c.s. in feitelijke instanties waarop ook het subonderdeel beroep doet.,Dat door de Stichting c.s. in feitelijke instanties zou zijn gesteld “dat door de Hells Angels geenszins wordt aangemoedigd aan dergelijke fondsen bij te dragen”, zoals het subonderdeel poneert, kan ik niet lezen in de daar aangehaalde vindplaats. Daarbij komt dat het hof in rov. 5.41 gemotiveerd vaststelt, kort gezegd, dat andere leden via nieuwsbrieven (“Typerend is een worldmotion uit 2010”, etc.) worden opgeroepen om leden die vastzitten moreel en financieel te steunen. Kortom, hetgeen het subonderdeel daartoe aanvoert, maakt niet dat wat het hof overweegt in rov. 5.41 onbegrijpelijk is. Daarbij zij nog aangetekend dat het hof daar, gezien ook rov. 5.41, eerste alinea en anders dan het subonderdeel aan het slot suggereert, niet slechts overweegt dat de in rov. 5.41, tweede alinea bedoelde stellingen van de Stichting c.s. niet afdoen “aan de constatering dat strafrechtelijke vervolging vanwege het bestaan van ‘defence funds’ en ‘jail funds’ door de Hells Angels als een soort bedrijfsrisico wordt gezien.” In zoverre gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.37

Subonderdeel 3.6.3 luidt als volgt:

“3.6.3 In rov. 5.43 gaat het hof in op het bestaan van eretekens bij de Hells Angels. Volgens het hof vormen deze tekens bewijs van de geweldscultuur bij de Hells Angels. Ten eerste noemt het hof in dit verband de Filthy Few-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt uitgereikt aan Hells Angels die een moord (of zwaar geweld) hebben gepleegd voor de club. Dat het (slechts) gaat om enkele voorbeelden uit de periode 2003-2013 uit het buitenland, doet daar in de ogen van het hof niet aan af. Ook de affidavit van mr. Caplan (raadsman van de Hells Angels in de Verenigde Staten) en de beschrijving van [betrokkene 2] brengen het hof niet op andere gedachten. Weliswaar overweegt het hof dat de Stichting c.s. hebben gesteld dat de patch vrijelijk via internet verkrijgbaar is en veelal wordt gedragen door leden die niet werkelijk een moord of geweld pleegden. Echter, zelfs als dat zo is, overweegt het hof, neemt dat niet weg dat een teken dat staat voor het plegen van een moord als statussymbool wordt gebruikt. Dit oordeel is onbegrijpelijk. In cassatie dient (als hypothetisch feitelijke grondslag) tot uitgangspunt dat de Filthy Few-patch voornamelijk voor de show is, niet werkelijk uitsluitend wordt gedragen door iemand die voor de club een moord heeft begaan en de patch bovendien vrijelijk op internet verkrijgbaar is. Het hof heeft de juistheid van deze stellingen immers in het midden gelaten. Daar komt nog bij, dat de verklaringen van mr. Caplan en [betrokkene 2] erop duiden dat deze patch enkel een ereteken is voor de 'hardest partyer’ van de betreffende charter. Bij die stand van zaken valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom deze patch wordt uitgereikt aan iemand die een moord heeft gepleegd, laat staan dat de patch enig bewijs zou kunnen vormen voor de wereldwijd aanwezige geweldscultuur van de Hells Angels. Het enkele feit dat gedurende de periode 2003-2013 een enkele Hells Angel een andersluidende verklaring zou hebben gegeven, volstaat daarvoor in ieder geval niet, zoals de Stichting c.s. hebben gesteld, in het licht van de onderbouwde verklaring van de betekenis van deze patch door [betrokkene 2] en mr. Caplan. Ook de constatering van het hof, dat uit het boek van [betrokkene 2] juist zou blijken dat de patch wel degelijk zou betekenen dat de drager iemand zou hebben vermoord, is volstrekt onbegrijpelijk, nu het door het hof genoemde citaat onmogelijk zo kan worden begrepen. In het citaat wordt juist de conclusie bereikt dat de patch niet redelijkerwijs in verbinding kan staan met moorddadig gedrag, zoals de Stichting c.s. hebben gesteld.”

3.38

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Naar de kern genomen oordeelt het hof in rov. 5.43 van de beschikking gemotiveerd dat de Filthy Few-patch die werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels aan te merken valt als een van de eretekens waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt, welke patch - naar het hof aannemelijk acht - staat voor het plegen van moord (of zwaar geweld) voor de club (de Hells Angels) en wordt gebruikt als statussymbool, en welk ereteken in sommige gevallen ook reële betekenis heeft aldus dat de drager ervan in werkelijkheid zo’n moord (of zulk zwaar geweld) heeft gepleegd (in die zin is deze patch dan niet “voor de show”, want gerelateerd aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd). Daarbij betrekt het hof aldaar:

- diverse verklaringen van (voormalige) Hells Angels en een rechterlijke uitspraak, zoals vermeld in rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019, waaruit blijkt van de betekenis die genoemde patch heeft gekregen;

- dat het hof niet kan volgen het standpunt van de Stichting c.s. dat er vraagtekens te plaatsen zijn bij de betrouwbaarheid van deze verklaringen gezien de beweerdelijke zwijgplicht die binnen HAMC zou bestaan, nu het feit dat er een zwijgplicht bestaat niet wil zeggen dat leden die deze plicht doorbreken wellicht niet de waarheid spreken;

- dat de omstandigheid dat deze voorbeelden dateren uit 2003-2013 en betrekking hebben op het buitenland de betekenis ervan voor deze zaak ook niet wegnemen;

- dat het hof de affidavit van mr. Caplan (raadsman van het Hells Angels-charter Minneapolis), waarop de Stichting c.s. zich beroepen, onvoldoende vindt om aan genoemde betekenis van deze patch te twijfelen: wat er van de gestelde oorsprong ook zij (mr. Caplan verklaart dat met filthy few “the hardest partyers” worden bedoeld (degenen die bij een evenement het eerst aankomen en het laatst weggaan), wat zou teruggaan op een evenement in 1966 waarbij dit voor het eerst is gebruikt), dit doet niet af aan de verklaringen over de betekenis die de patch met deze naam volgens meerdere (voormalige) Hells Angels heeft gekregen;

- dat het hof de beschrijving van [betrokkene 2] (voormalig president van Hells Angels-charter Minneapolis), waarop de Stichting c.s. zich beroepen, onvoldoende vindt om aan genoemde betekenis van deze patch te twijfelen: uit het geciteerde tekstfragment uit zijn boek (met de veelzeggende naam ‘Breaking the code’) blijkt dat volgens de schrijver, dus [betrokkene 2], de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord; alleen zegt hij erbij dat dit bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is, zijn conclusie is dat de patches voornamelijk voor de show zijn;

- dat op dit laatste ook duidt de stelling van de Stichting c.s. dat de patch vrijelijk verkrijgbaar is via internet en wordt uitgedeeld bij allerlei evenementen;

- dat ook als dat zo is, dit niet wegneemt dat een teken dat staat voor het plegen van moord wordt gebruikt als statussymbool noch dat dit ereteken in sommige gevallen wel reële betekenis heeft.

Ik wend mij nu tot het subonderdeel.Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat wat het aanvoert ’s hofs oordeel in rov. 5.43 niet onbegrijpelijk maakt. Ook als de Filthy Few-patch voornamelijk voor de show is (in zoverre dus niet gerelateerd is aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd, zoals het hof onder ogen ziet) en vrijelijk op internet verkrijgbaar is (zoals het hof ook onder ogen ziet), staat dat naar de aard nog niet in de weg aan ’s hofs oordeel in rov. 5.43 dat deze patch die werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels aan te merken valt als een van de eretekens waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt, welke patch - naar het hof aannemelijk acht - staat voor het plegen van moord (of zwaar geweld) voor de club (de Hells Angels) en wordt gebruikt als statussymbool, en welk ereteken in sommige gevallen ook reële betekenis heeft aldus dat de drager ervan in werkelijkheid zo’n moord (of zulk zwaar geweld) heeft gepleegd (in die zin is deze patch dan niet “voor de show”, want gerelateerd aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd). Hetzelfde geldt voor de verklaring van mr. Caplan, die, naar het hof onderkent, weliswaar ingaat op de oorsprong van ‘filthy few’ (de betekenis van “the hardest partyers” (degenen die bij een evenement het eerst aankomen en het laatst weggaan), wat zou teruggaan op een evenement in 1966 waarbij dit voor het eerst is gebruikt), maar daarmee nog niet onderuit haalt de verklaringen over de betekenis die de patch met deze naam volgens meerdere (voormalige) Hells Angels nadien “heeft gekregen”, waarvan het hof in genoemd oordeel uitgaat. Hetzelfde geldt voor de beschrijving van [betrokkene 2], die hier niet spreekt in termen van ‘hardest partyer’ en juist onderkent - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke uitleg van genoemd tekstfragment in rov. 5.43 - dat de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord, met dien verstande dat hij (dus [betrokkene 2]) erbij zegt dat dit bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is, in die zin concluderend “dat de patches voornamelijk voor de show zijn”. Daarmee valt de bodem weg onder de stelling in het subonderdeel dat “[b]ij die stand van zaken” zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien valt “waarom deze patch wordt uitgereikt aan iemand die een moord heeft gepleegd, laat staan dat de patch enig bewijs zou kunnen vormen voor de wereldwijd aanwezige geweldscultuur van de Hells Angels”. Dat geldt ook voor de stelling in het subonderdeel dat, “in het licht” van de onderbouwde verklaring van de betekenis van deze patch door [betrokkene 2] en mr. Caplan, daarvoor in ieder geval niet volstaat het enkele feit dat gedurende de periode 2003-2013 een enkele Hells Angel een andersluidende verklaring zou hebben gegeven, waarbij nog zij aangetekend dat het hof in rov. 5.43 uitgaat van diverse verklaringen van (voormalige) Hells Angels en een rechterlijke uitspraak, zoals bedoeld in rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019, en dat het hof daar ook betrekt dat de omstandigheid dat deze voorbeelden dateren uit 2003-2013 en betrekking hebben op het buitenland de betekenis ervan voor deze zaak niet wegneemt.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.39

Subonderdeel 3.6.4 luidt als volgt:

“3.6.4 In rov. 5.44 geeft het hof een vergelijkbaar ongenuanceerd oordeel ten aanzien van de Dequiallo-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt verdiend door het plegen van geweld of gewelddadig verzet tegen de politie of andere overheidsdiensten (waarbij het hof verwijst naar rov. 4.38 van de beschikking van de rechtbank). Voor dat oordeel is volgens het hof redengevend dat er diverse voorbeelden zouden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later deze patch op hun colors droegen, en dat uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee leden van de Haarlemse Hells Angels-charter duidelijk deze betekenis naar voren komt. De opmerking van de Stichting c.s., dat deze leden de intentie en doelen van de Hells Angels niet hebben begrepen en daarom geroyeerd zijn, is volgens het hof onvoldoende om de betekenis aan het gesprek te ontnemen.Deze beoordeling is in het licht van de gedingstukken evenmin begrijpelijk gemotiveerd. In cassatie dient (als hypothetisch feitelijke grondslag) tot uitgangspunt dat de betreffende leden, van wie het hof getapte gespreksdelen citeert, door de Hells Angels zijn geroyeerd omdat zij de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, nu het hof de juistheid van die stelling van de Stichting c.s. in het midden laat (vgl. rov. 5.44 één-na-laatste zin). In dat licht valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom aan deze patch de betekenis toegedicht zou kunnen worden van geweldpleging tegen politie of andere overheidsdiensten. Ook de constatering van het hof, dat sprake zou zijn van diverse voorbeelden waarbij is geconstateerd dat Hells Angels politieambtenaren bedreigden en korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen, kan dat oordeel niet dragen. Daaruit blijkt immers niet, zoals de Stichting c.s. hebben aangevoerd, dat deze 'constateringen’ door de politie geverifieerd of geobjectiveerd zijn, noch dat er enig bewijs zou zijn van een causaal verband tussen die bedreiging en het dragen van de patch. Bovendien heeft het hof verzuimd te responderen op de onbetwiste stelling van de Stichting c.s. dat er geen sprake is van een structurele uitreiking van deze patch door charters en evenmin van een uitreiking bij wijze van beloning, terwijl een lid op geen enkele wijze toestemming van 'de club’ nodig heeft voor het dragen ervan.”

3.40

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 4.38 van haar beschikking van 29 mei 2019 overweegt de rechtbank als volgt:

“4.38. Voor de Dequiallo-patch geldt hetzelfde. HAM Corporation en de belanghebbenden stellen dat deze patch symbool staat voor het overkomen en het overwinnen van tegenslag in het leven, maar hebben hiervan geen enkel concreet voorbeeld gegeven. Daar staat tegenover dat het OM zijn uitleg, namelijk dat deze patch wordt verdiend door het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten, wel heeft gesubstantieerd. Zo heeft het OM een aantal voorbeelden opgesomd van constateringen door de politie dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd en/of bedreigd, korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen. Verder is op 22 april 2016 door een Haarlemse Hells Angel ([betrokkene 5]) in een afgeluisterd telefoongesprek gezegd dat een andere Haarlemse Hells Angel ([betrokkene 6]) slap is omdat hij geen Dequiallo-patch heeft en dat hij deze patch maar moet halen door de wijkagent in | elkaar te slaan. [betrokkene 6] had tot slot in een eerder afgeluisterd gesprek gezegd: Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weetje hé? De rechtbank acht gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk dat de Dequiallo-patch verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten symboliseert. Het feit dat een deel van de door het OM gegeven voorbeelden over twee van de drie personen van het Haarlems HA-charter gaat die op 7 juni 2017 door HAMC zijn geroyeerd, kan hier niet aan afdoen. De drie Haarlemse Hells Angels zijn immers volgens de belanghebbenden geroyeerd omdat zij hun lidmaatschap van HAMC misbruikten. Niet is gesteld of gebleken dat daarmee hun uitspraken in verband met de Dequiallo-patch in een ander licht moeten worden gezien.”

In rov. 5.44 van zijn beschikking oordeelt het hof dat het in de tweede plaats gaat om de Dequiallo-patch en dat het hof het aannemelijk acht:

“dat deze patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten (op de gronden als vermeld in rov. 4.38 van de beschikking van de rechtbank).”

Voor dat oordeel is redengevend, zo vervolgt het hof, dat er diverse voorbeelden zijn waarbij is geconstateerd (dus door de politie) dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen, en dat uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee leden van het Haarlemse Hells Angels-charter duidelijk deze betekenis naar voren komt (“Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weet je hé?”). Daaraan voegt het hof toe dat de opmerking van de Stichting c.s. dat deze leden de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, wat hun een royering heeft opgeleverd, onvoldoende is om de betekenis aan het gesprek te ontnemen. Daar komt bij, zo sluit het hof af, dat de Stichting c.s. de door hen verdedigde uitleg - dat deze patch symbool zou staan voor het overkomen en overwinnen van tegenslag in het leven - ook in hoger beroep op geen enkele manier hebben onderbouwd. Aldus gaat het hof - gelijk de rechtbank in rov. 4.38 van haar beschikking - in rov. 5.44 mee met de door het OM voorgestane uitleg (betekenis) van de Dequiallo-patch, niet met de door de Stichting c.s. verdedigde uitleg van deze patch. Ik wend mij nu tot het subonderdeel.Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat wat het aanvoert ’s hofs oordeel in rov. 5.44 niet onbegrijpelijk maakt. Dat het hof daar in het midden laat of juist is dat - zoals opgemerkt door de Stichting c.s. - genoemde leden van het Haarlemse Hells Angels-charter “de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, wat hun een royering heeft opgeleverd”, wil, anders dan het subonderdeel betoogt, nog niet zeggen dat “zonder nadere, ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom aan deze patch de betekenis toegedicht zou kunnen worden van geweldpleging tegen politie of andere overheidsdiensten.” Ook als dit eerste juist zou zijn (waarbij onduidelijk blijft wat dan die “intentie en doelen van de Hells Angels” zijn die genoemde leden niet hadden begrepen, hetgeen heeft geleid tot hun royering, en waaruit dit tot hun royering leidende ‘niet begrijpen’ dan bestaat; zie in dat verband ook rov. 5.42 van de beschikking), is daarmee zonder meer nog niet gegeven dat ‘dus’ aan genoemd gesprek (waaronder: “Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weet je hè?”) de betekenis moet worden ontnomen die het hof daaraan toekent, te weten dat uit dit gesprek tussen deze Hells Angels-leden (gezien dat niet mis te verstane citaat) duidelijk naar voren komt dat de Dequiallo-patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten (dat uit genoemd gesprek “duidelijk deze betekenis naar voren komt”, etc.). Daarmee kom ik bij het betoog in het subonderdeel dat uit ’s hofs vaststelling in rov. 5.44 dat er diverse voorbeelden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen:

“niet [blijkt], zoals de Stichting c.s. hebben aangevoerd, dat deze ‘constateringen’ door de politie geverifieerd of geobjectiveerd zijn, noch dat er enig bewijs zou zijn van een causaal verband tussen die bedreiging en het dragen van de patch”.

Dit betoog loopt reeds erop vast dat het subonderdeel hier niet verwijst naar enige vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties voor deze stellingname van de Stichting c.s. Ten overvloede wijs ik erop dat waar het hof hier - met de rechtbank in rov. 4.38 van haar beschikking, en bij gebreke aan een gerichte, gemotiveerde betwisting van de daartoe strekkende stellingname van het OM - uitgaat van een aantal als feit aangenomen gevallen (“voorbeelden”) waarin genoemde constateringen door de politie zijn gedaan, voor doeleinden van de hier voorliggende vraag zonder meer geen nadere ‘verificatie’ of ‘objectivering’ van deze constateringen is vereist noch enig verdergaand bewijs van een ‘causaal verband’ tussen dat (ernstige) beledigen/bedreigen en dat dragen van de patch, zodat in dat ‘niet blijken’ waarop het subonderdeel doelt (“Daaruit blijkt immers niet”, etc.) hoe dan ook geen gebrek in ’s hofs oordeel in rov. 5.44 gelegen kan zijn. Wat resteert is de stelling in het subonderdeel dat bovendien het hof heeft verzuimd te responderen op de onbetwiste stelling van de Stichting c.s. “dat er geen sprake is van een structurele uitreiking van deze patch door charters en evenmin van een uitreiking bij wijze van beloning, terwijl een lid op geen enkele wijze toestemming van ‘de club’ nodig heeft voor het dragen ervan.” Niet valt in te zien, en het subonderdeel zet verder ook niet uiteen, waarom deze niet uitgewerkte stelling van de Stichting c.s., gegeven ook hetgeen het hof overweegt in rov. 5.44 inzake de daar centraal staande uitleg (betekenis) van de Dequiallo-patch, het hof daar aanleiding gaf tot een nog weer nadere motivering. Daarbij betrek ik dat het hof daar ook vaststelt dat bij een en ander komt (“Daarbij komt”, etc.) dat de Stichting c.s. de door hen verdedigde uitleg - dat de Dequiallo-patch symbool zou staan voor iets anders dan het OM voorstaat, namelijk voor het overkomen en overwinnen van tegenslag in het leven - ook in hoger beroep op geen enkele manier hebben onderbouwd, hetgeen het subonderdeel negeert.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.41

Subonderdeel 3.6.5 luidt als volgt:

“3.6.5 Het hof verbindt in rov. 5.45 met betrekking tot de zgn. Death head Purple Heart Pin en -oorkonde opnieuw een verstrekkende conclusie aan een flinterdun bewijs. Volgens het hof wordt deze oorkonde door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. De strekking van deze oorkonde zou zijn dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd, zodat geweld ook hierbij centraal staat, aldus het hof.Dit oordeel is evenmin toereikend gemotiveerd, nu daarin geen rekening is gehouden met het gegeven dat de Stichting c.s. deze strekking van de oorkonde hebben betwist en bovendien hebben gesteld dat deze oorkonde, waarvan er hooguit 50 exemplaren in omloop zijn, slechts door één Amerikaans Hells Angels charter wordt uitgereikt. Het hof ziet tevens voorbij aan de onbetwiste constatering van de Stichting c.s. dat de aanname van het OM, dat de oorkonde wordt uitgereikt aan Hells Angels die geweld hebben gebruikt, slechts indirect is afgeleid uit één enkele oorkonde die bij de doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden. In het licht van dit een en ander is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk hoe de summiere stellingen van het OM als basis kunnen dienen voor het oordeel dat deze oorkonde een teken van geweldsverheerlijking door de Hells Angels wereldwijd is.”

3.42

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.45 van de beschikking overweegt het hof als volgt:

“5.45. In de derde plaats bestaat de Death head Purple Heart Pin en -oorkonde. Deze wordt door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. Op de oorkonde staat: ‘Any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood, in the Defence and Honor of the Hells Angels Motorcycle Club, and shall forever be revered by his fellow members’. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om Hells Angels die slachtoffer zijn geworden van geweld tegen de club, zoals de verklaring van mr. Caplan inhoudt, maar kan volgens de tekst ook zeer wel betrekking hebben op leden die actief zijn opgetreden ter bescherming van (de eer van) de club en daarbij gewond zijn geraakt. De strekking is in elk geval dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd. Geweld staat ook hierbij centraal.”

Volgens het subonderdeel is dit oordeel evenmin toereikend gemotiveerd, nu daarin geen rekening is gehouden met het gegeven dat de Stichting c.s. “deze strekking van de oorkonde hebben betwist” en “bovendien hebben gesteld dat deze oorkonde, waarvan er hooguit 50 exemplaren in omloop zijn, slechts door één Amerikaans Hells Angels-charter wordt uitgereikt”. In de vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties die het subonderdeel daarbij noemt, kan ik geen betwisting door de Stichting c.s. van “deze strekking van de oorkonde” lezen, noch de stelling “dat deze oorkonde, waarvan er hooguit 50 exemplaren in omloop zijn, slechts door één Amerikaans Hells Angels charter wordt uitgereikt”. Wat in die vindplaats staat, is dat in tegenstelling tot de andere patches die worden aangehaald in de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 de Purple Heart-pin en -oorkonde wordt uitgevaardigd door een Hells Angels-charter, dat het charter Oakland in Californië deze traditie in het leven heeft geroepen, en dat er sindsdien zo’n 50 in circulatie zijn. Dat het hof blijkens rov. 5.45 hierin niet leest dat deze oorkonde “slechts door één Amerikaans Hells Angels charter wordt uitgereikt”, en wel dat deze pin/oorkonde “door charters” wordt uitgereikt, acht ik (dus) niet onbegrijpelijk. De stelling van de Stichting c.s. dat er sindsdien zo’n 50 in circulatie zijn, hoefde het hof niet nader te betrekken in rov. 5.45, nu dat niet raakt aan de strekking van deze pin/oorkonde waarop het hof daar het oog heeft (hetzelfde geldt overigens voor de stelling dat het charter Oakland in Californië deze traditie in het leven heeft geroepen). Kortom, dat wat het subonderdeel ter zake aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof zijn oordeel in rov. 5.45 ontoereikend motiveert.Verder voert het subonderdeel aan dat het hof in rov. 5.45 tevens voorbijziet:

“aan de onbetwiste constatering van de Stichting c.s. dat de aanname van het OM, dat de oorkonde wordt uitgereikt aan Hells Angels die geweld hebben gebruikt, slechts indirect is afgeleid uit één enkele oorkonde die bij de doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden.”

In de vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties die het subonderdeel daarbij noemt, staat het volgende:

“257. De rechtbank meent in rechtsoverweging 4.39 dat deze uitleg “te beperkt” zou zijn gelet op de tekst van een Deathhead Purple Heart-oorkonde die bij een doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden. De rechtbank leidt uit de woorden op deze oorkonde - “any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood” - af dat er sprake is van een “actievere rol dan alleen de slachtofferrol”.258. Uit de woorden “has given his blood in the Defense and Honour of the Hells Angels Motorcycle Club” kan echter niet zonder meer als enige conclusie worden afgeleid dat, zoals de rechtbank aanneemt, “de onderscheiding wordt verdiend door de Hells Angel die zijn bloed heeft gegeven bij de verdediging van (de eer) van HAMC”, en dat dit “duidt op situaties waarin de onderscheiden Hells Angel zelf ook geweld (onderstreping advocaten) heeft gebruikt en gewond is geraakt”.259. Immers, de woorden “has given his blood” duiden weliswaar op het zijn van slachtoffer van geweld, maar daarmee is geheel niet gezegd dat de betreffende persoon zelf actief geweld heeft gebruikt. Dit laatste is een element dat de rechtbank eraan toevoegt zonder dat dit een feitelijke basis heeft.260. De uitleg van appellanten is ook om die reden meer aannemelijk. Bovendien blijkt uit de door appellanten ter zitting gepresenteerde statistieken dat de meeste van de zogeheten geweldsincidenten van doen hebben met geweld tegen de Hells Angels (…).Conclusie261. Uit het bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat het uitreiken van de Deathhead Purple Heart-pin en -oorkonde niets van doen heeft met “een cultuur die geweld stimuleert en verheerlijkt en dat die cultuur bovendien geweld meebrengt. De overwegingen van de rechtbank omtrent deze pin en oorkonde zijn feitelijk onjuist en daardoor kan ook de aanname van een “cultuur van wetteloosheid” als “bijzondere feit c.q. omstandigheid’ niet langer overeind blijven.”[zonder verwijzingen in origineel, A-G]

Zoals deze passages laten zien, ligt de nadruk daarin op de uitleg van de tekst op de “Deathhead Purple Heart-oorkonde die bij een doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden”, die volgens de Stichting c.s. een andere inhoud heeft dan daaraan is gegeven door de rechtbank in rov. 4.39 van haar beschikking van 29 mei 2019. Daarop gaat het hof in rov. 5.45 ook in (“Op de oorkonde staat”, etc.). In deze passages valt niet te lezen dat de Stichting c.s. de aanname van het OM dat de oorkonde wordt uitgereikt aan Hells Angels die geweld hebben gebruikt, (ook) bestrijdt met de (te onderscheiden) stelling dat deze aanname slechts indirect is afgeleid uit één enkele oorkonde die bij de doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden. Dat het hof dit laatste blijkens rov. 5.45 evenmin in die passages leest, acht ik (dus) niet onbegrijpelijk. Van een ten onrechte voorbijzien door het hof in rov. 5.45 aan die door het subonderdeel bedoelde “onbetwiste constatering van de Stichting c.s.” kan dan niet worden gesproken. Kortom, dat wat het subonderdeel ter zake aanvoert, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat het hof zijn oordeel in rov. 5.45 ontoereikend motiveert.Daarmee valt ook de bodem weg onder de stelling in het subonderdeel dat “[i]n het licht van dit een en ander” zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe de summiere stellingen van het OM als basis kunnen dienen voor het oordeel dat deze oorkonde een teken van geweldsverheerlijking door de Hells Angels wereldwijd is.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.43

Subonderdeel 3.6.6 voert aan dat het slagen van (één van) de hiervoor uitgewerkte klachten tevens aantast het oordeel van het hof in rov. 5.50 van de beschikking, in de woorden van het subonderdeel, “dat sprake is van een cultuur van geweld bij de Hells Angels en het gewelddadige imago van de Hells Angels een belangrijke factor is waarvan de leden gebruik maken, welk imago zij als het nodig is ook consequent zouden waarmaken en dat daarbij geweld op verschillende manieren wordt aangemoedigd en verheerlijkt”.

3.44

Het subonderdeel faalt, nu het voortbouwt op subonderdelen 3.6.1 t/m 3.6.5 die falen, in welk lot het subonderdeel deelt. Zie onder 3.32-3.42 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.

3.45

Subonderdeel 3.6.7 luidt als volgt:

“3.6.7 In rov. 5.46-5.47 acht het hof van groot belang de verhouding tussen de Hells Angels en andere motorclubs, die volgens het hof regelmatig tot gewelddadigheden leidt. De Hells Angels zouden niet tolereren dat (leden van) andere motorclubs zich in hun territorium begeven. Het hof bespreekt in rov. 5.47 een vijftal voorbeelden van dit soort confrontaties. In rov. 5.49 bespreekt het hof vervolgens nog een aantal geweldsincidenten, waarna het in rov. 5.50, op basis van die geweldsincidenten, concludeert dat sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Dit oordeel is evenzeer ontoereikend gemotiveerd. [i] Het hof baseert zijn oordeel slechts op acht voorbeelden (vijf voorbeelden in rov. 5.47 en drie voorbeelden in rov. 5.48 [hier zal rov. 5.49 zijn bedoeld, gelet ook op de alinea hiervoor, A-G]) uit slechts drie landen (te weten Nederland, Duitsland en Canada) over een tijdsspanne van bijna tien jaar. Zonder nadere, ontbrekende toelichting valt niet in te zien waarom dit nogal beperkte aantal voorvallen het oordeel kan dragen dat wereldwijd en in Nederland sprake is van een ‘structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels’.[ii] Bovendien verzuimt het hof aan te geven in hoeverre de voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, terwijl uit de gedingstukken evenmin blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels. [iii] Bovendien respondeert het hof niet op essentiële verweren van de Stichting c.s. [a] Zo hebben de Stichting c.s. ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder b aangevoerd dat dit incident geen betrekking heeft op een lid van de Hells Angels maar op een vermeend lid van supportcrew 81, terwijl uit niets blijkt dat de dader, [betrokkene 7], überhaupt lid was van deze club, laat staan dat een verband te zien is met de Hells Angels. In ieder geval blijkt dat niet uit de gerechtelijke uitspraken die door het OM in dat verband worden genoemd omdat in die uitspraken de Hells Angels noch supportcrew 81 worden genoemd, aldus de Stichting c.s.[b] Ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder c heeft het hof nota bene in aanmerking genomen dat de betreffende Hells Angels geen colors droegen en zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten. Bovendien laat het hof ten onrechte onbesproken dat deze leden door de Hells Angels zijn geroyeerd, zodat de verantwoordelijkheid van enig organisatorisch verband voor deze incidenten geenszins in de rede ligt.”[vetgedrukte Romeinse cijfers en Latijnse letters tussen blokhaken toegevoegd, A-G]

3.46

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.50 van de beschikking overweegt het hof als volgt:

“5.50. Uit het voorgaande blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie, die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels bestaat. Een belangrijke factor is het gewelddadige imago, waarvan de leden gebruik maken en dat zij als het nodig is ook consequent waar maken. Daarbij wordt dat geweld op verschillende manieren aangemoedigd en verheerlijkt. Een andere factor is de rivaliteit met andere motorclubs, die regelmatig leidt tot machtsstrijd en bijbehorende geweldsconfrontaties. Deze conflicten worden daarbij meer dan eens uitgevochten te midden van het publiek op straat. Het bad standing-beleid leidt ertoe dat leden zich moeilijk kunnen losmaken van de club en gaat eveneens gepaard met geweld en dreiging met geweld. Intimidatie van (ex-)leden, slachtoffers en getuigen zorgt er verder voor dat justitieel optreden sterk wordt bemoeilijkt.”

Dit een en ander steunt niet enkel op rov. 5.46-5.49 (waaronder de in rov. 5.47 bedoelde vijf gevallen in Canada, Denemarken, Duitsland en Nederland in 2013-2017, de in rov. 5.48 bedoelde gevallen inclusief die genoemd in rov. 4.35 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 (let wel: het gaat hierbij dus om “beduidend meer” dan dit laatste voorbeeld uit 2013, aldus het hof), en de in rov. 5.49 bedoelde moord en “reeks” van andere gevallen in Duitsland in 2012-2019 plus het daar bedoelde geval in Nederland in 2018), maar mede op rov. 5.36-5.49, te bezien in het licht van het daaraan voorafgaande waaronder rov. 5.27-5.35, waarvan het slot als volgt luidt:

“5.35. (…) Ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, rijst uit deze bronnen het beeld op van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld.”

Dit licht het hof dus verder toe in rov. 5.36-5.49, waarop rov. 5.50 weer aansluit. Aldus heeft hetgeen het hof vaststelt in rov. 5.50 een afdoende basis in de beschikking. Ik wend mij nu tot het subonderdeel.De motiveringsklacht in het subonderdeel onder [i] strandt, reeds omdat deze uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof baseert het daarin bestreden oordeel in rov. 5.50 immers niet “slechts op acht voorbeelden (vijf voorbeelden in rov. 5.47 en drie voorbeelden in rov. 5.48 [hier zal dus rov. 5.49 zijn bedoeld, A-G]) uit slechts drie landen (te weten Nederland, Duitsland en Canada) over een tijdsspanne van bijna tien jaar”, zie hiervoor. Daarmee valt al de bodem weg onder de klacht dat zonder nadere, ontbrekende toelichting “niet [valt] in te zien waarom dit nogal beperkte aantal voorvallen het oordeel kan dragen dat wereldwijd en in Nederland sprake is van een ‘structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels”, nog daargelaten dat wat het hof daar allemaal betrekt - zie hiervoor - zijn bestreden oordeel in rov. 5.50 zonder meer kan dragen. Ook de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [ii] strandt, nu niet valt in te zien dat het hof het daarin bestreden oordeel in rov. 5.50 ontoereikend motiveert omdat het hof daar verzuimt aan te geven in hoeverre de in het subonderdeel bedoelde voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, terwijl uit de gedingstukken evenmin blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels. Het in rov. 5.50 door het hof gehanteerde vertrekpunt is immers dat:

“[u]it het voorgaande blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie [dus: dat wat in de voorgaande zin staat, A-G], die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels [dus: als club, te onderscheiden van die “leden van de Hells Angels”, A-G] bestaat.”[cursivering toegevoegd, A-G]

Bij deze door het hof gehanteerde benadering was er geen aanleiding voor het hof nog weer nader aan te geven in hoeverre de in het subonderdeel bedoelde voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, en is evenmin relevant in hoeverre uit de gedingstukken blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels los van hetgeen het hof daaromtrent vaststelt in de beschikking, mede in rov. 5.50 (wat aansluit op rov. 5.27-5.49), waarover hiervoor. Dan resteert de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii], erop neerkomend dat het hof “[niet] respondeert op essentiële verweren van de Stichting c.s.” Ook deze klacht strandt. Daarbij maak ik omwille van de duidelijkheid onderscheid in de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.a] en de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.b].

Het verweer waarop de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.a] doelt, betreft de volgende passages in de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de Stichting c.s.:

“196. Het OM heeft in haar bijlagen de brandstichting drie keer apart opgevoerd als incident, een keer in bijlage 8 paragraaf 3.2.35 met bron “politiesysteem” en een keer in bijlage 17 paragraaf 1.14.1 met de bron “justitiële documentatie” en een keer in bijlage 3 paragraaf 3.4.2 met als bron “politiesystemen”. Het zou gaan om een brandstichting op 25 maart 2015 in een café [A] in Kerkrade door een vermeend lid van de motorclub supportCrew81, ene [betrokkene 7] Geen Hells Angel dus, maar ook blijkt nergens dat [betrokkene 7] lid is van de supportCrew81 en/of er een verband bestaat tussen Hells Angels en supportcrew81.197. In de genoemde paragrafen wordt niet verwezen naar bijvoorbeeld de rechtbankuitspraak of het arrest van het Gerechtshof Den Bosch. Na ontzettend veel inspanning heeft ons kantoor de twee uitspraken weten te traceren in deze zaak en bestudeert. De uitspraken zijn geanonimiseerd en het is dus niet vast te stellen dat het [betrokkene 7] betreft als verdachte. In zowel het vonnis als het arrest worden de Hells Angels niet genoemd. De supportCrew81 wordt ook niet genoemd in beide uitspraken. Dit incident is dus niet toe te rekenen aan de supportCrew81. Laat staan aan de Hells Angels of een Hells Angels lid.”

De in dit citaat vervatte (blote) stellingen van de Stichting c.s. dat nergens uit blijkt dat de brandstichter (“ene [betrokkene 7]”) lid is van supportCrew81 en/of dat er een verband bestaat tussen Hells Angels en die supportclub, alsmede dat niet is vast te stellen dat het [betrokkene 7] betreft als verdachte nu de door het kantoor van de advocaten van de Stichting c.s. verkregen exemplaren van de uitspraken in eerste aanleg en hoger beroep in die zaak geanonimiseerd zijn, passeert het hof klaarblijkelijk als onvoldoende gemotiveerd in rov. 5.47 onder b, onder verwijzing naar rov. 4.40 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 (“In rov. 4.40 van de beschikking van de rechtbank zijn vijf voorbeelden daarvan genoemd, te weten (…) b. het in brand steken van een café (…) door een lid van een supportclub van de Hells Angels”, etc.). Gezien ook de onderbouwde stellingen van het OM ter zake in eerste aanleg, die de Stichting c.s. in hoger beroep dus al bekend waren, acht ik dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen het hof ter zake vaststelt in rov. 5.47, was er evenmin aanleiding voor het hof nog weer nader in te gaan op de stelling van de Stichting c.s. dat nu in genoemde uitspraken de Hells Angels en supportCrew81 niet worden genoemd, dit incident ‘dus’ niet is toe te rekenen aan supportCrew81, laat staan aan de Hells Angels of een Hells Angels-lid. Gelet op dit een en ander loopt de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.a] vast.De motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.b] voert vooreerst aan dat ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder c het hof nota bene in aanmerking heeft genomen dat de desbetreffende Hells Angels geen colors droegen en zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten. Deze klacht kan de Stichting c.s. niet baten. In de eerste plaats betrekt het hof in rov. 5.47 niet alleen dat over dit incident door de Stichting c.s. is aangevoerd “dat de aanwezige Hells Angels niet in colors waren en dat deze personen door de rechtbank zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld”, maar ook dat de Stichting c.s. “echter niet (gemotiveerd) [hebben] betwist wat het OM daarover heeft gesteld, kort gezegd dat het ging om een afspraak op neutraal terrein tussen leden van beide clubs waarbij de Hells Angels met een vooropgezet plan geweld hebben gebruikt”, alsmede dat de Stichting c.s. “ook niet [hebben] betwist dat drie leden van de Hells Angels in verband met dit incident zijn veroordeeld wegens openlijke geweldpleging.” Daaraan ziet de klacht voorbij. In de tweede plaats overweegt het hof in rov. 5.50 niet zozeer, anders dan de klacht veronderstelt, dat dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten, als wel en onder meer dat “[u]it het voorgaande” (met inbegrip van rov. 5.36-5.49, volgend op rov. 5.27-5.35), waaronder dus dit incident en hetgeen het hof daaromtrent overweegt in rov. 5.47:

“5.50 (…) blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie [dus: dat wat in de voorgaande zin staat, A-G], die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels [dus: als club, te onderscheiden van die “leden van de Hells Angels”, A-G] bestaat.”

Dat wat het hof omtrent dit incident overweegt (en dus zo kon overwegen) in rov. 5.47, waarover hiervoor, gaf het hof logischerwijs geen aanleiding zijn bestreden oordeel in rov. 5.50 nog weer nader te motiveren. De motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.b] voert verder nog aan dat het hof ten onrechte onbesproken laat “dat deze leden door de Hells Angels zijn geroyeerd, zodat de verantwoordelijkheid van enig organisatorisch verband voor deze incidenten geenszins in de rede ligt”. Bestudering van de gedingstukken in feitelijke instanties leert dat de in de klacht bedoelde royementen slechts betrekking hadden op drie leden van het Haarlemse Hells Angels-charter en eerst plaatsvonden in juni 2017, waaromtrent het hof in rov. 5.42 al overweegt, in cassatie onbestreden:

“5.42. De Stichting c.s. hebben er in dit verband nog op gewezen dat drie leden van de Haarlemse Hells Angels charter zijn geroyeerd, voordat het onderhavige verzoekschrift is ingediend, en dat zij ook niet financieel zijn ondersteund tijdens hun vervolging/detentie. Het OM heeft echter aangevoerd dat deze leden al lange tijd strafbare feiten pleegden voordat de royering plaatsvond en dat HAMC (Holland) daar niets tegen heeft gedaan. Ook is aangevoerd dat deze leden op een BHC-lijst hebben gestaan en dat zij zijn geroyeerd omdat zij hun maatschap [bedoeld zal zijn: lidmaatschap, A-G] misbruikten en niet omdat het plegen van strafbare feiten werd afgekeurd. Zoals het OM heeft vermeld, ging het bij één van hen om bezit van onder meer een raketwerper, zware mishandeling met voorbedachten rade, mishandeling, afpersing, brandstichting en bedreiging. De Stichting c.s. zijn daarop verder niet ingegaan. In het licht daarvan doet het uiteindelijke royement van deze drie leden geen afbreuk aan het beeld dat het plegen van dit soort feiten wordt geaccepteerd (zolang het niet schadelijk is voor de club zelf).”[cursivering toegevoegd, A-G]

Bezien ook tegen deze achtergrond gaf de stelling van de Stichting c.s. (“dat deze leden door de Hells Angels zijn geroyeerd”, etc.) zoals betrokken in feitelijke instanties waarop de klacht doelt met vindplaatsverwijzingen, welke stelling aan dat geciteerde oordeel van het hof niet kan afdoen en waarmee ook niet (gemotiveerd) is aangevoerd dat deze royementen (mede) verband hielden met specifiek een of meer van de incidenten waarop het hof doelt (waaronder het in rov. 5.47 onder c bedoelde incident van 7 april 2016) laat staan dat deze royementen alle daarbij betrokken Hells Angels-leden betroffen, het hof geen aanleiding zijn door de klacht bestreden oordeel (kennelijk is dat in het bijzonder rov. 5.50) nog weer nader te motiveren. Gelet op dit een en ander loopt ook de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.b] vast.

Hierop stuit het subonderdeel af.

3.47

Daarmee is gegeven dat subonderdeel 3.6 faalt.

3.48

Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.

Onderdeel 4: “Gelet op deze bijzondere feiten en omstandigheden rekent het hof de wereldwijde gedragingen van de Hells Angels toe aan HAMC en de gedragingen van de Hells Angels in Nederland mede aan HAMC Holland (rov. 5.51): onjuiste toerekeningsmaatstaf”

3.49

Onderdeel 4 start met een aanloop, waarin eerst een samenvatting wordt gegeven van rov. 5.51 van de beschikking, welk oordeel van het hof de Stichting c.s. “in verschillende opzichten onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd” achten, gevolgd door een uiteenzetting over “het volgens Uw Raad geldende toerekeningscriterium op grond van artikel 2:20 BW”. In rov. 5.51 oordeelt het hof als volgt:

“5.51. Het hof onderkent dat niet alle charters en leden deze feiten plegen en dat in een deel van de landen waarin de Hells Angels zijn gevestigd dit soort incidenten niet voorkomt (althans dat daarvan in dit dossier niet is gebleken). Dat neemt echter niet weg dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden de club als geheel - en wat betreft de gedragingen in Nederland mede het Hollandse onderdeel - wel daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden. Gelet op deze bijzondere feiten en omstandigheden moeten de wereldwijde gedragingen van de Hells Angels waar het hier om gaat worden toegerekend aan HAMC en de gedragingen van de Hells Angels in Nederland mede aan HAMC Holland. Dit ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen, in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven.”

3.50

Subonderdeel 4.1 luidt als volgt:

“4.1 Ten onrechte oordeelt het hof in rov. 5.51, dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden (rov. 5.35 - 5.50) de club als geheel - en wat betreft de gedragingen in Nederland mede het Hollandse onderdeel - wel voor genoemde geweldsincidenten verantwoordelijk moet worden gehouden en dat, gelet op deze bijzondere feiten en omstandigheden, de wereldwijde gedragingen van de Hells Angels waar het hier om gaat moeten worden toegerekend aan HAMC en de gedragingen van de Hells Angels in Nederland mede aan HAMC Holland, ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen, in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven. Dat oordeel is onjuist, omdat het niet te rijmen is met het strikte en tot terughoudende toepassing nopende toerekeningscriterium zoals door Uw Raad in de Hells Angels-beschikking van 26 juni 2009 geformuleerd. Ten onrechte meent het hof dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening rechtvaardigen. Het hof miskent dat genoemde ‘bijzondere omstandigheden’ in de toerekeningsmaatstaf betrekking moeten hebben op de positie van de betreffende rechtspersoon ten opzichte van de (rechts)personen die met de openbare orde strijdige handelingen hebben verricht. In het oordeel van het hof is de toerekeningsvraag echter verwaterd en opgelost in een participatieconstructie, die erop neerkomt dat HAMC en HAMC Holland onderdeel uitmaken van een brede geweldscultuur, zodat de vermeend ‘criminele gedragingen’ van individuele Hells Angels van over de hele wereld aan deze organisaties moeten worden toegerekend. De aldus door het hof betitelde ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening zouden moeten rechtvaardigen, zijn derhalve losgezongen van enige aanwijsbare of concrete banden tussen HAMC, HAMC Holland en de betreffende leden of charters die de door het hof genoemde (met de openbare orde strijdige) handelingen hebben gepleegd en die rechtvaardigen dat HAMC en HAMC Holland daarvoor medeverantwoordelijk moeten worden gehouden. Volgens het hof is toerekening mogelijk louter door het participeren in een cultuur van geweld en wetteloosheid. Het hof miskent echter dat het enkele feit dat sprake is van geweldsincidenten en de participatie aan een vermeende geweldscultuur niet betekent dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening - met inachtneming van het strenge en tot terughoudende toepassing nopende criterium van Uw Raad - rechtvaardigen. Het hof acht toerekening ten onrechte gerechtvaardigd, ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven. Een verbodenverklaring van een vereniging, waarmee inbreuk wordt gemaakt op het fundamentele recht van vrijheid van vereniging (vgl. artikel 8 Gw en artikel 11 EVRM ), kan bezwaarlijk worden gebaseerd op een zo losse mate van toerekening.”

3.51

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In zijn beschikking van 26 juni 2009 inzake de Harlinger Hells Angels heeft de Hoge Raad een maatstaf gegeven aan de hand waarvan bepaald moet worden of met de openbare orde strijdige gedragingen van derden aan de rechtspersoon als eigen ‘werkzaamheid’ kunnen worden toegerekend in het kader van art. 2:20 lid 1 BW. Voor een goed begrip citeer ik royaal uit deze Hoge Raad-beschikking:

“3.5 Volgens het Openbaar Ministerie is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan bij de uitleg van het begrip "werkzaamheid" van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW. Met juistheid heeft het hof, zo betoogt het Openbaar Ministerie, aangenomen dat sprake moet zijn van handelen of nalaten van de rechtspersoon zelf, dan wel van (crimineel) handelen of nalaten dat aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Voor die toerekening heeft het hof aan de hand van het juiste criterium onderzocht of het gaat om handelen of nalaten waarin de rechtspersoon daadwerkelijk zeggenschap heeft gehad of waaraan (het bestuur van) de rechtspersoon leiding heeft gegeven of waartoe het gelegenheid heeft gegeven. De "werkzaamheid" van een rechtspersoon wordt echter daarnaast volgens het Openbaar Ministerie mede bepaald door de wijze waarop deze rechtspersoon stelling neemt en waar deze voor staat, en daarvoor is ook van belang de situatie en cultuur binnen die rechtspersoon zoals die naar buiten toe (in de maatschappij) wordt ervaren. Volgens het middel heeft het hof miskend dat mede onder het begrip "werkzaamheid" valt hetgeen in het kader van een rechtspersoon gebeurt, waarbij het gaat om handelingen die in strijd zijn met de openbare orde en die door de rechtspersoon worden gefaciliteerd. Een belangrijke aanwijzing voor het bedoelde faciliteren is dat sprake is van een structurele situatie en cultuur van het begaan van handelingen in strijd met de openbare orde - zoals het plegen van strafbare feiten - door de leden en bestuurders, waarvan geen afstand wordt genomen door de rechtspersoon, welke aanwijzing wordt versterkt naarmate de gepleegde feiten ernstiger zijn. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van het bedoelde faciliteren is voorts van belang of de rechtspersoon deel uitmaakt van een grotere (nationale of internationale) organisatie waarbinnen dezelfde hiervoor bedoelde structurele situatie en cultuur heerst en waarvan geen afstand wordt genomen door de rechtspersoon. In dat verband heeft het Openbaar Ministerie zich erop beroepen dat door de stichting en de vereniging stelselmatig geen afstand wordt genomen van ernstige gedragingen die plaatsvinden in zusterorganisaties in binnen- of buitenland.

3.6 De aldus bepleite ruime uitleg van het begrip "werkzaamheid" kan niet als juist worden aanvaard. De hiervoor in 3.3 en 3.4 bedoelde, door het Openbaar Ministerie onderschreven, noodzaak tot terughoudendheid verzet zich tegen een dergelijke ruime uitleg, die zou meebrengen dat aan een rechtspersoon gedragingen van derden als eigen "werkzaamheid" worden toegerekend, alleen doordat de rechtspersoon daarvan of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden geen of onvoldoende afstand heeft genomen. Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden, zoals members of binnen- of buitenlandse zusterorganisaties, zelf niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, kunnen die gedragingen aan de rechtspersoon slechts als eigen "werkzaamheid" worden toegerekend indien bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven. Het oordeel van het hof komt erop neer dat in dit opzicht niet voldoende is komen vast te staan en dat het Openbaar Ministerie zijn verzoek in dit opzicht ook onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Het hof is daarom tot de slotsom gekomen (in rov. 31) dat de gewraakte feiten en omstandigheden betreffende de werkzaamheid van de stichting en de vereniging, voor zover zij zijn komen vast te staan, voor een deel wel kunnen worden aangemerkt als maatschappelijk ongewenst gedrag en mogelijk ook als strafbare feiten, maar niet als een zodanig ernstige inbreuk op de openbare orde dat een verbodenverklaring en ontbinding van een of beide rechtspersonen gerechtvaardigd is. Anders gezegd is naar het oordeel van het hof niet gebleken van een werkzaamheid waarvan de ongestoorde voortzetting en navolging in een democratische rechtsstaat niet kan worden geduld op straffe van ontwrichting, en daarom is voor de ingrijpende maatregel van verbodenverklaring en ontbinding van de rechtspersonen van de Harlinger Hells Angels geen plaats.

(…)

3.7.2 Het hof heeft niet over het hoofd gezien dat de Hells Angels een buitengewoon slechte reputatie hebben en dat zulks onder bijzondere omstandigheden zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat de werkzaamheid van de Harlinger rechtspersonen in strijd met de openbare orde is. Het hof heeft echter, na onderzoek van de positie van de Harlinger rechtspersonen ten opzichte van de internationale en nationale organisaties van Hells Angels geoordeeld en zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat, kort gezegd, niet een zodanig nauw verband bestaat dat de Harlinger rechtspersonen mede verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het handelen van andere clubs of leden van die clubs. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de omstandigheid dat de Harlinger rechtspersonen onvoldoende afstand zouden hebben genomen van de slechte reputatie van Hells Angels elders in Nederland en in de wereld, het hof niet behoefde te weerhouden van dit oordeel.”

Gegeven deze beschikking kunnen in het kader van art. 2:20 lid 1 BW met de openbare orde strijdige gedragingen van derden als eigen ‘werkzaamheid’ aan de rechtspersoon worden toegerekend, indien (1) de rechtspersoon daarbij rechtstreeks betrokken is, in de zin dat het bestuur (a) daaraan leiding heeft gegeven of (b) daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, dan wel indien (2) “bijzondere feiten en omstandigheden” daartoe grond geven, waarbij zij aangetekend dat de omstandigheid dat de rechtspersoon van gedragingen van derden of van de cultuur waarin die gedragingen plaatsvinden geen of onvoldoende afstand heeft genomen, op zichzelf daarvoor niet volstaat. De Hoge Raad heeft in genoemde beschikking van 2009 mede overwogen:

- dat het oordeel van het gerechtshof erop neerkomt dat “in dit opzicht” niet voldoende is komen vast te staan en dat het OM zijn verzoek in dit opzicht ook onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd (rov. 3.6);

- dat het gerechtshof, na onderzoek van de positie van de Harlinger rechtspersonen ten opzichte van de internationale en nationale organisaties van Hells Angels, heeft geoordeeld en zonder schending van enige rechtsregel heeft kunnen oordelen dat, kort gezegd, niet een zodanig nauw verband bestaat dat de Harlinger rechtspersonen mede verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het handelen van andere clubs of leden van die clubs (rov. 3.7.2);

- dat de omstandigheid dat de Harlinger rechtspersonen onvoldoende afstand zouden hebben genomen van de slechte reputatie van Hells Angels elders in Nederland en in de wereld, het gerechtshof niet behoefde te weerhouden van dit oordeel (rov. 3.7.2).

De Hoge Raad heeft in genoemde beschikking van 2009 (of in latere beschikkingen) niet nader ingevuld wat is te verstaan onder dergelijke “bijzondere feiten en omstandigheden” die zo’n toerekening kunnen rechtvaardigen. M.i. vergt de beoordeling daarvan - met inachtneming van het voorgaande - een gevalsafhankelijke benadering, waarbij het telkens erom draait of sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat in het kader van art. 2:20 lid 1 BW (waar relevant in verbinding met art. 10:122 BW) de desbetreffende rechtspersoon (corporatie) voor die gedragingen van derden (mede) verantwoordelijk te houden valt, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de verhouding waarin deze rechtspersoon (corporatie) en die derden tot elkaar staan.In rov. 5.29 van de beschikking stelt het hof voorop de door de Hoge Raad in de beschikking van 2009 omschreven maatstaf, waarover hiervoor. ’s Hofs oordeel in rov. 5.51 komt erop neer dat onder de daarvoor in de beschikking genoemde bijzondere feiten en omstandigheden “de club als geheel” (dus HAMC, de corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW gevormd door alle Hells Angels ter wereld, leden (members) van HAMC) - en wat betreft de gedragingen in Nederland mede “het Hollandse onderdeel” (dus HAMC Holland, de informele vereniging naar Nederlands recht gevormd door alle Hells Angels in Nederland, mede leden (members) van HAMC Holland) - verantwoordelijk moet worden gehouden voor de daar bedoelde gedragingen van Hells Angels (dus van eigen leden) in strijd met de openbare orde, wat betekent dat de wereldwijde gedragingen van Hells Angels waar het hier om gaat moeten worden toegerekend aan HAMC en de gedragingen van Hells Angels in Nederland mede aan HAMC Holland, dit ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen, in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven. Daarop laat het hof volgen in rov. 5.52:

“5.52. De hiervoor beschreven gedragingen vormen een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. Deze gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen deze ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen en de gezondheid en rechten en vrijheden van anderen te beschermen. De gewelddadige aard van deze activiteiten van HAMC en HAMC Holland en de schadelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en veiligheid van anderen is daarbij doorslaggevend. Zoals het OM heeft toegelicht, wordt al langer strafrechtelijk en bestuursrechtelijk opgetreden tegen de Hells Angels, maar is dat niet voldoende gebleken om deze schadelijke activiteiten een halt toe te roepen. Niet gebleken is dat er nog andere, minder vergaande maatregelen mogelijk zijn om het gevaar dat daarvan uitgaat voor de openbare orde in te dammen. Aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en relevantie is daarmee voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde en dat een verbod van deze organisaties is gerechtvaardigd.”

Gelet hierop richt het hof zich wat betreft de toerekeningsvraag klaarblijkelijk op de onder (2) hiervoor bedoelde toerekeningsvariant in het kader van art. 2:20 lid 1 BW, dat wil zeggen: het hof acht in het onderhavige geval de daarin bedoelde “bijzondere feiten en omstandigheden” aanwezig. Het hof verwijst in rov. 5.51 met die bijzondere feiten en omstandigheden mede terug naar de overweging die aan dit oordeel direct voorafgaat, rov. 5.50:

“5.50. Uit het voorgaande blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie, die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels bestaat. Een belangrijke factor is het gewelddadige imago, waarvan de leden gebruik maken en dat zij als het nodig is ook consequent waar maken. Daarbij wordt dat geweld op verschillende manieren aangemoedigd en verheerlijkt. Een andere factor is de rivaliteit met andere motorclubs, die regelmatig leidt tot machtsstrijd en bijbehorende geweldsconfrontaties. Deze conflicten worden daarbij meer dan eens uitgevochten te midden van het publiek op straat. Het bad standing-beleid leidt ertoe dat leden zich moeilijk kunnen losmaken van de club en gaat eveneens gepaard met geweld en dreiging met geweld. Intimidatie van (ex-)leden, slachtoffers en getuigen zorgt er verder voor dat justitieel optreden sterk wordt bemoeilijkt.”

Deze overweging (rov. 5.50) slaat op haar beurt terug op de daaraan voorafgaande rov. 5.36-5.49 (mede te lezen in het licht van rov. 5.27-5.35), welke overwegingen de in rov. 5.50 door het hof bereikte slotsom onderbouwen en waarin het hof, aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, is nagegaan - in de woorden van rov. 5.34, eerste zin - of “kan worden vastgesteld dat sprake is van zodanig ernstige en structurele, aan HAMC en HAMC Holland toe te rekenen gedragingen, dat deze een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten” (wat weer aansluit op rov. 5.27, derde zin). In rov. 5.36-5.49 gaat het hof dus niet alleen in op de vraag of sprake is van gedragingen van Hells Angels-leden (wereldwijd en in Nederland) in strijd met de openbare orde, maar ook op de te onderscheiden vraag of die (dus met de openbare orde strijdige) gedragingen van Hells Angels als eigen ‘werkzaamheid’ aan HAMC en HAMC Holland kunnen worden toegerekend. Naar de kern genomen beantwoordt het hof ook deze tweede vraag bevestigend, aldus dat in het onderhavige geval sprake is van de onder (2) hiervoor bedoelde “bijzondere feiten en omstandigheden”, omdat die met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels-leden voortkomen uit (en dus uitvloeisel zijn van) de cultuur van geweld die eigen is aan de organisatie HAMC (“de club als geheel”) respectievelijk HAMC Holland (“het Hollandse onderdeel”) als zodanig (dus de Hells Angels als club, wereldwijd respectievelijk de Nederlandse tak, gevormd door de leden), waarbij - samenvattend - in het bijzonder van belang is:

- dat het gaat om een club (HAMC (Holland)) die zich kenbaar niet conformeert aan de burgermaatschappij en zijn eigen regels volgt (rov. 5.36);

- dat het gaat om een club (HAMC (Holland)) die sterk gesloten is en overheidsgezag zoveel mogelijk buiten de deur houdt, waarbij in de praktijk blijkt van een structureel vijandige houding tegenover de politie (rov. 5.37);

- dat de geslotenheid van de club (HAMC (Holland)) versterkt wordt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag voor Hells Angels-leden (er wordt strikte geheimhouding verwacht), waarbij ook sprake is van de toepassing van bad standing beleid dat gepaard gaat met geweld (rov. 5.38);

- dat er in diverse opzichten sprake is van een duidelijke hiërarchie bij de Hells Angels (HAMC (Holland)) en hun aanhangers, die gehoorzaamheid afdwingt in de onderlinge verhoudingen (rov. 5.39);

- dat er sprake is van een logo (een doodshoofd met vleugels) en vaste motto’s (zoals AFFA (‘Angels Forever, Forever Angels’), FTW (‘Fuck The World’) en ACAB (‘All Cops Are Bastards’)) waarmee de Hells Angels (HAMC (Holland)) verder een sterke interne loyaliteit, geldingsdrang, een vijandige houding naar de buitenwereld en een affiniteit met geweld uitdragen, en van verheerlijking van geweld ook in veel aan de Hells Angels gerelateerde merchandise, welk soort uitingen op zichzelf geen reden is voor een verbod, maar wel kenmerkend zijn voor de cultuur van de Hells Angels waaruit de feitelijke gedragingen voortkomen die aanleiding geven voor het verbod (rov. 5.40);

- dat er gebruiken zijn die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels (HAMC (Holland)), dat de Hells Angels kennelijk activiteiten die serieuze strafrechtelijke consequenties kunnen hebben erbij vinden horen (rov. 5.41);

- dat er sprake is van een beeld dat het plegen van strafbare feiten (zoals bezit van onder meer een raketwerper, zware mishandeling met voorbedachten rade, mishandeling, afpersing, brandstichting en bedreiging) wordt geaccepteerd, zolang het niet schadelijk is voor de club (HAMC (Holland)) zelf (rov. 5.42);

- dat er eretekens zijn voor Hells Angels waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt, zoals de Filthy Few-patch, de Dequiallo-patch en de Death head Purple Heart-pin en -oorkonde (rov. 5.43-5.45).

Door aldus te oordelen dat in het kader van art. 2:20 lid 1 BW genoemde, met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels als eigen ‘werkzaamheid’ aan HAMC (wat betreft de wereldwijde gedragingen) en HAMC Holland (wat betreft gedragingen in Nederland) kunnen worden toegerekend, omdat bijzondere feiten en omstandigheden daartoe grond geven, hanteert het hof niet een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel, zoals hiervoor weergegeven, komt meer in het bijzonder niet in strijd met genoemde Hoge Raad-beschikking van 2009; met name ook niet met de overweging daarin dat voor toerekening in het kader van art. 2:20 lid 1 BW niet volstaat dat de rechtspersoon onvoldoende afstand heeft genomen van gedragingen van derden of van de cultuur waarin deze gedragingen plaatsvonden, waarbij voor het daar voorliggende geval bovendien nog geldt dat het daarin draaide om de - ontkennend beantwoorde - vraag of “de Harlinger rechtspersonen mede verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het handelen van andere clubs of leden van die clubs.” Het gaat in het onderhavige geval om iets wezenlijk anders, want kort en goed plaatst het hof daarin gemotiveerd de cultuur van geweld waarop het hof doelt bij (binnen) die organisaties HAMC en HAMC Holland zelf en verbindt het hof gemotiveerd genoemde, met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels (eigen leden) met die cultuur van geweld van HAMC en HAMC Holland als voortkomend uit die cultuur van geweld (als uitvloeisel daarvan), wat een zodanig nauw verband oplevert dat HAMC en HAMC Holland voor doeleinden van art. 2:20 lid 1 BW (wat betreft HAMC in verbinding met art. 10:122 BW) voor deze gedragingen (wereldwijd respectievelijk in Nederland) verantwoordelijk te achten zijn. Dáárin schuilen de bijzondere feiten en omstandigheden die, naar ’s hofs oordeel, in het onderhavige geval grond geven aan genoemde toerekening. Ik wend mij nu tot het subonderdeel.Het hart van het subonderdeel wordt gevormd door de volgende passage:

“4.1 (…) Dat oordeel is onjuist, omdat het niet te rijmen is met het strikte en tot terughoudende toepassing nopende toerekeningscriterium zoals door Uw Raad in de Hells Angels-beschikking van 26 juni 2009 geformuleerd. Ten onrechte meent het hof dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening rechtvaardigen. Het hof miskent dat genoemde ‘bijzondere omstandigheden’ in de toerekeningsmaatstaf betrekking moeten hebben op de positie van de betreffende rechtspersoon ten opzichte van de (rechts)personen die met de openbare orde strijdige handelingen hebben verricht. In het oordeel van het hof is de toerekeningsvraag echter verwaterd en opgelost in een participatieconstructie, die erop neerkomt dat HAMC en HAMC Holland onderdeel uitmaken van een brede geweldscultuur, zodat de vermeend ‘criminele gedragingen’ van individuele Hells Angels van over de hele wereld aan deze organisaties moeten worden toegerekend. De aldus door het hof betitelde ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening zouden moeten rechtvaardigen, zijn derhalve losgezongen van enige aanwijsbare of concrete banden tussen HAMC, HAMC Holland en de betreffende leden of charters die de door het hof genoemde (met de openbare orde strijdige) handelingen hebben gepleegd en die rechtvaardigen dat HAMC en HAMC Holland daarvoor medeverantwoordelijk moeten worden gehouden. Volgens het hof is toerekening mogelijk louter door het participeren in een cultuur van geweld en wetteloosheid. Het hof miskent echter dat het enkele feit dat sprake is van geweldsincidenten en de participatie aan een vermeende geweldscultuur niet betekent dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, die toerekening - met inachtneming van het strenge en tot terughoudende toepassing nopende criterium van Uw Raad - rechtvaardigen. Het hof acht toerekening ten onrechte gerechtvaardigd, ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven. Een verbodenverklaring van een vereniging, waarmee inbreuk wordt gemaakt op het fundamentele recht van vrijheid van vereniging (vgl. artikel 8 Gw en artikel 11 EVRM ), kan bezwaarlijk worden gebaseerd op een zo losse mate van toerekening.”

Ik kan hierover nu kort zijn. Naar volgt uit het voorgaande is ’s hofs bestreden oordeel (specifiek in rov. 5.51) wel te rijmen met ‘het strikte en tot terughoudende toepassing nopende toerekeningscriterium’, zoals geformuleerd in genoemde Hoge Raad-beschikking van 2009, en meent het hof niet ten onrechte dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’ die toerekening rechtvaardigen. Meer in het bijzonder:

- volgt, anders dan het subonderdeel veronderstelt, uit ’s hofs bestreden oordeel dus mede dat genoemde “bijzondere feiten en omstandigheden” juist betrekking hebben op de positie van HAMC en HAMC Holland ten opzichte van degenen (Hells Angels) die met de openbare orde strijdige handelingen hebben verricht,

- waarbij dus geen sprake is van een ‘verwatering’ van de toerekeningsvraag en ‘oplossing’ daarvan in ‘een participatieconstructie’, zoals bedoeld in het subonderdeel (‘die erop neerkomt dat HAMC en HAMC Holland onderdeel uitmaken van een brede geweldscultuur, zodat de vermeend ‘criminele gedragingen’ van individuele Hells Angels van over de hele wereld aan deze organisaties moeten worden toegerekend’),

- noch van het ‘losgezongen zijn’ van genoemde “bijzondere feiten en omstandigheden” van, in de woorden van het subonderdeel, ‘enige aanwijsbare of concrete banden tussen HAMC, HAMC Holland en de betreffende leden of charters die de door het hof genoemde (met de openbare orde strijdige) handelingen hebben gepleegd en die rechtvaardigen dat HAMC en HAMC Holland daarvoor medeverantwoordelijk moeten worden gehouden’.

Daarmee ziet het subonderdeel dus voorbij aan wat ’s hofs bestreden oordeel in werkelijkheid behelst, en mist het dus ook dat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit geldt evenzeer waar het subonderdeel nog opmerkt - in wezen een herhaling van zetten - dat volgens het hof toerekening mogelijk is ‘louter door het participeren in een cultuur van geweld en wetteloosheid’, daarmee miskennend dat ‘het enkele feit dat sprake is van geweldsincidenten en de participatie aan een vermeende geweldscultuur’ niet betekent dat sprake is van zulke ‘bijzondere omstandigheden’ (die toerekening, met inachtneming van genoemd criterium, rechtvaardigen). Want dat oordeelt het hof dus niet, terwijl dat wat het hof ter zake wel oordeelt in cassatie de toets der kritiek dus kan doorstaan. Daarmee valt ook de bodem weg onder de concluderende stellingen in het subonderdeel, erop neerkomend dat het hof toerekening ten onrechte gerechtvaardigd acht, ook al zijn HAMC en HAMC Holland zelf niet rechtstreeks betrokken bij deze gedragingen in die zin dat een bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven, en dat een verbodenverklaring van een vereniging (waarmee inbreuk wordt gemaakt op het fundamentele recht van vrijheid van vereniging) bezwaarlijk kan worden gebaseerd op ‘een zo losse mate van toerekening’.

Hierop stuit het subonderdeel af.

3.52

Subonderdeel 4.2 klaagt dat “dit oordeel” van het hof (in rov. 5.51 van de beschikking, zie ook onder 3.49-3.50 hiervoor) onbegrijpelijk is, “onder meer” omdat het innerlijk tegenstrijdig is met de vaststelling van het hof in rov. 5.10 en 5.66 van de beschikking dat, kort gezegd, de Hells Angels zeer sterk bottom up zijn georganiseerd. In rov. 5.10 constateert het hof dat op alle niveaus, ook dat van de charters, het principe van one man, one vote geldt. Weliswaar zijn de charters gebonden aan de internationale regels, maar die zien slechts op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn vrij in hun doen en laten (rov. 5.66). Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club (rov. 5.66). Deze vaststellingen roepen zonder nadere toelichting de vraag op waarom individuele gedragingen van leden toegerekend moeten worden aan HAMC en HAMC Holland, aldus nog steeds het subonderdeel.

3.53

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Zoals uiteengezet onder 3.51 hiervoor richt het hof zich in de beschikking wat betreft de toerekeningsvraag klaarblijkelijk op de daar onder (2) bedoelde toerekeningsvariant in het kader van art. 2:20 lid 1 BW, dat wil zeggen: het hof acht in het onderhavige geval de daarin bedoelde “bijzondere feiten en omstandigheden” aanwezig. Zoals ook uiteengezet onder 3.51 hiervoor komt het hof naar de kern genomen daartoe, omdat de met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels-leden die het hof in ogenschouw neemt naar zijn oordeel voortkomen uit (en dus uitvloeisel zijn van) de cultuur van geweld die eigen is aan de organisatie HAMC (“de club als geheel”) respectievelijk HAMC Holland (“het Hollandse onderdeel”) als zodanig (dus de Hells Angels als club, wereldwijd respectievelijk de Nederlandse tak, gevormd door de leden), waarbij het hof diverse feiten en omstandigheden betrekt waarover eveneens onder 3.51 hiervoor. Naar de aard staat hieraan niet in de weg, en is daarmee (dus) niet innerlijk tegenstrijdig, hetgeen het hof overweegt in rov. 5.10 van de beschikking in het kader van de te onderscheiden vraag of HAMC bestaat en of HAMC een corporatie is in de zin van art. 10:117 BW, (dus) ook niet voor zover betrokken door het subonderdeel:

“5.10. Uit dit alles blijkt dat er een organisatorisch verband van alle Hells Angels ter wereld bestaat. Dat er geen president of bestuur op mondiaal niveau is en dat er geen internationaal hoofdkantoor bestaat, doet daaraan onder deze omstandigheden niet af. Het hof onderkent daarbij dat de Hells Angels bottom up zijn georganiseerd, wat tot uitdrukking komt in het feit dat besluiten over alle relevante zaken worden genomen op basis van het principe one man, one vote. De charters hebben ook een zekere vorm van zelfstandigheid. Maar dat neemt niet weg dat zij een duidelijk gestructureerd geheel vormen op wereldschaal, waarbij alle Hells Angels lid zijn van één en dezelfde club. Het hof merkt daarbij nog op dat, zoals uit het voorgaande blijkt, op wereldniveau over wezenlijke zaken van de club - over regels die de identiteit van de Hells Angels betreffen en over concrete clubzaken die alle Hells Angels aangaan of die het lokale niveau overstijgen - wordt gesproken en beslist.”

Hetzelfde geldt voor hetgeen het hof overweegt in rov. 5.66 in het kader van, kort gezegd, de te onderscheiden vraag naar de reikwijdte van de verklaring en het verbod, met inachtneming van de positie van de Nederlandse Hells Angels-charters. Ook dit kan staan naast hetgeen het hof overweegt in het kader van die bevestigende beantwoording van de toerekeningsvraag, waarover onder 3.51 hiervoor. Ik citeer duidelijkheidshalve ook rov. 5.66:

“5.66. Er zijn geen statuten of reglementen van HAMC Holland of van de charters die in rechtspersoonlijkheid van de charters voorzien (behalve bij de formele verenigingen Westport en Nijmegen). Zoals hiervoor is overwogen, zijn de Hells Angels in Nederland mede te beschouwen als lid van HAMC Holland (zie rov. 5.26). Zij zijn echter ook nadrukkelijk verbonden aan een charter. De charters vormen daarbij bestendige organisaties. Zij beschikken ieder over een eigen bestuur, met vaste functies zoals president, secretary, treasurer, sergeant at arms en road captain. Zij hebben ook een eigen naam (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied). Zij hebben eigen leden, wat wordt bevestigd door de ledenlijsten die worden bijgehouden per charter. Zij hebben eigen vergaderingen en clubavonden (wekelijkse meetings). De maandelijkse contributie moet ook aan de charters worden betaald. De charters hebben eigen onderscheidingstekens op de kleding (de eigen variant van het death head logo en de siderocker en andere emblemen met de naam van het charter), waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheid. De charters hebben verder eigen clubhuizen en activiteiten. Een aantal charters heeft ook een eigen website. Ten slotte weegt mee dat, zoals in rov. 5.10 is geconstateerd, de Hells Angels sterk bottom up zijn georganiseerd. Op alle niveaus, ook dat van de charters, geldt het principe van one man one vote. Weliswaar zijn zij gebonden aan de strakke internationale regels, maar die zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn verder vrij in hun doen en laten. Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.”

Naar hieruit volgt, is evenmin aan de orde dat hetgeen het hof vaststelt in rov. 5.10 en/of rov. 5.66 zonder nadere toelichting de vraag oproept “waarom individuele gedragingen van leden toegerekend moeten worden aan HAMC en HAMC Holland”. Waarom naar ’s hofs oordeel van dit laatste sprake is, blijkt, ook met inachtneming van rov. 5.10 en 5.66, afdoende uit de beschikking (zie met name rov. 5.27-5.51) en behoefde (dus) geen nadere motivering. Aan dit een en ander ziet het subonderdeel voorbij, waar het kortweg onder verwijzing naar rov. 5.10 en 5.66 poneert dat sprake zou zijn van een onbegrijpelijk oordeel van het hof in rov. 5.51 vanwege genoemde innerlijke tegenstrijdigheid althans ‘waarom’-vraag.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.54

Subonderdeel 4.3 luidt als volgt:

“4.3 Het toerekeningsoordeel van het hof in rov. 5.51 is ook daarom ontoereikend gemotiveerd, nu het hof in dit verband geen enkele aandacht besteedt aan de vraag wat nu precies de rol van HAMC en HAMC Holland in die geweldscultuur is, laat staan dat het hof zich heeft afgevraagd in hoeverre HAMC en HAMC Holland bij die handelingen betrokken waren of die handelingen hebben gefaciliteerd of anderszins aangemoedigd, zodat niet valt in te zien waarom zij daarvoor niettemin verantwoordelijk moeten worden gehouden. Evenmin besteedt het hof in het kader van de toerekening van de 'wereldwijde gedragingen van de Hells Angels’ aan HAMC enige aandacht aan de vraag hoe de verhouding van HAMC ligt ten opzichte van buitenlandse charters en/of leden. Bovendien geeft het hof niet aan welke van de door het hof in rov. 5.47-5.49 genoemde gedragingen precies aan HAMC toegerekend moeten worden en waarom die specifieke gedragingen een verbodenverklaring rechtvaardigen. Net zomin heeft het hof enige kenbare gedachten gewijd aan de vraag welke gedragingen van de Nederlandse Hells Angels precies aan HAMC Holland kunnen worden toegerekend en waarom die gedragingen een verbodenverklaring rechtvaardigen. De Stichting c.s. hebben het hof er wel op gewezen dat het hof deze aspecten van de toerekeningsvraag gemotiveerd uiteen diende zetten, maar het hof heeft zich daar kennelijk niets aan gelegen laten liggen. Nu het hof zich niet (kenbaar) van deze vragen heeft vergewist, is het ook in dit opzicht, mede gelet op de hoge motiveringsplicht die voortvloeit uit de noodzaak tot terughoudende toepassing van artikel 2:20 BW , in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten. ”

3.55

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Ik breng in herinnering wat ik vooropstelde bij de behandeling van subonderdeel 4.2, onder 3.53 hiervoor:

- zoals uiteengezet onder 3.51 hiervoor richt het hof zich in de beschikking wat betreft de toerekeningsvraag klaarblijkelijk op de daar onder (2) bedoelde toerekeningsvariant in het kader van art. 2:20 lid 1 BW, dat wil zeggen: het hof acht in het onderhavige geval de daarin bedoelde “bijzondere feiten en omstandigheden” aanwezig;

- zoals ook uiteengezet onder 3.51 hiervoor komt het hof naar de kern genomen daartoe, omdat de met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels-leden die het hof in ogenschouw neemt naar zijn oordeel voortkomen uit (en dus uitvloeisel zijn van) de cultuur van geweld die eigen is aan de organisatie HAMC (“de club als geheel”) respectievelijk HAMC Holland (“het Hollandse onderdeel”) als zodanig (dus de Hells Angels als club, wereldwijd respectievelijk de Nederlandse tak, gevormd door de leden), waarbij het hof diverse feiten en omstandigheden betrekt waarover eveneens onder 3.51 hiervoor.

Ik wend mij nu tot het subonderdeel.Naar uit het voorgaande volgt, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, en mist het daarmee feitelijke grondslag, voor zover het aanvoert dat ’s hofs toerekeningsoordeel in rov. 5.51 van de beschikking ook daarom ontoereikend is gemotiveerd nu het hof “in dit verband geen enkele aandacht besteedt aan de vraag wat nu precies de rol van HAMC en HAMC Holland in die geweldscultuur is, laat staan dat het hof zich heeft afgevraagd in hoeverre HAMC en HAMC Holland bij die handelingen betrokken waren of die handelingen hebben gefaciliteerd of anderszins aangemoedigd, zodat niet valt in te zien waarom zij daarvoor niettemin verantwoordelijk moeten worden gehouden.” Dat doet het hof dus wel degelijk kenbaar. Zie onder 3.51 hiervoor.Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof in het kader van de toerekening van de 'wereldwijde gedragingen van de Hells Angels’ aan HAMC evenmin “enige aandacht [besteedt] aan de vraag hoe de verhouding van HAMC ligt ten opzichte van buitenlandse charters en/of leden”, geldt dat daarin evenmin een ontoereikende motivering van ’s hofs toerekeningsoordeel in rov. 5.51 kan schuilgaan. Mede gelet op rov. 5.3-5.13 beschouwt het hof HAMC als een wereldwijde organisatie van de Hells Angels in de zin van een wereldwijde, als zelfstandige organisatie naar buiten tredende motorclub die voldoet aan de definitie van een corporatie in art. 10:117, aanhef en onder a BW, wat naar de aard mede “buitenlandse charters en/of leden” omvat (naast HAMC Holland althans Nederlandse Hells Angels-charters en/of -leden). Onder dit gesternte bestond er voor het hof logischerwijs geen aanleiding in genoemd kader en bij genoemd oordeel nog weer nader in te gaan op de vraag hoe de verhouding van HAMC ligt ten opzichte van “buitenlandse charters en/of leden”, nu dat daar in de structuur van de beschikking (dus) reeds gegeven is, waarop het hof daar (dus) voortbouwt. In lijn met dit een en ander strandt ook het betoog in het subonderdeel dat het hof bovendien niet aangeeft “welke van de door het hof in rov. 5.47-5.49 genoemde gedragingen precies aan HAMC toegerekend moeten worden en waarom die specifieke gedragingen een verbodenverklaring rechtvaardigen”. Die “gedragingen” raken immers naar de aard álle HAMC (een wereldwijde organisatie van de Hells Angels in de zin van een wereldwijde, als zelfstandige organisatie naar buiten tredende motorclub die voldoet aan de definitie van een corporatie in art. 10:117, aanhef en onder a BW), terwijl het hof dus - zie ook onder 3.51 hiervoor - afdoende duidelijk maakt waarom, gezien ook die “specifieke gedragingen”, een verklaring voor recht inzake HAMC op de voet van art. 10:122 BW in verbinding met art. 2:20 lid 1 BW gerechtvaardigd is.Evenmin biedt het subonderdeel enig soelaas de stelling dat het hof net zomin “enige kenbare gedachten [heeft] gewijd aan de vraag welke gedragingen van de Nederlandse Hells Angels precies aan HAMC Holland kunnen worden toegerekend en waarom die gedragingen een verbodenverklaring rechtvaardigen”. Mede gelet op rov. (5.3-5.13 en) 5.14-5.26 beschouwt het hof HAMC Holland als een zelfstandige organisatie van alle Hells Angels in Nederland, die ook als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer en waarbij geldt dat HAMC Holland een informele vereniging naar Nederlands recht is, dat de Nederlandse Hells Angels mede te beschouwen zijn als lid van HAMC Holland (zij zijn ook lid van HAMC, waarover hiervoor; ik laat de Nederlandse Hells Angels-charters dan nog daar) en dat HAMC Holland, een nationaal niveau van de structuur waarin de Hells Angels zijn georganiseerd gevormd door de Hells Angels in Nederland, onderdeel is van HAMC, het wereldniveau van die structuur (waarover dus hiervoor). Zoals ook blijkt uit rov. 5.51 heeft het hof, bezien tegen deze achtergrond, wat betreft de in het kader van art. 2:20 lid 1 BW mede aan HAMC Holland toerekenbare, met de openbare orde strijdige gedragingen van Hells Angels het oog op de door het hof in ogenschouw genomen gedragingen van de Hells Angels in Nederland. Uit rov. 5.47-5.49 wordt afdoende duidelijk welke gedragingen dit betreft, dat behoefde geen nadere motivering door het hof. En ook hier geldt dat het hof - zie ook onder 3.51 hiervoor - afdoende duidelijk maakt waarom, gezien ook die “gedragingen”, een verbodenverklaring en ontbinding inzake HAMC Holland op de voet van art. 2:20 lid 1 BW gerechtvaardigd is.Daarmee valt tevens de bodem weg onder het subonderdeel waar nog wordt opgemerkt dat het hof zich “kennelijk” niets gelegen heeft laten liggen aan de in het subonderdeel bedoelde stellingname van de Stichting c.s. en dat het hof, nu het zich “niet (kenbaar)” van de daarin bedoelde vragen vergewist, ook in dit opzicht, mede gelet op de hoge motiveringsplicht die voortvloeit uit de noodzaak tot terughoudende toepassing van art. 2:20 BW, in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.56

Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt.

Onderdeel 5: “Proportionaliteit en noodzaak van het verbod (rov. 5.52): onvoldoende getoetst”

3.57

Onderdeel 5 start met een aanloop, waarin eerst een samenvatting wordt gegeven van rov. 5.52 van de beschikking. In rov. 5.52 oordeelt het hof als volgt:

“5.52. De hiervoor beschreven gedragingen vormen een daadwerkelijke aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen. Deze gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven, ontwrichten onze samenleving of kunnen deze ontwrichten en kunnen niet worden geduld. De verbodenverklaring is een noodzakelijke maatregel om die gedragingen te voorkomen en de gezondheid en rechten en vrijheden van anderen te beschermen. De gewelddadige aard van deze activiteiten van HAMC en HAMC Holland en de schadelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en veiligheid van anderen is daarbij doorslaggevend. Zoals het OM heeft toegelicht, wordt al langer strafrechtelijk en bestuursrechtelijk opgetreden tegen de Hells Angels, maar is dat niet voldoende gebleken om deze schadelijke activiteiten een halt toe te roepen. Niet gebleken is dat er nog andere, minder vergaande maatregelen mogelijk zijn om het gevaar dat daarvan uitgaat voor de openbare orde in te dammen. Aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en relevantie is daarmee voldaan. Dit leidt tot de conclusie dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde en dat een verbod van deze organisaties is gerechtvaardigd.”

3.58

Subonderdeel 5.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.52 van de beschikking reeds niet in stand kan blijven, voor zover het rust en voortborduurt op de in onderdelen 1 t/m 3 als ondeugdelijk aangemerkte vaststellingen (in strijd met art. 6 EVRM) en het in onderdeel 4 bestreden toerekeningsoordeel van het hof.

3.59

Het subonderdeel faalt, nu het voortbouwt op onderdelen 1 t/m 4 die falen, in welk lot het subonderdeel deelt. Zie onder 3.2-3.56 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.

3.60

Subonderdeel 5.2 klaagt dat bovendien het hof ten onrechte verzuimt op kenbare wijze de belangen van HAMC en HAMC Holland af te wegen tegen het maatschappelijk belang dat met een verbodenverklaring van deze entiteiten is gemoeid. De uit het EVRM voortvloeiende vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit vereisen evenwel dat een rechter bij het inperken van een fundamenteel grondrecht, zoals het recht op vrijheid van vereniging ex art. 11 EVRM, op nauwgezette wijze een dergelijke belangenafweging uitvoert. Voor zover het hof dat heeft miskend, is zijn oordeel onjuist, aldus nog steeds het subonderdeel.

3.61

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Ik stel voorop wat de Hoge Raad in zijn beschikking inzake Martijn heeft overwogen ten aanzien van (onder meer) de vrijheid van vereniging van art. 11 EVRM, mede onder verwijzing naar EHRM-rechtspraak ter zake en voor zover hier relevant:

“3.6 Art. 2:20 lid 1 BW dient te worden uitgelegd in het licht van art. 7 Gw en art. 10 EVRM, respectievelijk art. 8 Gw en art. 11 EVRM, welke bepalingen de fundamentele vrijheden van meningsuiting respectievelijk van vereniging waarborgen. Die vrijheden zijn echter niet absoluut. De vrijheid van meningsuiting geldt ingevolge art. 7 lid 1 Gw immers "behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet". Ingevolge art. 10 lid 2 EVRM kan de uitoefening daarvan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties (i) die bij de wet zijn voorzien en (ii) die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn (iii) in het belang van limitatief omschreven gronden, waaronder de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.De uitoefening van de vrijheid van vereniging kan ingevolge art. 8 Gw bij wet worden beperkt in het belang van de openbare orde, en ingevolge art. 11 lid 2 EVRM onder dezelfde voorwaarden als gelden voor de vrijheid van meningsuiting. Opmerking verdient in dit verband dat uit de MvA II bij de Wet tot wijziging van enige bepalingen over verboden rechtspersonen (Kamerstukken II 1984-1985, 17 476, nr. 5, p. 3 onder 10) blijkt dat met openbare orde in art. 2:20 BW hetzelfde is bedoeld als met de goede zeden als bedoeld in de art. 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM.Gelet op de grote betekenis van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging in een democratische samenleving dient de rechter terughoudendheid te betrachten bij de beantwoording van de vraag of dergelijke beperkingen noodzakelijk zijn (vgl. EHRM 14 januari 2014, 47732/06, EHRC 2014/77, Association of Victims of Romanian Judges tegen Roemenië).

3.7 Aan de hiervoor onder (i) vermelde voorwaarde is voldaan in het geval van het verbod en de ontbinding van een vereniging op de voet van art. 2:20 BW, omdat de uitoefening van de voormelde vrijheden wordt beperkt ingevolge een uitdrukkelijke wetsbepaling die met voldoende precisie is geformuleerd, en voldoende basis biedt om willekeur te voorkomen.

3.8 Bij de beoordeling of aan de hiervoor onder (ii) gestelde voorwaarde is voldaan, dient de rechter blijkens vaste rechtspraak van het EHRM na te gaan of de beperking van de onderhavige fundamentele vrijheid haar grond vindt in een pressing social need, of de inbreuk proportioneel is aan het daarmee nagestreefde wettige doel, en of de gehanteerde gronden terzake dienend en toereikend zijn. In zijn beoordeling of aan deze eis is voldaan, dient de rechter onder meer de aard van de werkzaamheid van de vereniging te betrekken, alsmede de kennelijke bedoeling bij en de gevolgen van de desbetreffende uitingen en gedragingen (…). In dit verband is niet noodzakelijk dat de vereniging reeds daadwerkelijk een gevaar vormt voor de openbare orde:

“57.

In the Courts view, the State is entitled to take preventive measures to protect democracy vis-à-vis such non-party entities as well, if a sufficiently imminent prejudice to the rights of others undermines the fundamental values upon which a democratic society rests and functions. One of such values is the cohabitation of members of society without racial segregation, without which a democratic society is inconceivable. The State cannot be required to wait, before intervening, until a political movement takes action to undermine democracy or has recourse to violence. Even if that movement has not made an attempt to seize power and the danger of its policy to democracy is not sufficiently imminent, the State is entitled to act preventively, if it is established that such a movement has started to take concrete steps in public life to implement a policy incompatible with the standards of the Convention and democracy (…).” (EHRM 9 juli 2013, nr. 35943/10)”

De tweede voorwaarde die art. 11 lid 2 EVRM stelt (erop neerkomend dat een beperking van de vrijheid van vereniging in een democratische samenleving noodzakelijk is) valt dus uiteen in drie sub-voorwaarden (erop neerkomend (i) dat de beperking van de onderhavige fundamentele vrijheid haar grond vindt in een ‘pressing social need’, (ii) dat de inbreuk proportioneel is aan het daarmee nagestreefde wettige doel, en (iii) dat de gehanteerde gronden terzake dienend en toereikend zijn). Ik wend mij nu tot het subonderdeel.Voor zover het subonderdeel redeneert vanuit een door het hof in het onderhavige geval uit te voeren belangenafweging (“op nauwgezette wijze een dergelijke belangenafweging uitvoert”) die nog weer verder gaat dan wat als vereiste voortvloeit uit - genoemde rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad inzake - genoemde tweede voorwaarde en drie sub-voorwaarden waarin deze tweede voorwaarde uiteenvalt, is het subonderdeel gebaseerd op een opvatting die geen steun vindt in het recht en loopt het daarop vast. Overigens komt de rechter (althans de lidstaat bij het EVRM) in dit verband een ‘margin of appreciation’ toe, die naar gelang de feiten en omstandigheden van het geval smaller of ruimer is en die, als het gaat om organisaties die aanzetten tot geweld tegen individuen, vertegenwoordigers van de staat of een deel van de bevolking, eerder ruim is dan smal.Voor zover het subonderdeel redeneert vanuit een door het hof in het onderhavige geval uit te voeren belangenafweging in lijn met genoemde tweede voorwaarde en drie sub-voorwaarden waarin deze tweede voorwaarde uiteenvalt, ziet het eraan voorbij dat het hof in de beschikking zo’n belangenafweging wel degelijk kenbaar uitvoert en bovendien op een wijze die geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in welk geval het subonderdeel dus evenzeer vastloopt. Daarbij betrek ik mede:

- dat het hof in rov. 5.30 van de beschikking onder meer het toetsingskader van art. 11 EVRM vooropstelt en daarbij de relevante overwegingen van de Hoge Raad in diens beschikking inzake Martijn welhaast woordelijk tot de zijne maakt;

- dat het hof vervolgens in rov. 5.52 ook uitdrukkelijk toetst of, kort gezegd, de verbodenverklaring van HAMC en HAMC Holland (dus: de verklaring voor recht op de voet van art. 10:122 BW in verbinding met art. 2:20 lid 1 BW respectievelijk de verbodenverklaring en ontbinding op de voet van art. 2:20 lid 1 BW) noodzakelijk is om de daarvoor (in het bijzonder in rov. 5.36-5.49) door het hof beschreven gedragingen te voorkomen en de gezondheid en rechten en vrijheden van anderen te beschermen, welke vraag het hof bevestigend beantwoordt en waarbij het als doorslaggevend aanmerkt de gewelddadige aard van deze activiteiten van HAMC en HAMC Holland en de schadelijke gevolgen daarvan voor de gezondheid en veiligheid van anderen;

- dat het hof daarbij ook in aanmerking neemt, gezien rov. 5.52:

 dat die gedragingen een daadwerkelijke aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, zoals het recht op vrijheid van vereniging (waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen) en veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen;

 dat deze gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals daarvoor omschreven, onze samenleving ontwrichten of deze kunnen ontwrichten en niet kunnen worden geduld;

 dat, zoals het OM heeft toegelicht, al langer strafrechtelijk en bestuursrechtelijk wordt opgetreden tegen de Hells Angels, maar dat niet voldoende is gebleken om deze schadelijke activiteiten een halt toe te roepen;

 dat niet is gebleken dat er nog andere, minder vergaande maatregelen mogelijk zijn om het gevaar dat daarvan uitgaat voor de openbare orde in te dammen;

 dat daarmee aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en relevantie is voldaan;

 dat dit leidt tot de conclusie dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde en dat een verbod van deze organisaties is gerechtvaardigd;

- dat dit een en ander bezien moet worden in het licht ook van ’s hofs overwegingen in rov. (5.27-5.35 en) 5.36-5.51, waarover mede onder 3.51, 3.53 en 3.55 hiervoor.

Dit kan in cassatie de toets der kritiek doorstaan.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.62

Subonderdeel 5.3 luidt als volgt:

“5.3 Het hof heeft zijn oordeel in elk geval ontoereikend gemotiveerd, nu van de vereiste nauwgezette belangenafweging in deze overweging geen sprake is. Het hof volstaat immers met enkele grove pennenstreken en sjablonen om tot de verstrekkende slotsom te komen dat een verbodenverklaring van HAMC en HAMC Holland noodzakelijk en proportioneel is. Deze conclusie is gebaseerd op de enkele overweging dat eerder straf- en bestuursrechtelijk optreden niet voldoende is gebleken om de ‘schadelijke’ activiteiten van de Hells Angels een halt toe te roepen. Het hof heeft daarbij evenwel niet gerespondeerd op het onderbouwde betoog van de Stichting c.s. dat erop neerkomt dat, anders dan het OM het doet voorkomen, nog nauwelijks gebruik is gemaakt van relevante bestuursrechtelijke instrumenten die overheden kunnen benutten indien zij menen dat in hun regio sprake is van met de openbare orde strijdig handelen door de Hells Angels. Voorts hebben de Stichting c.s. gesteld dat niet is aangevoerd door het OM, althans is gebleken, dat de integrale aanpak van de overheid, die reeds ingrijpende gevolgen voor motorclubs als de Hells Angels heeft, zou falen of onvoldoende resultaat zou opleveren, op welke stelling het hof evenmin heeft gerespondeerd. Door dat niet te doen heeft het hof op dit belangrijke punt een ontoereikend gemotiveerde beslissing genomen.”

3.63

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel, voortbouwend op subonderdeel 5.2, redeneert vanuit een door het hof in het onderhavige geval uit te voeren belangenafweging (“op nauwgezette wijze een dergelijke belangenafweging uitvoert”) die nog weer verder gaat dan wat als vereiste voortvloeit uit de onder 3.61 hiervoor - genoemde rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad inzake de daar - genoemde tweede voorwaarde en drie sub-voorwaarden waarin deze tweede voorwaarde uiteenvalt, deelt het ter zake in het lot van subonderdeel 5.2, dat faalt. Zie onder 3.61 hiervoor.Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof “[immers] volstaat met enkele grove pennenstreken en sjablonen om tot de verstrekkende slotsom te komen dat een verbodenverklaring van HAMC en HAMC Holland noodzakelijk en proportioneel is”, welke “conclusie is gebaseerd op de enkele overweging dat eerder straf- en bestuursrechtelijk optreden niet voldoende is gebleken om de ‘schadelijke’ activiteiten van de Hells Angels een halt toe te roepen”, ziet het subonderdeel voorbij aan al hetgeen het hof in werkelijkheid doet in rov. 5.52 van de beschikking, te bezien ook in het licht van hetgeen het hof overweegt in rov. (5.27-5.35 en) 5.36-5.51, waarover mede onder 3.51, 3.53, 3.55 en 3.61 hiervoor. Zoals daaruit blijkt, gaat het subonderdeel aldus uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist.Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof “daarbij evenwel niet [heeft] gerespondeerd op het onderbouwde betoog van de Stichting c.s. dat erop neerkomt dat, anders dan het OM het doet voorkomen, nog nauwelijks gebruik is gemaakt van relevante bestuursrechtelijke instrumenten die overheden kunnen benutten indien zij menen dat in hun regio sprake is van met de openbare orde strijdig handelen door de Hells Angels”, strandt het evenzeer. Op de vindplaatsen waarnaar het subonderdeel verwijst, tref ik allereerst niet de stelling van de Stichting c.s. aan dat “nog nauwelijks gebruik is gemaakt van relevante bestuursrechtelijke instrumenten die overheden kunnen benutten indien zij menen dat in hun regio sprake is van met de openbare orde strijdige handelen door de Hells Angels”. Veeleer hebben de Stichting c.s. aldaar in eerste aanleg niet zozeer betwist dat maatregelen genomen zijn, zoals het OM in zijn verzoekschrift heeft gesteld, als wel aangevoerd dat deze maatregelen (stopgesprekken, voornemens tot oplegging van een last onder dwangsom, screenings in het kader van de Wet Bibob, etc.) niet bestuursrechtelijk van aard zijn, dat een relatie tot de Hells Angels ontbreekt en dat ze zijn getroffen in het kader van reguliere handhaving. Ten aanzien van maatregelen in het buitenland hebben de Stichting c.s. betoogd, kort gezegd, dat de relevantie met de onderhavige procedure mist, dat geen onderscheid is gemaakt tussen verschillende soorten motorclubs en dat de door het OM gebruikte bronnen niet traceerbaar of niet actueel zijn. Hierbij komt - en dit is op zichzelf reeds fataal voor het subonderdeel - dat het OM in hoger beroep gemotiveerd de stelling heeft ingenomen dat tot op de dag van vandaag zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk tegen de Hells Angels is opgetreden, onder verwijzing naar voorbeelden hiervan in de door het OM aangehechte bijlage 26, maar dit echter niet voldoende is gebleken om de schadelijke werkzaamheid van de club volledig een halt toe te roepen, welke stelling van het OM in hoger beroep vervolgens door de Stichting c.s. in hoger beroep niet meer is weersproken (het subonderdeel noemt daarvan (dus) ook geen vindplaatsen in de gedingstukken). Gelet hierop gaf de stellingname van de Stichting c.s. in eerste aanleg waarop het subonderdeel hier doelt het hof geen aanleiding zijn oordeel in rov. 5.52 nog weer nader te motiveren. Hetzelfde geldt voor zover het subonderdeel nog poneert dat het hof evenmin respondeert op de stelling van de Stichting c.s. in eerste aanleg “dat niet is aangevoerd door het OM, althans is gebleken, dat de integrale aanpak van de overheid, die reeds ingrijpende gevolgen voor motorclubs als de Hells Angels heeft, zou falen of onvoldoende resultaat zou opleveren.” Het hof overweegt in rov. 5.52 immers dat, zoals het OM heeft toegelicht (in hoger beroep, door de Stichting c.s. niet bestreden; zie hiervoor), al langer strafrechtelijk en bestuursrechtelijk wordt opgetreden tegen de Hells Angels, maar dit niet voldoende is gebleken om deze schadelijke activiteiten van HAMC en HAMC Holland een halt toe te roepen, gevolgd door ’s hofs vaststelling dat niet is gebleken dat er nog andere, minder vergaande maatregelen - dan die waarop de onderhavige procedure betrekking heeft, dus, kort gezegd, inzake art. 2:20 BW in verbinding met art. 10:122 BW - mogelijk zijn om het gevaar dat daarvan uitgaat voor de openbare orde in te dammen. Gelet hierop gaf de stellingname van de Stichting c.s. in eerste aanleg waarop het subonderdeel hier doelt het hof evenmin aanleiding zijn oordeel in rov. 5.52 nog weer nader te motiveren.Daarmee valt tevens de bodem weg onder het subonderdeel waar nog wordt opgemerkt dat het hof “[d]oor dat niet te doen” op dit belangrijke punt een ontoereikend gemotiveerde beslissing heeft genomen.Hierop stuit het subonderdeel af.

3.64

Daarmee is gegeven dat onderdeel 5 faalt.

Onderdeel 6: “Reikwijdte van het verbod (rov. 5.67): ten onrechte geen belangenafweging”

3.65

Onderdeel 6 start met een aanloop, waarin eerst een samenvatting wordt gegeven van rov. 5.67 van de beschikking. In rov. 5.67 overweegt het hof als volgt:

“5.67. Gelet op dit alles zijn de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen aan te merken. Zij vallen dus niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Dat neemt niet weg dat de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring van HAMC Holland indirect wel gevolgen hebben voor de Nederlandse charters en hun leden. Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn, staat het hen ook niet meer vrij om de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland voort te zetten. Onder meer betekent dit dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden. Tot een andere beslissing over het verzoek van het OM dan de rechtbank heeft gegeven, leidt dit overigens niet.”

3.66

Subonderdeel 6.1 klaagt dat dit oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, voor zover het hof het verbod om de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland voort te zetten nader concretiseert door te overwegen dat dit ‘onder meer’ betekent dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden. Daarmee rekt het hof het verbod op naar charterniveau en zelfs individueel niveau. Dit oordeel is onjuist, omdat het hof in dat geval een belangenafweging - waarin tevens de individuele grondrechten van de charters en van de individuele Hells Angels worden gewogen - ten onrechte achterwege heeft gelaten en bovendien heeft verzuimd de noodzaak van dit verbod te toetsen, aldus nog steeds het subonderdeel.

3.67

Subonderdeel 6.2 luidt als volgt:

“6.2 Althans is dit oordeel, mede gelet op de hoge motiveringseisen die aan een verbodenverklaring van een rechtspersoon op de voet van artikel 2:20 BW worden gesteld, onbegrijpelijk gemotiveerd. Het hof maakt immers niet duidelijk hoever het verboden voortzetten van de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland precies gaat, terwijl het evenmin vaststelt dat het dragen van de colors van de Hells Angels en het naar buiten optreden onder deze naam als zodanig een daadwerkelijke aantasting van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel vormt en onze samenleving kan ontwrichten. De toevoeging in rov. 5.67, dat dit ‘onder meer’ betekent dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden, verschaft die helderheid allerminst, integendeel creëert zelfs meer onduidelijkheid door de implicatie dat het de Hells Angels ook individueel niet meer is toegestaan hun colors in het openbaar te dragen en niet meer onder hun eigen naam naar buiten te treden. Die implicatie vormt een inperking op de grondrechtelijke vrijheden van de Hells Angels in charter-verband, die niet te rijmen is met de voorgaande overwegingen van het hof (rov. 5.61-5.66), waarin nu juist is komen vast te staan dat het verbod zich niet uitstrekt tot de charters. Het hof heeft bovendien niet overwogen dat het in stand houden van deze kenmerken op zichzelf een daadwerkelijke aantasting van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel vormt en onze samenleving kan ontwrichten, zodat niet valt in te zien waarom een zo verstrekkende reikwijdte van het verbod noodzakelijk en proportioneel is. In elk geval is de onduidelijkheid die het hof op dit punt laat voor de individuele leden van de charters, uit een oogpunt van rechtszekerheid, onaanvaardbaar.”

3.68

De subonderdelen 6.1 en 6.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.61-5.66 van de beschikking beziet het hof, kort gezegd, de reikwijdte van de verklaring voor recht en het verbod, met inachtneming van de positie van de Nederlandse Hells Angels-charters. Het hof overweegt onder meer dat er aan de Nederlandse Hells Angels-charters 18 zelfstandige rechtspersonen verbonden zijn (de twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid ‘Westport’ en ‘Nijmegen’, alsmede 16 stichtingen) waarover de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland zich in elk geval niet uitstrekt, waarbij het hof de charters Westport en Nijmegen aanmerkt als georganiseerd zijnde in die formele verenigingen met hun naam, alsmede dat de overige charters niet georganiseerd zijn in formele verenigingen en ook niet samenvallen met die stichtingen, waarmee de vraag overblijft of deze charters wel informele verenigingen zijn (rov. 5.64). Vervolgens gaat het hof nader in op de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad en de positie van de charters (rov. 5.65-5.66), uitmondend in de slotsom dat “[g]elet op dit alles de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen [zijn] aan te merken” en dat “[z]ij dus niet [vallen] onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland” (rov. 5.67). Hierop laat het hof nog volgen, nog steeds in rov. 5.67:

“5.67. (…) Dat neemt niet weg dat de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en de verbodenverklaring van HAMC Holland indirect wel gevolgen hebben voor de Nederlandse charters en hun leden. Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn, staat het hen ook niet meer vrij om de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland voort te zetten. Onder meer betekent dit dat de leden niet meer in het openbaar de colors van de Hells Angels mogen dragen en de charters niet meer onder deze naam naar buiten mogen treden. Tot een andere beslissing over het verzoek dan de rechtbank heeft gegeven, leidt dit overigens niet.”

Ik wend mij nu tot de subonderdelen.Anders dan subonderdeel 6.1 veronderstelt, rekt het hof met de voorlaatste zin van dit laatste citaat (“Onder meer betekent dit”, etc.) niet “het verbod” op “naar charterniveau en zelfs individueel niveau”. Zoals ook het dictum van de beschikking buiten twijfel stelt, vallen de Nederlandse Hells Angels-charters en hun leden buiten de verklaring voor recht ten aanzien van HAMC (waarvan HAM Corporation geen onderdeel is) en de verbodenverklaring en ontbinding ten aanzien van HAMC Holland, waartoe het hof komt. Iets anders is, en dat is wat het hof in dit laatste citaat ‘slechts’ tot uitdrukking brengt, dat deze verklaring voor recht ten aanzien van HAMC en deze verbodenverklaring en ontbinding ten aanzien van HAMC Holland - als deze eenmaal onherroepelijk zijn - niet zonder betekenis zijn voor de Nederlandse Hells Angels-charters (hoe dan ook rechtspersonen) en hun leden, want “indirect wel gevolgen hebben” voor deze charters en leden. Dit laatste volgt evenwel uit het wettelijk systeem, in het bijzonder art. 140 lid 2 Sr waarin, kort gezegd, de voortzetting van de werkzaamheid van een op grond van art. 2:20 lid 1 BW verboden en ontbonden rechtspersoon, of van een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW jegens wie de in art. 10:122 BW in verbinding met art. 2:20 lid 1 BW bedoelde verklaring voor recht is uitgesproken, strafbaar is gesteld. Dát is waarop het hof hier duidelijkheidshalve wijst. Het is uiteindelijk evenwel aan de strafrechter om te beslissen op een eventuele vervolging voor dat feit, en binnen diens domein ligt dan ook de vraag of het door een lid in het openbaar dragen van de colors van de Hells Angels en het door een charter onder die naam naar buiten treden zo’n strafbaar feit zou opleveren. Gelet op het voorgaande hoefde het hof ter zake dus ook geen belangenafweging (waarin tevens de individuele grondrechten van de charters en van de individuele Hells Angels worden gewogen) uit te voeren en de noodzaak van “dit verbod” te toetsen, zoals bedoeld in het subonderdeel. Kortom, de onjuiste rechtsopvatting die het subonderdeel het hof tracht aan te wrijven, doet zich in werkelijkheid niet voor.Bezien tegen deze achtergrond moet de conclusie zijn dat ook subonderdeel 6.2 sneeft. Het hof hoefde in het kader van de voor-voorlaatste zin van dit laatste citaat (“Als de verklaring en het verbod eenmaal onherroepelijk zijn”, etc.) en de voorlaatste zin van dit laatste citaat (“Onder meer betekent dit”, etc.), waarop het subonderdeel kennelijk in het bijzonder het oog heeft, dus niet (nader) duidelijk te maken hoever het verboden voortzetten van de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland “precies” gaat noch vast te stellen dat het dragen van de colors van de Hells Angels en het naar buiten optreden onder deze naam “als zodanig een daadwerkelijke aantasting van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel vormt en onze samenleving kan ontwrichten”. Daaraan doet niet af dat het hof zich in die voorlaatste zin beperkt tot twee voorbeelden (“Onder meer betekent dit”, etc.), nu het hof ter zake dus niet gehouden was tot het verschaffen van meer “helderheid” dan het al doet in rov. 5.67, waarbij overigens nog zij aangetekend dat, anders dan het subonderdeel veronderstelt, het hof daarmee geen ontoelaatbare “onduidelijkheid” ter zake creëert (wat in rov. 5.67 staat, is afdoende duidelijk) en datgene wat het hof daar overweegt (ook naar strekking) dus niet resulteert in een “inperking op de grondrechtelijke vrijheden van de Hells Angels in charter-verband, die niet te rijmen is met de voorgaande overwegingen van het hof (rov. 5.61-5.66), waarin nu juist is komen vast te staan dat het verbod zich niet uitstrekt tot de charters.” Daarmee valt ook de bodem weg onder de slotopmerkingen in het subonderdeel, erop neerkomend (i) dat nu het hof niet heeft overwogen dat het in stand houden van deze kenmerken op zichzelf een daadwerkelijke aantasting van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel vormt en onze samenleving kan ontwrichten, niet valt in te zien waarom een zo verstrekkende reikwijdte van het verbod noodzakelijk en proportioneel is, en (ii) dat in elk geval de onduidelijkheid die het hof op dit punt laat voor de individuele leden van de charters, uit een oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbaar is.Bij deze stand van zaken kan ik daarlaten of de Stichting c.s. in het geheel wel belang hebben bij de subonderdelen, gezien het al dan niet dictum-dragende karakter van ’s hofs bestreden overweging in rov. 5.67.Hierop stuiten de subonderdelen af.

3.69

Daarmee is gegeven dat onderdeel 6 faalt.

Onderdeel 7: “Voortbouwklacht”

3.70

Onderdeel 7 klaagt dat het slagen van één van de voorgaande subonderdelen ook het oordeel van het hof in rov. 5.70 en 6.1 van de beschikking aantast.

3.71

Het onderdeel faalt, nu het voortbouwt op onderdelen 1 t/m 6 die falen, in welk lot het onderdeel deelt. Zie onder 3.2-3.69 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.

Slotsom

3.72

De slotsom luidt dat het cassatiemiddel van de Stichting c.s. vergeefs is voorgesteld.

4. Het cassatieberoep van het OM (in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01186)

De cassatieklachten

4.1

Het cassatiemiddel van het OM bestaat uit een inleiding (onder 1), die geen klachten bevat, en drie onderdelen (onder 2-3 en 5) die zijn geletterd van A t/m C en in subonderdelen uiteenvallen. Onderdelen A en B worden in het verzoekschrift tot cassatie gezamenlijk toegelicht (onder 4), onderdeel C afzonderlijk (onder 6).

Onderdeel A: “HAM Corporation is geen corporatie”

4.2

Onderdeel A richt zich tegen rov. 5.54-5.58 van de beschikking, waarin het hof oordeelt, kort gezegd, dat HAM Corporation zelf een (buitenlandse) vennootschap is die ook als zelfstandige eenheid naar buiten toe optreedt zodat zij moet worden aangemerkt als een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW en dat HAM Corporation voor de toepassing van art. 10:122 BW dus niet moet worden gezien als een onderdeel van HAMC. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet naar behoren gemotiveerd, aldus het onderdeel. Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen, in het verzoekschrift tot cassatie aan te treffen in nrs. 2.2 t/m 2.4, welke nummering ik hierna aanhoud.

4.3

Subonderdeel 2.2 klaagt dat genoemd oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt over het begrip ‘corporatie’ zoals bedoeld in art. 10:122 BW en geïmplementeerd in art. 10:117, aanhef en onder a BW. Voor het zijn van een corporatie is (onder meer) vereist dat het desbetreffende lichaam of samenwerkingsverband als een zelfstandige eenheid naar buiten toe optreedt. Het hof heeft miskend dat van het als zelfstandige eenheid naar buiten toe optreden geen sprake kan zijn als het desbetreffende lichaam of samenwerkingsverband:

“2.2 (…) (i) is opgericht door, vanuit en ten dienste van een corporatie, (ii) haar activiteiten uitsluitend verricht ten dienste van die corporatie, (iii) met die corporatie niet alleen nauw, maar zelfs onlosmakelijk is verbonden en (iv) wel zodanig dat haar bestaansrecht komt te vervallen als die corporatie niet langer zou bestaan, waarbij (v) dit lichaam of samenwerkingsverband alleen bestaat bij gratie van die corporatie. (…)”

Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu op grond van eigen vaststellingen van het hof en de door het hof niet-verworpen stellingen van het OM (die in cassatie daarmee als hypothetisch feitelijke grondslag hebben te gelden) tot uitgangspunt moet worden genomen dat de hiervoor onder (i) t/m (v) genoemde omstandigheden zich ten aanzien van HAM Corporation voordoen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt in het licht van die omstandigheden immers niet in te zien dat HAM Corporation als zelfstandige eenheid naar buiten toe optreedt, aldus nog steeds het subonderdeel.

4.4

Subonderdeel 2.3 klaagt dat, voor zover het hof met de overweging (in rov. 5.56 van de beschikking) dat HAM Corporation haar activiteiten uiteindelijk verricht ten dienste van de Hells Angels, dat haar organisatie nauw is verweven met de Hells Angels en dat zij onlosmakelijk is verbonden met de Hells Angels, niet heeft bedoeld (mede) te overwegen dat HAM Corporation haar activiteiten uiteindelijk verricht ten dienste van HAMC, dat haar organisatie nauw is verweven met HAMC en dat zij onlosmakelijk is verbonden met HAMC, dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof heeft immers vastgesteld dat HAMC een organisatorisch verband is van alle Hells Angels ter wereld, waarvan alle Hells Angels lid zijn, waaruit volgt dat volgens het hof zelf ‘de Hells Angels’ samenvallen met HAMC. In ieder geval heeft dan te gelden dat het hof ofwel een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de stellingen van het OM, die inhouden dat HAM Corporation haar activiteiten uiteindelijk verricht ten dienste van HAMC, dat haar organisatie nauw is verweven met HAMC en dat zij onlosmakelijk is verbonden met HAMC, ofwel ten onrechte niet is ingegaan op deze (essentiële) stellingen van het OM.

4.5

Subonderdeel 2.4 klaagt dat het slagen van een of meer van de klachten in de voorgaande subonderdelen (dus 2.2 en 2.3) ook het voortbouwende oordeel van het hof in rov. 5.60, 6.1, 6.2 en het dictum van de beschikking raakt.

4.6

De subonderdelen 2.2 t/m 2.4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.

4.7

Ik breng voor een goed begrip eerst in herinnering wat het hof overweegt in rov. 5.53-5.58 van de beschikking:

“De positie van HAM Corporation

5.53.

De rechtbank heeft geoordeeld dat HAM Corporation als een onderdeel van HAMC moet worden gezien. Onder meer tegen dat oordeel keert HAM Corporation zich met haar beroep. De Stichting c.s. sluiten zich daarbij aan. Daarover overweegt het hof het volgende.

5.54.

HAM Corporation is een Amerikaanse rechtspersoon die in 1970 is opgericht. Volgens de statuten (gewijzigd in 1984) is haar doelstelling ‘to exercise legitimate control over the use of, and licensing for, the various trade, service and collective membership marks utilized by various independant motorcycle chapters organized under the laws of various states and/or foreign countries’. Kort gezegd omvat dit het beheer en de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels. Bij statutenwijziging in 2008 is bepaald dat HAM Corporation geen leden heeft.

5.55.

HAM Corporation is eigenaar van de naam Hells Angels en een aantal logo’s, zoals het death head-logo, en andere beeldmerken van de Hells Angels. HAM Corporation heeft een board of directors, met zeven bestuursleden. Op grond van het toepasselijke Californische recht worden nieuwe bestuurders gekozen door het bestaande bestuur. Zij worden gekozen op advies van de Amerikaanse leden van de Hells Angels, na advies van het bestuur van HAM Corporation. Bestuursleden kunnen ook alleen door het bestuur uit hun functie worden gezet. Als daarvan sprake is, worden de leden van de Hells Angels daarover wel geïnformeerd. In elk land wordt een lid van de Hells Angels aangewezen als vertegenwoordiger die verantwoordelijk is voor het onderzoek naar inbreuken in het desbetreffende land. Als een mogelijke inbreuk wordt vastgesteld, moet deze persoon HAM Corporation hiervan op de hoogte stellen. Het bestuur beslist, op advies van de juridische adviseurs van HAM Corporation, welk intellectueel eigendomsrecht kan worden beschermd, waar registratie van intellectuele eigendomsrechten wordt aangevraagd en voor welk type goederen of diensten. Het bestuur houdt zich bezig met het verkrijgen van nieuwe intellectuele eigendomsrechten en het onderhouden en bijwerken van bestaande registraties. Het bestuur besluit ook tegen welke inbreuken wordt opgetreden en welke stappen daarbij worden ondernomen. HAM Corporation richt zich daarbij ook op het opsporen en aanpakken van structurele inbreukplegers. Beslissingen over het al dan niet ondernemen van juridische stappen tegen inbreuken worden niet voorgelegd aan charters of leden van de Hells Angels. HAM Corporation geeft wel updates over haar activiteiten aan de Hells Angels. Verder sluit HAM Corporation licentieovereenkomsten met de charters en leden, die hen het recht geven om het intellectueel eigendom onder strikte voorwaarden te gebruiken. Tijdens worldmeetings van de Hells Angels rapporteert HAM Corporation ten slotte over haar activiteiten.

5.56.

Blijkens het voorgaande houdt HAM Corporation zich bezig met het registreren en onderhouden van intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels, het verlenen van licenties voor het gebruik van deze rechten en het optreden tegen inbreuken op deze rechten. Duidelijk is dat zij deze activiteiten uiteindelijk verricht ten dienste van de Hells Angels. Zoals uit het voorgaande blijkt, is haar organisatie ook nauw verweven met de Hells Angels (het bestuur van HAM Corporation bestaat uit leden van de Hells Angels, benoemd op advies van de Hells Angels, en rapporteert aan de wereldwijde vergadering van de Hells Angels). Dat wil echter niet zeggen dat HAM Corporation voor de toepassing van artikel 10:122 BW moet worden beschouwd als onderdeel van HAMC. HAM Corporation is immers zelf een (buitenlandse) vennootschap en zij treedt ook als zelfstandige organisatie naar buiten toe op. Dat zij onlosmakelijk is verbonden met de Hells Angels, maakt dat niet anders. Dat betekent dat zij zelf een corporatie is in de zin van artikel 10:117 BW . Een verklaring voor recht als bedoeld in artikel 10: 122 BW kan ten opzichte van haar dan ook alleen worden uitgesproken als, naar aanleiding van een tegen haar gericht verzoek, wordt vastgesteld dat haar werkzaamheid in strijd is met de openbare orde. Een andere opvatting zou niet stroken met het uitgangspunt dat, omdat toewijzing van een verzoek op grond van artikel 10:122 BW leidt tot een ernstige inbreuk op de vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting, hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering en onderbouwing van zo’n verzoek, ook waar het gaat om de vraag of sprake is van een corporatie zoals bedoeld in dit artikel. Een andere uitleg zou zich ook niet verdragen met het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende recht van een rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede tot gevolg kan hebben dat haar eigen activiteit wordt verboden in Nederland.

5.57.

Het voorgaande wordt niet anders als juist zou zijn dat HAM Corporation in gerechtelijke procedures optreedt ten behoeve van HAMC en HAMC daarbij presenteert als overkoepelend geheel van leden en charters wereldwijd, zoals het OM heeft gesteld.

Dat maakt immers nog niet dat HAM Corporation zelf geen corporatie is en/of dat zij moet worden gezien als een orgaan van HAMC. Het OM heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat HAM Corporation deze positie inneemt. Uit de juridische procedures waarnaar het OM in dit verband verwijst, kan dit onvoldoende worden afgeleid.

In de uitspraak in de strafzaak R. v. Lindsay (2005) wordt overwogen dat elk charter een licentieovereenkomst moet sluiten met HAM Corporation. Dat wijst niet op een andere activiteit van HAM Corporation dan beheer en bescherming van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels. Dat verder wordt gesproken over een mother chapter in Oakland waar matters concerning the club langs moeten, doet daaraan niet af, omdat niet duidelijk is dat dit slaat op HAM Corporation.

De zaak R. v. HAM Corporation (2009) betreft een geval waarin HAM Corporation zich verzette tegen verbeurdverklaring/ onttrekking aan het verkeer van voorwerpen die bij clubhuizen van de Hells Angels in Canada in beslag waren genomen. HAM Corporation heeft erop gewezen dat het daarbij ging om voorwerpen met het beeld-/handelsmerk van de Hells Angels en dat volgens de licentieovereenkomst de licentie vervalt bij inbeslagname van deze voorwerpen. Haar optreden kan dan ook worden verklaard vanuit haar positie als merkrechthebbende. Dat de Canadese rechter concludeerde dat HAM Corporation bekend is met de criminaliteit van de Canadese charters, maakt de positie van HAM Corporation in dit verband op zichzelf niet anders.

In de zaak HAM Corporation v. County of Monterey (2000) trad HAM Corporation op als mede-eiser nadat bij een doorzoeking van een clubhuis van de Hells Angels in Oakland zaken in beslag waren genomen. HAM Corporation voert aan dat zij bij deze zaak was betrokken omdat zij destijds op dit adres was gevestigd en er ook eigendommen van haar in beslag waren genomen. Het OM heeft dat niet (gemotiveerd) betwist. Ook hieruit volgt dus niet dat HAM Corporation meer in het algemeen optreedt ter bescherming van de rechten van de Hells Angels.

In de zaak HAM Corporation v. Napolitano (2012) ging het om visumbeperkingen waardoor buitenlandse Hells Angels de Verenigde Staten niet binnenkwamen. Dit is de enige (in dit kader naar voren gebrachte) zaak waarin HAM Corporation duidelijk wel over meer dan intellectuele eigendomsrechten heeft geprocedeerd. Volgens HAM Corporation is zij feitelijk niet betrokken geweest bij deze procedure. Maar wat daar van zij, dit voorbeeld is onvoldoende om aan te nemen dat HAM Corporation optreedt namens HAMC als overkoepelende organisatie van alle Hells Angels.

5.58.

Gelet op het voorgaande is het primaire verzoek van het OM niet toewijsbaar, voor zover het betrekking heeft op HAM Corporation als onderdeel van HAMC. De verklaring voor recht die ten aanzien van HAMC is uitgesproken, raakt HAM Corporation dus niet direct. Dit betekent dat het hof alsnog het subsidiaire verzoek moet beoordelen, dat tegen HAM Corporation als zelfstandige corporatie is gericht. Het OM heeft daarvoor aangevoerd dat HAM Corporation een vehikel is dat in het leven is geroepen met als uitsluitende taak om de (commerciële) belangen van HAMC te behartigen. Volgens het OM verricht HAM Corporation uitsluitend activiteiten die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand houden en faciliteren en is haar werkzaamheid daarmee per definitie ongeoorloofd.”

4.8

Verder wijs ik op hetgeen de Hoge Raad, voor zover hier relevant, overweegt over het corporatiebegrip van art. 10:117, aanhef en onder a BW in zijn Bandidos-beschikking:

“3.2.3. Art. 10:122 lid 1 BW bepaalt dat het OM kan verzoeken voor recht te verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie die niet is een Nederlandse rechtspersoon, in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW. Blijkens art. 10:117, aanhef en onder a, BW wordt hierbij onder ‘corporatie’ verstaan “een vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en samenwerkingsverband”.

3.2.4. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 10:117 BW volgt dat het begrip ‘corporatie’ een ruim te interpreteren verzamelbegrip is voor die naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend. Niet is vereist dat sprake is van een rechtspersoon. Evenmin is vereist dat de bevoegdheid bestaat drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten of in rechte op te treden. Voldoende is dat als zelfstandige eenheid naar buiten wordt opgetreden, waarbij het niet behoeft te gaan om economische of bedrijfsmatige zelfstandigheid.

3.2.5. Art. 10:117, aanhef en onder a, BW is materieel gelijkluidend aan art. 1 van de - inmiddels vervallen - Wet conflictenrecht corporaties.

Uit de parlementaire geschiedenis van art. 1 Wet conflictenrecht corporaties volgt dat het enige criterium voor het zijn van een ‘corporatie’ is dat de corporatie als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreedt en dat het toepasselijke recht daar bepaalde gevolgen aan verbindt. Het beslissende criterium bestaat dus in het naar buiten als zelfstandige eenheid optreden, dat duidelijk het verschil met een zuiver contractuele samenwerking markeert. Het vereiste van zelfstandigheid vormt daarbij de grens tussen een samenwerkingsovereenkomst die leidt tot een corporatie met naar het incorporatierecht geregelde eigen rechten en plichten, en een samenwerkingsovereenkomst die dat gevolg niet kent.”

4.9

De passage uit de parlementaire geschiedenis van art. 10:117 BW waarnaar de Hoge Raad in de onder 4.8 hiervoor geciteerde rov. 3.2.4 verwijst, luidt als volgt:

“Het begrip «corporatie» is een ruim te interpreteren verzamelbegrip voor die naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend, al dan niet als rechtspersoon. Ook vennootschappen die geen rechtspersoon zijn (zie de voorgestelde artikelen 801 en 802 Boek 7, Kamerstukken I, 2004 –2005, 28 746 A) worden derhalve, indien zij naar buiten optreden, begrepen onder de definitie van «corporatie». Niet is vereist dat de bevoegdheid bestaat drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten of in rechte op te treden: voldoende is dat een vennootschap die geen rechtspersoon is, als zelfstandige eenheid naar buiten optreedt, waarbij het niet behoeft te gaan om economische of bedrijfsmatige zelfstandigheid.”

De passage uit de parlementaire geschiedenis van art. 1 Wet conflictenrecht corporaties waarnaar de Hoge Raad in de onder 4.8 hiervoor geciteerde rov. 3.2.5 verwijst, luidt als volgt:

“ Al met al lijkt er geen groot bezwaar tegen te bestaan dat in een nieuwe wet op het internationaal privaatrecht het begrip corporaties wordt ingevoerd als ruim te interpreteren verzamelbegrip voor die als zelfstandige eenheid naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend, al dan niet als rechtspersonen. Ook voor de aanduiding van de wet lijkt het geschikter van corporaties te spreken en niet van een «wet conflictenrecht (zedelijke) lichamen». Zoals uit het vorenstaande reeds moge zijn gebleken, gaat het hier niet alleen om rechtspersonen. Ook maatschappen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma, vallen onder het begrip. In dit verband is het van belang er op te wijzen dat in het protocol bij het Brusselse verdrag van 1968 een gemeenschappelijke verklaring is opgenomen waarin wordt vastgesteld dat de Italiaanse «società semplice» en de Nederlandse vennootschap onder firma onder de bepalingen van artikel 1 van het verdrag vallen, hoewel aan deze rechtsvormen naar nationaal recht geen rechtspersoonlijkheid toekomt. Zoals in de toelichting op het ontwerp van Rijkswet 11 790 (R 852) wordt gesteld, mag uit die verklaring niet worden afgeleid dat andere vennootschapsvormen waaraan geen rechtspersoonlijkheid toekomt doch die wel geacht kunnen worden in de zin van het verdrag de bevoegdheid te bezitten drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten en in rechte op te treden, niet onder artikel 1 zouden kunnen worden begrepen. Het begrip «corporaties» in artikel 1 van het wetsvoorstel is nog ruimer, omdat het niet de eis stelt dat de corporatie deze drie bevoegdheden bezit. Het enige criterium is, dat de corporatie als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreedt en dat het toepasselijke recht daar bepaalde gevolgen aan verbindt, zoals bijvoorbeeld bij de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap wordt gedaan in de derde titel van Boek 1 Wetboek van Koophandel. Daarbij vormt het vereiste van zelfstandigheid de grens tussen een samenwerkingsovereenkomst die tot een corporatie met naar het incorporatierecht geregelde eigen rechten en plichten leidt en een dergelijke overeenkomst die dat gevolg niet kent.In het advies van de Staatscommissie wordt er op gewezen dat het feitelijke karakter van de omschrijving tot gevolg heeft dat kwalificatieproblemen worden vermeden die tot rechtsonzekerheid zouden kunnen leiden. Het beslissende criterium is gezocht in het naar buiten als zelfstandige eenheid optreden, dat duidelijk het verschil met een zuiver contractuele samenwerking markeert. Het gaat bij de «corporatie» dus om een tot enig doel samengaande groep van (rechts-)personen die zich als zelfstandig subject van rechten vertoont en door het recht als eenheid wordt behandeld; zelfstandigheid in economische of bedrijfsmatige zin is daarbij niet van belang. Toepassing van dit criterium maakt duidelijk dat het op de corporatie toepasselijke recht bepaalt welke mate van juridische zelfstandigheid de corporatie heeft, en dat juridisch onzelfstandige «zedelijke lichamen» door de onderhavige wet niet worden geregeld. (…)Onder het begrip corporatie vallen naast samenwerkingsverbanden als vennootschappen en verenigingen ook instellingen als stichtingen, kerkgenootschappen en andere religieuze lichamen die als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optreden.”[zonder verwijzing in origineel, A-G]

4.10

Voorts valt te wijzen op de volgende (verspreide) passages uit de parlementaire geschiedenis van art. 1 Wet conflictenrecht corporaties:

“Het wetsvoorstel past in het voornemen tot codificatie van het Nederlandse internationaal privaatrecht. Regels betreffende het toepasselijke recht op vennootschappen, verenigingen, coöperaties, onderlingen, stichtingen en andere al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende juridische lichamen - in het wetsvoorstel samengevat onder de term corporaties - kunnen daarin niet ontbreken.(…)De in het wetsvoorstel gebruikte term «corporaties» omvat meer dan alleen de rechtspersoonlijkheid bezittende juridische lichamen. De voorgestelde regeling heeft ook betrekking op juridische lichamen die geen rechtspersonen zijn, maar aan wie het recht toch als «zedelijke lichamen» een bepaalde plaats inruimt. Door het gebruik van de juridisch neutrale term «corporatie» worden kwalificatieproblemen vermeden, die een term als «rechtspersoon» meebrengt. Naar algemeen aanvaarde regels van internationaal privaatrecht zal immers de kwalificatie van een zedelijk lichaam als rechtspersoon dienen te geschieden naar het recht van de rechter, derhalve naar Nederlands recht. Door het gebruik van het Nederlandse rechtsbegrip «rechtspersoon» zouden samenwerkingsverbanden die naar Nederlands recht geen rechtspersoon zijn maar naar het recht van incorporatie die kwalificatie wel bezitten, buiten het toepassingsgebied van deze wet blijven. En ook samenwerkingsverbanden die naar het recht van incorporatie een beperkte zelfstandigheid kennen zonder rechtspersoon te zijn, zouden buiten dit toepassingsgebied blijven. Dat resultaat past in een wetgeving die uitgaat van de leer van de werkelijke zetel, niet in een op het incorporatiestelsel gebaseerde wetgeving, die ervan uitgaat dat in het bijzonder het bestaan en de beëindiging, de structuur en inrichting, de bevoegdheden en aansprakelijkheden, en de vertegenwoordiging van een als zelfstandige eenheid optredend lichaam of samenwerkingsverband bepaald wordt door het recht van de plaats van de oprichting en van de statutaire zetel.”

4.11

Ten slotte citeer ik uit het advies van de Staatscommissie IPR dat aan de Wet conflictenrecht corporaties voorafging en dat een soortgelijke bepaling kende als art. 1 van die wet en het huidige art. 10:117 BW:

“Overigens wordt een ruim toepassingsgebied van de leden 2 en 3 [waarin het incorporatiestelsel was neergelegd in het voorstel van de Staatscommissie IPR, A-G] bewerkstelligd doordat naast de meest voorkomende, met name genoemde rechtspersonen (de ook in artikel 1 van het verdrag van 1956 opgesomde vennootschappen, verenigingen en stichtingen ) in een algemene formule ook "andere als een zelfstandige eenheid naar buiten optredende samenwerkingsverbanden en corporaties" in de definitie zijn opgenomen. Dankzij het feitelijk karakter van deze omschrijving worden bovendien kwalificatieproblemen vermeden, die zeker op dit gebied tot ongewenste rechtsonzekerheid zouden kunnen leiden. Het beslissende criterium is gezocht in het naar buiten als zelfstandige eenheid optreden, dat duidelijk het verschil met de zuiver contractuele samenwerkingsverbanden markeert.”

4.12

Ik wend mij nu tot de subonderdelen 2.2 t/m 2.4.

4.13

Na in rov. 5.54-5.55 van de beschikking te hebben vastgesteld - zakelijk weergegeven - dat HAM Corporation een in 1970 opgerichte Amerikaanse rechtspersoon is, wat volgens de statuten (gewijzigd in 1984) haar doelstelling is, dat bij statutenwijziging (in 2008) is bepaald dat zij geen leden heeft, van welke vermogensbestanddelen zij eigenaar is, dat zij een board of directors met zeven bestuursleden heeft, de wijze waarop (op grond van het toepasselijke Californische recht) nieuwe bestuurders worden gekozen en uit hun functie kunnen worden gezet, en wat de door haar (onder leiding van haar bestuur) ontplooide activiteiten - inzake het registreren en onderhouden van bepaalde intellectuele eigendomsrechten, het verlenen van licenties voor het gebruik van deze rechten en het optreden tegen inbreuken op deze rechten - feitelijk behelzen, concludeert het hof in rov. 5.56 dat HAM Corporation zelf een (buitenlandse) vennootschap is en ook als zelfstandige organisatie naar buiten toe optreedt hetgeen betekent dat zij zelf een corporatie is in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW (zoals ook bedoeld in art. 10:122 BW), waaraan niet afdoet:

- dat zij genoemde activiteiten uiteindelijk verricht ten dienste van de Hells Angels;

- dat haar organisatie ook nauw verweven is met de Hells Angels;

- dat zij onlosmakelijk verbonden is met de Hells Angels.

Daarbij tekent het hof in rov. 5.56 nog aan:

- dat een verklaring voor recht als bedoeld in art. 10:122 BW ten opzichte van HAM Corporation dan ook alleen kan worden uitgesproken als, naar aanleiding van een tegen haar gericht verzoek, wordt vastgesteld dat haar werkzaamheid in strijd is met de openbare orde;

- dat een andere opvatting niet zou stroken met het uitgangspunt dat, omdat toewijzing van een verzoek op grond van art. 10:122 BW leidt tot een ernstige inbreuk op de vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting, hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering en onderbouwing van zo’n verzoek, ook waar het gaat om de vraag of sprake is van een corporatie zoals bedoeld in dit artikel;

- dat een andere uitleg zich ook niet zou verdragen met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht van een rechtspersoon om zich in rechte te kunnen verdedigen tegen een verzoek van het OM dat mede tot gevolg kan hebben dat zijn eigen activiteit (dus van die rechtspersoon) wordt verboden in Nederland.

In rov. 5.57 laat het hof daarop nog volgen, kort gezegd, dat het voorgaande niet anders wordt als juist zou zijn dat HAM Corporation in gerechtelijke procedures optreedt ten behoeve van HAMC en HAMC daarbij presenteert als overkoepelend geheel van leden en charters wereldwijd, zoals het OM heeft gesteld, nu dat immers nog niet maakt dat HAM Corporation zelf geen corporatie is en/of dat zij moet worden gezien als een orgaan van HAMC (daarbij aantekenend dat het OM bovendien niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation deze positie inneemt). Dit een en ander mondt uit in ’s hofs conclusie in rov. 5.58 dat het primaire verzoek van het OM niet toewijsbaar is, voor zover het betrekking heeft op HAM Corporation als onderdeel van HAMC, zodat de verklaring voor recht die ten aanzien van HAMC is uitgesproken HAM Corporation niet direct raakt.Uit de onder 4.8-4.11 hiervoor weergegeven bronnen, waaronder Hoge Raad-rechtspraak en parlementaire geschiedenis van art. 10:117 BW en art. 1 Wet conflictenrecht corporaties, volgt onder meer en kort gezegd:

- dat het begrip ‘corporatie’ in art. 10:117, aanhef en onder a BW een ruim te interpreteren verzamelbegrip is voor die naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend;

- dat niet is vereist dat sprake is van een rechtspersoon;

- dat evenmin is vereist dat de bevoegdheid bestaat drager te zijn van rechten en verplichtingen, rechtshandelingen te verrichten of in rechte op te treden;

- dat voldoende is dat als zelfstandige eenheid (organisatie) naar buiten toe wordt opgetreden (wat duidelijk het verschil met een zuiver contractuele samenwerking markeert);

- dat het daarbij niet behoeft te gaan om economische of bedrijfsmatige zelfstandigheid.

Daarmee strookt hetgeen het hof op basis van de (naar diens oordeel) bestaande situatie overweegt in rov. 5.53-5.58 omtrent het zijn van HAM Corporation van een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW (in verbinding met art. 10:122 BW), waarover hiervoor. De rechtsklacht in subonderdeel 2.2 miskent dat de daarin onder (i) t/m (v) aangevoerde omstandigheden naar de aard niet in de weg staan aan ’s hofs oordeel ter zake, in het bijzonder diens stevig feitelijk verankerde vaststelling dat HAM Corporation zelf een (buitenlandse) vennootschap (een Amerikaanse rechtspersoon, beheerst door Californisch recht) is en ook als een zelfstandige organisatie naar buiten toe optreedt; zie onder 4.7 hiervoor. Immers: ook als die onder (i) t/m (v) aangevoerde omstandigheden zich ten aanzien van HAM Corporation zouden voordoen, blijft staan wat het hof ter zake overweegt in met name rov. 5.54-5.57 op basis waarvan het hof, gezien ook genoemde bronnen, zonder schending van enige rechtsregel kon komen gelijk het doet tot genoemde vaststelling in het kader van art. 10:117, aanhef en onder a BW (in verbinding met art. 10:122 BW) - insluitend dus dat HAM Corporation ook daadwerkelijk als een zelfstandige organisatie naar buiten toe optreedt, wat, gelet op hetgeen het hof daarbij allemaal in aanmerking neemt, m.i. niet serieus te ontkennen valt. Ik betrek daarbij dat een andere uitkomst ook op gespannen voet zou staan met het uitgangspunt inzake de motivering/onderbouwing van een art. 10:122 lid 1 BW-verzoek en het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht waarop het hof wijst in de voorlaatste en laatste zin van rov. 5.56, waarover hiervoor, waaraan het subonderdeel eveneens voorbijgaat. Kortom: de andersluidende opvatting zoals voorgestaan door het subonderdeel - waarin dus wordt geredeneerd vanuit een aanmerkelijk engere invulling van het hier relevante juridische concept ‘als zelfstandige organisatie naar buiten toe optreden’, waarvoor ik ook in genoemde bronnen geen aanknopingspunt heb aangetroffen - vindt geen steun in het recht, zodat daarin geen onjuiste rechtsopvatting van het hof gelegen kan zijn. In het verlengde daarvan loopt ook de motiveringsklacht in subonderdeel 2.2 vast, nu het hof in de beschikking terecht niet uitgaat van de door het subonderdeel voorgestane opvatting (die dus geen steun vindt in het recht) en de daarin bedoelde omstandigheden onder (i) t/m (v), ook als tot uitgangspunt zou dienen dat deze zich ten aanzien van HAM Corporation voordoen, het hof dus geen aanleiding gaven zijn oordeel ter zake nog weer nader te motiveren. Kortom: ook zonder nadere motivering valt dan heel wel in te zien dat, zoals het hof daar (uitgebreid toegelicht) oordeelt, voor doeleinden van art. 10:117, aanhef en onder a BW (in verbinding met art. 10:122 BW) te gelden heeft dat HAM Corporation “zelf een (buitenlandse) vennootschap [is] en zij ook als zelfstandige organisatie naar buiten toe op[treedt]”, reden waarom zij een corporatie is als daar bedoeld.Subonderdeel 2.3 loopt eveneens vast. In de eerste plaats geldt dat het subonderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist, voor zover het veronderstelt dat het hof in de door het subonderdeel bedoelde passages in rov. 5.56 met de verwijzing naar “de Hells Angels” niet (ook) doelt op HAMC. Waar het hof daar verwijst naar “de Hells Angels” heeft het hof immers, gezien ook rov. 5.53-5.58, duidelijk (ook) het oog op HAMC: de wereldwijde organisatie van de Hells Angels (gevormd door alle Hells Angels ter wereld, leden (members) van HAMC), zelf een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW. Zie ook onder 3.51 hiervoor. Naar hieruit volgt, is dan ook geen sprake van tegenstrijdigheid in rov. 5.56 met ’s hofs vaststelling dat HAMC een organisatorisch verband is van alle Hells Angels ter wereld waarvan alle Hells Angels lid zijn noch van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van het OM, zoals bedoeld door het subonderdeel. Zoals reeds volgt uit de behandeling van subonderdeel 2.2 hiervoor, bestond er voor het hof geen aanleiding nog weer nader in te gaan op deze stellingen van het OM (die in die zin dan ook niet als ‘essentieel’ zijn aan te merken), anders dan subonderdeel 2.3 tot slot nog poneert.Met het stranden van subonderdelen 2.2 en 2.3 is ook het lot bezegeld van subonderdeel 2.4, dat slechts een voortbouwklacht bevat. Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuiten de subonderdelen af.

4.14

Daarmee is gegeven dat onderdeel A faalt.

Onderdeel B: “Werkzaamheid HAM Corporation in strijd met openbare orde”

4.15

Onderdeel B richt zich tegen rov. 5.59 van de beschikking, specifiek de daarin vervatte oordelen van het hof, in de woorden van het onderdeel, “dat de (eigen) werkzaamheid van HAM Corporation niet in strijd is met de openbare orde” en “dat het OM niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation feitelijk leiding geeft aan of gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde, en daarmee (kennelijk) (…) dat voor toerekening van de gedragingen van de Hells Angels aan HAM Corporation geen grond bestaat”. In rov. 5.58-5.59 oordeelt het hof als volgt:

“5.58. Gelet op het voorgaande is het primaire verzoek van het OM niet toewijsbaar, voor zover het betrekking heeft op HAM Corporation als onderdeel van HAMC. De verklaring voor recht die ten aanzien van HAMC is uitgesproken, raakt HAM Corporation dus niet direct. Dit betekent dat het hof alsnog het subsidiaire verzoek moet beoordelen, dat tegen HAM Corporation als zelfstandige corporatie is gericht. Het OM heeft daarvoor aangevoerd dat HAM Corporation een vehikel is dat in het leven is geroepen met als uitsluitende taak om de (commerciële) belangen van HAMC te behartigen. Volgens het OM verricht HAM Corporation uitsluitend activiteiten die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand houden en faciliteren en is haar werkzaamheid daarmee per definitie ongeoorloofd.

5.59. Dit standpunt volgt het hof niet. Zoals hiervoor is overwogen, houdt HAM Corporation zich bezig met het beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels. Het mag zo zijn dat HAM Corporation daarmee zorgt voor de exclusiviteit van de uiterlijke kenmerken van de Hells Angels, die een prominente rol spelen bij de activiteiten van deze club, maar dat is onvoldoende voor het oordeel dat de activiteiten van HAM Corporation als zodanig in strijd zijn met de openbare orde. Dat de clubnaam en andere uiterlijke kenmerken bijdragen aan het gewelddadige imago van de Hells Angels, dat wordt gebruikt om buitenstaanders te intimideren, en geweld uitlokt van rivaliserende groeperingen, betekent niet dat het in stand houden van deze kenmerken zelf een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormt van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel en onze samenleving ontwricht of kan ontwrichten. Ook volgt daar niet uit dat een verbod op deze activiteit - naast een verbod van (de activiteiten van) de Hells Angels zelf - noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, openbare orde of rechten en vrijheden van anderen.

Dat geldt ook voor het beschermen van rechten op herkenningstekens zoals de Filthy few patch en Dequiallo patch, ook al neemt het hof de gewelddadige betekenis ervan aan.

Het OM heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat HAM Corporation feitelijk leiding geeft aan of gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde. Het hof ziet dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat de werkzaamheid van HAM Corporation in strijd is met de openbare orde. Het subsidiaire verzoek van het OM wordt daarom afgewezen.”

Genoemde oordelen van het hof in rov. 5.59 getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn niet naar behoren gemotiveerd, aldus het onderdeel. Het onderdeel valt in vijf subonderdelen uiteen, in het verzoekschrift tot cassatie aan te treffen in nrs. 3.2-3.3 (B1), nrs. 3.4-3.5 (B2) en nr. 3.6 (voortbouwende klacht), welke nummering ik hierna aanhoud.

“Eigen werkzaamheid van HAM Corporation - onderdeel B1”

4.16

Subonderdeel 3.2 klaagt dat het oordeel van het hof dat de (eigen) werkzaamheid van HAM Corporation niet in strijd is met de openbare orde blijk geeft van een onjuiste - want te beperkte - rechtsopvatting met betrekking tot de vraag wanneer sprake is van een werkzaamheid die in strijd is met de openbare orde zoals bedoeld in art. 10:122 BW, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling of sprake is van een werkzaamheid die in strijd is met de openbare orde gaat om de werkzaamheid zoals die concreet blijkt, en dat bij die beoordeling ook de aard van de werkzaamheid, de kennelijke bedoeling bij die werkzaamheid en de gevolgen van die werkzaamheid moeten worden betrokken. In het bijzonder heeft het hof miskend dat (dit maakt dat) het beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten van een andere corporatie (of van de leden van die andere corporatie, wier gedragingen aan die andere corporatie moeten worden toegerekend), waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, op zichzelf een werkzaamheid is die in strijd is met de openbare orde. Dit geldt in ieder geval waar, zoals in het onderhavige geval:

- (i) het beheren en beschermen van die intellectuele eigendomsrechten de werkzaamheid van die andere corporatie faciliteert en bewerkstelligt,

- (ii) het beheren en beschermen van die intellectuele eigendomsrechten ook omvat dat de desbetreffende corporatie de andere corporatie waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde (en diens leden) - (onder meer) via licentieovereenkomsten - mede aanstuurt (door bijvoorbeeld de controle op het gebruik van het merk, het ingrijpen bij onjuist merkgebruik en het stellen van voorwaarden voor het gebruik van het merk),

- (iii) niet alleen bekend, maar zelfs beoogd is dat door middel van het beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten, de werkzaamheid van de andere corporatie (of de gedragingen van de leden van die corporatie) - die in strijd is (zijn) met de openbare orde - wordt gefaciliteerd, bewerkstelligd en/of (mede) worden aangestuurd,

- (iv) dit bovendien de enige bestaansreden van de desbetreffende corporatie betreft, waardoor de werkzaamheid van die corporatie niet los kan worden gezien van de werkzaamheid van de andere corporatie (en de gedragingen van diens leden), en/of

- (v) de objecten waarop de intellectuele eigendomsrechten rusten een gewelddadige betekenis hebben en/of bijdragen aan het gewelddadige imago van de (leden van de) andere corporatie, waarbij dat imago een belangrijke factor is bij de in strijd met de openbare orde bevonden werkzaamheid van die andere corporatie,

aldus nog steeds het subonderdeel, bij de onder (i) t/m (v) genoemde omstandigheden telkens verwijzend naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties.

4.17

Subonderdeel 3.3 klaagt dat het oordeel van het hof in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de in subonderdeel 3.2 aangehaalde stellingen van het OM, die door het hof niet zijn verworpen en waaruit blijkt dat de daar genoemde omstandigheden zich in dit geval voordoen. Dat geldt te meer nu het hof zelf ook vaststelt (a) dat HAM Corporation, door middel van het beschermen van de intellectuele eigendomsrechten, zorgt voor de exclusiviteit van de uiterlijke kenmerken van de Hells Angels, die een prominente rol spelen bij de activiteiten van de club, (b) dat deze uiterlijke kenmerken bijdragen aan het gewelddadige imago van de Hells Angels, (c) dat dit gewelddadige imago een belangrijke factor is bij de cultuur van geweld die binnen de Hells Angels bestaat, en dit gewelddadige imago wordt gebruikt om buitenstaanders te intimideren en geweld uitlokt van rivaliserende groeperingen, en (d) dat HAM Corporation intellectuele eigendomsrechten beschermt ten aanzien van items die een gewelddadige betekenis hebben. Onder die omstandigheden valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat de werkzaamheid van HAM Corporation niet in strijd is met de openbare orde, aldus nog steeds het subonderdeel.

4.18

De subonderdelen 3.2 en 3.3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.59 van de beschikking richt het hof zich op de beoordeling van het subsidiaire verzoek van het OM ten aanzien van HAM Corporation, dat is gericht tegen HAM Corporation als zelfstandige corporatie. Daarvoor heeft het OM aangevoerd, zoals het hof vaststelt in rov. 5.58 (in cassatie onbestreden), dat HAM Corporation een vehikel is dat in het leven is geroepen met als uitsluitende taak om de (commerciële) belangen van HAMC te behartigen; volgens het OM verricht HAM Corporation uitsluitend activiteiten die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand houden en faciliteren, en is haar werkzaamheid daarmee per definitie ongeoorloofd. Naar blijkt uit rov. 5.59, geciteerd onder 4.15 hiervoor, volgt het hof dit standpunt van het OM gemotiveerd niet.Dat wat subonderdeel 3.2 aanvoert (ik lees daarin alleen rechtsklachten, in subonderdeel 3.3 alleen motiveringsklachten), rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof in rov. 5.59 voor zover bestreden blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

a. Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat het hof miskent dat het bij de beoordeling of sprake is van een werkzaamheid die in strijd is met de openbare orde gaat om de werkzaamheid zoals die concreet blijkt, en dat bij die beoordeling ook de aard van de werkzaamheid, de kennelijke bedoeling bij die werkzaamheid en de gevolgen van die werkzaamheid moeten worden betrokken, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Het hof gaat in rov. 5.59 immers uit van de concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation (het hof valt hier kenbaar mede terug op met name rov. 5.54-5.57, waar het hof ingaat op die concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation, dus haar concreet gebleken eigen werkzaamheid), daarbij ook betrekkend:

- de aard van die werkzaamheid (“HAM Corporation [houdt] zich bezig met het beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten van de Hells Angels”);

- de kennelijke bedoeling bij die werkzaamheid (“Het mag zo zijn dat HAM Corporation daarmee zorgt voor de exclusiviteit van de uiterlijke kenmerken van de Hells Angels, die een prominente rol spelen bij de activiteiten van deze club, (…)”);

- de gevolgen van die werkzaamheid (“Dat de clubnaam en andere uiterlijke kenmerken [de instandhouding waarvan dus door HAM Corporation wordt verzorgd: zie hiervoor, A-G] bijdragen aan het gewelddadige imago van de Hells Angels, dat wordt gebruikt om buitenstaanders te intimideren, en geweld uitlokt van rivaliserende groeperingen, (…)”).

Dit sluit ook aan op rov. 5.30, voorlaatste zin.

b. Voor zover het subonderdeel die feitelijke grondslag (zie onder a. hiervoor) wel heeft, maar veronderstelt, kort gezegd, dat het hof in het bijzonder miskent dat het door een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten van een andere corporatie (of van de leden van die andere corporatie, wier gedragingen aan die andere corporatie moeten worden toegerekend), waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, op zichzelf een eigen werkzaamheid van eerstgenoemde corporatie vormt die in strijd is met de openbare orde, loopt het subonderdeel erop vast dat deze opvatting geen steun vindt in het recht. Deze opvatting komt in algemene zin erop neer dat steeds als zo’n corporatie activiteiten verricht die de verboden werkzaamheid van een andere corporatie faciliteren (in stand houden), althans als eerstgenoemde corporatie activiteiten verricht die bestaan uit het beheren en beschermen van intellectuele eigendomsrechten van laatstgenoemde corporatie (of van de leden van die andere corporatie, wier gedragingen aan deze corporatie moeten worden toegerekend), ‘dus’ ook sprake zou zijn van, kort gezegd, gedragingen van eerstgenoemde corporatie die als zodanig de grondbeginselen van ons rechtsstelsel daadwerkelijk en ernstig aantasten en onze samenleving (kunnen) ontwrichten, oftewel eveneens in strijd zijn met de openbare orde (gelijk die van laatstgenoemde corporatie). Het rechtens bestaan van zo’n automatisme (doorwerking, gelijkschakeling) valt, zonder meer, niet in te zien. Of in een concreet geval sprake is van dergelijke, met de openbare orde strijdige gedragingen van eerstgenoemde corporatie hangt immers telkens af van alle gegeven feiten en omstandigheden en vergt dus een contextuele analyse, waarbij geldt:

- dat aan het op de voet van art. 10:122 lid 1 BW voor recht verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie in strijd is met de openbare orde zoals bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen, wat dus een hoge drempel oplevert;

- dat het enkele verrichten door een corporatie van genoemde activiteiten als relevant aspect van de zaak op zichzelf en zonder meer (dus) nog niet toereikend is voor het halen van deze hoge drempel (naar de aard evenmin indien, kort gezegd, het verrichten van die activiteiten de bestaansreden is van die corporatie), ook niet in beginsel.

De door het subonderdeel voorgestane opvatting, die uitgaat van een categorische benadering in de andere richting, gaat daaraan voorbij.

c. Voor zover het subonderdeel die feitelijke grondslag (zie onder a. hiervoor) wel heeft, maar veronderstelt, kort gezegd, dat het hof in het bijzonder miskent dat het door een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW beheren en beschermen van de intellectuele eigendomsrechten van een andere corporatie (of van de leden van die andere corporatie, wier gedragingen aan die andere corporatie moeten worden toegerekend), waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, op zichzelf een eigen werkzaamheid van eerstgenoemde corporatie vormt die in strijd is met de openbare orde “in ieder geval waar” de in het subonderdeel onder (i) t/m (v) bedoelde omstandigheden zich voordoen, loopt het subonderdeel vast op het volgende.

- De onder (i) bedoelde omstandigheid betrekt het hof ter zake op niet onbegrijpelijke wijze (zie de laatste en voorlaatste zin van rov. 5.58). Zoals reeds volgt uit b. hiervoor, staat die omstandigheid niet in de weg aan ’s hofs oordeel in rov. 5.59; een onjuiste rechtsopvatting van het hof schuilt daarin niet.

- Van de onder (ii) bedoelde omstandigheid (omtrent “mede aanstuurt”, etc.) gaat het hof ter zake niet (mede) uit. In de daarbij door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties lees ik ook geen stelling met een dergelijke strekking, ’s hofs uitleg daarvan (het hof leest zo’n stelling daarin evenmin) is m.i. niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel doet dan ook zonder vrucht een beroep op deze omstandigheid, wat daarvan verder zij.

- Van de onder (iii) bedoelde omstandigheid (omtrent “zelfs beoogd is”, etc.) gaat het hof ter zake niet (mede) uit. In de daarbij door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties lees ik ook geen stelling met een dergelijke strekking, ’s hofs uitleg daarvan (het hof leest zo’n stelling daarin evenmin) is m.i. niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel doet dan ook zonder vrucht een beroep op deze omstandigheid, wat daarvan verder zij.

- De onder (iv) bedoelde omstandigheid betrekt het hof ter zake op niet onbegrijpelijke wijze (zie de laatste en voorlaatste zin van rov. 5.58). Zoals reeds volgt uit b. hiervoor, staat die omstandigheid niet in de weg aan ’s hofs oordeel in rov. 5.59; een onjuiste rechtsopvatting van het hof schuilt daarin niet.

- De onder (v) bedoelde omstandigheid betrekt het hof ter zake op niet onbegrijpelijke wijze (zie de vierde t/m zesde zin van rov. 5.59). Ik meen, gezien ook genoemde hoge drempel en hetgeen het hof overigens betrekt in rov. (5.53-5.57 en) 5.58-5.59, dat diens oordeel dat deze omstandigheid onvoldoende gewicht in de schaal legt om al met al toch aan te nemen dat de concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation als zodanig in strijd zijn met de openbare orde, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Hieruit volgt dat subonderdeel 3.2 strandt.Over subonderdeel 3.3 kan ik nu kort zijn. Zoals volgt uit het voorgaande, in het bijzonder onder c. hiervoor, valt niet vol te houden dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 5.59 onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de in subonderdeel 3.2 aangehaalde stellingen van het OM; deze stellingen gaven het hof geen aanleiding diens oordeel in rov. 5.59 nog weer nader te motiveren. Voor zover subonderdeel 3.3 in zoverre al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het daarop vast. Dit laatste geldt ook wat betreft het beroep dat het subonderdeel doet op de daarin onder (a) t/m (d) weergegeven vaststellingen van het hof in rov. 5.59 (en 5.50). Voor zover het subonderdeel in zoverre al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking, en daarmee feitelijke grondslag heeft, leert lezing van rov. 5.59 in totaliteit dat het subonderdeel eraan voorbijziet dat het hof daar wel degelijk en navolgbaar uitlegt waarom het, niettegenstaande diens vaststellingen waarop het subonderdeel doelt, tot de slotsom komt dat het subsidiaire verzoek van het OM (gericht tegen HAM Corporation als zelfstandige corporatie) niet toewijsbaar is. Het ontbreken van een “nadere motivering”, waarvan het subonderdeel uitgaat, doet zich in werkelijkheid dus niet voor. Op basis van hetgeen het hof daar overweegt (te bezien dus ook in het licht van rov. 5.53-5.58), hetgeen niet onbegrijpelijk is, valt - ook zonder nog weer nadere motivering - afdoende in te zien waarom volgens het hof de eigen werkzaamheid van HAM Corporation niet in strijd is met de openbare orde zoals bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW (in verbinding met art. 10:122 BW).Hierop stuiten de subonderdelen af.

“Toerekening aan HAM Corporation - onderdeel B2”

4.19

Subonderdeel 3.4 klaagt dat het oordeel van het hof (in rov. 5.59 van de beschikking) dat het OM niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof heeft immers zelf, naar aanleiding van de daarop gerichte stellingen van het OM, vastgesteld (i) dat HAM Corporation, door middel van het beschermen van de intellectuele eigendomsrechten, zorgt voor de exclusiviteit van de uiterlijke kenmerken van de Hells Angels, die een prominente rol spelen bij de activiteiten van de club, (ii) dat deze uiterlijke kenmerken bijdragen aan het gewelddadige imago van de Hells Angels, (iii) dat dit gewelddadige imago een belangrijke factor is bij de cultuur van geweld die binnen de Hells Angels bestaat, en dit gewelddadige imago wordt gebruikt om buitenstaanders te intimideren en geweld uitlokt van rivaliserende groeperingen, en (iv) dat HAM Corporation intellectuele eigendomsrechten beschermt ten aanzien van items die een gewelddadige betekenis hebben. Bovendien heeft het OM uitgebreid gesteld en onderbouwd dat HAM Corporation gelegenheid geeft voor de in strijd met de openbare orde bevonden gedragingen van de Hells Angels. Het oordeel van het hof is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dan ook onbegrijpelijk.Het subonderdeel klaagt verder dat voor zover het hof heeft gemeend dat uit de door hem vastgestelde en door het OM gestelde omstandigheden niet volgt dat HAM Corporation gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van het gelegenheid geven voor gedragingen van anderen. Het hof miskent in dat geval dat door het beschermen en beheren van intellectuele eigendomsrechten ten aanzien van items die (a) een gewelddadige betekenis hebben en die daarnaast (b) een prominente rol spelen bij gedragingen die in strijd zijn met de openbare orde en (c) (indirect) bijdragen aan gedragingen die in strijd zijn met de openbare orde, doordat zij bij die gedragingen een belangrijke factor vormen, wel degelijk gelegenheid wordt gegeven voor gedragingen van anderen die in strijd zijn met de openbare orde, aldus nog steeds het subonderdeel.

4.20

Subonderdeel 3.5 klaagt dat het hof voorts ten onrechte, want in strijd met art. 24 Rv, niet heeft beoordeeld of bijzondere feiten en omstandigheden grond geven voor toerekening aan HAM Corporation van de gedragingen van de Hells Angels die in strijd zijn met de openbare orde, nu het OM op deze grond voor toerekening een beroep heeft gedaan. Voor zover het hof impliciet zou hebben geoordeeld dat de feiten en omstandigheden van dit geval geen grond opleveren voor toerekening van de gedragingen van de Hells Angels aan HAM Corporation, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de in subonderdeel 3.4 genoemde feiten en omstandigheden, aldus nog steeds het subonderdeel.

4.21

De subonderdelen 3.4 en 3.5 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.Subonderdeel 3.4 bestrijdt met een motiveringsklacht en een rechtsklacht ’s hofs oordeel in rov. 5.59 van de beschikking dat het OM verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation feitelijk gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde. Met deze “gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde” doelt het hof daar logischerwijs op de in rov. 5.46-5.52 behandelde, concrete wereldwijde gewelddadige gedragingen van Hells Angels-leden - inclusief gedragingen van Hells Angels-leden in Nederland - met schadelijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van anderen (begaan binnen de cultuur van geweld bij HAMC (Holland)), welke gedragingen daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde want een daadwerkelijke aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel (zoals het recht op vrijheid van vereniging, waaronder de vrijheid voor anderen om een vereniging op te richten en de vrijheid om het lidmaatschap van een vereniging te beëindigen, het recht op veiligheid en het beginsel van lichamelijke integriteit van personen), onze samenleving (kunnen) ontwrichten en niet kunnen worden geduld.De motiveringsklacht in subonderdeel 3.4 loopt erop vast dat, zo het subonderdeel hier al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, datgene waarop het subonderdeel wijst aan vaststellingen door het hof en stellingen van het OM naar de aard niet in de weg staat aan dit oordeel van het hof in rov. 5.59, zodat daarin geen aanleiding gelegen was voor het hof tot een nadere toelichting ter zake en de door het subonderdeel bedoelde onbegrijpelijkheid zich in werkelijkheid dus niet voordoet. Wat betreft zowel die vaststellingen door het hof als die stellingen van het OM, zoals ter zake niet onbegrijpelijk uitgelegd en betrokken door het hof (zie ook onder 4.18 hiervoor), valt zonder meer immers niet in te zien dat (het bestuur van) HAM Corporation gelet daarop ‘dus’ ook de vereiste rechtstreekse betrokkenheid ter zake heeft via het feitelijk gelegenheid geven aan de desbetreffende Hells Angels-leden van HAMC (Holland) voor het verrichten van die concrete gewelddadige, schadelijke gedragingen wereldwijd waarop het hof daar doelt. De voor het kunnen aannemen van zo’n rechtstreekse betrokkenheid via zulk feitelijk gelegenheid geven minimaal vereiste connectie ontbreekt dan, daarvoor zit er eenvoudigweg een te ver verwijderd verband (zo daarvan al sprake is) tussen enerzijds die (vast)stellingen en anderzijds die gedragingen.In het verlengde hiervan strandt evenzeer de rechtsklacht in het subonderdeel, nu het hof, door ondanks die (vast)stellingen te komen tot genoemd oordeel in rov. 5.59 inzake HAM Corporation, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting “ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van het gelegenheid geven voor gedragingen van anderen” die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde. Voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, in het bijzonder ook wat betreft die (vast)stellingen waarvan het hof uitgaat en kon uitgaan (zie ook onder 4.18 hiervoor), ziet het eraan voorbij dat het hof hier dus redeneert vanuit de juiste maatstaf en - naar tevens volgt uit het voorgaande - op basis daarvan kon aannemen, zoals het klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk doet met inachtneming ook van die (vast)stellingen, dat het OM verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation de vereiste rechtstreekse betrokkenheid ter zake heeft via het feitelijk gelegenheid geven aan de desbetreffende Hells Angels-leden van HAMC (Holland) voor het verrichten van die concrete gewelddadige, schadelijke gedragingen wereldwijd waarop het hof daar doelt.Dan resteert nog subonderdeel 3.5. Anders dan het subonderdeel poneert, beoordeelt het hof niet ten onrechte, want in strijd met art. 24 Rv, niet of bijzondere feiten en omstandigheden grond geven voor toerekening aan HAM Corporation van de gedragingen van de Hells Angels die in strijd zijn met de openbare orde. Het hof legt blijkens de voor-voorlaatste zin van rov. 5.59 (“Het OM heeft verder niet aannemelijk gemaakt”, etc.) de stellingen waarop het subonderdeel in dit verband een beroep doet (ter onderbouwing van de stelling dat “het OM op deze grond voor toerekening een beroep heeft gedaan”) immers klaarblijkelijk, en niet onbegrijpelijk, aldus uit dat het OM ten aanzien van HAM Corporation niet (ook) op deze grond voor toerekening een beroep heeft gedaan, waarmee de bodem onder deze klacht wegvalt. Ook de slotklacht van het subonderdeel kapseist, nu deze uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof oordeelt immers in rov. 5.59 (of elders in de beschikking) niet, ook niet impliciet, dat hier geen sprake is van zulke bijzondere feiten en omstandigheden als grond voor toerekening van de gedragingen van de Hells Angels aan HAM Corporation. Die grond laat het hof dus juist buiten beschouwing, omdat het de stellingname van het OM niet aldus verstaat dat het OM ten aanzien van HAM Corporation (ook) op deze grond voor toerekening een beroep heeft gedaan, waarover hiervoor.Hierop stuiten de subonderdelen af.

“Voortbouwende klacht”

4.22

Subonderdeel 3.6 klaagt dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten ook het voortbouwende oordeel van het hof in rov. 5.60, 6.1, 6.2 en het dictum van de beschikking raakt.

4.23

Het subonderdeel faalt, nu het voortbouwt op subonderdelen 3.2 t/m 3.5 die falen, in welk lot het subonderdeel deelt. Zie onder 4.15-4.21 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.

4.24

Daarmee is gegeven dat onderdeel B faalt.

Onderdeel C: “De positie van de Nederlandse charters”

4.25

Onderdeel C richt zich vooreerst met een motiveringsklacht tegen rov. 5.64 van de beschikking, specifiek het daarin vervatte oordeel van het hof, in de woorden van het onderdeel, “dat aangenomen moet worden dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam”. Het onderdeel richt zich verder met rechts- en motiveringsklachten tegen enkele overwegingen van het hof in rov. 5.10 en 5.66-5.67 (in het bijzonder rov. 5.66). Het onderdeel valt in zes subonderdelen uiteen, in het verzoekschrift tot cassatie aan te treffen in nr. 5.1 (C1) en nrs. 5.3-5.7 (C2), welke nummering ik hierna aanhoud.“Onderdeel C1 - Charters Westport en Nijmegen”

4.26

Subonderdeel 5.1 klaagt dat het oordeel van het hof (in rov. 5.64 van de beschikking) dat aangenomen moet worden dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de gemotiveerde en onderbouwde stelling van het OM dat de charters Westport en Nijmegen niet samenvallen met de formele verenigingen die in het Handelsregister zijn ingeschreven en met deze charters kunnen worden geassocieerd, net zo min als dat het geval is ten aanzien van de andere formele verenigingen die met bepaalde charters kunnen worden geassocieerd, nu al deze formele verenigingen alleen zijn opgericht voor het verrichten van bepaalde rechtshandelingen en dus niet samenvallen met de charters.

4.27

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het subonderdeel bestrijdt niet de vaststellingen van het hof in rov. 5.64 (en 3.1) van de beschikking dat er twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen) en 16 stichtingen verbonden zijn aan de Hells Angels-charters in Nederland, noch diens vaststellingen in rov. 5.64 dat dit zelfstandige rechtspersonen zijn over wie de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland zich in elk geval niet uitstrekt. Het subonderdeel bestrijdt wel, maar ook slechts en met een motiveringsklacht, ’s hofs overweging in rov. 5.64 dat het ervan uitgaat dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam, waarmee het hof dus doelt op de in de eerste zin van rov. 5.64 genoemde “twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen)”. Deze overweging zou onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn, gelet op de door het OM in feitelijke instanties ingenomen stellingname waarop het subonderdeel wijst.In de vindplaatsen in de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019 waarop het subonderdeel een beroep doet, lees ik over de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen alleen de opmerking van het OM, naar aanleiding van het noemen door de Stichting c.s. van deze twee charters “als charters die als verenigingen staan ingeschreven”, dat “dat slechts twee van meerdere charters [zijn] die op grond van objectieve gegevens geassocieerd kunnen worden met in het Handelsregister ingeschreven verenigingen onder andere namen.” Waaruit zou blijken dat specifiek deze twee verenigingen waarop de Stichting c.s. doelen ten aanzien van de charters “Westport” en “Nijmegen” niet een met deze twee charters overeenkomende naam (“Westport” respectievelijk “Nijmegen”) hebben, wordt daar door het OM niet uitgelegd. ’s Hofs vaststelling in rov. 5.64 (en 3.1) dát er twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (met de namen “Westport” en “Nijmegen”) verbonden zijn aan de Hells Angels-charters in Nederland, wordt door het subonderdeel dus ook niet bestreden. Ik zie niet in waarom ’s hofs bestreden overweging in rov. 5.64 - “Het hof gaat ervan uit dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam” - onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou in het licht van genoemde opmerking van het OM, het subonderdeel legt dat ook niet uit. Dit laatste geldt naar de aard ook voor de overigens door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties, waarover ik nu licht laat schijnen.Uit de vindplaatsen in de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019 waarop het subonderdeel een beroep doet, blijkt verder in essentie niet meer of anders dan dat volgens het OM:

- zijn beleid in de onderhavige procedure is “om alle lokale afdelingen die duidelijk en als zodanig kenbaar in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel staan ingeschreven in de verzoekschriften te benoemen en ook aan te schrijven”, waarbij “[p]robleem alleen [is] dat deze motorbendes hun uiterste best doen om hun structuur zoveel mogelijk te verhullen, zodat - ook van Hells Angels MC - een waarheidsgetrouwe inschrijving in het Handelsregister vrijwel altijd ontbreekt”;

- hij hoogstens ingeschreven verenigingen aantreft “waar wel individuele Hells Angels bij betrokken zijn, maar waarvan op grond van de naam, doelstelling en statuten geconcludeerd moet worden dat zij niet een lokale afdeling van Hells Angels MC zijn”, terwijl “[v]an (afdelingen-)verenigingen die hechten aan hun eigen rechtspersoonlijkheid immers tenminste verwacht [mag] worden dat zij hun eigen naam op de juiste wijze in het Handelsregister weten te krijgen” en het OM “wettelijk gehouden [is] van de authentieke gegevens in het handelsregister uit te gaan, waaronder de naam van de rechtspersoon”;

- de rechtspersonen waarop de Stichting c.s. doelen of “niet de juiste naam (en statuten) [hebben]” of “stichtingen [zijn] - waarvoor een wettelijk ledenverbod geldt”, zodat “[i]n beide gevallen” niet geconcludeerd kan worden “dat het charters van Hells Angels MC zijn, en al helemaal niet dat het afzonderlijke clubs met leden zijn. Hoogstens hebben of gebruiken lokale charters een stichting”;

- de rechter, als hij een werkzaamheid in strijd met de openbare orde constateert, “verplicht [is] het gevraagde verbod toe te wijzen, wat er ook zij van de overblijvende, op enige wijze gerelateerde rechtspersonen zoals stichtingen die niet een afdeling zijn van de verboden rechtspersonen maar wel (deels) dezelfde werkzaamheid uitvoeren”;

- de stellingname van de Stichting c.s. duidelijk maakt “hoe noodzakelijk het is om objectieve criteria aan te leggen bij de vraag of een lokale afdeling van een club als Hells Angels MC in het Handelsregister staat ingeschreven of niet”, daarbij - naast genoemde opmerking van het OM, waarover hiervoor - aantekenend dat “ook de Vereniging Companeros Motorcycleclub” (ingeschreven in Heiloo op het adres van het lokale charter) “en verschillende andere op enigerlei wijze geassocieerd kunnen worden met lokale charters maar andere namen [dragen], op grond van hun inschrijving niet kenbaar [zijn] als Hells Angels-afdelingen-verenigingen en vaak ook (deels) andere bestuursleden [hebben] dan de charters”;

- het niet een begaanbare weg lijkt om als criteria voor het in rechte kunnen betrekken van wel “de ene” en niet “de andere” aan te sluiten bij “[d]e mening van een belanghebbende als” de Stichting c.s.;

- van de in het verweerschrift van de Stichting c.s. gestelde 17 zelfstandige, in Nederland gevestigde charters slechts 12 charters te zien zijn in bijlage 5 bij het verweerschrift, daarbij aantekenend dat alleen al tijdens het schrijven van het verweerschrift “blijkbaar dus 5 charters [zijn] overleden”, dat er ook weer nieuwe charters worden opgericht (na indiening van het verzoekschrift het charter East Felwa), dat de politie signaleert dat charter Limburg na indiening van het verzoekschrift het clubhuis heeft verlaten en dat charter Brabant van de kaart is verdwenen, dat andere charters “met naams- en adreswijzigingen en onlogische overstappen van leden” onderling hun uiterste best doen om de inrichting van de club zo ondoorzichtig mogelijk te maken voor de overheid, en dat het OM dat overigens ook bij andere motorbendes ziet (“Het is het iedere dag spannende bestaan van de outlaw, maar dan op zijn Hollands”).

Ik lees hierin geen stellingname van het OM die het hof noopte zijn bestreden overweging in rov. 5.64 nog weer nader te motiveren dan het al doet, te bezien dus ook in het licht van de eerste drie zinnen van rov. 5.64. Daarbij verdient nog opmerking dat de stelling van het OM waarvan het subonderdeel uitgaat daarin evenmin te ontwaren valt. Dit behoeft geen verdere toelichting.Dan zijn er nog p. 32-35 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020. Duidelijkheidshalve citeer ik de relevante passages daaruit:

“(…)Voorzitter:Zeker. Dan een laatste vraag in uw richting. Deze gaat over de reikwijdte van een eventueel verbod. Stel dat een verbod aan de orde is, dan is uw standpunt dat dit niet alleen de wereldwijde organisatie en de organisatie in Holland treft, maar ook de charters. Nu hebben we gezien in het dossier dat er een aantal stichtingen en formele verenigingen zijn die kennelijk aan de Hells Angels zijn verbonden. Worden zij geraakt door een verbod?OM:Voor de stichtingen geldt dat zij geen leden kunnen hebben, dan is dus al de vraag hoe dat zit. Het primaire standpunt van het OM is dat de charters geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben. De stichtingen zijn formele rechtspersonen die wellicht verbonden zijn aan de Hells Angels, maar zij houden zich eigenlijk alleen met opstal gerelateerde zaken bezig. De charters kunnen niet vereenzelvigd worden met deze rechtspersonen. Ze noemen zich wel stichting Emmen, maar zijn niet hetzelfde als de charter. Ik wil u nog verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2761, onder andere rov. 4.2, bevestigd door het hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9212. Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen de charters enerzijds en de aan de Hells Angels verbonden formele rechtspersonen anderzijds. Dat ging over de Vereniging Westport Motorcycle Club en stichting Hells Angels Harlingen. Die formele rechtspersonen waren toen uitsluitend opgericht om in het rechtsverkeer rechtshandelingen te kunnen verrichten. Wij zeggen dus dat dit niet de charters zijn. De charters zijn onzelfstandige onderdelen van HAMC Holland.Het klopt wel dat een verbod de stichtingen zelf niet raakt. De stichtingen zijn er bijvoorbeeld om een tapvergunning te krijgen, om een clubhuis te verwerven en dat soort zaken. Ten dienste van een charter dus en daarmee houdt het ook op.Op het moment dat uw hof zou zeggen dat HAMC Holland wordt verboden, en een stichting valt daar niet onder, dan wordt zij inderdaad niet door het verbod geraakt. Maar het verbod raakt de charters wel. De stichting is niet hetzelfde als de charter. Het is een discussie die wellicht gevoeld gaat worden in de handhavingsfase. Het is ook een discussie die we zien gebeuren bij de Bandidos naar aanleiding van de uitspraak van uw hof. In principe is het zo dat de charters gewoon onder het verbod gaan vallen, maar niet dus die formele rechtspersoon. Maar dat maakt niet uit.Voorzitter:U gaat er dus vanuit dat de formele rechtspersonen als zodanig niet geraakt worden door een verbod. Dat neemt niet weg dat de charters niet met deze rechtspersonen samen kunnen vallen, voor zover het om stichtingen gaat, omdat de charters leden hebben.

OM:

Dat is iets dat bij de handhaving naar voren kan komen.

Voorzitter:

Wat wel voorligt, is de vraag naar de reikwijdte van een eventueel verbod. Daarbij gaat het erom of de charters zelfstandige informele verenigingen zijn of onzelfstandige afdelingen.

OM:

We zijn natuurlijk heel goed bekend met de uitspraak van uw hof in de zaak Bandidos. Daarin is gezegd dat de chapters van die club zelfstandige rechtspersonen zijn, die niet onder het verbod vallen. Daar denken wij anders over, maar de Hoge Raad heeft dat oordeel bevestigd. Dat is ook nog een vraag van handhaving. Want wat zijn de werkzaamheden van een chapter, die niet vallen onder de werkzaamheden van de informele vereniging, in dit geval HAMC Holland? Die zijn er niet.

Voorzitter:

Wat is de reactie van de Stichting c.s. over dit onderwerp? Bij de stukken van 1 september jl. zitten uittreksels uit de handelsregisters ten aanzien van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Westport Motorcycle Club in Velzen en twee stichtingen, Northcoast en Emmen. Ten aanzien van de stichtingen zegt het OM: die kunnen niet gelijk staan met de charters, want dat zijn clubs met Ieden.

Mr. Van Es:

Voorzitter, ik kom daar zo meteen uitgebreid op terug. Met betrekking tot de reikwijdte van een verbod en de executie denk ik dat het aan uw hof is om daar wellicht rekening mee te houden in uw uitspraak. U kunt daar namelijk zelfstandig oordeel over vormen. Of dat wel of niet een kwestie is van executie.Voorzitter:

De discussie gaat er onder andere over of de charters zelfstandige informele verenigingen zijn. Als dat zo is, dan volgt uit de Bandidos-uitspraak dat ze niet getroffen worden door het verbod. Als het hof zou oordelen dat de charters onzelfstandige afdelingen zijn van een groter geheel, dan vallen ze wel onder een eventueel verbod. Daarnaast hebben we gegevens gezien over formele rechtspersonen die hoe dan ook niet geraakt worden door een eventueel verbod, omdat ze niet betrokken zijn in deze procedure.

Mr. Knoops:

Alle charters zijn ondergebracht in stichtingen.

Voorzitter:

Hoe zit het dan met die formele vereniging, waarover stukken zijn overgelegd? Het eerste uittreksel betreft een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, Westport.

Mr. Knoops:

Ze hebben allemaal rechtspersoonlijkheid. De uittreksels die we hebben toegestuurd zijn een bloemlezing. We hadden ze alle 18 kunnen sturen, maar we hebben voor een aantal gekozen. Ze zijn allemaal ingeschreven in de Kamer van Koophandel als rechtspersoon.

Voorzitter:

We hebben dus stukken over één vereniging en twee stichtingen. U zegt: het zijn voorbeelden van de rechtspersonen die horen bij de verschillende charters.

Mr. De Koning:

De meeste zijn stichtingen.

Voorzitter:

En op het plaatje dat bij de PowerPoint presentatie zat spreekt u alleen over stichtingen.

Mr. Knoops-Hamburger:

Ja dat klopt. Één of twee zijn verenigingen en de rest zijn allemaal stichtingen.

Voorzitter:

En weet u dan welke of wat er nog meer een vereniging is?

) Lid van het hof mr. Giesen:

In de pleitnotitie eerste aanleg van het OM, de tweede termijn staan Nijmegen en Westport genoemd onder 7.10.

Voorzitter:

Daar gaat u dus ook van uit. Er zijn twee formele verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, Nijmegen en Westport, en de rest heeft allemaal een stichting. Gaat het OM daar ook vanuit of heeft u nog andere gegevens?

OM:

Nee. Ook voor de vereniging geldt dat die uitsluitend is opgericht voor het verrichten van formele rechtshandelingen. Dan hebben we het over dezelfde zaken die we ook bij de stichtingen terug zien. Of het nu in een stichting of in de vorm van een vereniging geschiedt, dat maakt voor de feitelijke handelingen in onze visie niet zo heel veel verschil.

Voorzitter:Zegt u dan dat er naast een formele vereniging, Westport bijvoorbeeld, ook nog een afdeling Westport is?

Mr. Damen:

Ik kan wel even in het handelsregister kijken. Dit levert een vrij lange discussie op die misschien heel oplosbaar is.

Voorzitter:

We zijn er eigenlijk wel uit welke formele verenigingen en stichtingen er bestaan, de discussie gaat alleen nog over hoe we de verhoudingen moeten zien. Is er bijvoorbeeld naast de formele vereniging ook nog een onzelfstandige vereniging Westport. Als er ook nog een andere Hells Angels club Westport is die je zou moeten beschouwen, niet als een informele vereniging maar als een onzelfstandige afdeling van HAMC Holland.

OM:

In principe zeggen we ook in dit geval dat de charters niet kunnen worden vereenzelvigd met de formele vereniging, dat is toch echt iets anders.

Lid van het hof mr. Bronzwaer:

Dus naast de vereniging Nijmegen bestaat er een charter?

OM:

Zo zien wij dat. Het is gewoon onderdeel van.

Lid van het hof mr: Bronzwaer:

Dat het onderdeel is van HAMC Holland...

OM:

De formele vereniging is opgericht is ten dienste van de charter en de charter valt onder HAMC Holland. De charter valt niet onder die formele vereniging, maar valt onder HAMC Holland.

Voorzitter:

We zijn nog benieuwd naar de reactie van de Stichting c.s., maar dat horen we zo dadelijk wel tijdens de repliek.

(…)”

Hieruit blijkt dat het OM onderkent dat er twee formele verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid zijn, “Nijmegen en Westport”, naast de aan de Hells Angels-charters in Nederland verbonden stichtingen. Over deze verenigingen merkt het OM, op de keper beschouwd, niet meer op dan:

- dat ook voor de vereniging geldt dat die uitsluitend is opgericht voor het verrichten van formele rechtshandelingen; dan hebben we het over dezelfde zaken die we ook bij de stichtingen terug zien; of het nu in een stichting of in de vorm van een vereniging geschiedt, dat maakt voor de feitelijke handelingen in onze visie niet zo heel veel verschil;

- dat het OM in principe ook in dit geval zegt dat de charters niet kunnen worden vereenzelvigd met de formele vereniging, dat is toch echt iets anders;

- dat er naast de Vereniging Nijmegen een charter bestaat (zo zien wij dat), het is gewoon onderdeel van;

- dat de formele vereniging is opgericht ten dienste van het charter, dat het charter valt onder HAMC Holland, en dat het charter niet valt onder die formele vereniging, maar valt onder HAMC Holland.

Het blijft hier dus, zo leert bestudering van dit citaat, bij een weliswaar enkele malen herhaalde, maar niettemin blote - want niet, althans niet noemenswaardig onderbouwde - stellingname van het OM ten pleidooi in hoger beroep. Gelet daarop brengt ook deze stellingname van het OM niet mee dat het hof zijn bestreden overweging in rov. 5.64 nog weer nader had moeten motiveren dan het al doet, te bezien dus ook in het licht van de eerste drie zinnen van rov. 5.64. Daarbij verdient wederom nog opmerking dat de stelling van het OM waarvan het subonderdeel uitgaat, daarin evenmin te ontwaren valt.Tot slot: de verwijzing in het subonderdeel naar “p. 1-2 van bijlage 8 IEHA, overgelegd op 31 augustus 2020 en bijlage 26 bij het verweerschrift in hoger beroep, aanvulling hoger beroep, p. 28 (onder 2.1.15)” maakt het voorgaande niet anders, reeds omdat het hof niet gehouden was in dit kader eigener beweging die bijlagen te raadplegen en betrekken, terwijl overigens die p. 1-2 van “bijlage 8” slechts een Handelsregisteruittreksel betreft van de formele vereniging “Vereniging Westport Motorcycleclub” (met vijf geregistreerde bestuurders en als activiteitsomschrijving “Het promoten en bevorderen van alles omtrent het motorrijden en alles wat daarmee te maken heeft , een en ander in de ruimste zin van het woord”) en op die p. 28 (nr. 2.1.15) van “bijlage 26” inzake het Nederlandse Hells Angels-charter Nijmegen te lezen valt, onder het opschrift “Opnieuw naamswijziging charter Nijmegen”:

“Eerder in het dossier civiel verbod Hells Angels werd al beschreven dat het charter Nijmegen van de Hells Angels bij de Kamer van Koophandel haar statutaire naam had gewijzigd in ‘HAMC148’.Uit nieuwe informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat ‘HAMC148’ de naam van het charter opnieuw heeft gewijzigd, deze keer in “148”.

De activiteitsomschrijving is ‘het bevorderen van de motorsport’. Er staan twee bestuurders geregistreerd en sinds 2014 heeft zich geen bestuurderswisseling voorgedaan.”

Dit valt eerder te rijmen met ’s hofs bestreden overweging in rov. 5.64 dan dat het daarmee op gespannen voet zou staan.Reeds hieruit volgt dat het subonderdeel strandt. Overigens, en zacht gezegd, dringt de vraag zich op of het OM in het geheel wel belang heeft bij de klacht in het subonderdeel. Een vraag die ik ontkennend zou willen beantwoorden, gelet op het volgende. Het subonderdeel bestrijdt dus niet de vaststellingen van het hof in rov. 5.64 (en 3.1) dat er twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen) en 16 stichtingen verbonden zijn aan de Hells Angels-charters in Nederland, noch diens vaststellingen in rov. 5.64 dat dit zelfstandige rechtspersonen zijn over wie de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland zich in elk geval niet uitstrekt. Het subonderdeel bestrijdt wel, maar dus zonder vrucht, ’s hofs overweging in rov. 5.64 dat het ervan uitgaat dat de charters Westport en Nijmegen zijn georganiseerd in de formele verenigingen met hun naam, waarmee het hof dus doelt op de in de eerste zin van rov. 5.64 genoemde “twee verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid (Westport en Nijmegen)”. Daarop laat het hof volgen (in cassatie niet als zodanig bestreden) dat dit laatste betekent dat de Hells Angels-charters Westport en Nijmegen “alleen al daarom” niet vallen onder het verbod en de ontbinding van HAMC Holland. Vervolgens onderkent het hof in rov. 5.64 (in cassatie evenmin bestreden) dat dat voor de overige Hells Angels-charters niet geldt, nu zij niet georganiseerd zijn in formele verenigingen en ook niet samenvallen met de stichtingen (omdat de charters leden hebben, terwijl een stichting een rechtspersoon is die geen leden kent (art. 2:285 BW)), waarmee de vraag overblijft of deze charters wel informele verenigingen zijn. Daarop besteedt het hof in rov. 5.65 (voortbouwend op rov. 5.15) aandacht aan de Bandidos-beschikking van de Hoge Raad en gaat het hof in rov. 5.66 (in cassatie zonder vrucht bestreden, zie onder 4.28-4.37 hierna) in op diverse aspecten van “de charters”, wat in rov. 5.67 (in cassatie eveneens zonder vrucht bestreden, zie ook onder 4.28-4.37 hierna) uitmondt in de conclusie dat gelet op dit alles “de Nederlandse charters - voor zover zij geen formele verenigingen zijn - als informele verenigingen [zijn] aan te merken” en dus niet vallen onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland. Waar het hof daarmee tot uitdrukking brengt dat hoe dan ook álle Nederlandse Hells Angels-charters - dus ook de door het hof als zodanig geïdentificeerde charters Westport en Nijmegen - ten minste als informele vereniging kwalificeren voor zover zij (toch) niet reeds de gedaante hebben van een formele vereniging, welke overwegingen zo’n lezing toelaten en ik ook zo lees (zie tevens ‘s hofs samenvatting ter zake in rov. 2, in het bijzonder de voor-voorlaatste alinea (een zin) en de voorlaatste alinea, eerste drie zinnen), is dat zelfstandig dragend voor diens oordeel dat deze charters niet onder de verbodenverklaring en ontbinding van HAMC Holland vallen, wat er verder zij van ’s hofs bestreden overweging in rov. 5.64.Hierop stuit het subonderdeel af.

“Onderdeel C2 - Charters geen rechtspersonen”

4.28

Subonderdeel 5.3 klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd waar het hof (in rov. 5.66 van de beschikking en, voor wat betreft de bottom-up organisatie, ook in rov. 5.10) overweegt dat (i) de Hells Angels 'sterk bottom-up' zijn georganiseerd en (ii) de charters niet in wezen onder gezag staan van of feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club, maar (behoudens de mondiale en nationale regels) vrij zijn in hun doen en laten. Uit de eigen overwegingen van het hof en de niet-verworpen stellingen van het OM blijkt immers dat de charters ten aanzien van alle wezenlijke en belangrijke kwesties onderworpen zijn aan de mondiale en nationale regels. De charters staan ten aanzien van alle wezenlijke en belangrijke kwesties dus wel degelijk in wezen onder gezag van andere personen of organen binnen de club of worden daardoor feitelijk aangestuurd, zodat van een 'bottom-up' organisatie geen sprake is. Dat binnen de Hells Angels het principe van 'one man, one vote' geldt, doet hieraan, anders dan het hof meent, niet af, nu dit niet betekent dat aan de charters als zodanig (direct of indirect) beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van alle wezenlijke en belangrijke kwesties.

4.29

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.De hier relevante kern van ’s hofs overwegingen is vooreerst aan te treffen in rov. 5.10 van de beschikking:

“5.10. Uit dit alles [waaronder het bestaan van een wereldwijde, besluitennemende vergadering waaraan alle Hells Angels zijn onderworpen, de wereldwijde samenwerking door Hells Angels en de wereldwijde organisatiestructuur (zie rov. 5.6-5.9), A-G] blijkt dat er een organisatorisch verband van alle Hells Angels ter wereld bestaat. Dat er geen president of bestuur op mondiaal niveau is en dat er geen internationaal hoofdkantoor bestaat, doet daaraan onder deze omstandigheden niet af. Het hof onderkent daarbij dat de Hells Angels bottom up zijn georganiseerd, wat tot uitdrukking komt in het feit dat besluiten over alle relevante zaken worden genomen op basis van het principe one man, one vote. De charters hebben ook een zekere vorm van zelfstandigheid. Maar dat neemt niet weg dat zij een duidelijk gestructureerd geheel vormen op wereldschaal, waarbij alle Hells Angels lid zijn van één en dezelfde club. Het hof merkt daarbij nog op dat, zoals uit het voorgaande blijkt, op wereldniveau over wezenlijke zaken van de club - over regels die de identiteit van de Hells Angels betreffen en over concrete clubzaken die alle Hells Angels aangaan of die het lokale niveau overstijgen - wordt gesproken en beslist.”

Verder valt te wijzen op rov. 5.17-5.19:

“5.17. Allereerst is van belang dat in de worldrules de wezenlijke clubzaken van de Hells Angels zijn geregeld. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn alle leden van de Hells Angels hieraan gebonden. Uit de worldrules blijkt verder dat de Hells Angels zijn georganiseerd op wereldniveau, regionaal niveau en nationaal niveau. In deze structuur is HAMC Holland het nationale niveau, gevormd door de Hells Angels in Nederland. Op dit niveau zijn er ook onmiskenbaar vaste regels en gebruiken. Zo bestaan er HAMC Holland Richtlijnen (met versies voor members, prospects en hangarounds). Hierin zijn bepalingen opgenomen over allerlei clubzaken, variërend van regels over het toelaten van nieuwe leden (van hangaround tot prospect en van prospect tot member), het gebruik van de motorfiets, het verplicht dragen van colors, de aanwezigheid van leden en charters bij (Holland) meetings, het betalen van contributie aan de charters en de mogelijkheid om vrijstelling hiervan te krijgen, het nemen van beslissingen over eervol of oneervol ontslag (good or bad standing, met bijbehorende consequenties), sancties bij ongewenst gedrag, het overstappen naar een ander charter en het vormen van nieuwe charters in Nederland, tot stemregels. Op overtreding van diverse bepalingen zijn sancties gesteld (zoals inname van colors, uitstoting en boetes). Het standpunt van de Stichting c.s. dat het hierbij slechts gaat om richtlijnen en niet om bindende regels, volgt het hof niet. Sommige bepalingen hebben inderdaad meer het karakter van aanwijzingen of een gedragscode (zoals de bepalingen dat men bij het defect gaan van de motorfiets moet zorgen dat deze binnen een maand gerepareerd of in een vergevorderd stadium van reparatie is, dat men de motorfiets in goede staat van onderhoud moet houden, dat men de motorfiets klaar moet hebben en bij het begin van het seizoen - februari/maart - moet rijden), maar de meeste bepalingen zijn wel degelijk dwingend van aard, mede gelet op de sancties die zijn gesteld op het niet naleven ervan (zoals verplicht afmelden voor een meeting op straffe van een boete, zie rov. 5.19.). Dat de regels op charterniveau worden gehandhaafd, doet ook niet af aan het dwingende karakter van de regels die landelijk zijn vastgesteld. Zoals uit de HAMC Holland Richtlijnen verder blijkt, zijn er Holland meetings waarop over zaken op nationaal clubniveau wordt overlegd en beslist. Dat er gestemd wordt volgens het principe one man, one vote en de stemmen per charter worden verzameld, neemt ook niet weg dat er op deze manier wel besluiten worden genomen op landelijk niveau waaraan de Hells Angels in Nederland vervolgens zijn gebonden. Deze Holland meetings vinden ook daadwerkelijk regelmatig plaats, naast andere landelijke activiteiten.

5.18. Van een president of bestuur op nationaal niveau is geen sprake. Wel zijn er leden die coördinerende taken vervullen ten behoeve van de Hells Angels in Nederland. Zo is er een national secretary, die ledenlijsten beheert van de Nederlandse charters, informatie onder de charters verspreidt, als contactpunt fungeert voor communicatie met buitenlandse charters en bij stemmingen op nationaal, Europees en mondiaal niveau de stemmen verzamelt die de Nederlandse leden hebben uitgebracht. Ook is er een national treasurer, die ervoor zorgt dat de charter-overstijgende kosten (zoals kosten voor world- en euroruns, cadeaus, rouwkransen en -advertenties, begrafenissen in het buitenland en advocaatkosten) worden betaald en omgeslagen over de Nederlandse leden. Daarvoor houdt hij ook een administratie bij. De jaarlijkse licentievergoeding voor HAM Corporation en de bijdrage voor de world web master worden geïnd via de charters en verzameld door de national secretary of treasurer.

5.19. In de HAMC Holland Richtlijnen is opgenomen dat, als een member niet naar de meeting kan komen, hij zich moet afmelden op straffe van een boete. Daaruit volgt dat de leden in beginsel worden geacht aanwezig te zijn, en in elk geval ook aanwezig mogen zijn bij de Holland meetings. Bij stemmingen geldt, net als op wereldniveau, het beginsel van one man one vote. Ieder lid heeft dus een stem in de besluitvorming, ook op nationaal niveau. De HAMC Holland Richtlijnen bepalen daarbij dat voor besluiten een 2/3 meerderheid is vereist, behalve bij besluiten over toelating van nieuwe leden en prospect MC’s waarbij unanimiteit is vereist. Ledeninspraak is dus nadrukkelijk aanwezig, ook op nationaal niveau.”

Daarop sluit aan de volgende passage in rov. 5.66:

“5.66. (…) Ten slotte weegt mee dat, zoals in rov. 5.10 is geconstateerd, de Hells Angels sterk bottom up zijn georganiseerd. Op alle niveaus, ook dat van de charters, geldt het principe van one man one vote. Weliswaar zijn zij gebonden aan de strakke internationale regels, maar die zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn verder vrij in hun doen en laten. Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.”

Hieruit volgt onder meer dat volgens het hof:

- op wereldniveau over wezenlijke zaken van de club - over regels die de identiteit van de Hells Angels betreffen en over concrete clubzaken die alle Hells Angels aangaan of die het lokale niveau overstijgen - wordt gesproken en beslist;

- deze regels de charters overigens (dus afgezien van de identiteit van de Hells Angels, etc.) ongemoeid laten,

- hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau (zie daarover dus ook rov. 5.17-5.19), en

- de charters “verder vrij [zijn] in hun doen en laten”, nu niet is gebleken dat zij overigens (dus los van die internationale regels/coördinatie op regionaal en nationaal niveau nog weer) in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.

Met de laatste zin van rov. 5.66 ziet het hof dus niet eraan voorbij dat de charters buiten de in de voorlaatste zin van rov. 5.66 bedoelde handelingsruimte, en daarbuiten bevinden zich mede “alle wezenlijke en belangrijke kwesties” waarop het subonderdeel doelt (die internationale regels/coördinatie op regionaal en nationaal niveau), zo’n vrijheid van doen en laten niet hebben. In hoeverre gezegd kan worden dat de charters buiten die in de voorlaatste zin van rov. 5.66 door het hof bedoelde handelingsruimte “onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club”, doet dus niet ter zake voor ’s hofs overweging in de laatste zin van rov. 5.66, waarover het hof daar ook geen oordeel velt noch hoefde te vellen. Daar gaat het voor het hof immers en ‘slechts’ erom dat niet is gebleken dat de charters overigens, dus los van die internationale regels/coördinatie op regionaal en nationaal niveau nog weer, in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club (dan was die handelingsruimte, waarin de charters verder vrijheid van doen en laten hebben, er ook niet geweest). Daarbij kon het hof, zoals het doet in rov. 5.66 (en 5.10, 5.17 en 5.19), vaststellen dat de Hells Angels sterk ‘bottom up’ zijn georganiseerd in de zin dat op alle niveaus, ook dat van de charters, het principe van ‘one man one vote’ geldt (wat wil zeggen, zie ook rov. 5.19: dat ieder lid een stem in de besluitvorming heeft, ook op nationaal niveau). Deze vaststelling, waarmee het hof dus niet (ook) tot uitdrukking brengt dat “aan de charters als zodanig (direct of indirect) beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van alle wezenlijke en belangrijke kwesties” zoals bedoeld in het subonderdeel, laat immers het voorgaande naar de aard onverlet en kan dus naast het voorgaande staan (dit ‘bijt’ elkaar niet). Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking, mist het daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het reeds vast op het voorgaande: naar daaruit al volgt, rechtvaardigt hetgeen het subonderdeel aanvoert niet dat ’s hofs bestreden oordelen in rov. 5.10 en 5.66 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn.Hierop stuit het subonderdeel af.

4.30

Subonderdeel 5.4 klaagt dat voorts onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd het oordeel van het hof (in rov. 5.66 van de beschikking) dat de overige Nederlandse charters beschikken over ‘eigen’ leden, ‘eigen’ vergaderingen en een ‘eigen’ bestuur, in het licht van de stelling van het OM dat de mondiale en nationale regels de beslissingsbevoegdheid van de charters ten aanzien van hun leden, hun vergaderingen, hun bestuur en alle andere wezenlijke of belangrijke kwesties zodanig beperken, dat niet kan worden gesproken van ‘eigen’ leden, ‘eigen’ vergaderingen en een ‘eigen’ bestuur van de charters. Het hof kon niet, zonder deze stelling gemotiveerd te verwerpen, tot het oordeel komen dat de overige Nederlandse charters beschikken over eigen leden, eigen vergaderingen en een eigen bestuur, aldus nog steeds het subonderdeel.

4.31

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zich in rov. 5.66 van de beschikking alleen uitlaat over “de overige Nederlandse charters”, niet ook omvattende de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen, is dit een onjuiste lezing van de beschikking en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 4.27, voorlaatste alinea hiervoor. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het ook vast.Bestudering van de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert wat betreft de vraag of de Nederlandse Hells Angels-charters ‘eigen’ leden hebben, dat het antwoord op die vraag volgens het OM naar de kern genomen negatief luidt op basis van het volgende:

“45. Dan komen we bij het hebben van eigen leden. Van een eigen lidmaatschap, onafhankelijk van dat van HAMC Holland, is bij de charters geen sprake. Het zijn leden van HAMC Holland, ingedeeld bij een charter en zodoende geen leden van een charter. Charters zijn binnen HAMC Holland administratieve afdelingen waar je als HAMC Holland lid geografisch bent ingedeeld. In het dossier zijn ook vele aanknopingspunten te vinden die aantonen dat leden bij charters een lidmaatschap hebben van het gehele HAMC Holland en niet van een charter. Wat betreft de aard en de vorm van het lidmaatschap van HAMC Holland zijn immers zéér concrete dingen - die echt gaan over dat lidmaatschap - onderhevig aan kaders die overkoepelend boven de charters zijn vastgesteld. (…) Zowel procedures rondom het begin en het einde als de voorwaarden voor en viering van het lidmaatschap van HAMC Holland dus overkoepelend [zijn] vastgesteld voor de charters. Daarom zijn de leden van deze charters te kwalificeren als leden van HAMC Holland en niet van de charters.”

Uit rov. 5.66 volgt dat het hof tot een positief luidend antwoord komt, omdat “de ledenlijsten die worden bijgehouden per charter” bevestigen dat de Nederlandse Hells Angels-charters eigen leden hebben (die mede lid zijn van HAMC Holland, zie ook rov. 5.26). Deze omstandigheid laat het OM daar buiten beschouwing, terwijl hetgeen het OM daar wel gemotiveerd aanvoert, slechts erop neerkomend dat zowel procedures rondom het begin en het einde als de voorwaarden voor en viering van het lidmaatschap van HAMC Holland overkoepelend zijn vastgesteld voor de charters (waarmee nog niet is gezegd dat genoemde charters geen eigen leden hebben), niet maakt dat het hof deze beantwoording in rov. 5.66 nog weer nader had moeten motiveren.Bestudering van de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert wat betreft de vraag of de Nederlandse Hells Angels-charters ‘eigen’ vergaderingen hebben, dat het antwoord op die vraag volgens het OM naar de kern genomen negatief luidt op basis van het volgende:

“46. We vervolgen met de omstandigheid van het hebben van eigen vergaderingen. Zoals eerder uitgelegd heeft HAMC Holland de Holland Meetings. In principe zijn er ook charter meetings maar ook dit gebeurt binnen expliciete kaders die via de HAMC Holland Richtlijnen overkoepelend gelden voor alle Nederlandse charters. Zo zijn er ook weer regels uit de HAMC Holland Richtlijnen over redenen voor het beleggen van een meeting, wanneer een member zijn stemrecht op de meetings verliest en over welke onderwerpen er allemaal gestemd wordt en met welke meerderheid een beslissing op een meeting wordt genomen.” [zonder verwijzingen in origineel, A-G]

Uit rov. 5.66 volgt dat het hof tot een positief luidend antwoord komt, omdat de Nederlandse Hells Angels-charters “eigen vergaderingen en clubavonden (wekelijkse meetings)” hebben. Aan deze vaststelling van het hof staat die stellingname van het OM niet in de weg, nu het OM daarin zelf heeft erkend dat er in principe ook charter meetings zijn en aan die vaststelling op zichzelf niet afdoet, zoals door het OM is aangevoerd, dat deze charter meetings plaatsvinden “binnen expliciete kaders die via de HAMC Holland Richtlijnen overkoepelend gelden voor alle Nederlandse charters”. Dit maakt niet dat het hof deze beantwoording in rov. 5.66 nog weer nader had moeten motiveren.Bestudering van de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert wat betreft de vraag of de Nederlandse Hells Angels-charters een ‘eigen’ bestuur hebben, dat het antwoord op die vraag volgens het OM naar de kern genomen negatief luidt op basis van het volgende:

“40. Voor het volgende door uw Hof benoemde en door de Hoge Raad bevestigde element, het hebben van een eigen bestuur, geldt iets soortgelijks. Het OM meent dat een lokaal bestuur wel iets moet voorstellen. Kan gezegd worden dat sprake is van een bestuur van een charter als feitelijk niets dat wezenlijk is voor de gemiddelde rechtspersoon zelf kan worden beslist? Zoals net benoemd zijn alle wezenlijke activiteiten van een charter bepaald door overkoepelende regels en kaders die van hogerhand worden opgelegd. Het kader(bestuur) van een charter heeft misschien enige zelfstandigheid maar dat gaat zeker niet zo ver dat gesproken kan worden van een eigen bestuur van een charter. Een charterpresident is meer te vergelijken met de hoogste in rang bij een administratieve afdeling dan dat hij echt zelfstandig en onafhankelijk bestuurlijke bevoegdheden heeft ten aanzien van het betreffende charter.

41. Ook als men spreekt van - zoals de Hoge Raad als één van de omstandigheden formuleert - de echt coördinerende taken ten behoeve van het zelfstandig lichaam, is dan ook de enige logische conclusie dat deze (ook ten aanzien van de charters) niet bij de kaderbesturen of charters liggen, maar bij HAMC Holland. Ook de coördinerende taken relevant zijn voor het overkoepelende besturen van de charters zijn immers op specifieke wijze gecontroleerd door de HAMC Holland Richtlijnen en de World Rules. Zo zijn er onder meer regels en gebruiken rondom de organisatie en aanwezigheid op nationale runs, over het betalen van contributie en eventuele vrijstelling daarvan, over het beëindigen en beginnen van het lidmaatschap, over het overstappen van het ene charter naar het andere en over het oprichten van een nieuw charter. Daarnaast vervullen de National Secretary en de National Treasurer voor HAMC Holland ook nog taken op onder meer het gebied van gezamenlijke betalingen voor charter-overstijgende kosten. Omdat HAMC Holland via de HAMC Holland Richtlijnen en het medium van de Holland Meeting in alle voornoemde thema’s strakke kaders vaststelt voor de Nederlandse charters, vinden al deze coördinerende taken plaats ten behoeve van HAMC Holland en niet ten behoeve van één of meerdere charters. De coördinerende taken die plaatsvinden en waaraan de charters onderworpen zijn, bestaan daarom ten behoeve van het zelfstandig lichaam HAMS Holland.”

Uit rov. 5.66 volgt dat het hof tot een positief luidend antwoord komt, omdat de Nederlandse Hells Angels-charters “ieder beschikken over een eigen bestuur, met vaste functies zoals president, secretary, treasurer, sergeant at arms en road captain.” Daarbij moet ook worden bedacht wat het hof overweegt aan het slot van rov. 5.66, waarover onder 4.29 hiervoor:

“5.66. (…) Weliswaar zijn zij gebonden aan de strakke internationale regels, maar die zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt en laten de charters overigens ongemoeid. Hetzelfde geldt voor de coördinatie op regionaal en nationaal niveau. De charters zijn verder vrij in hun doen en laten. Niet is gebleken dat de charters in wezen onder gezag staan van/feitelijk worden aangestuurd door andere personen of organen binnen de club.”

Wordt dit in onderling(e) verband en samenhang bezien, dan is duidelijk dat hetgeen het OM ter zake heeft aangevoerd niet maakt dat het hof deze beantwoording in rov. 5.66 nog weer nader had moeten motiveren. Daarbij betrek ik dat het bestaan van deze vaste bestuursfuncties bij charters door het OM daar niet is bestreden, dat het hof daar dus mede benadrukt dat bij de individuele charters wel gesproken kan worden van een relevante mate van echt zelfstandige en onafhankelijke bestuurlijke bevoegdheden (zie met name de voorlaatste en laatste zin van rov. 5.66, waarover onder 4.29 hiervoor), en dat daaraan naar de aard niet afdoet, zoals daar nog betoogd door het OM en kort gezegd: dat “de coördinerende taken” die relevant zijn voor “het overkoepelende besturen van de charters” op specifieke wijze gecontroleerd zijn door de HAMC Holland Richtlijnen en de World Rules; dat “de National Secretary en de National Treasurer voor HAMC Holland” ook nog taken vervullen op onder meer het gebied van “gezamenlijke betalingen voor charter-overstijgende kosten”; en dat “al deze coördinerende taken” plaatsvinden ten behoeve van HAMC Holland, niet van één of meerdere charters.Dit een en ander bezegelt het lot van het subonderdeel. Ik wijs er nog op dat voor zover het subonderdeel veronderstelt dat voor het zijn van een informele vereniging naar Nederlands recht vereist is dat de Nederlandse Hells Angels-charters in overwegende mate onafhankelijk moeten functioneren van HAMC Holland, dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het gaat er uiteindelijk om of, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, sprake is van een zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer, dat leden heeft en dat gericht is op een bepaald doel, wat enig organisatorisch verband veronderstelt - zoals het hof ook vooropstelt in rov. 5.65 (en 5.15).Hierop stuit het subonderdeel af.

4.32

Subonderdeel 5.5 klaagt verder dat het oordeel van het hof (in rov. 5.66 van de beschikking) dat de overige Nederlandse charters beschikken over eigen onderscheidingstekens op de kleding, waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheden, en over een eigen naam, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, in het licht van de door het hof niet-verworpen stellingen van het OM (i) dat alle uitingen van de charters in feite uitingen zijn van HAMC Holland en dat voor zover dat niet het geval is, de uitingen van de charters strikt zijn gereguleerd door de nationale en mondiale regels, en dat dit ook geldt voor de ‘eigen’ onderscheidingstekens op de kleding, en (ii) dat de ‘eigen’ onderscheidingstekens op de kleding en de ‘eigen’ naam van de charters, mede gelet op het beperkte onderscheidend vermogen en de dwingend voorgeschreven positie van de onderscheidingstekens, door de gemiddelde persoon niet worden gezien als een uiting van een charter, maar als een uiting van HAMC of HAMC Holland. Het hof kon niet, zonder deze stelling gemotiveerd te verwerpen, tot het oordeel komen dat de overige Nederlandse charters beschikken over eigen onderscheidingstekens op de kleding, waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheden, en over een eigen naam, aldus nog steeds het subonderdeel.

4.33

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof zich in rov. 5.66 van de beschikking alleen uitlaat over “de overige Nederlandse charters”, niet ook omvattende de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen, is dit een onjuiste lezing van de beschikking en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 4.27, voorlaatste alinea hiervoor. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het ook vast.In rov. 5.11 overweegt het hof onder meer als volgt:

“5.11 Verder treedt HAMC onmiskenbaar als zelfstandige organisatie naar buiten toe op. Allereerst blijkt dit uit de unieke uiterlijke kenmerken die alle Hells Angels gebruiken om te tonen dat zij lid van de Hells Angels zijn. Zo ziet de achterkant van de colors (zwarte mouwloze vesten) die elke Hells Angel draagt er in de kern hetzelfde uit: een toprocker met de naam Hells Angels (in rode letters op een wit vlak), het death head-logo met daarnaast de afkorting MC in het midden (in rode letters op een wit vlak) en een bottomrocker met een geografische naam (bijvoorbeeld Holland, in rode letters op een wit vlak). Iedereen die een persoon ziet met deze uiterlijke kenmerken weet dat hij te maken heeft met een lid van de Hells Angels. De Stichting c.s. hebben er weliswaar op gewezen dat ieder charter (in Nederland althans) een eigen death head logo gebruikt. Bij het zien van deze logo’s vallen echter vooral de overeenkomsten op (de typerende afbeelding van een doodshoofd met vleugels), veel meer dan de verschillen (diverse kleuren, varianten in vorm op detailniveau en toevoeging van een afkorting of symbool voor de locatie; zie bijlage 12 bij de brief van mr. Knoops van 31 augustus 2020 en het overzicht in zijn PowerPointpresentatie in hoger beroep). Dat op een siderocker (aan de voor-/zijkant van het vest) de naam van het charter staat, doet ook niet af aan het beeld van één club. Het geheel levert het beeld op dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied, en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel. (…)”

In rov. 5.66 overweegt het hof onder meer dat de charters “ook een eigen naam [hebben] (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied)” en dat de charters “eigen onderscheidingstekens op de kleding [hebben] (de eigen variant van het death head logo en de siderocker en andere emblemen met de naam van het charter), waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheid.”Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof niet verwerpt de stelling van het OM dat alle uitingen van de Nederlandse Hells Angels-charters in feite uitingen zijn van HAMC Holland, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof in rov. 5.11 onder meer vaststelt dat het daar geschetste geheel, geciteerd hiervoor, “het beeld op[levert] dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied” (en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel). Hierin ligt besloten dat het volgens het hof (ook in rov. 5.66) niet zo is dat alle uitingen van de charters in feite uitingen zijn van HAMC Holland. Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof bij deze stand van zaken nader had moeten responderen op de stelling van het OM dat de uitingen van de charters strikt zijn gereguleerd door de nationale en mondiale regels, en dat dit ook geldt voor de ‘eigen’ onderscheidingstekens op de kleding, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat, wat er verder zij van die stelling, deze naar de aard niet afdoet aan ’s hofs vaststellingen in rov. 5.66 (voortbouwend ook op rov. 5.11) dat de charters “ook een eigen naam [hebben] (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied)” en dat de charters “de eigen variant van het death head logo en de siderocker en andere emblemen met de naam van het charter” op de kleding hebben (in die zin dus eigen onderscheidingstekens op de kleding hebben), waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheid, zodat er voor het hof geen aanleiding bestond deze vaststellingen gezien die stelling van een nog weer nadere motivering te voorzien. Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof niet verwerpt de stelling van het OM dat de ‘eigen’ onderscheidingstekens op de kleding, mede gelet op het beperkte onderscheidend vermogen en de dwingend voorgeschreven positie van de onderscheidingstekens, door de gemiddelde persoon niet worden gezien als een uiting van een charter, maar als een uiting van HAMC of HAMC Holland, ziet het subonderdeel wederom eraan voorbij dat het hof in rov. 5.11 onder meer vaststelt dat het daar geschetste geheel, geciteerd hiervoor, “het beeld op[levert] dat men te maken heeft met een lid van een afdeling van de Hells Angels uit een bepaald land/gebied” (en daarmee nog steeds eerst en vooral met een Hells Angel). Hierin ligt besloten dat het volgens het hof (ook in rov. 5.66) al met al niet zo is dat de eigen onderscheidingstekens op de kleding (met inbegrip dus van de naam van het charter) door de gemiddelde persoon niet worden gezien als een uiting van een charter, maar als een uiting van HAMC of HAMC Holland. Voor zover het subonderdeel aanvoert dat het hof wat betreft de eigen naam van de charters los van deze onderscheidingstekens op de kleding (met inbegrip dus van de naam van het charter) nader had moeten responderen op laatstgenoemde stelling van het OM, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat ’s hofs vaststelling in rov. 5.66 dat de charters “ook een eigen naam [hebben] (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied)” geen betrekking heeft op een externe uiting ter zake, maar op het eenvoudige feit dát elk charter een eigen naam heeft (dus “Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied”), zodat deze stelling, wat er verder van zij, naar de aard niet afdoet aan deze vaststelling van het hof en er voor het hof dus geen aanleiding bestond deze vaststelling gezien die stelling van een nog weer nadere motivering te voorzien.,Hierop stuit het subonderdeel af.

4.34

Subonderdeel 5.6 klaagt dat het oordeel van het hof “dan ook” onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, waar het hof (in rov. 5.66 van de beschikking) overweegt dat de overige Nederlandse charters als zelfstandige lichamen deelnemen aan het rechtsverkeer. Uit de in het voorgaande genoemde, door het hof niet (gemotiveerd) verworpen, stellingen van het OM en eigen vaststellingen van het hof volgt immers (i) dat de zelfstandigheid van de charters alleen ziet op ondergeschikte punten, (ii) dat de charters niet zelf de wijze waarop zij naar buiten toe treden kunnen bepalen (omdat hun uitingen strikt zijn gereguleerd) en (iii) dat de uitingen van de charters niet (kunnen) worden gezien als eigen uitingen van de charters, zodat de charters (om ieder van deze redenen afzonderlijk, maar al helemaal tezamen) niet als zelfstandige lichamen deelnemen aan het rechtsverkeer.

4.35

Subonderdeel 5.7, tot slot, klaagt dat indien het hof heeft gemeend dat ondanks “de in het voorgaande weergegeven omstandigheden” de overige Nederlandse charters kunnen worden aangemerkt als zelfstandige lichamen die als zodanig deelnemen aan het rechtsverkeer, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip 'zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer'. Het hof heeft dan immers miskend dat een lichaam dat alleen op ondergeschikte punten zelfstandig is, dat niet zelf bepaalt op welke wijze het deelneemt aan het rechtsverkeer en waarvan de uitingen niet (kunnen) worden gezien als eigen uitingen, (om ieder van deze redenen afzonderlijk, maar al helemaal tezamen) niet als zelfstandig lichaam deelneemt aan het rechtsverkeer.

4.36

De subonderdelen 5.6 en 5.7 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.Voor zover de subonderdelen 5.6 en 5.7 ervan uitgaan dat het hof zich in rov. 5.66 van de beschikking alleen uitlaat over “de overige Nederlandse charters”, niet ook omvattende de Nederlandse Hells Angels-charters Westport en Nijmegen, is dit een onjuiste lezing van de beschikking en missen de subonderdelen daarmee feitelijke grondslag. Zie onder 4.27, voorlaatste alinea hiervoor. Voor zover de subonderdelen wel feitelijke grondslag hebben, lopen zij ook vast.Ik begrijp subonderdeel 5.6 dan aldus dat het, voortbouwend op subonderdelen 5.3 t/m 5.5 (althans subonderdelen 5.4 en 5.5), betoogt dat gelet op het in die subonderdelen aangevoerde, “om ieder van deze redenen afzonderlijk, maar al helemaal tezamen”, ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 5.66 “dat de overige Nederlandse charters als zelfstandige lichamen deelnemen aan het rechtsverkeer”. Ik stel vast dat de subonderdelen 5.3 t/m 5.5 falen. Zie onder 4.28-4.33 hiervoor. Ik stel ook vast dat hetgeen het hof overweegt in rov. 5.66, gezien ook rov. 5.65 (en 5.15) en de behandeling van subonderdelen 5.3 t/m 5.5 onder 4.28-4.33 hiervoor, afdoende dragend is voor diens daaruit logischerwijs volgende oordeel dat de Nederlandse Hells Angels-charters als zelfstandige eenheden naar buiten toe optreden en deelnemen aan het rechtsverkeer, waaraan ’s hofs overwegingen elders in de beschikking zoals genoemd in subonderdelen 5.3 t/m 5.5 naar de aard niet afdoen en welk oordeel derhalve niet een nog weer nadere motivering door het hof behoefde.In het verlengde daarvan sneeft ook subonderdeel 5.7. Naar reeds blijkt uit het voorgaande, geeft ’s hofs uit rov. 5.66 volgende oordeel dat de Nederlandse Hells Angels-charters als zelfstandige eenheden naar buiten toe optreden en deelnemen aan het rechtsverkeer geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent “het begrip ‘zelfstandig lichaam dat als zodanig deelneemt aan het rechtsverkeer’”. Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuiten de subonderdelen af.

4.37

Daarmee is gegeven dat ook onderdeel C faalt.

Slotsom

4.38

De slotsom luidt dat het cassatiemiddel van het OM vergeefs is voorgesteld.

4.39

Dat hetzelfde geldt voor het cassatiemiddel van de Stichting c.s. stelde ik reeds vast onder 3.72 hiervoor.

4.40

Daarmee valt dus voor beide cassatiemiddelen het doek. Dit leidt tot de volgende conclusie.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep van de Stichting c.s. (in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01164) en tot verwerping van het cassatieberoep van het OM (in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 21/01186).

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10406, NJF 2021/53.

Deze duiding wordt in cassatie niet bestreden. HAMC is in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie niet verschenen. Op het voorblad van deze conclusie heb ik mij beperkt tot het weergeven van de in beide zaken verzoekende en verwerende partijen, waartoe HAMC niet behoort.

Deze duiding wordt in cassatie niet bestreden. HAMC Holland is in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie niet verschenen. Op het voorblad van deze conclusie heb ik mij beperkt tot het weergeven van de in beide zaken verzoekende en verwerende partijen, waartoe HAMC Holland niet behoort.

In het cassatieberoep dat aanhangig is bij de Hoge Raad onder nr. 21/01186 wordt ’s hofs duiding van HAM Corporation als corporatie in de zin van art. 10:117 BW bestreden. In die zaak heb ik HAM Corporation op het voorblad van deze conclusie ook genoemd als een van de verwerende partijen.

Zie ook noten 2-3 hiervoor.

HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396.

Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782.

Rb. Midden-Nederland (locatie Utrecht) 29 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2302, RO 2019/56, AB 2020/96.

Rb. Midden-Nederland (locatie Utrecht) 12 juli 2019, zaak-/rekestnr. C/16/461530 / HA RK 18-185 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, zaaknrs. 200.265.259 en 200.265.210 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2020, zaaknr. 200.265.259 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

Zie noot 1 hiervoor.

Zie rov. 6.2 van de beschikking: “Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, behalve in de zaak tegen HAM Corporation. Daarin zal het hof het OM als in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van beide instanties en in het incident.”

De samenvatting in rov. 2 van de beschikking citeerde ik reeds in de inleiding hiervoor (zie onder c.). Rov. 3.1-3.3 van de beschikking kwamen reeds terug onder 1.1-1.3 hiervoor. Rov. 3.4-3.5 van de beschikking kwamen reeds terug onder 2.1-2.6 hiervoor.

[Noot 1 in origineel, A-G:] “HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, rov. 3.2.3-3.2.6.”

[Noot 2 in origineel, A-G:] “HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, rov. 3.4.1.”

[Noot 3 in origineel, A-G:] “HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948.”

[Noot 4 in origineel, A-G:] “HR: 24-4-2020, ECLI:NL:HR:2020:797, rov. 3.4.2-3.4.4.”

[Noot 5 in origineel, A-G:] “HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, rov. 3.6.2.”

Zie met zoveel woorden p. 2 van het verzoekschrift tot cassatie zijdens de Stichting c.s.

Het subonderdeel verwijst (in noot 20 aldaar) naar de volgende rechtspraak:

- EHRM 18 februari 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0218JUD001899091, NJ 1997/590, rov. 24;

- EHRM 18 maart 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0318JUD002149793, NJ 1998/278, rov. 33;

- EHRM 31 mei 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0531JUD002934695, rov. 21, 39;

- EHRM 5 september 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0905JUD000981510, EHRC 2013/243, rov. 44;

- EHRM 4 juni 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0304JUD004551906, rov. 30;

- EHRM 19 maart 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0319JUD002927816, rov. 42.

De nummering (i) t/m (vi) voeg ik toe.

Het subonderdeel verwijst (in noot 21 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., par. 4.4.1.2. Deze paragraaf mondt uit in een conclusie (nrs. 209-212), die ik hier citeer:

“209. Uit het bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat het allereerst niet de motorclubs zelf zijn geweest, die zich door middel van een 1% kwalificatie buiten de wet hebben willen stellen. De definitie van 1%-club die appellanten hanteren, strookt niet met de betekenis die de overheid daar aan heeft toegedicht. Datzelfde geldt voor het begrip “outlaw”.

210. Het is de overheid zelf die vanuit de term 1% en de betekenis die zij daaraan toedicht al haar strafrechtelijke en bestuursrechtelijke instrumenten heeft aangewend in het kader van de landelijke en integrale OMG-aanpak om bedoelde motorclubs strafrechtelijk en bestuursrechtelijk in het kader van dit doel te stigmatiseren.

211. De bestempeling van HAMC als OMG strookt echter niet met de uitleg die aan het begrip “OMG” is gegeven in de jurisprudentie omtrent dit thema. HAMC kent bijvoorbeeld geen soortgelijke hiërarchische structuur, zoals andere clubs die wel kennen.

212. De overweging van de rechtbank dat HAMC zichzelf ziet als 1%-club is dan ook feitelijk onjuist.”

Het subonderdeel verwijst (in noot 22 aldaar) naar het verweer inzake outlaw motorcycle gangs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, par. 2.1, welke paragraaf is getiteld “Historie van het OMG begrip” en waarvan de conclusie in nr. 21 als volgt luidt:

“Conclusie: Het begrip “outlaw” en “1%” slaat aldus op een cultuur van motorrijden die zijn oorsprong vindt in de Verenigde Staten halverwege de vorige eeuw. Deze begrippen zijn door motorclubs in Amerika als geuzennaam aangenomen omdat zij niet gelieerd zijn aan de AMA en als dusdanig niet onder de regels van de AMA vallen. Deze begrippen hebben dus niets te maken met het ondernemen van criminele activiteiten en het zichzelf boven de wet plaatsen.”

Het subonderdeel verwijst (in noot 23 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 192-193:

“192. De definitie die de overheid toedicht aan 1% is dus een geheel andere dan die de MC Veterans daaraan toedichten. Dit verschil in interpretatie heeft ertoe geleid dat kort na het hierboven genoemde document [“Hells Angels en andere 1%-MC’s in Nederland uit 2010”, A-G] in 2014 het document “Outlawbikers in Nederland van mei 2014” verscheen waarin de term vervangen werd door de term “outlaw”: [citaat verwijderd, A-G]

193. Het waren dus volgens de overheid de Hells Angels zelf die als eerste hun 1% patch hebben verwijderd, nadat zij kennis hadden genomen van de definitie die daar door de overheid aan werd toegedicht, namelijk die van mensen die structureel de wet overtreden c.q. crimineel zijn. Overigens is de 1% patch vrijelijk verkrijgbaar op internet en dragen vele motorrijders deze op hun kleding. Het feit dat al deze personen buiten de wet zouden willen staan en criminele activiteiten zouden ontplooien is derhalve een verzinsel dat de overheid zelf heeft gecreëerd.”

Het subonderdeel verwijst (in noot 24 aldaar) naar het verweer inzake outlaw motorcycle gangs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, par. 2.2, welke paragraaf is getiteld “1% en outlaw begrip in Nederland” en waarvan de conclusie in nr. 17 als volgt luidt:

“Conclusie: Overeenkomstig grief 18 van het beroepschrift moet worden geconcludeerd dat de overheid een eigen betekenis heeft gegeven aan de term “1%” en “outlaw”. Deze betekenis komt niet overeen met de betekenis die de motorclubs (eerder) aan deze termen gaven. Er bestaat geen wettelijk criterium of eenduidige definitie van het begrip OMG waaruit kan worden afgeleid welke motorclubs als OMG zijn aan te duiden. Het RIEC-LIEC hanteren een beleidsmatige definitie. Deze definitie is vergaand, omdat onder deze definitie motorclubs zouden kunnen worden gezien als criminele organisaties, dit terwijl de Nederlandse rechter nog nooit een zogenaamde OMG als criminele organisatie in de zin van artikel 140 lid 1 Sr heeft aangemerkt. ”

Het subonderdeel verwijst (in noot 25 aldaar) naar het verweer inzake outlaw motorcycle gangs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, par. 3-4. De eerste paragraaf (par. 3) is getiteld “De integrale aanpak van OMG’s” en de conclusie daarvan in nr. 24 luidt als volgt:

“Conclusie: De overheid heeft vanuit de term 1% of OMG en de stigmatiserende betekenis die zij daaraan toedicht al haar strafrechtelijke en bestuursrechtelijke instrumenten aangewend in het kader van de landelijke en integrale aanpak van OMG’s (zie ook grief 18). Het aanmerken van een motorclub als 1% of OMG is aldus een startschot voor meerdere overheidspartijen om vergaande maatregelen aan een motorclub op te leggen. Deze maatregelen hebben vergaande gevolgen, niet alleen voor de motorclub zelf, maar ook voor de individuele leden en hun privéleven.”

De tweede paragraaf (par. 4) is getiteld “Kritiek op het gebruik OMG-label: Framing en cijfers” en vormt de opmaat naar de conclusie van het verweer in nr. 48:

“48. De overheid is doelbewust bezig om het maatschappelijk beeld van de Hells Angels te veranderen van een motorclub naar een “criminele organisatie”. Hiervoor wordt onder andere de media structureel ingezet om bij te dragen aan deze beeldvorming. Al sinds het ontstaan van de zogenaamde “outlaw” motorclubs, hebben de media een bepalende rol gehad in het verspreiden en dramatiseren van dit frame. Dit beeld zou tevens het zerotolerance beleid van de overheid tegenover zogenaamde OMG’s rechtvaardigen. Zoals hierboven aangetoond, geven de media en aangehaalde cijfers echter een onjuist beeld van de werkelijkheid. Het OM probeert met het aandragen van cijfers het “georganiseerde-misdaad” frame neer te zetten. Cijfers zijn, vanwege hun vermeende objectiviteit, in sterke mate bepalend voor het maatschappelijk beeld van situatie of fenomeen. Echter, zoals aangetoond voldoen deze cijfers niet aan de door de Nationale Ombudsman gestelde eisen om te kunnen beoordelen of een motorclub als OMG mag worden aangemerkt. Bovendien zijn de cijfers gebaseerd op niet representatieve data waardoor de conclusie als incorrect bestempeld kan worden. Dit heeft tot gevolg dat de conclusie van het OM, dat de Hells Angels als bende of ‘gang’ kunnen worden gekwalificeerd omdat relatief veel leden betrokken zouden zijn bij (ernstige) strafbare feiten, onzorgvuldig en niet onderbouwd is.”

Het subonderdeel verwijst (in noot 26 aldaar) naar het verweer inzake outlaw motorcycle gangs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, par. 4, nrs. 36-40:

“36. Ook uit het oordeel van de Nationale Ombudsman met betrekking tot de klacht van de Veterans MC blijkt dat het aanmerken van een Motorclub als OMG zonder onderbouwing hiervan op grond van recente gegevens die aantonen dat een motorclub zich schuldig maakt aan gedrag dat het aanmerken als OMG rechtvaardigt, zeer problematisch is. Dit geldt eens te meer nu het OMG-beleid grote impact heeft op de motorclubs.37. Voor het aanmerken van een motorclub als OMG is volgens de Minister van Justitie en Veiligheid de mate waarin individuele leden van een OMG zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten van belang. Dit zou een element zijn dat zou worden meegewogen, maar op zichzelf niet doorslaggevend zijn voor de kwalificatie OMG. Toch zijn het wel steeds deze cijfers die terugkomen in de voortgangsrapportages van het LIEC.38. Blijkens de ombudsman is het gebruik van deze cijfers niet geheel onproblematisch. Ten eerste blijkt uit de cijfers vaak niet om welke concrete strafbare feiten het gaat. (…) Daarnaast laten de cijfers niet zien of strafbare feiten werden gepleegd voordat de betrokken persoon lid werd van een motorclub of ten tijde van het lidmaatschap. (…) Ook is niet duidelijk of inmiddels geroyeerde leden, wel nog steeds worden meegeteld of niet.39. De ombudsman acht bovengenoemde punten relevant voor de vraag of de VMC in de huidige samenstelling (nog steeds) zodanig gedrag vertoont dat het terecht is dat de club de speciale aandacht van de overheid op zich gevestigd ziet. Dat een motorclub ooit in de Raad van Acht heeft gezeten, en toentertijd als 1% is aangemerkt, is nu niet meer genoeg. Er dienen dus objectieve toetsbare gegevens te zijn, aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een motorclub als OMG kan worden aangemerkt. Tevens moet de overheid “zich voldoende en op regelmatige basis rekenschap geven van de impact die dit beleid en de maatregelen die daaruit (kunnen) volgen, hebben op diegenen op wie het wordt toegepast.”40. Het voorgaande is gesteld in het onderzoek naar de vraag of Veterans MC als OMG kwalificeert, maar geldt natuurlijk ook ten aanzien van alle andere motorclubs.”

[zonder verwijzing in origineel, A-G]

Het subonderdeel verwijst (in noot 27 aldaar) naar het verweer inzake outlaw motorcycle gangs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 36-40 (geciteerd in de vorige noot) en het rapport van de Ombudsman, “Eens een outlaw, altijd een outlaw?” (bijlage 5 bij het verweerschrift zijdens de Stichting c.s. in eerste aanleg).

Zie over dergelijke stellingen o.a. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 70-71, W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi 2018, p. 43 en Asser Procesrecht/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (7), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 188, allen met verwijzingen. Zie vanuit het perspectief van art. 6 EVRM o.a. EHRM 19 april 1994, ECLI:CE:ECHR:1994:0419JUD001603490, NJ 1995/462, rov. 61 (“Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, but cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument”), EHRM 20 maart 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0320JUD001268603, rov. 37 en EHRM 2 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1002JUD001531909, AB 2015/54, rov. 71, waarover o.a. P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure , Deventer: Kluwer 2008, p. 147-148, Asser Procesrecht/I. Giesen, Beginselen van burgerlijk procesrecht (1), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 447, Asser Procesrecht/A.C. van Schaick, Eerste aanleg (2), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 97 en I. Peçi, bijgewerkt door P.A. Hoogewind-Wolters, Sdu Commentaar EVRM - Deel I, Den Haag: Sdu 2020, art. 6 EVRM, aant. C.5. De rechtspraak genoemd in subonderdeel 1.1 (noot 20 aldaar) betreft niet meer dan de standaardoverweging van het EHRM omtrent het beginsel van hoor en wederhoor, waarin het EHRM niet tot uitdrukking brengt dat de rechter op alle stellingen behoort te responderen. Zie bijv. EHRM 19 maart 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0319JUD002927816, rov. 42 (“The Court reiterates that the adversarial principle and the principle of equality of arms, which are closely linked, are fundamental components of the concept of a “fair hearing” within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention. They require a “fair balance” between the parties: each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent or opponents (see Regner, cited above, § 146)”) en EHRM 4 juni 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0304JUD004551906, rov. 30 (“The Court reiterates that the concept of a fair hearing implies the right to adversarial proceedings, in accordance with which the parties must have the opportunity not only to adduce evidence in support of their claims, but also to have knowledge of, and comment on, all evidence or observations filed, with a view to influencing the court’s decision (see Nideröst-Huber v. Switzerland, 18 February 1997, Reports 1997-I, p. 108, § 24, and K.S. v. Finland, no. 29346/95, § 21, 31 May 2001). This principle is valid in respect of submissions made by the parties just as much as it is in respect of submissions made by an independent member of the national legal service (Kress v. France [GC], no. 39594/98, § 65, ECHR 2001VI), by representatives of the national administration (Krčmář and Others v. the Czech Republic, no. 35376/97, §§ 38-46, 3 March 2000), or by the court whose judgment is the subject of appeal (Nideröst-Huber v. Switzerland, cited above)”).

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.1.6-2.1.7.

Het subonderdeel verwijst (in noot 28 aldaar) naar Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Bewijs (3), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 194.

Het subonderdeel verwijst (in noot 29 aldaar) naar de volgende rechtspraak:

- EHRM 4 juni 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0304JUD004551906, rov. 30: “The Court reiterates that the concept of a fair hearing implies the right to adversarial proceedings, in accordance with which the parties must have the opportunity not only to adduce evidence in support of their claims, but also to have knowledge of, and comment on, all evidence or observations filed, with a view to influencing the court’s decision (…)”;

- EHRM 20 februari 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:0220JUD001907591, rov. 33;

- EHRM 18 februari 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0218JUD001899091, NJ 1997/590, rov. 24;

- EHRM 18 maart 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0318JUD002149793, NJ 1998/278, rov. 33;

- EHRM 31 mei 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0531JUD002934695, rov. 21, 39;

- EHRM 5 september 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0905JUD000981510, EHRC 2013/243, rov. 44;

- EHRM 19 maart 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0319JUD002927816, rov. 42.

Het subonderdeel verwijst (in noot 30 aldaar) naar Asser Procesrecht/Asser 2017, nrs. 68-69.

Het subonderdeel verwijst (in noot 31 aldaar) naar EHRM 18 maart 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0318JUD002149793, NJ 1998/278, rov. 33.

Zie o.a. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (actueel t/m 1 september 2020), art. 22 Rv, aant. 1: “Art. 22 Rv, dat is ontleend aan art. 19a en 110 Rv oud, behelst een discretionaire bevoegdheid van de rechter om in concreto aan te geven welke stellingen van eiser of welke weren van gedaagde hij nader toegelicht wil zien, of welke producties hij overgelegd wil krijgen” [zonder verwijzing in origineel, A-G].

Tjong Tjin Tai 2020, art. 22 Rv, aant. 2.

Zo versta ik Asser Procesrecht/Asser 2017, nr. 194 (zie noot 32 hiervoor).

Zie, naast die aanloop van onderdeel, het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nr. 2.2.3. Ik ben deze beslissing van het hof niet tegengekomen in de gefourneerde procesdossiers.

Een verzoek op de voet van art. 2:20 lid 1 BW houdt (in beginsel) geen ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM in; zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:593) voor HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1789, RvdW 2020/1205, onder 2.26-2.27. Het subonderdeel betoogt niet anders en klaagt ook niet over de toepasselijkheid van het civiele bewijsrecht, zoals deze in rov. 5.34 van de beschikking door het hof is vooropgesteld. Ik beperk me dus tot de civielrechtelijke tak van art. 6 EVRM en het equality of arms-beginsel.

Zie EHRM 4 juni 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0304JUD004551906, rov. 30.

Zie in gelijke zin o.a. EHRM 18 februari 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0218JUD001899091, NJ 1997/590, rov. 24 en EHRM 18 maart 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0318JUD002149793, NJ 1998/278, rov. 33.

Zie o.a. EHRM 27 maart 2012, nr. 20041/10, EHRC 2012/123, rov. 33-34:

“33. La Cour rappelle que le droit à une procédure contradictoire, au sens de l’article 6 § 1, implique en principe la faculté pour les parties à un procès, pénal ou civil, de prendre connaissance de toute pièce ou observation présentée au juge en vue d’influencer sa décision, et de la discuter (voir, parmi beaucoup d’autres, Augusto c. France, no 71665/01, § 50, 11 janvier 2007; Meftah et autres c. France [GC], nos 32911/96, 35237/97 et 34595/97, § 51, CEDH 2002-VII). Il en va notamment de la confiance des justiciables dans le fonctionnement de la justice, cette confiance se fondant, entre autres, sur l’assurance d’avoir pu s’exprimer sur toute pièce du dossier (voir, notamment, Baccichetti c. France, no 22584/06, § 30, 18 février 2010). (…)34. Cependant, le droit à une procédure contradictoire ne revêt pas un caractère absolu, et son étendue peut varier en fonction notamment des spécificités des procédures en cause (Baccichetti, précité, § 31). Dans des circonstances particulières, en effet, la Cour a estimé que la non communication d’une pièce et l’impossibilité pour le requérant de la discuter ne portaient pas atteinte à l’équité de la procédure, dans la mesure notamment où cette faculté n’aurait eu aucune incidence sur l’issue du litige (Baccichetti, ibid.; Stepinska c. France, no 1814/02, § 18, 15 juin 2004).”

Zie o.a. EHRM 19 maart 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0319JUD002927816, rov. 42 (“The Court reiterates that the adversarial principle and the principle of equality of arms, which are closely linked, are fundamental components of the concept of a “fair hearing” within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention. They require a “fair balance” between the parties: each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent or opponents (see Regner, cited above, § 146)”) en EHRM 19 september 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0919JUD003528911, rov. 146-149.

A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:140) voor HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1166, RvdW 2016/707, onder 2.8

Zie bijv. ook J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 71-72, R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure (diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2011, p. 65, J. Ekelmans, De exhibitieplicht, Deventer: Kluwer 2010, p. 55 en Smits 2008, p. 124-125.

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.2.4, 2.3.5. De Stichting c.s. onderkennen dat ook, zie de pleitnotities in cassatie, nr. 34.

Ter adstructie van zijn stellingen aangaande de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland heeft het OM in de onderhavige procedure omvangrijke bijlagen aan zijn gedingstukken gehecht, waarin ‘feitenoverzichten’ zijn opgenomen met informatie afkomstig uit onder andere persberichten, politiesystemen (welke informatie niet is vastgelegd in processen-verbaal) en (buitenlandse) rechterlijke uitspraken. Zie o.a. het verzoekschrift zijdens het OM, nrs. ix-x en 6.6, waarin het OM dit toelicht, alsmede rov. 4.34-4.42 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 en rov. 5.31 en 5.34-5.52 van de beschikking van het hof.

Te onderscheiden dus van “de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn”: zie rov. 5.35, eerste zin van de beschikking.

Wat mede insluit het (intern) bij HAMC en/of HAMC Holland navraag doen, althans informatie genereren, met het oog op het responderen op deze bronnen. Zie in dit verband bijv. ook de pleitaantekeningen in eerste aanleg d.d. 6 maart 2019 zijdens het OM, nrs. 6.3-6.4:

“6.3 (…) dat het heel wel mogelijk is om in een procedure als deze gemotiveerd verweer te voeren. De Hells Angels MC heeft ook zijn uiterste best gedaan zoveel mogelijk informatie te verzamelen om de feiten te betwisten. Onderschepte communicatie tussen leden wijst uit dat daarover meermalen is gesproken op internationale vergaderingen. Een Nederlandse Hells Angel heeft daarover bovendien meermalen aan alle landen een email verstuurd, waarbij hij modelantwoorden suggereert om te reageren uit de feiten in het verzoekschrift. Hij geeft daarbij aan al uit meerdere landen antwoorden te hebben ontvangen. Interessant genoeg spreekt hij hierover steeds over “de Club”, die volgens verweerders niet bestaat, en maakt hij in zijn modelantwoorden onderscheid tussen feiten die door een lid zijn gepleegd en feiten die inderdaad wel door de Club zijn gepleegd.

6.4 Deze internationale informatieverzameling - waarbij expliciet aan Hells Angels uit de hele wereld is gevraagd feitelijke onjuistheden in het verzoekschrift te corrigeren - heeft blijkbaar weinig opgeleverd, want op vrijwel geen enkel punt dan het hierboven genoemde, is er sprake van een daadwerkelijke gemotiveerde betwisting van de feiten. Bij veel feiten worden alleen opmerkingen gemaakt over de aard of bewijswaarde van aangehaalde bronnen en worden de in het verzoekschrift besproken feiten zelf niet betwist. Hoogstens worden nog per incident een of meer algemene stellingen betrokken die geen van alle hout snijden: [volgen enkele stellingen, A-G].”

[zonder verwijzingen in origineel, A-G]

Zie verder bijv. de pleitaantekeningen in eerste aanleg d.d. 13 maart 2019 zijdens het OM, nr. 8.2 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 maart 2019, p. 3:

“Zijdens de Stichting en de Zes HA-leden wordt verder, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard: (…) Over de tweede zin van paragraaf 8.2 van de schriftelijke aantekeningen van het OM in tweede termijn, de zin die luidt: “Het wereldwijde Hells Angels netwerk is gebruikt, daar heeft men zijn uiterste best gedaan om vooral feitelijke onjuistheden te vinden en dat heeft allemaal vrijwel niets opgeleverd.” wordt het volgende opgemerkt. Het OM probeert de suggestie te wekken dat duizenden Hells Angels-leden de door het OM gestelde feiten hebben onderzocht. Die suggestie is natuurlijk onzin. Zo werkt dat niet. Het OM heeft daarentegen zelf tien jaar lang intensief onderzoek gedaan. Als dit alle feiten zijn, dan is het droevig. De Hells Angels bestaan immers al 70 jaar. Het gaat niet alleen om de kwantiteit, maar ook om de kwaliteit van de gestelde feiten. Welke feiten zijn daadwerkelijk in strijd met de openbare orde geweest?”

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.2.6-2.2.8. Daaraan (en aan wat daar staat in nrs. 2.2.15-2.2.16) doet geen recht wat zijdens de Stichting c.s. is opgemerkt in de pleitnotities in cassatie, nr. 39.

Het opgemerkte in Asser Procesrecht/Asser 2017, nr. 194, waarop deze klacht wijst, maakt dit niet anders.

Het opgemerkte in Asser Procesrecht/Asser 2017, nrs. 68-69, waarop deze klacht nog wijst, maakt dit niet anders.

Ik laat daar dat de Stichting c.s. blijkens het verzoekschrift tot cassatie (p. 2) (alleen) cassatieberoep hebben ingesteld van de beschikking. Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nr. 2.2.3.

De nummering (i) t/m (v) voeg ik toe.

Het subonderdeel verwijst (in noot 32 aldaar) naar het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 13-20 en de dataset zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep (bijlage 3 in hoger beroep).

Het subonderdeel verwijst (in noot 33 aldaar) naar het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 22-24.

Het subonderdeel verwijst (in noot 34 aldaar) naar het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nr. 36, het rapport van [betrokkene 4], p. 8-10 (bijlage bij genoemd verweer), en de pleitnota zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 160-171.

Het subonderdeel verwijst (in noot 35 aldaar) naar het rapport van [betrokkene 4], p. 38, het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 38-45, en HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6.

Het subonderdeel verwijst (in noot 36 aldaar) naar bijlage 9 bij het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s.

Het subonderdeel verwijst (in noot 37 aldaar) naar het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 46-49 en het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 326-329.

Het subonderdeel verwijst (in noot 38 aldaar) naar J. Blokland, ‘Woorden maken werelden (en cijfers ook): hoe hoog is nu het percentage veroordeelde outlawbikers?’, Tijdschrift voor Criminologie 2019 (61) 3, p. 258 en het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 50-51.

Het subonderdeel verwijst (in noot 39 aldaar) naar het rapport van de Ombudsman (bijlage 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s.) en het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 52-53.

Het subonderdeel verwijst (in noot 40 aldaar) naar het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 13-20, 36-37, 45 en het rapport van [betrokkene 4], p. 8-10.

Het subonderdeel verwijst (in noot 41 aldaar) naar het verweer inzake het bewijs zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 40, 45 en het rapport van [betrokkene 4], p. 8-10.

Het subonderdeel verwijst (in noot 42 aldaar) naar HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6.

Zie de noten bij het subonderdeel, zoals onder 3.10 hiervoor opgenomen.

Illustratief is HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7628, NJ 2009/474, rov. 4.3.2: “De (appel)rechter dient een op zichzelf ter zake dienend verweer in zijn beoordeling te betrekken - in hoger beroep: binnen de in het appelexploot getrokken grenzen en met inachtneming van de devolutieve werking van het appel - indien dit verweer redelijkerwijs kenbaar is voor de wederpartij en de rechter. Met verweer dat is gevoerd in een bij conclusie of akte overgelegde productie zal rekening moeten worden gehouden, indien uit de conclusie of akte, mede in verband met de eerdere gedingstukken, voldoende kenbaar is dat de betrokken partij de inhoud van die productie mede als verweer naar voren wil brengen en uit de productie voldoende duidelijk blijkt welk verweer aldus wordt gevoerd.” In dezelfde zin o.a. HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:3593, NJ 2017/163, rov. 4.6.1. Zie bijv. ook B.T.M. van der Wiel, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 116.

Pleitnotities in cassatie zijdens de Stichting c.s., nr. 37: “Ter voorkoming van misverstanden: het Verweer inzake het bewijs is als processtuk op 31 augustus 2020 met goedkeuring van het hof schriftelijk en elektronisch (via het roljournaal) ingediend.”

Grief 30, getiteld “Kwaliteit van het bewijs”, mondt uit in de volgende conclusie (beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 326):

“326. Uit het bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat en waarom het vermeende bewijs zoals door het Openbaar Ministerie is geleverd kwalitatief toereikend en voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te gebruiken. De rechtbank schuift de standpunten daaromtrent zonder nadere motivering terzijde en neemt ten onrechte aan dat uit het vermeende bewijs kan worden geconcludeerd dat sprake is van, onder andere, een beeld van ernstig geweld.”

In het verweer inzake het bewijs, nr. 5, wordt vermeld:

“5. In navolging van grief 30 zijn appellanten tot drie belangrijke conclusies zijn gekomen:a. Er is sprake van een structurele onevenwichtigheid tussen enerzijds verzoeker en anderzijds het OM.b. De kwaliteit c.q. betrouwbaarheid van de door het OM gebruikte bronnen staat niet toe dat deze bronnen als bewijs van de door het OM aangedragen stellingen kunnen gelden.c. Er is niet voldaan aan de eisen die voortvloeien uit artikel 21 Rv : de eis van volledigheid en de eis van waarheidsgetrouwheid.”

Te onderscheiden dus van “de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn”: zie rov. 5.35, eerste zin van de beschikking.

Zie ook noot 50 hiervoor.

Zie ook noot 30 hiervoor.

Zie ook rov. 5.27, derde zin (“op basis van het door het OM aangeleverde dossier”, etc.), 5.31, eerste zin (“Het OM heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de bijlagen bij het verzoekschrift en diverse updates”, etc.) en 5.34, eerste zin (“op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting”, etc.) en vijfde zin (“de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten”, etc.) van de beschikking. Daarop - dus op deze bijlagen/updates, die ook voor de Stichting c.s. toegankelijk zijn - doelt het hof in rov. 5.35 (waarop het daarna voortbouwt) met “Wel van betekenis zijn de bronnen die concrete gegevens bevatten”, etc., niet (ook) op, kort gezegd, eventuele achterliggende informatiedragers (‘bronnen’ in die zin) die door het OM niet in de onderhavige procedure zijn ingebracht.

Ik laat daar hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.2.11-2.2.13.

Het subonderdeel verwijst (in noot 43 aldaar) naar Asser Procesrecht/Asser 2017, nr. 49.

Het subonderdeel verwijst (in noot 44 aldaar) naar Asser Procesrecht/Asser 2017, nrs. 101-102.

Het subonderdeel verwijst (in noot 45 aldaar) naar HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6.

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.2.4, 2.3.5. De Stichting c.s. onderkennen dat ook, zie de pleitnotities in cassatie, nr. 34.

Zoals daaruit volgt, heeft het hof, gezien ook het partijdebat met inbegrip van de mondelinge behandeling in hoger beroep, geen twijfels bij het waarheidsgehalte van de feiten en omstandigheden die zijn komen vast te staan, zoals bedoeld in rov. 5.34.

Op wie ex art. 150 Rv ter zake de bewijslast rust, waarbij het zich ex art. 152 Rv in beginsel op alle bewijsmiddelen mag beroepen, aldus het hof in rov. 5.34.

Zie ook noot 73 hiervoor.

Ik lees subonderdeel 3.2 zo dat daarmee - samenvattend - wordt teruggevallen op de uiteenzetting in de aanloop van onderdeel 3 inzake rov. 5.35-5.50 van de beschikking, zoals bedoeld onder 3.13 hiervoor.

Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het daarmee feitelijke grondslag.

Wat er verder zij van Asser Procesrecht/Asser 2017, nr. 49, waarnaar subonderdeel 3.2 verwijst (in noot 43 aldaar), daar wordt door genoemde auteur onderkend dat art. 149 Rv - welke bepaling naar huidig recht geldt, aldus ook Asser Procesrecht/Asser 2017, nrs. 101-102, en het hof hier dus toepast zoals door de wetgever bedoeld - als hoofdregel meebrengt dat afdoende gestelde feiten ‘zonder enige verificatie’ door de rechter voor waar worden gehouden als zij niet bestreden worden of als zij erkend worden: “Feiten worden zonder enige verificatie voor waar gehouden, omdat zij niet bestreden of zij erkend worden (art. 149 Rv, waarover nr. 92 e.v.), of omdat zij ‘aannemelijk’ worden geoordeeld op grond van plausibele verklaringen.” Zie nader o.a. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:593) voor HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1789, RvdW 2020/1205, onder 2.29, alsmede G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 1 september 2019), art. 149 Rv, aant. 4.1-4.2. Het OM wijst ook op genoemde (conclusie en) Hoge Raad-beschikking (art. 81 RO) in het cassatieverweerschrift, nr. 2.3.7, de Stichting c.s. negeren deze (ook) in de pleitnotities in cassatie, nr. 45.

De verwijzing in subonderdeel 3.2 (noot 44 aldaar) naar Asser Procesrecht/Asser 2017, nrs. 101-102 maakt dit niet anders, zoals ook volgt uit de vorige noot.

Zie ook noot 83 hiervoor.

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nr. 2.3.8.

De nummering (i) t/m (iii) voeg ik toe.

Het subonderdeel verwijst (in noot 46 aldaar) naar de spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, par. 2.3.1.

Het subonderdeel verwijst (in noot 47 aldaar) naar de spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 183-186.

Het subonderdeel verwijst (in noot 48 aldaar) naar de spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 187-199.

Het subonderdeel verwijst (in noot 49 aldaar) naar de spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. in hoger beroep, nrs. 214-224.

Terzijde nog dit. In de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de Stichting c.s., nr. 193 wordt verwezen naar in totaal “10 binnenlandse uitspraken” die “toegankelijk en verifieerbaar [waren] voor appellanten”, waarbij in noot 77 aldaar negen uitspraken worden genoemd: “Bijlage 11: 3.1.1, Bijlage 7: 3.1.1, Bijlage 17: 1.18.1, Bijlage 10: 3.2.29, Bijlage 17: 1.6.6, Bijlage 26: 10.2.9, Bijlage 32: 10.2.3, 14.2.2, Bijlage 14; 3.1.1”. De uitspraak genoemd in bijlage 26 onder 10.2.9 wordt volgens de spreekaantekeningen (noot 83 aldaar) ook genoemd in bijlage 10 onder 17.4.27 (welke bijlage 10 in rov. 5.48 van de beschikking wordt opgevoerd). In bijlage 10 is dat nummer evenwel niet aan te treffen.

Dus: tegen de door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt, ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Zie rov. 5.35 van de beschikking.

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.3.9-2.3.17, waaraan geen recht wordt gedaan door de Stichting c.s. in de pleitnotities in cassatie, nr. 46.

Zie ook noot 30 hiervoor.

[Noot 50 in origineel, A-G:] “Citaten van publicaties uit de internationale pers (waaronder veelvuldig gebruik van niet geverifieerde publicaties uit sensatiebeluste (roddel)pers (onder meer boulevardbladen zoals Bild en The Sun)) zonder overlegging van de bron, vage websites zonder overlegging van de bron en een biografie van een ex Hells Angel (wederom) zonder overlegging van de bron; broksgewijs gepresenteerde citaten uit buitenlandse, (deels) ongepubliceerde rechterlijke uitspraken zonder overlegging van de bron; broksgewijs gepresenteerde informatie uit zowel binnenlandse als buitenlandse ‘politiesystemen’, andermaal zonder overlegging van de bron.”

[Noot 51 in origineel, A-G:]: “Broksgewijs gepresenteerde citaten uit ongespecificeerde ‘politiesystemen’ zonder overlegging van de bron.”

[Noot 52 in origineel, A-G:]: “Idem.”

[Noot 53 in origineel, A-G:] “Citaten van publicaties uit de internationale pers zonder overlegging van de bron (waaronder gebruik van publicaties uit sensatiebeluste (roddel)pers (onder meer boulevardbladen zoals The Mirror); informatie van vage websites zonder overlegging van de bron; broksgewijs gepresenteerde citaten uit ongespecificeerde ‘politiesystemen’ en politieonderzoeken (zoals Acroniem en Toren) zonder overlegging van de bron; broksgewijs gepresenteerde citaten uit buitenlandse, (deels) ongepubliceerde rechterlijke uitspraken zonder overlegging van de bron.”

[Noot 54 in origineel, A-G:] “Broksgewijs gepresenteerde citaten uit ongespecificeerd FIOD-rapport zonder overlegging van de bron.”

Zie ook noot 73 hiervoor.

Te onderscheiden van de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluidt Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn.

Informatie uit ‘vage websites’ (waarvan het subonderdeel rept) trof ik daar niet aan. Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.3.22-2.3.23, mede inzake paragraaf 10.2.1 van bijlage 32, genoemd in subonderdeel 3.5.1.

Zie ook noot 73 hiervoor.

Zie ook noot 103 hiervoor.

Informatie uit ‘vage websites’ (waarvan het subonderdeel rept) trof ik daar niet aan. Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nr. 2.3.25 en de behandeling van subonderdeel 3.6.1 onder 3.34 hierna.

Ik laat daar hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nr. 2.3.26.

[Noot 55 in origineel, A-G:] “Citaten van publicaties uit de internationale pers (waaronder veelvuldig gebruik van publicaties uit sensatiebeluste (roddel)pers) zonder overlegging van de bron; citaten van vage websites zonder overlegging van de bron; citaten uit biografie van een ex Hells Angel (wederom) zonder overlegging van de bron; broksgewijs gepresenteerde citaten uit buitenlandse, (deels) ongepubliceerde rechterlijke uitspraken zonder overlegging van de bron; broksgewijs gepresenteerde informatie uit zowel binnenlandse als buitenlandse ‘politiesystemen’ en politieonderzoeken, andermaal zonder overlegging van de bron.”

[Noot 56 in origineel, A-G:] “Broksgewijs gepresenteerde citaten uit ongespecificeerde ‘politiesystemen’ zonder dat de bron zelf in het geding is gebracht.”

Het OM heeft in nr. 2.6.33 van zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld dat “ex-leden, slachtoffers en getuigen vaak geen verklaring [durven] af te leggen over incidenten met betrokkenheid van Hells Angels”, daarbij in noot 149 verwijzend naar een groot aantal vindplaatsen in de door het OM bijgevoegde feitenoverzichten, waaronder bijlage 10 (“zie bijvoorbeeld bijlage 10, paragraaf 3.2.11, 3.2.13, 3.2.16, 3.2.24, 3.2.25, 3.2.32, 3.2.42, 3.2.48; bijlage 11, paragraaf 3.1.6”), waarop het hof dus wijst in rov. 5.48, het tweede voorbeeld. Het is duidelijk dat het hof hierop het oog heeft. Het subonderdeel rept niet van een betwisting van deze stelling door de Stichting c.s., laat staan met vindplaatsverwijzing. Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.3.30-2.3.31.

[Noot 57 in origineel, A-G:] “Informatie van nieuwswebsites zonder overlegging van de bron.”

[Noot 58 in origineel, A-G:] “Broksgewijs gepresenteerde informatie uit buitenlands politieonderzoek/buitenlandse politiesystemen en buitenlandse rechtspraak zonder overlegging van de bron.”

Ik laat daar hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nr. 2.3.21.

Het subonderdeel verwijst (in noot 59 aldaar) naar het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 332-334.

Het subonderdeel verwijst (in noot 60 aldaar) naar de spreekaantekeningen in eerste aanleg (eerste termijn, deel II) zijdens de Stichting c.s., nrs. 89-91.

Het subonderdeel verwijst (in noot 61 aldaar) naar het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 334.

Dat zijn nrs. 332-333 van dit verweerschrift, niet (ook) nr. 334 daarvan. Dit nr. 334 luidt als volgt:

“334. Daarnaast draagt verzoeker zelf voorbeelden aan waarbij leden van Hells Angels meewerken met de politie. Zo is bijvoorbeeld te zien in bijlage 4 paragraaf 5.3.16.en bijlage 10 paragraaf 3.2.41 dat leden in gesprek gaan met verbalisanten van de politie. Hieruit blijkt wederom dat de verzoeker haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd en derhalve niet heeft kunnen bewijzen.”

Het hof onderkent, betrekt en verwerpt deze stelling in dit nr. 334 in rov. 5.38 navolgbaar met de overwegingen dat aan het voorgaande ook niet afdoet dat er voorbeelden zijn waarbij leden van een charter wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces, nu het daarbij gaat om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist. In het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 334 lees ik zo’n betwisting ook niet.

[Toegevoegde noot, A-G:] Het verweerschrift noemt vier verschillen tussen de Bandidos en de Hells Angels, waarvan deze stelling er een is. Zie het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 325.

Dit vergt wel een uiterst rekkelijke uitleg van het subonderdeel ter zake, dat immers veronderstelt dat “het hof met geen woord ingaat op het geadstrueerde verweer van de Stichting c.s.”, etc.

Hoofdstuk 4 (“Zwijgplicht”) en hoofdstuk 5 (“Afscherming en obstructie van rechtsgang”) van bijlage 4 beslaan de paragrafen 4.1, 4.2 (4.2.1 t/m 4.2.11) en 4.3 (4.3.1 t/m 4.3.4) respectievelijk 5.1, 5.2 (5.2.1 t/m 5.2.16), 5.3 (5.3.1 t/m 5.3.21) en 5.4 (5.4.1 t/m 5.4.6), neerkomend op p. 76 t/m 116. Paragraaf 4.1 zet uiteen dat in de wereld van de OMG’s een zwijgplicht geldt, ook wel omerta genoemd, dat in de onder 4.2 en 4.3 beschreven incidenten naar voren komt dat de Hells Angels uit principe niet (mogen) spreken met de politie, alsmede het volgende:

“Naast de hieronder weergegeven incidentbeschrijvingen met betrekking tot de zwijgplicht, komt de zwijgplicht van Hells Angels leden ten opzichte van de politie ook geregeld naar voren in incidentbeschrijvingen in de overige bijlagen. Bij verhoren van Hells Angels leden door de politie doen zij veelal een beroep op hun zwijgrecht. In een aantal gevallen wordt daarbij door hen ook vermeld dat zij uit principe niet aan de politie verklaren.”

Paragraaf 5.1 zet uiteen dat door de leden van de Hells Angels, naast via de reeds beschreven zwijgplicht, ook op andere manieren wordt geprobeerd om de club af te schermen van de buitenwereld, in het bijzonder van overheden. Daartoe gebruiken ze apparatuur, volgen ze protocollen en weigeren zij hun medewerking te verlenen aan de overheid. Ook wordt op andere manieren effectieve opsporing en rechtsgang belemmerd, onder andere met geweldpleging en intimidatie tegen getuigen en andere betrokken. Daarop volgt:

“In dit hoofdstuk [hoofdstuk 5, A-G] worden een aantal incidenten beschreven die betrekking hebben op het afschermen van (activiteiten van) de club en obstructie van de rechtsgang. Ook zijn incidenten opgenomen waarbij getuigen en andere betrokkenen niet willen verklaren uit angst voor Hells Angels MC (Holland).”

Bij deze “incidentbeschrijvingen” wordt in paragrafen 4.2 t/m 5.4 (ook in hoofdstuk 4 van bijlage 4) niet alleen geput uit mediaberichten, maar ook uit kort gezegd rechterlijke uitspraken, overheidsrapporten, strafrechtelijke onderzoeken en politiesystemen. Paragraaf 1.1.3 van bijlage 28 betreft een incidentbeschrijving op basis van een FIOD-onderzoek inzake het uit de club zetten van twee Duitse Hells Angels vanwege het ondermijnen van de zwijgplicht.

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nr. 2.3.35.

In die stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken, lees ik zo’n betwisting ook niet.

In die stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken, lees ik geen daarop toegespitste stellingname.

Zie ook de vorige noot.

Zie ook noot 73 hiervoor.

Zie ook noot 103 hiervoor.

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.3.36-2.3.37.

Ik laat daar dat, anders dan de stelling in het subonderdeel onder [i] (“Deze oordeelsvorming is ontoereikend gemotiveerd,”, etc.), de stelling in het subonderdeel onder [ii] (“Bovendien hebben de Stichting c.s.”, etc.) zelf niet met zoveel woorden een motiveringsklacht bevat.

Dit betreft nr. 334 van het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., geciteerd in noot 118 hiervoor.

Zie noot 118 hiervoor.

Het subonderdeel verwijst (in noot 62 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 225.

Het subonderdeel verwijst (in noot 63 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 226.

Het subonderdeel verwijst (in noot 64 aldaar) naar het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 335-336.

Zie voor dat eerste het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 225:

“225. In Nederland bestaat er ten eerste geen dergelijk fonds en al zou dit fonds er wel zijn dan is het enkele feit dat een gestelde vereniging een fonds zou beheren om haar leden te assisteren indien zij juridische bijstand nodig hebben, niet redengevend voor de conclusie dat deze vereniging hierom “al” het plegen van geweld zou accepteren. Ook het Nederlands Ministerie van Defensie hanteert een financieel fonds om haar militairen bij te laten staan door advocaten indien deze militairen met justitie in aanraking komen.”

Zie voor dat tweede het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 226:

“226. Daarbij is het hoogst ongebruikelijk dat alle Hells Angels charters financieel bijdragen aan rechtsbijstand voor een strafrechtelijk proces van een lid. Het Openbaar Ministerie heeft hier maar één voorbeeld van kunnen geven. Dit betrof een uitzonderlijke situatie waarbij het betreffende lid mogelijk de doodstraf kon krijgen. Eventuele financiële ondersteuning vindt nimmer op structurele wijze plaats en als er al financiële ondersteuning wordt verleend ziet dit normaliter enkel op civielrechtelijke procedures die charters betreffen zoals de verschillende verbodsprocedures die hebben geleid tot de uitspraak van de Hoge Raad in 2009 met betrekking tot de charter in Harlingen.”

Ik laat daar dat zijdens het OM ter zake in hoger beroep onder meer het volgende is opgemerkt in het verweerschrift, nr. 2.6.40:

“2.6.40. Verder merkt het Openbaar Ministerie dat er onder meer op de BHC-lijsten ook namen van Nederlandse leden van de Hells Angels staan, dat ook de Nederlandse leden worden uitgenodigd voor internationale evenementen om BHC- geld in te zamelen, dat de National Secretary Holland ook in het bezit van de internationale BHC- lijsten is, dat alle landen - ook Nederland - verplicht zijn om BHC-lijsten aan te leveren voor ‘mail and support’, dat er ook daadwerkelijk geld wordt overgemaakt vanuit Nederlandse charters naar gedetineerde Nederlandse leden, dat er fooienpotten in clubhuizen staan met verwijzing naar de BHC-lijsten, dat wijzigingen in de (internationale) BHC-lijsten door de National Secretary Holland worden rondgemaild naar alle Nederlandse charters, dat er kwitanties en betalingsoverzichten van HAMC Holland zijn gevonden waarop BHC-betalingen staan en dat er BHC-donaties van Nederlandse charters aan buitenlandse charters worden gedaan. In het licht van deze zeer concrete - en door de Stichting IEHA c.s. niet gemotiveerd betwiste - omstandigheden kan het oordeel van de rechtbank niet onjuist worden genoemd.”

[zonder verwijzingen in origineel, A-G]

Een gemotiveerde weerspreking daarvan ben ik in het procesdossier niet tegengekomen. Het subonderdeel wijst daarop ook niet.

Dit betreft het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 335-336:

“335. Ten vierde: Verzoeker stelt in het verzoekschrift dat een ledenbijdrage aan het defence fund verplicht zou zijn. Verzoeker verwijst onder andere naar bijlage 4 paragraaf 3, echter blijkt uit deze stukken niet dat een bijdrage aan het defence fund verplicht is. In tegendeel, uit de stukken overlegd door verzoeker blijkt juist dat leden niet op structurele wijze een bijdrage leveren aan een zogenaamd defence fund. In bijlage 1, hoofdstuk 7 blijkt niet dat enig deel van de contributie die leden betalen bedoeld zou zijn voor het defence fund.336. Bijdragen aan een zogenaamd jail fund worden eveneens op vrijwillige basis gedaan. Verzoeker heeft niet aangetoond dat een bijdrage hiervoor verplicht wordt gesteld. Hells Angels-leden kunnen er voor kiezen om leden - zogenaamde BHC - en hun familie te ondersteunen op het moment dat zij vastzitten. Het is geenszins het doel dat zogenaamde leden hiermee worden beloond voor het plegen van het strafbare feit. Zo is de motie van de Malmö charter die in bijlage 4 paragraaf 2.2.3 wordt aangehaald waaruit zou blijken dat leden die vastzitten op structurele wijze financieel dienen te worden gesteund nooit in stemming gebracht, laat staan aangenomen zoals blijkt uit een overzicht van stemmingen uit 2008-2010 (bijlage 11).”[zonder verwijzing in origineel, A-G]

Dat zo’n ledenbijdrage niet verplicht zou zijn, maar vrijwillig, wil nog niet zeggen dat het doen van zo’n bijdrage “geenszins wordt aangemoedigd door de Hells Angels”. Dit laatste wordt niet anders door de stelling dat het “geenszins het doel [i]s dat zogenaamde leden hiermee”, dus met zo’n bijdrage, “worden beloond voor het plegen van het strafbare feit”.

Het subonderdeel verwijst (in noot 65 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 236-244 en merkt op dat de affidavit van mr. Caplan als bijlage 13 bij het verweerschrift in eerste aanleg van de Stichting c.s. is gevoegd. Het subonderdeel verwijst (in noot 65 aldaar) tevens naar dat verweerschrift, nrs. 364-372.

Het subonderdeel verwijst (in noot 66 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 242.

Het hof brengt in rov. 5.43 dus niet tot uitdrukking aannemelijk te achten dat de Filthy Few-patch alleen werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels die daadwerkelijk een moord (of zwaar geweld) hebben gepleegd voor de club.

Te weten, in de woorden van het hof in rov. 5.43:

“I saw a ton of Filthy Few patches. It seemed as if everyone was wearing one. Same with Outlaws and their lightening bolts. And I would wonder where the bodies were. It just didn’t add up. It turns out the patches are mostly flash. A lot of the guys get theirs just by asking for them.”

Zie voor dit laatste ook het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 242, waar onder meer gewezen wordt op “het feit” (waarmee het in rov. 5.43 geciteerde tekstfragment van de hand van [betrokkene 2] ook in lijn zou zijn) “dat de Filthy Few-patch vrijelijk verkrijgbaar is op internet en wordt uitgedeeld op allerlei evenementen, zoals bij de jaarlijks gehouden Motorcycle Rally in Sturgis”, wat “ook blijkt uit de facturen die zijn bijgevoegd als productie 17”. Het hof onderkent ook dat dus in rov. 5.43.

Zie ook noot 140 hiervoor.

Zie ook het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 240-241:

“240. Mr. Caplan brengt ten aanzien van de oorsprong van de Filthy Few-patch het volgende naar voren:

“I was first told about the “Filthy Few” in 1979 from a client, HAMC Oakland, California member Albert (“Big Albert”) Perryman. He had explained that the “sub-group” had formed in approximately 1966, after a motorcycle weekend party “run” (ride) to Bass Lake in Northern California. He told me that it referred to the “hardest partyers” who were the first to arrive and last to leave at any social event.”

241. Het fenomeen van de “the hardest partyers” werd vervolgens overgenomen door leden van andere charters, die evengoed toegelegd waren om op evenementen als eerste te arriveren en als laatste te vertrekken. Deze status van “hardest partyer”, werd officieel gemaakt door de introductie van de Filty Few-patch.”[zonder verwijzing in origineel, A-G]

Geciteerd in het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 242. Anders dan het subonderdeel poneert, valt niet vol te houden dat het door het hof in rov. 5.43 (en in noot 141 hiervoor) geciteerde tekstfragment uit het boek (‘Breaking the code’) van [betrokkene 2] (“And I would wonder where the bodies were”, etc.) “onmogelijk zo kan worden begrepen” dat de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord, welke betekenis naar de aard in verbinding staat met moorddadig gedrag. Iets anders is, aldus [betrokkene 2] en naar het hof onder ogen ziet, dat dit (dus daadwerkelijk iemand hebben vermoord) bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is, wat meebrengt dat de patches (die naar de aard dus in verbinding staan met moorddadig gedrag) in die zin voornamelijk voor de show zijn. Anders dan het subonderdeel ook nog poneert, valt dit citaat (dus) heel wel zo te verstaan, gelijk het hof doet in rov. 5.43, dat daarin niet “de conclusie [wordt] bereikt dat de patch niet redelijkerwijs in verbinding kan staan met moorddadig gedrag”. Ik laat daar of een daartoe strekkende stelling van de Stichting c.s. wel te lezen valt in het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 242, waar de Stichting c.s. aandacht hebben besteed aan dit tekstfragment.

Dit laatste ziet kennelijk op het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 237 over “vijf voorbeelden uit de periode 2003-2013” die “betrekking [hebben] op het buitenland” naar aanleiding van rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019. Lezing van rov. 4.37 van deze beschikking leert dat het daar gaat om vijf gedachtestreepjes, waar de rechtbank wijst op in totaal vijf verklaringen van buitenlandse (voormalige) Hells Angels en een buitenlandse rechterlijke uitspraak, waaruit onder meer blijkt (zie het eerste gedachtestreepje en de verklaring aldaar) “dat er dertig Hells Angels in Europa zijn met die patch en ongeveer tien in Nederland”.

Zie ook de vorige noot.

Het subonderdeel verwijst (in noot 67 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 249.

Het subonderdeel verwijst (in noot 68 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 251.

In de eerste plaats gaat het om de Filthy Few-patch, waarop rov. 5.43 van de beschikking betrekking heeft, waarover onder 3.38 hiervoor.

Zie het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 249.

Zie in rov. 4.38 van haar beschikking al de rechtbank:

“4.38. (…) Het feit dat een deel van de door het OM gegeven voorbeelden over twee van de drie personen van het Haarlems HA-charter gaat die op 7 juni 2017 door HAMC zijn geroyeerd, kan hier niet aan afdoen. De drie Haarlemse Hells Angels zijn immers volgens de belanghebbenden geroyeerd omdat zij hun lidmaatschap van HAMC misbruikten. Niet is gesteld of gebleken dat daarmee hun uitspraken in verband met de Dequiallo-patch in een ander licht moeten worden gezien.”

Zie dus ook hetgeen het hof overweegt in rov. 5.42 van zijn beschikking.

Dus: dat kort nadat de desbetreffende Hells Angels-leden politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd, deze leden de Dequiallo-patch op hun colors droegen.

Dus: of aannemelijk is dat de Dequiallo-patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten.

Te lezen in het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 251, en wel aldus:

“251. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte niet meegewogen dat er niet op structurele wijze Dequiallo-patches worden uitgevaardigd door charters. Indien een lid van de Hells Angels wenst een dergelijke patch te dragen hoeft hij hier op geen enkele wijze toestemming voor te vragen en deze worden ook niet uitgevaardigd als beloning.”

Zie in rov. 4.38 van haar beschikking al de rechtbank:

“4.38. HAM Corporation en de belanghebbenden stellen dat deze patch [de Dequiallo-patch, A-G] symbool staat voor het overkomen en het overwinnen van tegenslag in het leven, maar hebben hiervan geen enkel concreet voorbeeld gegeven. (…)”

Het subonderdeel verwijst (in noot 69 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 256.

Het subonderdeel verwijst (in noot 70 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 257-261.

Het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nr. 256:

“256. In tegenstelling tot de andere patches die worden aangehaald in de beschikking van de rechtbank wordt de Purple Heart-pin en -oorkonde uitgevaardigd door een Hells Angels charter. De charter Oakland in Californië heeft deze traditie in het leven geroepen en sindsdien zijn er zo’n 50 in circulatie.”

Zie de vorige noot.

Het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 257-261.

Het subonderdeel verwijst (in noot 71 aldaar) naar de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de Stichting c.s., nrs. 196-197.

Het subonderdeel verwijst (in noot 72 aldaar) naar het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 281-284 en naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 277-282.

[Noot 86 in origineel, A-G:] “Rechtbank Limburg, 24 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016: 4357 en Gerechtshof Den Bosch, 7 juni 2017, ECLI:GHSHE:2017: 2534.”

Na de opsomming onder a t/m e gaat het hof in rov. 5.47 nog in op hetgeen door de Stichting c.s. is aangevoerd in verband met enkele in die opsomming vervatte incidenten. Dat geldt niet voor het onderhavige incident.

Zie o.a. het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 6.92:

“6.92. (…) Tijdens dit conflict [tussen HAMC en BMC/Bandidos, A-G] werd op 25 maart 2015 door een lid van een support club van HAMC Holland brand gesticht bij een café waar geregeld BMC-leden samenkwamen. De uitbater van het café en zijn gezin kunnen met hulp van de brandweer via het dank van de uitgebrande woning aan de dood ontsnappen.391 Een voormalig HAMC-lid geeft later tegenover de politie aan dat de brandstichting in opdracht van HAMC was.392 (…)”[Noot 391 in origineel, A-G:] “De brandstichter krijgt een straf van acht jaar opgelegd (bij hoger beroep verhoogd tot tien jaar), waarbij de rechtbank overweegt: “In het dossier bevinden zich aanwijzingen dat het motief voor de brandstichting een territoriumstrijd was tussen de motorclubs Hells Angels, waaraan verdachte kennelijk is gelieerd, en de Bandidos.” Rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2016:4357, r.o. 6.3.”

[Noot 392 in origineel, A-G:] “Bijlage 8, § 3.2.25.”

Genoemde uitspraak betreft Rb. Limburg 24 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:4357. In genoemde bijlage (p. 185-188), met als bron politiesystemen, worden als betrokkenen genoemd, naast [betrokkene 7] (“[betrokkene 7], lid van Supportcrew 81”; “De aangehouden persoon [[betrokkene 7], A-G] blijkt een lid te zijn van de supportcrew 81 Limburg; de officiële supportclub van de Hells Angels Limburg uit Kerkrade”), twee leden van het Hells Angels-charter Limburg en wordt de verklaring van dat “voormalig HAMC-lid” geciteerd, waaruit de betrokkenheid van die twee leden blijkt. De bijlage bevat ook citaten uit het verhoor van een getuige die in een telefoongesprek iets heeft gezegd over de aanhouding van de verdachte, waaronder:

“Getuige: Word ik dan als getuige in dit onderzoek genoemd?Verhoorder: Hoe bedoel je?Getuige: Ja, als mijn naam genoemd wordt, hij is 81. Niet dat mijn vriendin dadelijk buiten gevaar loopt.”

In nr. 2.3.61, noot 27 van het cassatieverweerschrift zijdens het OM wordt nog opgemerkt: “De 8e en 1e letter van het alfabet zijn de H en de A en de aanduiding ‘81’ wordt door de Hells Angels gebruikt. Zie p. 4 inleidend verzoekschrift.”

Zie o.a. het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 284 (“De gedragingen die zijn opgenomen in de bijlage [bijlage 8 bij het verzoekschrift zijdens het OM, met daarin onder meer het incident van 7 april 2016, A-G] en die zouden zijn gepleegd door [betrokkene 5], [betrokkene 6] en [betrokkene 8], kunnen niet aan de Hells Angels worden toegerekend. Deze voormalig leden hebben hun lidmaatschap misbruikt en zijn om deze reden thans geen lid meer”) en het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 277-282, waarin de Stichting c.s. grieven over rov. 4.42 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 (het daar aangenomen “beeld van ernstig geweld”) en in dat verband de algemene stelling betrekken dat dit beeld op onjuiste gronden berust, waarna in nr. 282, eveneens in het algemeen, wordt opgemerkt: “Zowel in bijlage 8, 10 en 15 van het verweerschrift, als ter zitting, zijn door appellanten meerdere voorbeelden gegeven van het verwijderen van leden die zich inlaten met criminele activiteiten, waaronder de ratbrakers [betrokkene 6], [betrokkene 8] en [betrokkene 5] van de charter Haarlem (bijlage 8 verweerschrift). Deze documenten zijn door het Openbaar Ministerie in eerste aanleg niet weerlegd.”

Zie o.a. het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 270.

Zie noot 163 hiervoor.

Daarbij gaat het niet alleen om incidenten in Nederland, maar ook om incidenten buiten Nederland.

Ik wijs er nog op dat het hof daar rept van “een massale vecht- en schietpartij” op 7 april 2016 in een Van der Valk-hotel in Rotterdam “tussen Hells Angels en leden van Mongols MC”, te midden van hotelgasten en personeel, wat insluit - in lijn met het procesdossier - dat zijdens de Hells Angels niet althans niet slechts genoemde drie leden betrokken waren. In dit verband valt onder meer te wijzen op de stellingen van het OM, die inhouden dat twaalf Hells Angels-leden van verschillende charters zijn aangehouden in verband met het incident van 7 april 2016 (verzoekschrift zijdens het OM, nr. 6.95). Zie ook het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nr. 2.6.76, mede onder verwijzing (in noot 198 aldaar, aan het slot van dat nr. 2.6.76) naar bijlage 8, paragrafen 3.2.25 en 3.3.2.

“2.6.76 Op de stelling van Stichting IEHA c.s. dat er - in het geval van HAMC Holland - alleen maar voorbeelden van de Haarlemse Hells Angels zouden zijn gebruikt, is door het Openbaar Ministerie ook al gereageerd. Dat blijkt ook al uit de twee Nederlandse voorbeelden die de rechtbank geeft in de laatste twee zinnen van r.o. 4.42 van de bestreden beschikking ter zake het Van der Valk-hotel en het café in Kerkrade. Bij deze twee voorbeelden van ernstige geweldpleging gaat het niet (uitsluitend) om leden van het charter in Haarlem.”[zonder verwijzingen in origineel, A-G]

Het subonderdeel verwijst (in noot 80 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 155-156 en de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de Stichting c.s., nrs. 157 e.v.

Het subonderdeel verwijst (in noot 81 aldaar) naar HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.3 en merkt daar op dat dit “vaste rechtspraak” is (“zie ook noot 68”).

HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396.

HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.5-3.6, 3.7.2.

Dit ziet op de volgende overwegingen van de Hoge Raad:

“3.3 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Art. 2:20 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie wordt verboden verklaard en ontbonden. Het hof heeft in rov. 11 en 12 van de bestreden beschikking terecht overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde als uitgangspunt geldt dat de in art. 8 van de Grondwet en art. 11 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vergadering een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat is, en dat het verbieden van een rechtspersoon een ernstige inbreuk op dit grondrecht betekent waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Voor een verbodenverklaring moet het dan ook gaan om meer dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. De verbodenverklaring dient te worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten.3.4 Het Openbaar Ministerie bestrijdt dit uitgangspunt niet en bestrijdt ook niet dat dit dwingt tot een terughoudende toepassing van de in art. 2:20 BW neergelegde mogelijkheid tot het verbieden en ontbinden van rechtspersonen. Dat uitgangspunt strookt met de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, waarin ook het verband wordt gelegd met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, en die duidelijk maken dat de wetgever een terughoudende toepassing van dit artikel voor ogen heeft gestaan. ”

Ik ga ervan uit dat dit een en ander ook toepassing vindt op een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW (in verbinding met art. 10:122 BW), zoals in de onderhavige zaak aan de orde is met betrekking tot HAMC en HAM Corporation. Daarbij merk ik op dat voor het zijn van een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW niet vereist is dat sprake is van een rechtspersoon. Zie o.a. HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.2.3-3.2.4. Zie ook onder 4.8-4.11 hierna.

Zie in het bijzonder HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507 (inzake Martijn), HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100 (inzake Bandidos) en HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1789, RvdW 2020/1205 (inzake Satudarah).

Eerder wijdde ik hieraan enkele opmerkingen in ECLI:NL:PHR:2021:1143, onder 3.14 (inzake No Surrender). Ik kan laten rusten dat art. 2:20 BW per 1 januari 2022 is gewijzigd door de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 346), hetgeen voor de onderhavige zaak niet relevant is. Zie daarover o.a. annotator G. van Solinge in nr. 15 onder HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100.

In rov. 5.28 verwijst het hof naar HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396 (en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507).

Zie ook hetgeen het hof overweegt over HAMC in rov. 5.3-5.13.

Zie ook hetgeen het hof overweegt over HACM Holland in rov. 5.14-5.26.

Daarbij onderkent het hof in rov. 5.51 dat niet alle charters en leden deze feiten plegen en dat dit soort incidenten niet in alle landen voorkomt waar de Hells Angels zijn gevestigd (althans dat daarvan in dit dossier niet is gebleken).

Dat strookt ook met de vaststelling van het hof in rov. 5.39 dat, zoals daarvoor besproken, “de Hells Angels niet onder een centraal bestuur [staan]”. Zie in dat verband o.a. rov. 5.10 inzake HAMC (waar het hof vaststelt “[d]at er geen president of bestuur op mondiaal niveau is”) en rov. 5.18 inzake HAMC Holland (“Van een president of bestuur op nationaal niveau is geen sprake”). Hiervan moet worden onderscheiden de vaststelling van het hof in rov. 5.66 dat “de Hells Angels in Nederland” niet alleen “mede te beschouwen [zijn] als lid van HAMC Holland (zie rov. 5.26)”, maar “ook nadrukkelijk verbonden [zijn] aan een charter”, welke charters:

- daarbij bestendige organisaties vormen,

- die ieder beschikken over een eigen bestuur met vaste functies zoals president, secretary, treasurer, sergeant at arms en road captain,

- met een eigen naam (Hells Angels in combinatie met een plaatsnaam of een eigen aanduiding van een gebied),

- met eigen leden, wat wordt bevestigd door de ledenlijsten die worden bijgehouden per charter,

- met eigen vergaderingen en clubavonden (wekelijkse meetings),

- met eigen onderscheidingstekens op de kleding (de eigen variant van het death head logo en de siderocker en andere emblemen met de naam van het charter), waarmee zij zich naar buiten toe presenteren als zelfstandige eenheid,

- met eigen clubhuizen en activiteiten,

- waarvan een aantal charters ook een eigen website heeft, en

- waarbij de maandelijkse contributie ook aan de charters moet worden betaald.

Ik breng rov. 5.50 van de beschikking weer in herinnering:

“5.50. Uit het voorgaande blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie, die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels bestaat. Een belangrijke factor is het gewelddadige imago, waarvan de leden gebruik maken en dat zij als het nodig is ook consequent waar maken. Daarbij wordt dat geweld op verschillende manieren aangemoedigd en verheerlijkt. Een andere factor is de rivaliteit met andere motorclubs, die regelmatig leidt tot machtsstrijd en bijbehorende geweldsconfrontaties. Deze conflicten worden daarbij meer dan eens uitgevochten te midden van het publiek op straat. Het bad standing-beleid leidt ertoe dat leden zich moeilijk kunnen losmaken van de club en gaat eveneens gepaard met geweld en dreiging met geweld. Intimidatie van (ex-)leden, slachtoffers en getuigen zorgt er verder voor dat justitieel optreden sterk wordt bemoeilijkt.”

Zie bijv. ook:

- rov. 5.35 over “bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”;

- rov. 5.35 over het oprijzen uit de bronnen van het beeld van “een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld”;

- rov. 5.37 over het vormen door de Hells Angels van “een sterk gesloten club die overheidsgezag zoveel mogelijk buiten de deur houdt”, wat al direct blijkt uit de worldrule over wie zijn uitgesloten van het lidmaatschap, waaruit duidelijk spreekt wie vooral geen lid mogen zijn van de club (“verraders, agenten en ex-agenten en personen die werken of hebben gewerkt voor andere handhavingsinstanties of die daarmee samenwerken”), waarbij duidelijk is dat deze regel geldt voor alle (en niet alleen bij de toelating van een nieuw lid) en dat het onmiskenbaar behoort “tot het geheel van normen, waarden, tradities en regels - en dus tot de cultuur - van de club”;

- rov. 5.40 over uitingen - een logo en vaste motto’s waarmee de Hells Angels verder een sterke interne loyaliteit, geldingsdrang, een vijandige houding naar de buitenwereld en een affiniteit met geweld uitdragen; veel aan de Hells Angels gerelateerde merchandise waarmee geweld ook wordt verheerlijkt - die op zichzelf geen reden zijn voor een verbod, maar wel kenmerkend zijn voor de cultuur van de Hells Angels waaruit de feitelijke gedragingen voortkomen die aanleiding geven voor het verbod;

- rov. 5.52 over deze “gedragingen, begaan binnen de sfeer en cultuur zoals hiervoor omschreven”, die onze samenleving (kunnen) ontwrichten en niet kunnen worden geduld.

Zie ook rov. 5.27 over het oordeel van de rechtbank in haar beschikking van 29 mei 2019.

Zie ook hetgeen het OM opmerkt in het cassatieverweerschrift, nrs. 2.4.4-2.4.8. Anders dan zijdens de Stichting c.s. nog is gesuggereerd in de pleitnotities in cassatie, nrs. 20, 22-23, berust dit verweer van het OM niet “in feite op dezelfde bedenkelijke participatieconstructie als het oordeel van het hof”, zoals bestreden door het subonderdeel. Het OM baseert zich daar op een juiste lezing van de beschikking, waarin (dus) geen sprake is van zo’n “bedenkelijke participatieconstructie”; zie ook hierna.

Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nr. 2.4.10.

Het subonderdeel verwijst (in noot 82 aldaar) naar het beroepschrift zijdens de Stichting c.s., nrs. 155-156.

Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nr. 2.4.14.

Waarbij het niet slechts gaat om een losse verzameling van charters die dezelfde kenmerken hebben omdat zij nu eenmaal dezelfde oorsprong hebben, hetzelfde gedachtengoed aanhangen en dezelfde regels volgen, die elkaar af en toe ontmoeten om gezamenlijke activiteiten te ondernemen en vrijblijvend te overleggen om tradities in stand te houden.

Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nr. 2.4.13.

Zie ook de vorige noot.

Het subonderdeel verwijst (in noot 83 aldaar) naar EHRM 14 januari 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0114JUD004773206, NJ 2015/330 (“waarnaar de Hoge Raad expliciet verwijst in HR 18 april 2014, NJ 2014/507 (Martijn)”) en tevens naar EHRM 9 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0709JUD003594310, NJCM 2014/41 en EHRM 11 oktober 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1011JUD004884807, NJ 2012/634.

HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.6-3.8.

Vgl. J.H. Gerards, Belangenafweging bij rechterlijke toetsing aan fundamentele rechten (oratie Leiden), Deventer: Kluwer 2006, p. 4, waarop de Stichting c.s. zich bij het mondelinge pleidooi hebben beroepen (pleitnotities in cassatie, p. 7, noot 19): “Een beoordeling van zaken over grondrechten vergt, juist door het specifieke karakter van die rechten, steeds een beoordeling en een weging van belangen. Als het Straatburgse Hof straks een oordeel moet vellen over de claim van mevrouw Tysiac, kan het niet volstaan met te kijken naar het recht op bescherming van het privé-leven waarop zij zich beroept. Het Hof moet ook kijken naar de argumenten, beweegredenen en doelstellingen die de Poolse regering heeft aangevoerd om het abortusverbod te rechtvaardigen. Uiteindelijk moet het Hof dan beoordelen wat het zwaarste weegt: het belang van mevrouw Tysiac bij keuzevrijheid en bij de mogelijkheid om een in haar ogen beter en aanvaardbaarder leven te leiden, of het door de Poolse regering behartigde belang bij de bescherming van ongeboren leven. Een rechter die geconfronteerd wordt met een beroep op een grondrecht ontkomt er dus niet aan om een belangenafweging te maken. In sommige gevallen, zoals bij [art. 8 EVRM], krijgt het daartoe zelfs de uitdrukkelijke opdracht.” Aan het slot van dit citaat is een noot geplaatst, die als volgt luidt: “Hoewel dit uit het vereiste van een noodzakelijke inbreuk niet direct kan worden afgeleid, heeft het hof de noodzaak van belangenafweging in ieder geval zelf steeds in het EVRM gelezen; zie vooral EHRM 7 juli 1989, Soering/VK, Series A, Vol. 161, § 89; ‘… inherent in the whole of the Convention is a search for a fair balance between the demands of the general interest of the community and the requirements of the protection of the individual’s fundamental rights’ (…).” Ik wijs erop dat art. 8 lid 2 EVRM, waarnaar Gerards hier verwijst, dezelfde beperkingen (met name dat de inbreuk noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving) kent als art. 11 lid 2 EVRM. Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nrs. 2.5.3-2.5.4.

Zie o.a. EHRM 27 oktober 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1027JUD000469611, rov. 84 (“[L]a Cour rappelle que là où il y incitation à l’usage de la violence à l’égard d’un individu, d’un représentant de l’État ou d’une partie de la population, les autorités nationales jouissent d’une marge d’appréciation plus large dans leur examen de la nécessité d’une ingérence dans l’article 11 (Schwabe et M.G. c. Allemagne, nos 8080/08 et 8577/08, § 113, CEDH 2011 (extraits); mutatis mutandis, Giuliani et Gaggio, précité, § 251)”) en EHRM 8 oktober 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:1008JUD007740014, rov. 121.

Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nr. 2.5.5.

Het subonderdeel verwijst (in noot 84 aldaar) naar het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 4.1.4, 6.2.4-6.3.

Het subonderdeel verwijst (in noot 85 aldaar) naar het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 447-448.

Zie het verzoekschrift zijdens het OM, nrs. 8.1-8.7.

Zie het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 411-414:

“411. Conclusie: door verzoeker wordt gesteld dat er tal van bestuurlijke maatregelen zouden zijn getroffen tegen Hells Angels in Nederland om zo de openbare orde te beschermen. Echter nadere bestudering en onderzoek naar aanleiding van hoofdstuk 2 van bijlage 16 levert een ander beeld op.

412. In hoofdstuk 2 “Hells Angels MC Holland” staan in totaal 71 zogenaamde bestuurlijke maatregelen genoemd, die zouden zijn genomen tegen Hells Angels in Nederland in de periode van 2011 tot en met 2018. Althans, zo wordt het gepresenteerd.

413. Verweerder heeft in 27 gevallen vastgesteld dat er geen sprake is geweest van een bestuurlijke maatregel. Zo zijn (bewoners)brieven, (stop)gesprekken, voornemens oplegging last onder dwangsom, het opstellen van een bestuurlijke rapportage, controles en negatieve adviezen, screenings in het kader van de Wet Bibob gepresenteerd als bestuurlijke maatregel, terwijl dit geen bestuurlijke maatregelen zijn in de zin der wet.

414. Het zijn namelijk handelingen die geen juridische rechten of plichten in het leven roepen en derhalve niet vallen binnen de reikwijdte van de definitie van een bestuursrechtelijke maatregel.”

Zie het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 415: “Niet alleen ontbreekt in veel van de paragrafen het bestuursrechtelijke karakter, maar ook de relatie tot Hells Angels. Ook is de vorm van betrokkenheid van Hells Angels onduidelijk. (…) Verzoeker scheert alles over één kam en doet daarmee voorkomen dat alles en iedereen onderdeel is, of gelieerd is aan de Hells Angels of de beweerdelijke informele vereniging HAMC Holland.”

Zie het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 416: “Eveneens valt op dat wanneer er vermoedelijk sprake was van een bestuursrechtelijke maatregel, deze veelal hun grondslag vonden in het ontbreken van een drank- en horecavergunning of handelen in strijd met het bestemmingsplan en dus niet waren opgelegd in het kader van verstoring van de openbare orde, maar in het kader van reguliere handhaving.”

Zie het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nr. 438: “Conclusie: Het is belanghebbende na bestudering van de maatregelen tegen OMG’s en Hells Angels wereldwijd niet duidelijk geworden wat de relevantie is voor onderhavig verzoekschrift en waarom de voorbeelden zijn opgenomen onder de noemer “bestuurlijke maatregelen”. Wederom wordt in dit hoofdstuk geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten motorclubs en/of supportclubs. De informatie bij de voorbeelden is summier en ontbeert context. Er wordt namelijk ook voorbijgegaan aan de verschillende rechtssystemen en tradities waarin de genoemde landen zich onderscheiden. Tenslotte betreffen de bronvermeldingen veelal krantenartikelen of niet traceerbare en /of niet actuele verwijzingen.”

Zie het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nr. 2.8.9: “Zoals ook in het inleidend verzoekschrift van 29 mei 2018 in onderdelen 1.14 e.v., 2.69 en 9.21 e.v. is opgemerkt, voldoet een verbodenverklaring aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tot op de dag van vandaag is zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk tegen de club opgetreden.209 Het bleek echter niet voldoende om de schadelijke werkzaamheid van de club volledig een halt toe te roepen. Inmiddels is ook duidelijk dat het door de rechtbank in eerste aanleg bij beschikking van 29 mei 2019 uitgesproken verbod effect heeft. De Hells Angels zijn immers minder in het straatbeeld te vinden. Gemeenten lijken meer te handhaven op grond van het uitgesproken verbod.210”

[Noot 209 in origineel, A-G:] “Zie ook weer verschillende voorbeelden hiervan in bijlage 26. Zie voor de strafrechtelijke voorbeelden onder meer de recente vonnissen op p. 58 e.v. en p. 82 e.v. en voor bestuursrechtelijke voorbeelden hoofdstuk 16 van de aanvullende bijlage 26.”

[Noot 210 in origineel, A-G:] “Bijlage 26, paragraaf 16.2.2, p. 120 en bijlage 26, paragraaf 16.2.3, p. 120 e.v.”

Zie het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., nrs. 447-448:

“447. Om een vereniging of corporatie te verbieden en te ontbinden, dient bovendien vast te komen staan dat het noodzakelijk moet zijn in het belang van de bescherming van de gezondheid of de openbare orde of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

448. Ook hier heeft verzoeker niet kunnen aantonen dat het verbod noodzakelijk zou zijn voor een democratische samenleving. Verzoeker heeft niet kunnen aantonen dat de integrale aanpak van de overheid op dit moment aan het falen is en dat het daarom van belang is dat dit verbod nu wordt uitgesproken. Dit, in samenhang met het feit dat evenmin is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, is een aanvullende reden om dit verzoek niet in te willigen.” [zonder verwijzing in origineel, A-G]

Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nrs. 2.5.8-2.5.14. Daaraan doet, gezien het voorgaande, niet af hetgeen de Stichting c.s. opmerken in de pleitnotities in cassatie, nrs. 26-28.

Het subonderdeel verwijst (in noot 86 aldaar) naar HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/386, rov. 3.3, HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507 en HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, alsook naar Asser/M.J. Kroeze, De rechtspersoon (2-I*), Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 391 en B. Snijder-Kuipers, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2018, art. 2:20 BW, aant. 5.

Zie over deze bepaling en de verhouding tot art. 2:20 BW o.a. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:593) voor HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR 2020:1789, RvdW 2020/1205, onder 2.2-2.16. Zie verder o.a. HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.2.6 (waar de Hoge Raad - onder verwijzing naar Kamerstukken II 2004/05, 28764, 6, p. 10 - aandacht besteedt aan “de omstandigheid dat met toewijzing van een op de voet van art. 10:122 lid 1 BW gedaan verzoek vaststaat dat het doel of de werkzaamheid van de desbetreffende corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW, waarna deelname in Nederland aan de werkzaamheden van de corporatie strafbaar is”) en rov. 3.4.4 (waar de Hoge Raad overweegt “dat het een andere rechtspersoon - waaronder begrepen de afdeling die zelf als rechtspersoon moet worden aangemerkt - niet vrijstaat om de werkzaamheid van de verboden rechtspersoon voort te zetten”). Weer iets anders is dat wat in art. 10:122 lid 3-4 BW is geregeld, waarover o.a. Asser/X.E. Kramer & H.L.E. Verhagen, Internationaal vermogensrecht (10-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 159.

Zie o.a. A-G Spronken in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:1028) voor HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1946, RvdW 2022/96, onder 8.8 (“Het is dus uiteindelijk aan de strafrechter om te bepalen wat de reikwijdte is van art. 140 lid 2 Sr”) en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:593) voor HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR 2020:1789, RvdW 2020/1205, onder 2.9, 2.45.

Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nrs. 2.6.5-2.6.14, waaraan niet afdoet hetgeen de Stichting c.s. opmerken in de pleitnotities in cassatie, nrs. 56-57.

Zie ook het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nrs. 2.6.16-2.6.20.

Zie daarover het cassatieverweerschrift zijdens het OM, nr. 2.6.2.

Het onderdeel wordt door het OM in het verzoekschrift tot cassatie toegelicht in nrs. 4.4-4.12.

Het subonderdeel verwijst (in noot 10 aldaar) naar rov. 5.56 van de beschikking, en wel aldus: “(“duidelijk is dat zij deze activiteiten uiteindelijk verricht ten dienste van de Hells Angels”, “haar organisatie [is] nauw verweven met de Hells Angels” en “zij [is] onlosmakelijk verbonden met de Hells Angels”.”

Het subonderdeel verwijst (in noot 11 aldaar):

- ten aanzien van de onder (i) genoemde omstandigheid: naar het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 4.6, het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nr. 2.3.38, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020, p. 11 en verder naar genoemd verweerschrift, nrs. 2.3.2, 2.3.20, 2.3.30 en grief 4 van HAM Corporation;

- ten aanzien van de onder (ii) genoemde omstandigheid: naar het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nrs. 2.3.4 (onder verwijzing naar het verzoekschrift zijdens het OM, hoofdstukken 4 en 9, de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nrs. 3.13-3.20, de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nrs. 1.6-1.12, 5.1-5.7, 6.1) en 2.3.38, alsmede het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020, p. 11;

- ten aanzien van de onder (iii), (iv) en (v) genoemde omstandigheid: naar het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nrs. 2.3.4 (onder verwijzing naar het verzoekschrift zijdens het OM, hoofdstukken 4 en 9, de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nrs. 3.13-3.20, de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nrs. 1.6-1.12, 5.1-5.7, 6.1) en 2.3.38, alsmede het verzoekschrift zijdens het OM, nrs. 4.3-4.4, 4.10.

Het subonderdeel verwijst (in noot 12 aldaar) naar rov. 5.26 van de beschikking en voorts naar rov. 2 daarvan.

Het subonderdeel verwijst (in noot 13 aldaar) naar het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nrs. 2.3.14, 2.3.17, 2.3.22, 2.3.28 en het verzoekschrift zijdens het OM, nrs. 7.2, 7.4, 9.13, 9.14.

HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.2.3-3.2.5.

[Noot 3 in origineel, A-G:] “Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3, p. 67.”

[Noot 4 in origineel, A-G:] “Kamerstukken II 2009/10, 32137, nr. 3, p. 67.”

[Noot 5 in origineel, A-G:] “Kamerstukken II 1994/95, 24141, nr. 3, p. 14.”

Zie ook de eerste zin van rov. 3.2.7 van genoemde Hoge Raad-beschikking (“Het hof heeft in rov. 4.10 overwogen dat het erom gaat of BMC Internationaal een wereldwijde, als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredende motorclub is; het heeft daarmee de juiste maatstaf vooropgesteld (zie hiervoor in 3.2.4 en 3.2.5)”), rov. 3.2.8 van deze beschikking (“Het hof heeft - anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt - niet als vereiste gesteld dat een bepaalde mate van hiërarchie of organisatiestructuur moet bestaan, maar heeft aan de hand van omstandigheden die (mede) te maken hebben met hiërarchie en organisatiestructuur - en waarop het OM een beroep heeft gedaan - beoordeeld of voldaan is aan het vereiste van art. 10:122 BW dat het moet gaan om een corporatie (en dus om een als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam of samenwerkingsverband). Aldus heeft het hof niet te hoge of onjuiste eisen gesteld aan het zijn van een corporatie”) en de laatste zin van rov. 3.2.9 van deze beschikking (waar de Hoge Raad verduidelijkt dat waar bovendien het hof overweegt dat om te kunnen aannemen dat een buitenlandse corporatie bestaat, de samengaande groep zich als een ‘zelfstandig subject van rechten’ moet vertonen, het hof “gelet op de context van die overweging kennelijk (en terecht) slechts bedoeld dat contractuele of feitelijke samenwerking tussen (rechts)personen niet voldoende is maar dat sprake moet zijn van een door het recht erkende zelfstandige eenheid”).

Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 67.

Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 14-15.

Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 1, 2.

Staatscommissie IPR, Het internationale rechtspersonenrecht (advies van 30 november 1990), opgenomen in: E.N. Frohn & E. Hennis (red.), Staatscommissie IPR. Geselecteerde adviezen. Naar een afgewogen IPR, ’s-Gravenhage: T.M.C. Asser Instituut 1995, p. 266-267. Dit citaat betreft art. 132 van het voorontwerp van de Staatscommissie IPR, waarvan lid 1 als volgt luidde:

“1. Onder lichamen worden in deze Afdeling verstaan vennootschappen, verenigingen, stichtingen en andere als een zelfstandige eenheid naar buiten optredende samenwerkingsverbanden en corporaties.”

Zie Staatscommissie IPR 1995, p. 265. Om redenen die er hier niet toe doen, is in het wetsvoorstel gekozen voor het begrip ‘corporatie’ in plaats van ‘lichaam’. Zie Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 14.

Zie verder, en in lijn met dit een en ander, o.a.: Asser/Kramer & Verhagen 2022, nrs. 14-17; G. van Solinge, T&C Burgerlijk Wetboek, Deventer: Wolters Kluwer 2022 (actueel t/m 1 januari 2022), art. 10:117 BW, aant. 2; P. Vlas, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 16 juli 2019), art. 10:117 BW, aant. 1; P. Vlas, Rechtspersonen, Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2017, nrs. 2, 4, 127-142, waaronder: “De ‘harde kern’ van de corporaties wordt (…) gevormd door de rechtsvormen van besloten en naamloze vennootschappen (BV en NV) en de daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsfiguren (GmbH, AG, Sàrl, SA, Ltd., Inc., etc.)”; en M.V. Polak, ‘Artikelen 71-76 IPR-schets: corporaties ’, WPNR 1993/6110, p. 757: “Artikel 71 IPR-Schets definieert het begrip "corporaties” (…). Het begrip “corporaties" heeft een zeer ruime reikwijdte. Het bestrijkt in de eerste plaats de private en de publiekrechtelijke rechtspersonen. Voorts dekt het ook de institutionele samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid, zoals - in Nederland - de maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. Vereist is slechts dat de betrokken corporatie "als zelfstandige eenheid of organisatie" naar buiten treedt.”

Waarmee daar dus wordt gedoeld op “een vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en samenwerkingsverband”.

Dus dat HAM Corporation (i) is opgericht door, vanuit en ten dienste van een corporatie, (ii) haar activiteiten uitsluitend verricht ten dienste van die corporatie, (iii) met die corporatie niet alleen nauw, maar zelfs onlosmakelijk is verbonden en (iv) wel zodanig dat haar bestaansrecht komt te vervallen als die corporatie niet langer zou bestaan, waarbij (v) dit lichaam of samenwerkingsverband alleen bestaat bij gratie van die corporatie.

Implicerend dat hier geen sprake is van slechts zo’n zuiver contractuele samenwerking.

Zie ook rov. 2, waar het hof onder meer overweegt dat “HAM Corporation, de organisatie die de merkrechten van de Hells Angels beheert, een vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten [is] die ook zelfstandig naar buiten toe optreedt.”

Daaraan zou zonder meer niet afdoen, in de woorden van het subonderdeel, dat HAM Corporation (i) is opgericht door, vanuit en ten dienste van een corporatie, (ii) haar activiteiten uitsluitend verricht ten dienste van die corporatie, (iii) met die corporatie niet alleen nauw, maar zelfs onlosmakelijk is verbonden en (v) alleen bestaat bij gratie van die corporatie. Hetzelfde geldt voor de stelling aldaar (iv) dat haar bestaansrecht (dus dat van HAM Corporation) komt te vervallen als die corporatie niet langer zou bestaan, wat - indien al juist - hooguit een hypothetische, toekomstige situatie betreft, waarbij nog bedacht dient te worden dat ’s hofs oordeel ten aanzien van HAMC - de wereldwijde organisatie van de Hells Angels (gevormd door alle Hells Angels ter wereld, leden (members) van HAMC), zelf een corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW - niet ook insluit dat deze (buitenlandse) corporatie wordt verboden verklaard en ontbonden in de zin van art. 2:20 lid 1 BW, nu dat oordeel ‘slechts’ neerkomt op bekrachtiging van de verklaring voor recht door de rechtbank in haar beschikking van 29 mei 2019 dat de werkzaamheid van HAMC in strijd is met de openbare orde zoals bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW. Anders dan ten aanzien van HAMC, is door de rechtbank in haar beschikking HAMC Holland (een informele vereniging naar Nederlands recht, dus tevens rechtspersoon) wel verboden verklaard en ontbonden op de voet van art. 2:20 lid 1 BW, welke beslissing het hof in de beschikking ook bekrachtigt. Zie bijv. Asser/Kramer & Verhagen 2022, nrs. 156, 159, die erop wijzen dat art. 10:122 BW de rechtbank Midden-Nederland de mogelijkheid geeft om op verzoek van het OM “de werkzaamheid van een buitenlandse corporatie in Nederland stil te leggen” wegens strijd met de openbare orde zoals bedoeld in art. 2:20 lid 1 BW (de internrechtelijke openbare orde, niet de internationaal-privaatrechtelijke openbare orde), daarbij onderstrepend: “Het gevolg van het afgeven van een verklaring van recht is niet dat een buitenlandse corporatie wordt verboden of ontbonden. Dat kan ook niet, omdat de ontbinding van een buitenlandse corporatie wordt beheerst door het recht dat op deze corporatie van toepassing is (vgl. art. 10:119 sub f BW). Door Nederlands recht beheerste rechtspersonen (niet de overige corporaties) kunnen wel worden verboden en ontbonden, dit op grond van art. 2:20 lid 1 BW.” Zie verder o.a. annotator G. van Solinge in nr. 4 onder HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, waaronder: “Het gevolg van de verklaring voor recht is dat de activiteiten van de corporatie in Nederland worden stilgelegd door onderbewindstelling en vereffening van de in Nederland gelegen goederen van de corporatie. De overeenkomstige toepassing [van art. 2:20 lid 1 BW via art. 10:122 BW, A-G] ziet niet op de mogelijkheid van ontbinding, aangezien de Nederlandse rechter de ontbinding van een buitenlandse corporatie niet kan uitspreken.”

Ik wijs er nog op (i) dat ook in de toelichting op het subonderdeel (zie o.a. het verzoekschrift tot cassatie, nrs. 4.6-4.7) door het OM niet gewezen wordt op enige bron ter ondersteuning van de door het subonderdeel voorgestane opvatting, wat dus niet verbaast, en (ii) dat uit hetgeen door het OM ter toelichting op het subonderdeel is opgemerkt in nr. 4.7 van het verzoekschrift tot cassatie nog niet voortvloeit, anders dan daar aan het slot wordt geponeerd, dat “het betreffende lichaam of samenwerkingsverband [hier dus HAM Corporation, A-G] niet als zelfstandige eenheid naar buiten toe kan optreden, maar dat altijd zal doen onder de noemer van de betreffende corporatie [waarmee hier, wat betreft HAM Corporation, kennelijk wordt gedoeld op HAMC, A-G]”: een dergelijke ‘wetmatigheid’ bestaat m.i. niet. Zie ook hetgeen de Stichting c.s. en HAM Corporation opmerken in het cassatieverweerschrift, nrs. 8-11.

Kennelijk geïnspireerd door HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.2.6, 3.4.3.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nrs. 4.4-4.12 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want gaat evenzeer uit van, althans bouwt voort op, genoemde onjuiste rechtsopvatting.

Bij deze stand van zaken kan ik daar laten of inderdaad in cassatie daarvan uitgegaan dient te worden, zoals de motiveringsklacht in het subonderdeel veronderstelt.

Zie ook noot 236 hiervoor.

Het subonderdeel verwijst (in noot 12 aldaar) naar rov. 5.26 van de beschikking, die betrekking heeft op HAMC Holland. Deze verwijzing komt onjuist voor. Bedoeld zal zijn: rov. 5.10 van de beschikking, waar het hof onder meer vaststelt ten aanzien van HAMC dat “er een organisatorisch verband [bestaat] van alle Hells Angels ter wereld” en dat de charters “een duidelijk gestructureerd geheel vormen op wereldschaal, waarbij alle Hells Angels lid van zijn één en dezelfde club”.

Het onderdeel wordt door het OM in het verzoekschrift tot cassatie toegelicht in nrs. 4.13-4.48.

Het subonderdeel verwijst (in noot 14 aldaar) naar Kamerstukken II 1970/71, 11005 en 11416, 3, p. 8 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.8.

Het subonderdeel verwijst (in noot 15 aldaar) naar het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nr. 2.6.11 en het verzoekschrift zijdens het OM, nrs. 1.2, 7.2.

In noten 16-20 aldaar.

Het subonderdeel verwijst (in noot 21 aldaar) naar rov. 5.59 en 5.50 van de beschikking.

Ik wijs ook erop dat het hof in rov. 5.59 vaststelt dat het OM verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat HAM Corporation feitelijk leiding geeft aan of gelegenheid geeft voor gedragingen van de Hells Angels die daadwerkelijk in strijd zijn met de openbare orde. Zulk feitelijk leiding of gelegenheid geven valt dus ook niet onder die concreet gebleken activiteiten (werkzaamheid) van HAM Corporation.

‘s Hofs oordeel in rov. 5.59 strookt ter zake dus ook met Kamerstukken II 1970/71, 11005 en 11416, 3, p. 8 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:948, NJ 2014/507, rov. 3.8, waarop het subonderdeel wijst in noot 14 aldaar.

Daarbij betrek ik mede de verwijzing in HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.2.6 naar “de omstandigheid dat met toewijzing van een op de voet van art. 10:122 lid 1 BW gedaan verzoek vaststaat dat het doel of de werkzaamheid van de desbetreffende corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW, waarna deelname in Nederland aan de werkzaamheden van de corporatie strafbaar is. In dit verband is van belang dat de in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde vrijheid van vereniging en vrijheid van meningsuiting grondbeginselen zijn van de democratische rechtsstaat, en dat het voor recht verklaren dat het doel of de werkzaamheid van een corporatie in strijd is met de openbare orde als bedoeld in art. 2:20 BW een ernstige inbreuk op deze grondrechten betekent, waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen” [zonder verwijzingen in origineel, A-G]. Zie ook hetgeen de Stichting c.s. en HAM Corporation opmerken in het cassatieverweerschrift, nrs. 19-21.

Wat het hof vooropstelt in rov. 5.58, voorlaatste en laatste zin ziet in het bijzonder op de volgende stellingname van het OM:

- het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nr. 2.6.11: “Subsidiair - voor het geval The Corporation als een zelfstandige buitenlandse corporatie als bedoeld in artikel 10:122 BW zou worden beschouwd - heeft het volgende te gelden. The Corporation stelt dat haar activiteiten ter bescherming van intellectuele eigendomsrechten niet kunnen worden gezien als een overtreding die een verbodenverklaring als bedoeld in artikel 10:122 BW kan rechtvaardigen. Nog daargelaten dat The Corporation niet zelf beslist over haar activiteiten (zie hiervóór onder 2.3.38 e.v.), moet worden opgemerkt dat The Corporation uitsluitend activiteiten verricht die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand moeten houden en moeten faciliteren. Daarmee is haar werkzaamheid per definitie ongeoorloofd, zoals het Openbaar Ministerie ook in zijn inleidende verzoekschrift van 29 mei 2018 heeft uiteengezet” [zonder verwijzing in origineel, A-G];

- het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 1.2: “(…) HAMC en The Corporation zijn organisatorisch en ideologisch zodanig met elkaar verweven dat The Corporation slechts kan bestaan bij de gratie van HAMC. Derhalve strekt een verklaring voor recht dat de werkzaamheid van de buitenlandse corporatie HAMC in strijd is met de openbare orde, zich in de visie van het Openbaar Ministerie ook automatisch uit over The Corporation en vraagt het Openbaar Ministerie uw rechtbank dit te bevestigen in de onderhavige procedure. The Corporation houdt zich in feite slechts bezig met de (commerciële) belangen van HAMC wereldwijd. The Corporation kan dan ook niet anders worden gezien dan als een onderdeel dat faciliterend is aan de werkzaamheid van HAMC en dat geen eigen bestaansrecht heeft bij toewijzing van het verzoek ex art. 10:122 BW jegens HAMC. Bovendien zijn de werkzaamheden van The Corporation, zoals in het hiernavolgende nog nader uiteen zal worden gezet, ook zelfstandig aan te merken als strijdig met de openbare orde. Zo beheert zij de beeldmerken van HAMC waarmee - kort gezegd - geweld wordt verheerlijkt en het zijn van een ‘1% Motorcycle Club’ actief wordt uitgedragen. (…)”; nr. 7.2: “Zoals in het voorgaande onder 6.5 is opgemerkt, dient de werkzaamheid van The Corporation in samenhang met de werkzaamheid van HAMC te worden beschouwd. The Corporation is een vehikel dat door HAMC in het leven is geroepen met als enige taak om de (commerciële) belangen van HAMC te behartigen. Nu in het vorige hoofdstuk uitvoerig is toegelicht dat en waarom de werkzaamheid van HAMC in strijd is met de openbare orde, kan de werkzaamheid van The Corporation niet anders worden gezien. The Corporation verricht namelijk uitsluitend activiteiten die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand moet houden en moet faciliteren. Daarmee is haar werkzaamheid per definitie ongeoorloofd.”

Het subonderdeel verwijst (in noot 17 aldaar) naar:

- het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 7.3: “Rechtbank Leeuwarden stelde bij vonnis van 6 maart 2007 in de procedure tegen rechtspersonen gelieerd aan het Hells Angels-charter Harlingen over de samenhang tussen HAMC en The Corporation het volgende vast: “Onder de naam "Hells Angels" is in 1948 in San Bernardino, Californië, Verenigde Staten, een motorclub opgericht. Inmiddels hebben vele tientallen motorclubs, overal ter wereld, zich daarbij aangesloten onder doorgaans dezelfde naam "Hells Angels". Er is sprake van een samenhang in het uiterlijk vertoon van de Hells Angels. Tot het logo en al wat daarbij hoort is de Hells Angels Motorcycle Corporation in Californië de enig rechthebbende en iedereen die dat wil gebruiken moet een licentie hebben. Er zijn voorgeschreven "colors" en "patches", waarvan het dragen aan bepaalde voorwaarden gebonden is en die (aldus de Harlinger rechtspersonen zelf) eigendom zijn en blijven van de Hells Angels Motorcycle Corporation in Californië. Individuele "members" van de Hells Angels en dus ook de bij de Harlinger rechtspersonen aangesloten personen worden beschouwd als sublicentiehouders van die patches e.d.”;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020, p. 25, 27-29, waar de vragen van het hof en de antwoorden van [betrokkene 9] (bestuurder van HAM Corporation) en diens advocaten zijn weergegeven;

- de aan genoemd proces-verbaal gehechte verklaring van [betrokkene 9];

- de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nr. 10.5: “Uit de licenties die de Corporation zelf heeft overgelegd als bijlagen (en ook uit licenties aangetroffen bij de Nederlandse Hells Angels) blijkt dat de Corporation zich goed op de hoogte laat houden door de gebruikers van de beeldmerken, het recht heeft een kwaliteitscontrole voor verkoop uit te voeren en een ruime bevoegdheid heeft om in te grijpen als gebruik niet plaatsvindt volgens de door de Corporation gewenste standaarden. De Corporation kan zich daarom niet verschuilen achter een licentiehouder waar met geweld wordt gedreigd om de beeldmerken van de Corporation te beschermen” [zonder verwijzingen naar een addendum, A-G].

Het laatste citaat is, zo blijkt uit de pleitaantekeningen (zie nr. 10.4), onderdeel van de reactie van het OM op de stelling van HAM Corporation dat zij geen betrokkenheid heeft bij het bedrijf The Big Red Machine dat Hells Angels-merchandise verkoopt (verweerschrift in eerste aanleg zijdens HAM Corporation, nr. 106).

In de zin van de kennelijke bedoeling van HAM Corporation. Zie bijv. het door het OM gestelde in het verzoekschrift tot cassatie, nrs. 4.26 (“(…) is ook haar kennelijk bedoeling en zelfs precies wat zij beoogt”) en 4.28 (“Dat de kennelijke bedoeling van HAM Corporation is het faciliteren, bewerkstelligen en (mede) aansturen van de in strijd met de openbare orde bevonden gedragingen en werkzaamheid van de Hells Angels en HAMC”, etc.).

Het subonderdeel verwijst (in noot 18 aldaar) naar:

- de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nrs. 10.2-10.3:

“10.2 In de eerste plaats stellen wij vast dat de Corporation ten gronde op de hoogte is van het al decennia lang structurele criminele gedrag van Hells Angels MC en zijn leden. De Corporation wordt namelijk, net als alle nationale afdelingen, vertegenwoordigd op de internationale clubvergaderingen, waar steeds opnieuw wordt gesproken over massale arrestaties en rechtszaken in vele landen waarin de Hells Angels als criminele organisatie worden aangemerkt. In al die vergaderingen wordt steeds opnieuw besproken hoe de club weerstand kan bieden tegen de procedures, en nooit hoe de club nu eens een einde kan maken aan de criminaliteit die aanleiding is voor alle procedures in al die verschillende landen. Daarnaast is de Corporation betrokken geweest bij verschillende rechtszaken waarin het structurele criminele karakter van de Hells Angels uitvoerig ter sprake is gekomen. Een Canadese rechter heeft eerder dan ook al terecht vastgesteld dat de Corporation geen onschuldige derde is en heel goed weet dat de Hells Angels zich bezig houden met criminaliteit en daarbij de beeldmerken van Hells Angels gebruiken.10.3 Ondanks die kennis zet de Corporation zich op verschillende manieren in om de activiteiten van Hells Angels MC en zijn leden op tal van manieren te faciliteren en te bevorderen. Dat doet de Corporation in ieder geval door:

- Zich op te werpen als eigenaar van clubgerelateerde persoonlijke gebruiksvoorwerpen van clubleden om strafvorderlijk beslag daarop te voorkomen of beëindigen.

- Te procederen tegen inreisbeperkingen opgelegd aan clubleden.

- Afgeschermde interne communicatie van de club te faciliteren.

- De verschillende websites en beeldmerken van de club te beschermen.

- Voor de club de voorwaarden te bewaken waaronder leden kalenders, boeken en andere uitingen mogen produceren of aan zulke uitingen mogen meewerken.

- Een clublijn van geweld verheerlijkende en stimulerende ‘support gear’ te faciliteren, waarvoor door de Corporation beschermde beeldmerken worden gebruikt”

[zonder verwijzingen in origineel, A-G];

- het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nrs. 2.6.13: “The Corporation doet het voorkomen dat zij van niets weet en dat van haar niet meer mag worden verwacht dan het opnemen van een verbod op het gebruik van de handelsmerken in verband met een criminele activiteit in de charter licentieovereenkomst en lidmaatschapsovereenkomst. Dit komt ronduit ongeloofwaardig over, aangezien het voor The Corporation evident moet zijn dat de door haar beschermde handelsmerken veelvuldig worden ingezet bij het plegen van strafbare feiten door leden van Hells Angels. Haar bestuursleden zijn immers leden van de Hells Angels in de Verenigde Staten. Bovendien kan The Corporation haar stelling niet met goed fatsoen volhouden in het licht van de veelheid aan informatie die het Openbaar Ministerie in deze procedure heeft voorgelegd. De vraag kan dan ook worden gesteld of en zo ja, welke acties The Corporation tegen het gebruik van haar handelsmerken bij criminele activiteiten onderneemt. Van enige dergelijke actie is het Openbaar Ministerie in ieder geval niet gebleken.” Evenmin valt zodanige stelling te lezen in de andere passages in dit verweerschrift die de klacht noemt (nrs. 2.3.2, 2.3.19-2.3.20, 2.3.30).

Zo komt mij niet onjuist voor ’s hofs oordeel in rov. 5.59 dat de omstandigheid dat de clubnaam en andere uiterlijke kenmerken bijdragen aan het gewelddadige imago van de Hells Angels, welk imago wordt gebruikt om buitenstaanders te intimideren en geweld uitlokt van rivaliserende groeperingen, niet betekent “dat het in stand houden van deze kenmerken zelf” (dus: de concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation als zodanig) een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormt van de grondbeginselen van ons rechtsstelsel en onze samenleving ontwricht of kan ontwrichten. Hetzelfde geldt voor ’s hofs oordeel in rov. 5.59 dat uit deze omstandigheid (“Ook volgt daar niet uit”, etc.) niet volgt dat een verbod op deze activiteit - naast een verbod van (de activiteiten van) de Hells Angels zelf - noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, openbare orde of rechten en vrijheden van anderen, alsmede dat dat ook geldt voor het beschermen van herkenningstekens zoals de Filthy few-patch en de Dequiallo-patch, ook al neemt het hof de gewelddadige betekenis ervan aan. Wat het hof overweegt in rov. 5.59 (te lezen dus ook in het licht van rov. 5.53-5.58) sluit in dat het hof, niet onbegrijpelijk, onder die concreet gebleken activiteiten van HAM Corporation niet ook schaart dat zij (daarmee) zelf daadwerkelijk geweld verheerlijkt en propageert.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nrs. 4.18-4.34 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want behelst in essentie een herhaling van zetten.

Zie bijv. noten 245 en 252 hiervoor.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nrs. 4.35-4.36 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want ook dit behelst in essentie een herhaling van zetten.

Het subonderdeel verwijst (in noot 22 aldaar) naar het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nr. 2.6.11 en het verzoekschrift zijdens het OM, nrs. 1.2, 7.2.

Het subonderdeel verwijst (in noot 23 aldaar) naar rov. 5.59 van de beschikking.

Het subonderdeel verwijst (in noot 24 aldaar) naar de in subonderdeel 3.2 genoemde “stellingen van het OM omtrent het bewerkstelligen, faciliteren en (mede) aansturen door HAM Corporation”.

Het subonderdeel verwijst (in noot 25 aldaar) naar het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 2.35 en de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nr. 4.5.

Ik lees dit aldus dat het hof daarmee doelt op de onder 3.51 hiervoor onder (1)(b) bedoelde en aan HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6 ontleende toerekeningsvariant in het kader van art. 2:20 lid 1 BW (in verbinding met art. 10:122 BW) toegepast op de onderhavige constellatie, waaraan reeds niet is voldaan nu het vereiste feitelijk gelegenheid bieden in de zin van die variant door het OM niet aannemelijk is gemaakt. Zie daarover bijv. ook rov. 5.29 van de beschikking (“Wanneer de rechtspersoon bij gedragingen van derden (…) zelf niet rechtstreeks betrokken is in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven”, etc.) en annotator P. van Schilfgaarde in nr. 4 onder HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396 over het in rov. 3.6 aldaar door de Hoge Raad geformuleerde “criterium de ‘rechtstreekse betrokkenheid’ van de rechtspersoon bij de gewraakte gedragingen ‘in die zin dat het bestuur daaraan leiding heeft gegeven of daartoe doelbewust gelegenheid heeft gegeven’.”

Zie in het subonderdeel onder (i) t/m (iv).

Zie noot 258 hiervoor.

In de zin van de onder 3.51 hiervoor onder (1)(b) bedoelde en aan HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1124, NJ 2009/396, rov. 3.6 ontleende toerekeningsvariant in het kader van art. 2:20 lid 1 BW (in verbinding met art. 10:122 BW) toegepast op de onderhavige constellatie. Zie ook noot 260 hiervoor. Zonder zo’n rechtstreekse betrokkenheid via zulk feitelijk gelegenheid geven, wordt niet toegekomen aan de vervolgvraag of zulk feitelijk gelegenheid geven ook doelbewust plaatsvond.

Die (vast)stellingen behelzen bijv. niet dat HAM Corporation op gerichte wijze die gedragingen wat betreft daarvoor benodigde logistiek en/of financiering mogelijk maakt.

Dit wordt niet anders door de toelichting zijdens het OM in het verzoekschrift tot cassatie, nrs. 4.42-4.44. De concluderende stelling in nr. 4.43 aldaar “dat de exclusiviteit van de uiterlijke kenmerken van de Hells Angels, waarvoor HAM Corporation zorgdraagt, een belangrijke factor is - en dus (mede) de gelegenheid geeft - voor de gewelddadige gedragingen van de Hells Angels, de cultuur van geweld binnen de Hells Angels en de rivaliteit met andere motorclubs”, doet m.i. onvoldoende recht aan hetgeen het hof daadwerkelijk oordeelt in de beschikking, waaronder rov. 5.59, en komt overigens neer op een doelredenering die het vereiste feitelijk gelegenheid geven hier te veel oprekt en daarmee denatureert.

Zie ook noot 260 hiervoor.

Zie ook noot 265 hiervoor.

Het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 2.35 luidt aldus:

“2.35 Het OM stelt zich in onderhavige zaak op het standpunt dat de gedragingen genoemd in het verzoekschrift en de bijlagen moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de werkzaamheid van de in dit verzoekschrift aangesproken rechtspersonen, omdat 1) het (feitelijk) bestuur van de rechtspersonen leiding geeft en doelbewust gelegenheid geeft tot het structureel ondernemen van gedragingen in strijd met de openbare orde én 2) de subcultuur en inrichting van de rechtspersonen moeten worden aangemerkt als bijzondere feiten en omstandigheden die ertoe leiden dat gedragingen in strijd met de openbare orde door (bestuurs)leden aan de rechtspersonen moeten worden toegerekend (zie ook alinea 9.12).”

Deze “alinea 9.12” (het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 9.12) waarnaar hier onder (2) wordt verwezen, is onderdeel van nrs. 9.6-9.12 onder het opschrift “Werkzaamheid van Hells Angels MC” en staat in de sleutel van zo’n toerekening van zulke gedragingen op basis van “bijzondere feiten en omstandigheden” aan “HAMC”, waarbij in de voorlaatste en laatste zin nog het volgende wordt opgemerkt, terugverwijzend naar het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 2.35, specifiek onder (1) aldaar:

“9.12 (…) Nogmaals (zie ook alinea 2.35) benadrukt verzoeker dat een (de facto) verbod in deze reeds moet worden opgelegd vanwege het feit dat het (feitelijk) bestuur van de in dit verzoekschrift aangesproken rechtspersonen leiding geeft en doelbewust gelegenheid geeft tot het structureel ondernemen van gedragingen in strijd met de openbare orde. De vaststelling van de ‘bijzondere feiten en omstandigheden’ is dus geen vereiste om te komen tot een (de facto) verbod.”

Eerst daarop volgt het opschrift “De werkzaamheid van Hells Angels Motorcycle Corporation”, dat betrekking heeft op nrs. 9.13-9.15, die ik ook citeer:

“9.13 In dit verzoekschrift is uiteengezet dat The Corporation (ook qua werkzaamheid) zodanig nauw verweven met HAMC is dat zij daarvan niet los kan worden gezien. Het is ook om die reden dat het Openbaar Ministerie primair heeft betoogd dat aan een afzonderlijke beoordeling van de werkzaamheid van The Corporation niet hoeft te worden toegekomen. Indien de werkzaamheid van HAMC in strijd met de openbare orde wordt geoordeeld als bedoeld in art. 2:20 BW, dan geldt dat automatisch ook voor The Corporation.9.14. Zou toch aan een afzonderlijke beoordeling van de werkzaamheid van The Corporation worden toegekomen, dan kan de werkzaamheid van The Corporation niet geïsoleerd van de werkzaamheid van HAMC worden gezien. Nu The Corporation uitsluitend activiteiten verricht die de verboden werkzaamheid van HAMC in stand moet houden en moet faciliteren, is haar werkzaamheid per definitie ook ongeoorloofd.

9.15 Voorts heeft het Openbaar Ministerie in hoofdstuk 7 gemotiveerd uiteengezet dat The Corporation actief bijdraagt aan de subcultuur van wetteloosheid en geweld van HAMC door het beschermen van beeldmerken die geweld tegen anderen verheerlijken en promoten. Zij stimuleert geweld en maakt daardoor met haar werkzaamheden ook zelfstandig een structurele inbreuk op de rechtsorde.”

Ik lees hierin geen stelling van het OM die ertoe strekt dat, indien het hof toekomt aan het subsidiaire verzoek van het OM ten aanzien van HAM Corporation als zelfstandige corporatie in de zin van art. 10:117, aanhef en onder a BW (wat het hof dus doet, zie rov. 5.58-5.59), (ook) bijzondere feiten en omstandigheden grond geven voor toerekening aan HAM Corporation van de gedragingen van de Hells Angels die in strijd zijn met de openbare orde. Zo’n stelling komt evenmin naar voren in dat hoofdstuk 7 van het verzoekschrift zijdens het OM, het subonderdeel verwijst daarnaar ook niet.

Ik wijs overigens erop dat het hof in rov. 5.54 vaststelt (in cassatie onbestreden) dat “[b]ij statutenwijziging in 2008 is bepaald dat HAM Corporation geen leden heeft”, terwijl het verzoekschrift zijdens het OM, nr. 2.35 erop is gericht dat “de subcultuur en inrichting van de rechtspersonen moeten worden aangemerkt als bijzondere feiten en omstandigheden die ertoe leiden dat gedragingen in strijd met de openbare orde door (bestuurs)leden aan de rechtspersonen moeten worden toegerekend”, waarover hiervoor.

De pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nr. 4.5 luidt aldus:

“4.5 Een derde wijze van toerekening betreft het doen en laten van derden dat op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aan een rechtspersoon toegerekend kan worden. In het geval van Hells Angels MC, bijvoorbeeld, vormt de gewelddadige, criminaliteit stimulerende clubcultuur zo’n bijzondere omstandigheid. Deze clubcultuur is zo evident van invloed op de door individuele leden gepleegde misdrijven dat die misdrijven aan de club kunnen worden toegerekend - ook als er geen sprake is van concrete betrokkenheid van bestuursleden.”

Deze passage heeft dus alleen betrekking op “Hells Angels MC”, oftewel HAMC. Dat geldt overigens voor alle passages onder het opschrift “Toerekening” in nrs. 4.1-4.11, waarvan dat nr. 4.5 dus ook deel uitmaakt; deze draaien om “Hells Angels MC”, HAM Corporation komt daarin niet voor.

Zie de vorige noot.

Daaraan ziet ook nr. 4.46 van het verzoekschrift tot cassatie voorbij.

Zie ook nr. 4.47 van het verzoekschrift tot cassatie.

Het onderdeel wordt door het OM in het verzoekschrift tot cassatie toegelicht in nrs. 6.1-6.31.

Het subonderdeel verwijst (in noot 77 aldaar) naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020, p. 32-35 en de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nrs. 7.7, 7.9, 7.10, 7.12, alsmede naar “p. 1-2 van bijlage 8 IEHA, overgelegd op 31 augustus 2020 en bijlage 26 bij het verweerschrift in hoger beroep, aanvulling hoger beroep, p. 28 (onder 2.1.15)”.

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.10.

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.7.

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.7, verwijzend (in noot 68 aldaar) naar “Handelsregisterwet 2007, art. 30 lid 1.”

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.9, verwijzend (in noot 69 aldaar) naar “artikel 2:285 lid 1 BW”.

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.9, verwijzend (in noot 70 aldaar) naar “Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17 476, nrs. 1-3, p. 4 (“Wanneer de rechter evenwel vaststelt, dat de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, mag hij de verbodenverklaring en ontbinding niet achterwege laten.”)” en naar “Rechtbank Maastricht 29 mei 2007 (ECLI:NL:RBMAA:2007:BA5843), r.o. 4.1.1”.

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.10.

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.10.

Zie de pleitaantekeningen zijdens het OM d.d. 13 maart 2019, nr. 7.12, verwijzend (in noot 72 aldaar) naar “para. 10 en hoofdstuk V” van het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s. en (in noten 73-75 aldaar) naar “bijlage 17”, p. 73-75.

Dus:

“5.1 (…) de gemotiveerde en onderbouwde stelling van het OM dat de charters Westport en Nijmegen niet samenvallen met de formele verenigingen die in het Handelsregister zijn ingeschreven en met deze charters kunnen worden geassocieerd, net zo min als dat het geval is ten aanzien van de andere formele verenigingen die met bepaalde charters kunnen worden geassocieerd, nu al deze formele verenigingen alleen zijn opgericht voor het verrichten van bepaalde rechtshandelingen en dus niet samenvallen met de charters.”

In die repliek van de Stichting c.s. valt ter zake op p. 38 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020 nog het volgende te lezen:

“Mr. Van Es:

(…)

Dan kom ik op het punt over de charters en hun rechtspersoonlijkheid. In paragraaf 38 en 57 van de pleitnota stelt het OM dat HAMC Holland enkel rechtspersoonlijkheid heeft en de charters niet. Ik vind dat interessant. Ik wil daar graag vijf opmerkingen over maken. Ten eerste heeft het OM zelf al onderkend dat de charters bestaan en rechtspersoonlijkheid bezitten. Zie onder andere bijlage 2, maar ook het verzoekschrift én niet te vergeten de procedures die al in 2006, 2007, 2008 en 2009 gevoerd zijn. Daar schrijven ze de verschillende charters zelf aan. Voorzitter, u begon er net zelf al over, de uitspraak in de Bandidos zaak. Ik zal dat niet herhalen. Juist om die reden hebben we ook een aantal KvK-uittreksels ingebracht in deze procedure. Niet geheel onbelangrijk, het OM heeft het net zelf al aangegeven, toen ze zei: “charter Haarlem is destijds in het onderzoek Toren veroordeeld”. U kunt het nakijken. dat is een stichting. Dat vind ik tegenstrijdig met wat zij vandaag naar voren brengt. Als dit geen formele rechtspersoon zou zijn, kan ik niet volgen waarom het OM deze stichting dan destijds heeft vervolgd. Tenslotte, franchisegevers bepalen ook in vergaande mate de uiterlijke vormgeving van kleding en locaties. Neem bijvoorbeeld HEMA, McDonald’s en de Albert Heijn, die hebben over de hele wereld misschien wel dezelfde kleding en dezelfde inrichting. De franchise overeenkomst verplicht daar meestal toe. Dat maakt niet dat de franchisenemer geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft. Sterker nog, het is volstrekt helder in ons rechtsstel dat de franchisegevers en franchisenemers zelfstandige rechtspersoonlijkheid bezitten en niet vereenzelvigd kunnen worden. Dan wil ik u ook nog even wijzen op de pleitnota van het OM van 6 maart 2019 in eerste aanleg onder punt 1.2, waarin het OM het volgende stelt: “de keuze om Hells Angels MC en daarnaast de Nederlandse afdeling ervan aan te spreken maakt deze procedure wezenlijk anders dan de verbodsprocedures tegen stichtingen en verenigingen van de Hells Angels die ruim 10 jaar geleden werden gevoerd. Nu wordt er een verbod gevraagd van de relevante rechtspersonen zelf. Niet van de stichtingen of lokale verenigingen die door de rechtspersoon zijn opgezet”. Nogmaals, het OM heeft dit al meerdere malen erkend.(…)Mr. Knoops:Ik zal heel kort zijn meneer de voorzitter. Eén opmerking voor ik zal ingaan op het bewijs. Deze is dat een onderscheid tussen rechtspersonen die louter voor het verrichten van formele rechtshandelingen zouden zijn opgericht en andere rechtspersonen niet wordt gemaakt door de Hoge Raad in de Bandidos-beschikking. Ik verwijs daarvoor naar rov. 3.4.3, waar de Hoge Raad zegt: “als een vereniging wordt verboden ex art. 2:20 BW, dan strekt het verbod zich niet uit tot de afdelingen van de vereniging die zelf als rechtspersoon moet worden aangemerkt”. De Hoge Raad maakt geen differentiatie in de zin zoals het OM dat vraagt. (…)”

Ik lees geen reactie hierop zijdens het OM in de tweede termijn, zie p. 41-42 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020.

Ik lees dat ook niet in “een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA2761, onder andere rov. 4.2, bevestigd door het hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9212”, welke uitspraken betrekking hebben op een procedure op de voet van art. 2:20 lid 1 BW tussen het OM en de Stichting Hells Angels Amsterdam (de rechtspersoon die het OM daar op de korrel heeft).

Zie noot 282 hiervoor.

Ik zie in de andere vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waarop het subonderdeel beroep doet, waarover hiervoor, geen kenbare verwijzing naar deze bijlagen staan.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nrs. 6.2-6.8 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want behelst in essentie, althans voor zover het aansluit op hetgeen door het OM in genoemde vindplaatsen in de gedingstukken daadwerkelijk naar voren is gebracht, een herhaling van zetten.

Specifiek HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.6.2.

Voor zover het OM in nr. 6.8 van het verzoekschrift tot cassatie uitgaat van een andere uitleg van de beschikking, is deze uitleg m.i. onjuist en ontbeert deze dus feitelijke grondslag. Zie ook hetgeen de Stichting c.s. en HAM Corporation opmerken in nr. 40 van het cassatieverweerschrift.

Het subonderdeel verwijst (in noot 78 aldaar) naar rov. 5.6, 5.10, 5.17 van de beschikking en rov. 4.7 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019, naar de pleitnota's van het OM tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 7 oktober 2020, nrs. 37-57, tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 maart 2019, nr. 7.1 en tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 6 maart 2019, nrs. 3.28-3.29, alsmede naar het verweerschrift in hoger beroep zijdens het OM, nrs. 2.2.46, 2.4.39.

Het subonderdeel verwijst (in noot 79 aldaar) naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nr. 3.28.

Het gaat dan over “de strakke internationale regels”, die “zien op de identiteit en alles wat het lokale niveau overstijgt”.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nrs. 6.14-6.23 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want behelst in essentie een herhaling van zetten.

Het subonderdeel verwijst (in noot 80 aldaar) naar de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nrs. 3.27-3.29 en de pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens het OM d.d. 7 oktober 2020, nrs. 38-41, 45-46, 50.

Zie de pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens het OM d.d. 7 oktober 2020, nr. 45.

Dat het hof wat betreft genoemde vraag in rov. 5.66 deze stellingname van het OM betrekt (en verwerpt) acht ik niet onbegrijpelijk, nu het OM daar aldus deze vraag aansnijdt. Ik lees in de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nrs. 3.27-3.29 niet dat het OM dit daar ook doet (wel verwijst het OM daar zelf, in nr. 3.29, naar “de leden van een charter”). In de pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens het OM d.d. 7 oktober 2020 gaat het OM: in nrs. 38-39 in op de vraag of “de charters van HAMC Holland” een eigenstandige, bestendige organisatie hebben; in nrs. 40-41 in op de vraag of deze charters een eigen bestuur hebben en de vraag ten behoeve van welk zelfstandig lichaam de coördinerende taken waarvan sprake is, plaatsvinden; in nr. 46 in op de vraag of deze charters eigen vergaderingen hebben; en in nr. 50 in op de vraag of deze charters eigen (lokale) onderscheidingstekens op de kleding hebben en zich naar buiten toe als zelfstandige (lokale) eenheid presenteren.

Zie de pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens het OM d.d. 7 oktober 2020, nr. 46.

Dat het hof wat betreft genoemde vraag in rov. 5.66 deze stellingname van het OM betrekt (en verwerpt) acht ik niet onbegrijpelijk, nu het OM daar aldus deze vraag aansnijdt. Ik lees in de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nrs. 3.27-3.29 niet dat het OM dit daar ook doet. Zie verder noot 296 hiervoor.

Zie de pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens het OM d.d. 7 oktober 2020, nrs. 40-41.

Dat het hof wat betreft genoemde vraag in rov. 5.66 deze stellingname van het OM betrekt (en verwerpt) acht ik niet onbegrijpelijk, nu het OM daar aldus deze vraag aansnijdt. Ik lees in de pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens het OM d.d. 6 maart 2019, nrs. 3.27-3.29 niet dat het OM dit daar ook doet, ook niet in nr. 3.27 waar het OM in andere zin ingaat op “[d]e rol van het bestuur”. Zie verder noot 296 hiervoor.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nrs. 6.24 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want behelst in essentie, althans voor zover het aansluit op hetgeen door het OM in genoemde vindplaatsen in de gedingstukken daadwerkelijk naar voren is gebracht, een herhaling van zetten.

Zie HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.6.2 (“(…) dat het in overwegende mate onafhankelijk functioneren van de afdeling ten opzichte van de vereniging niet geldt als een vereiste voor rechtspersoonlijkheid”).

Zie HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.4.1, waaruit ook volgt, naar het hof ook memoreert in rov. 5.15, dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bestaan van een informele vereniging niet te zware eisen moeten worden gesteld. Zie ook annotator G. van Solinge in nr. 11 onder eerstgenoemde beschikking, waaronder: “Wat opvalt is dat de Hoge Raad een ruime interpretatie van het begrip informele vereniging hanteert. Dat is goed te billijken aangezien de informele vereniging een restbegrip is in het gesloten stelsel van rechtspersonen.”

Het subonderdeel verwijst (in noot 81 aldaar) naar rov. 5.6, 5.10, 5.11, 5.17, 5.66 van de beschikking, alsmede naar vindplaatsen in de gedingstukken.

In nr. 6.27 van het verzoekschrift tot cassatie wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat het hof lijkt uit te gaan van de juistheid van de daar bedoelde stellingname van het OM, daarbij het geciteerde deel van ’s hofs vaststelling negerend en (via cursivering) de nadruk leggend op alleen de woorden vanaf “en daarmee”, etc., waarbij nog zij benadrukt dat het hof daar niet rept van “een Hells Angels van HAMC Holland”, maar van “een Hells Angel” gevolgd door een punt.

Ik kan daarlaten of deze stelling van het OM daadwerkelijk te lezen valt in de gedingstukken in feitelijke instanties waarnaar het subonderdeel verwijst.

Zie de vorige noot.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nrs. 6.25-6.29 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want behelst in essentie, althans voor zover het aansluit op hetgeen door het OM in genoemde vindplaatsen in de gedingstukken daadwerkelijk naar voren is gebracht, een herhaling van zetten.

Dat is niet helemaal duidelijk. Het subonderdeel verwijst generiek naar “de in het voorgaande genoemde, door het hof niet (gemotiveerd) verworpen, stellingen van het OM en eigen vaststellingen van het hof”. In nr. 6.30 van het verzoekschrift tot cassatie wordt gewezen op “Zie onderdeel C2, onder 5.4-5.6”. Voor de behandeling van het subonderdeel maakt dit niet uit, dit faalt hoe dan ook.

Zie ook nr. 6.30 van het verzoekschrift tot cassatie (“In dat licht bezien, is het oordeel van het hof dat de overige Nederlandse charters kunnen worden aangemerkt als zelfstandige lichamen die als zodanig naar buiten toe optreden, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd”, etc.).

Wat nog weer meer omvattend is dan onder 4.28-4.33 hiervoor aan de orde is gekomen naar aanleiding van de subonderdelen 5.3 t/m 5.5.

Waarin het hof ingaat op HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:797, NJ 2022/100, rov. 3.4.1, 3.6.2, waarin de Hoge Raad ingaat op de vraag wanneer het bestaan van een informele vereniging naar Nederlands aangenomen kan worden.

Zie ook rov. 5.67 van de beschikking, openend met “Gelet op dit alles”, etc.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nr. 6.30 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, zie ook noten 309-310 hiervoor.

Wat zijdens het OM ter toelichting nog is opgemerkt in nr. 6.31 van het verzoekschrift tot cassatie maakt het voorgaande niet anders, want behelst in essentie een herhaling van zetten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature