< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG. Het middel van de verdachte heeft betrekking op de duur van de gijzeling die door het hof aan de twee opgelegde schadevergoedingsmaatregelen is verbonden en slaagt, nu het hof de totale duur ervan heeft bepaald op 365 dagen in plaats van het op dat moment toegestane maximum van 360 dagen. Het middel van de benadeelde partij betreft de afwijzing van de gevorderde vergoeding vanwege immateriële schade als gevolg van aantasting in de persoon 'op andere wijze' en faalt. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak, tot bepaling dat de gijzeling (in totaal) 360 dagen bedraagt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/00569

Zitting 29 maart 2022

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

I. Inleiding

Bij arrest van 1 februari 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2019 vernietigd ten aanzien van (i) de verbeurdverklaring van bij nummer genoemde voorwerpen, (ii) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij van [benadeelde 1] en (iii) de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Voor het overige heeft het hof het vonnis waarvan beroep bevestigd. De verdachte is bij dat vonnis van 15 februari 2019 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens 1. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 2. “eenvoudig witwassen”, 3. en 6. (telkens) “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en 4. en 5. (telkens) “de eendaadse samenloop van: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen”. Ook heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen en de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof twee schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd en daarbij de duur van de gijzeling bepaald op respectievelijk 304 dagen en 61 dagen.

Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld. Mr. Kuijper heeft namens de verdachte in reactie op het middel van de benadeelde partij een verweerschrift ingediend.

II. De overwegingen en beslissingen van het hof voor zover hier relevant

3. De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich ieder afzonderlijk ter zake van het onder 1 tenlastegelegde in het strafproces gevoegd. Om te bevorderen dat de verdachte de schade vergoedt die hij rechtstreeks aan hen heeft toegebracht, heeft het hof ten behoeve van hen de maatregel van art. 36f Sr opgelegd. Beide schadevergoedingsmaatregelen zijn derhalve te koppelen aan het onder 1 tenlastegelegde feit. Bewezenverklaard is dat dit feit is begaan op 7 juli 2018. De relevantie van deze datum zal in de randnummers 11-13 van deze conclusie blijken.

4. Het hof heeft met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , de schadevergoedingsmaatregelen en het dwangmiddel van gijzeling onder meer het volgende overwogen en beslist:

“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich ter zake van het onder 1 tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 321.080,00, bestaande uit een bedrag van € 319.080,00 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast was gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten, bestaande uit de kosten voor rechtsbijstand van € 15.242,00 (conform tarief VIII van het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep ter zake van materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 319.080,00. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte tot een bedrag van € 4.804,00 veroordeeld in de proceskosten.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd, maar haar vordering verlaagd tot een bedrag van € 60.080,00, thans bestaande uit een bedrag van € 58.080,00 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft zij opnieuw gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten, bestaande uit de kosten voor rechtsbijstand aan de hand van het geldende Liquitatietarief.

[…]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de benadeelde partij geleden schade niet eenvoudig is vast te stellen, daartoe onder meer stellende dat niet van elk sieraad de waarde bekend is, en dat ten aanzien van de kosten van de rechtsbijstand aansluiting gezocht moet worden bij het genoemde Liquidatietarief en één punt per instantie dient te worden toegekend.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

[…]

Immateriële schade

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft aan het tot compensatie van immateriële schade strekkende deel van de vordering - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat de benadeelde partij ten gevolge van de woninginbraak gevoelens van angst en machteloosheid heeft ervaren. Ook het feit dat er sieraden zijn weggenomen die haar herinneren aan wijlen haar ex-echtgenoot, heeft grote impact op de benadeelde partij. Gelet op de media-aandacht die deze strafzaak heeft gegenereerd, heeft zij er echter voor gekozen om haar psychisch lijden niet nader te onderbouwen.

Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het eerste lid van dat artikel luidt, voor zover hier van belang:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(...)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”

Nu in deze zaak geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in eer en goede naam, is de vraag die door de stellingen van de benadeelde partij rijst, of zij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van genoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.

Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Meer specifiek geldt verder dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp - naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge artikel 6:95 en 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt - ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert (vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).

Gelet op dit juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld - hoe invoelbaar haar gevoelens ook zijn - ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ in even bedoelde zin. Zo heeft zij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Daarnaast doet zich hier niet een situatie voor waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat er in deze zaak geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor vergoeding van immateriële schade. Het hierop betrekking hebbende deel van de vordering moet dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

[…]

Beslissing

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 57.843,58 (zevenenvijftigduizend achthonderddrieënveertig euro en achtenvijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 8.722,00 (achtduizend zevenhonderdtweeëntwintig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag, te betalen van € 57.843,58 (zevenenvijftigduizend achthonderddrieënveertig euro en achtenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 304 (driehonderdvier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juli 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.319,74 (vijfduizend driehonderdnegentien euro en vierenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.”

III. Het namens de verdachte voorgestelde middel Het middel

5. Het middel klaagt dat het hof bij de beslissing tot oplegging van de maatregel van gijzeling de bij wet bepaalde maximale duur daarvan heeft overschreden, ten gevolge waarvan het arrest aan nietigheid lijdt.

Het juridisch kader

6. De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:

Art. 1, tweede lid, Sr:

“Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.”

Art. 24c, derde lid, Sr:

“De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd.”

Art 60a Sr:

“Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, geldt voor de maatregel genoemd in artikel 36f dat de vervan gende vrijheidsstraffen gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid niet mogen overschrijden. ”

Art. 36f, vijfde lid, Sr (sinds 1 januari 2020):

“De rechter bepaalt bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast. Bij het bepalen van de duur wordt voor elke volle € 25 van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste één jaar. Artikel 77l, tweede lid, en artikel 6:6:30, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing. ”

Art. 88 (oud) Sr (tot 1 januari 2020):

“Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”

Art. 88 (oud) Sr (tussen 1 januari 2020 en 25 juli 2020):

“Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”

Art. 88 Sr (sinds 25 juli 2020):

“Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”

Art. 6:4:20 Sr (sinds 1 januari 2020):

“1. Het openbaar ministerie beslist over toepassing van het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4: 4, 6:4:5 en 6:4:6 niet mogelijk blijkt bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden.

2. Het openbaar ministerie neemt bij het bepalen van de duur van de toe te passen gijzeling hetgeen door de rechter is bepaald in acht en houdt rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en met verhaal dat reeds ingevolge de artikelen 6:4: 4, 6:4:5 en 6:4:6 is genomen.

3. Gijzeling wordt niet toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

4. De gijzeling eindigt indien de veroordeelde alsnog het verschuldigde bedrag volledig voldoet. De gijzeling kan te allen tijde worden beëindigd door Onze Minister.

5. De toepassing van gijzeling heft de verschuldigdheid niet op.”

7. Sinds 1 januari 2020 houdt het vijfde lid van art. 36f Sr in dat de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sr gijzeling kan worden toegepast en dat de duur van de gijzeling ten hoogste één jaar beloopt.Tot 1 januari 2020 kon ingevolge art. 36f, achtste lid, (oud) Sr in verbinding met art. 24c Sr aan de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis voor de duur van maximaal één jaar worden verbonden. De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1226 omtrent (toen nog) de maximale duur van de vervangende hechtenis bij meer dan één opgelegde schadevergoedingsmaatregel het volgende beslist:

“3.3 Ingevolge art. 36f, achtste lid, in verbinding met art. 24c, eerste lid, Sr dient de rechter bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in een geval als het onderhavige waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, op grond van art. 60a in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr voor de beide betalingsverplichtingen gezamenlijk ten hoogste een jaar bedragen.”

8. In het onderhavige geval heeft het hof door bevestiging van het beroepen vonnis (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat sprake is van meerdaadse samenloop in de zin van art. 57 Sr. De vervangende hechtenis is in art. 36f, vijfde lid, Sr bij de Wet USB vervangen door gijzeling. De memorie van toelichting zegt daarover, voor zover hier van belang: “Voor de schadevergoedingsmaatregel wordt de totale duur van de gijzeling begrensd op één jaar. Op dit punt wordt dus geen wijziging voorgesteld ten opzichte van de maximale duur van de huidige vervangende hechtenis” (Kamerstukken II 2014/15, 34 086, 3, p. 116). De op gijzeling toegesneden terminologie is evenwel in art. 60a Sr niet aangepast. Niettemin is er naar het mij toeschijnt geen reden te bedenken waarom art. 60a Sr thans voor wat betreft de gijzeling anders moet worden uitgelegd dan voorheen ten aanzien van de vervangende hechtenis. Ook in het licht van de voormelde uitspraak van HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1226 houd ik het ervoor dat bij de genoemde meerdaadse samenloop ook de totale duur van in een zaak aan meerdere opgelegde schadevergoedingsmaatregelen gekoppelde gijzelingen tezamen genomen een periode van een jaar niet mag overschrijden. Ik neem aan dat ook het hof van dit maximum is uitgegaan. Het valt immers op dat het hof de duur van de gijzeling in het ene geval heeft bepaald op 304 dagen en in het andere geval op 61 dagen, en dat dit een en ander bij elkaar opgeteld een totaal van 365 dagen oplevert. Kennelijk heeft het hof aldus willen voldoen aan het bepaalde in art. 36f, vijfde lid derde volzin, Sr en de rechtspraak van de Hoge Raad door de gezamenlijke duur van beide gijzelingen niet boven een jaar te laten uitstijgen.

9. Daarmee zijn we er echter nog niet. Ook is hier art. 88 Sr van belang, een bepaling die is gebracht onder de betekenistitel van het Wetboek van Strafrecht en in de afgelopen jaren tweemaal is gewijzigd. Tot 1 januari 2020 bepaalde het artikel eenduidig dat onder een maand een tijd van de rtig dagen werd verstaan en onder een dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren. Art. 88 Sr werd vervolgens gewijzigd bij de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020. Nieuw was dat ook de tijdseenheid van een jaar eenduidig werd omschreven. Geen verbazing wekt dat werd vastgesteld dat een jaar uit twaalf maanden bestaat, maar wel bijzonder was dat volgens de omschrijving van art. 88 (oud) Sr elke maand slechts 30 dagen telde. Een kalenderjaar bestond daardoor niet meer uit 365, maar uit 360 dagen. Een lang leven is deze wonderlijke omschrijving gelukkig niet beschoren geweest. De wetgever zag al spoedig in dat een kalenderjaar waarbij de teller op 360 dagen bleef steken toch wat lastig was. Daarom trad al op 25 juli 2020 de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2020, 225) in werking, waardoor de wijziging in art. 88 Sr werd teruggedraaid en deze bepaling weer is komen te luiden zoals vóór 1 januari 2020.

10. Bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bepaalt de rechter de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast, zij het dus dat de duur van die gijzeling niet meer kan belopen dan één jaar. Als gezegd bedroeg in de periode van 1 januari tot 25 juli 2020 een jaar in het Wetboek van Strafrecht 360 dagen. Door de wetgever was dienaangaande niet voorzien in een overgangsrechtelijke bepaling. Om die reden heeft Bleichrodt in zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 het overgangsrecht in samenhang met art. 1, tweede lid, Sr nader besproken aan de hand van internationale ontwikkelingen ten aanzien van de uitleg van het legaliteitsbeginsel (zoals dat is vervat in onder meer art. 7 EVRM, art. 15, eerste lid, IVBPR en art. 49, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie), de rechtspraak van het EHRM (met name de uitspraak van 17 september 2009 (GK), appl.nr. 10249/03 in de zaak Scoppola tegen Italië) en de rechtspraak van de Hoge Raad. Zijn analyse en slotsom in die conclusie luiden als volgt (ik citeer, met weglating van de voetnoten):

“23. Voor regels van sanctierecht geldt een ander regime dan voor andere veranderingen in bijvoorbeeld een delictsomschrijving. […] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor regels van sanctierecht geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt. Daarbij hoeft dus geen toetsing plaats te vinden aan de maatstaf of sprake is van een gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten, zoals bij andersoortige wijzigingen. […]

24. De hier bedoelde sanctieregels waarvoor de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de wetgever niet geldt, kunnen zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels ten aanzien van de sanctieoplegging betreffen. Daarvan is geen sprake indien de veranderde regeling louter betrekking heeft op de executie van een eerder opgelegde sanctie en als zodanig geen wijziging brengt in de aard en maximale duur van die sanctie, of wanneer de wetswijziging in algemene zin naast strafrechtelijke afdoening óók een bestuursrechtelijke afdoening mogelijk maakt. Ook veranderingen die de voorwaarden voor het opleggen van bepaalde sancties in algemene zin beperken of verruimen, en/of die niet rechtstreeks betrekking hebben op de sanctieoplegging maar in de zaak van de verdachte wel bepalend zijn voor de aard en/of maximale duur van de op te leggen sanctie, kunnen worden aangemerkt als sanctieregels in de hier bedoelde zin.

25. […]

26. Uit HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 volgt dat een wijziging van de aard van de sanctie die bij niet-betaling is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel een verandering van regels van sanctierecht oplevert. Aangezien de wijziging van art. 88 Sr per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak mede bepalend is voor de toepasselijke maximale duur van deze aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden sanctie, moet deze wijziging eveneens worden aangemerkt als een verandering van regels van sanctierecht. De nieuwe regel, die met ingang van 1 januari 2020 gold, is voor de verdachte gunstiger. Dat betekent dat de wijziging van art. 88 Sr per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak met onmiddellijke ingang moet worden toegepast.

27. Het voorafgaande brengt mee dat de gijzeling die aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden maximaal 360 dagen beloopt. Hieraan doet niet af dat na de inwerkingtreding van de spoedreparatiewet op 25 juli 2020 de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden gijzeling thans weer 365 dagen is. In de onderhavige zaak blijft art. 88 Sr, zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest, van toepassing, omdat deze bepaling voor de verdachte “of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment” de meest gunstige is.23 Ook in dit verband verwijs ik naar het hiervoor genoemde arrest van het EHRM in de zaak Scoppola.Ik zal dat nu niet hier herhalen en meen daarvoor te kunnen verwijzen naar die conclusie, die voorafgaat aan het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat op grond van de redenen die staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16-27 bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel geldt dat, als de duur van de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband – in aanmerking genomen dat de bestreden uitspraak voor 1 januari 2020 is gewezen – onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan.”

De Hoge Raad heeft in het arrest van 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 de lijn van de advocaat-generaal gevolgd en het volgende overwogen:

“3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

3.2 Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis.

3.3 Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. Op grond van de redenen die staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16-27 geldt daarbij dat, als de duur van de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband – in aanmerking genomen dat de bestreden uitspraak voor 1 januari 2020 is gewezen – onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan.”

De bespreking van het middel

11. Zoals hiervoor opgemerkt heeft het hof de duur van het dwangmiddel in het ene geval bepaald op 304 dagen en in het andere geval op 61 dagen, hetgeen tezamen genomen 365 dagen is. Ik vermoed dat het hof daarbij over het hoofd heeft gezien dat dit vijf dagen meer is dan was toegestaan, in aanmerking genomen dat bewezenverklaarde pleegdatum 7 juli 2018 is en een wijziging van de aard van de sanctie of dwangmiddel die of dat bij niet-betaling is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel een verandering van regels van sanctierecht oplevert. De toentertijd nieuwe bepaling in art. 88 (oud) Sr, die gedurende een periode van bijna zeven maanden in 2020 heeft gegolden, is voor de verdachte gunstiger en dat betekent dat de wijziging van art. 88 (oud) Sr per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak met onmiddellijke ingang door het hof had moeten worden toegepast.

12. Het voorafgaande brengt in de onderhavige zaak mee dat de gijzeling voor de beide betalingsverplichtingen als bedoeld in art. 36f Sr gezamenlijk ten hoogste 360 dagen kan bedragen. Dat na de inwerkingtreding van de Spoedreparatiewet op 25 juli 2020 in het Wetboek van Strafrecht een jaar ingevolge het huidige art. 88 Sr weer gewoon uit 365 dagen bestaat, doet daaraan niet af.

13. Het middel is terecht voorgesteld. Naar het mij voorkomt kan de Hoge Raad de duur van de gijzeling zelf bepalen op 360 dagen.

IV. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

Het middel

Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt met twee deelklachten op tegen de afwijzing door het hof van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade. Allereerst wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat van een aantasting ‘op andere wijze’ geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel ontoereikend is gemotiveerd. De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet tot een afwijzing van de vordering van de verzochte immateriële schadevergoeding “had moeten komen, doch tot een niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in dat deel van haar vordering”.

Het juridisch kader

14. In zijn arrest van 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad, mede onder verwijzing naar het overzichtsarrest met betrekking tot de benadeelde partij van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga, het toepasselijke rechtskader op de volgende wijze geëxpliciteerd:

“2.3.1 Art. 6:106 BW luidt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

(...).”

2.3.2 In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:

“Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

2.4.1 Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW, welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd de inbraak in de woning van de benadeelde partijen en de diefstal van sieraden uit die woning door de verdachte. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen.

2.4.2 Het oordeel dat telkens sprake is van zo een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is onjuist, althans onbegrijpelijk.

Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, meebrengen dat bij de benadeelde partijen telkens sprake is van een aantasting in de persoon, had het op de weg van het Hof gelegen dat oordeel, in het bijzonder ook wat betreft die gevolgen van de normschending voor de benadeelde partijen, te motiveren aan de hand van de door de benadeelde partijen aangedragen gegevens. De door het Hof gegeven motivering dat de immateriële schade van de benadeelde partijen “voor allen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (wordt) vastgesteld op € 275,-” volstaat daartoe niet. In dat verband verdient opmerking dat de in art. 6:106 BW bedoelde billijkheid de rechter een bepaalde mate van vrijheid geeft bij het bepalen van de hoogte van de verschuldigde schadevergoeding, maar dat de enkele verwijzing naar de billijkheid niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de hiervoor onder 2.3.2 bedoelde gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de enkele zich hier voordoende omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken en dat de verdediging zich in eerste aanleg aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd, volstaat daartoe niet. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 2.8.3 van het hiervoor onder 2.3.2 genoemde arrest van 28 mei 2019 zal de rechter, in het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, weliswaar uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen.

Voor zover het oordeel van het Hof aldus moet worden begrepen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon met betrekking tot alle benadeelde partijen kan worden aangenomen zonder enige nadere vaststelling met betrekking tot de gevolgen die de normschending voor ieder van deze benadeelde partijen heeft gehad, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet begrijpelijk. In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke aantasting in de persoon aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De omstandigheid dat een voorwerp - naast zijn in geld uit te drukken waarde, die ingevolge art. 6:95 en 6:96 BW als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt - ook een ‘emotionele waarde’ had, volstaat in beginsel niet om te kunnen aannemen dat het verlies van dit voorwerp een aantasting in de persoon oplevert.”

15. Benadrukt wordt in dit arrest dat bij toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade vanwege een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ uitgangspunt is dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Als het bestaan van geestelijk letsel op basis van de door de benadeelde partij aangevoerde gegevens niet kan worden aangenomen, blijft toewijzing van de vordering tot schadevergoeding vanwege een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ niettemin onder omstandigheden mogelijk. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen namelijk meebrengen dat van zo een aantasting in de persoon sprake is, ook wanneer vastgesteld geestelijk letsel ontbreekt. Ook dan geldt evenwel dat de benadeelde partij met concrete gegevens onderbouwt waarom, ondanks het ontbreken van vastgesteld geestelijk letsel, vanwege de door de benadeelde partij ondervonden nadelige gevolgen van de bewezenverklaarde ernstige normschending toch sprake is van een toewijsbare vordering tot vergoeding van immateriële schade. Van de plicht tot concrete onderbouwing van de vordering als hier bedoeld, kan slechts worden afgeweken als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen van de bewezenverklaarde normschending voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.

16. Als vastgesteld geestelijk letsel ontbreekt, dient de rechter bij de motivering van het oordeel dat sprake is van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ nadere overwegingen te wijden aan de concrete aard en de ernst van de vastgestelde normschending. Als de overwegingen over de concreet vastgestelde normschending niet zonder meer grond bieden voor de aanname dat sprake is van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’, is verdere motivering vereist. In dat geval zijn nadere vaststellingen nodig met betrekking tot de daadwerkelijk nadelige gevolgen die de normschending voor de benadeelde partij heeft gehad. De aanwezigheid van de relevante nadelige gevolgen van de normschending kunnen dan immers niet als zo voor de hand liggend worden aangemerkt dat hun bestaan kan worden verondersteld. De vaststellingen met betrekking tot deze gevolgen zullen dan, zo komt mij voor, in de regel moeten worden ontleend aan wat daarover door of namens de benadeelde partij ter onderbouwing van de immateriële schade is aangevoerd. Dat betekent dat in alle gevallen waarin niet vanwege de door de rechter vastgestelde concrete aard en de ernst van de normschending, en de veronderstelde nadelige gevolgen daarvan, kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, vereist is dat de benadeelde partij onderbouwd dient aan te voeren welke nadelige gevolgen zij daadwerkelijk heeft ondervonden van de normschending die is gelegen in het bewezenverklaarde feit. Op degene die zich op aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ beroept, rust dus in beginsel een onderbouwingsplicht.

De bespreking van het middel

17. Bij de beoordeling van de vordering tot immateriële schadevergoeding is het hof uitgegaan van het juridisch kader dat volgt uit de – ook hiervoor in de randnummers 14 en 15 weergegeven en besproken – arresten HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468 m.nt. Vellinga en HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga. Bij de toepassing van dit – juiste – rechtskader heeft het hof feitelijk vastgesteld dat de benadeelde partij geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Het hof heeft verder geoordeeld dat zich hier niet een situatie voordoet waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat ten aanzien van de benadeelde partij van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Bij dat oordeel heeft het hof klaarblijkelijk in aanmerking genomen dat, naar het oordeel van het hof, “hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld - hoe invoelbaar haar gevoelens ook zijn - ontoereikend [is] om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’”. Op grond van het vorenstaande heeft het hof geconcludeerd dat geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor de vergoeding van de gevorderde immateriële schade zodat de vordering tot schadevergoeding in zoverre moet worden afgewezen.

18. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021 blijkt dat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering tot schadevergoeding onder meer het volgende is aangevoerd:

“Wat betreft de immateriële schade. Ik ben bekend met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Toch heeft de Hoge Raad de deur niet geheel dichtgedaan; als het enkel gaat om het verlies van een voorwerp is er in beginsel geen ruimte om een aantasting in persoon aan te nemen. Wat mij betreft bungelen we tussen een overval en een inbraak in. Deze inbraak heeft grote gevolgen gehad voor cliënte [benadeelde 1] . Het is een persoon die in de belangstelling staat. Alles wat zij zegt wordt enorm uitvergroot. Dat is de reden dat wij niet te veel uitweiden over het door haar geleden psychisch leed. Op dat gebied bevinden wij ons in een spagaat; we kunnen ons er niet uitgebreid over uitlaten, maar er is wel degelijk sprake van ‘aantasting in de persoon’. Er is bij deze diefstal niet alleen sprake van verlies van de goederen. Mijn cliënte was een bewust doelwit. Uit de opsporingsresultaten blijkt dat de daders de woning hebben geobserveerd en hebben gewacht totdat mijn cliënte haar huis verliet. Omdat de diefstal zo specifiek op mijn cliënte was gericht, leeft zij nu in angst. De verdachte moet er maar gewoon mee dealen dat mijn cliënte angstig is. De woning is de plek waar zij zich bij uitstek veilig moest kunnen voelen. Door de inbraak hebben de daders dit gevoel teniet gedaan, enkel en alleen voor hun eigen geldelijke gewin.

Concluderend stellen wij ons op het standpunt dat de vordering tot immateriële schade toegewezen kan worden op basis van een ‘aantasting op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106 aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek . Gelet op de nationale bekendheid van mijn cli ënte, kan ik dit niet meer toelichten dat ik zojuist heb gedaan. Wel staat buiten kijf dat zij psychische leed heeft ondervonden van dit voorval. Gelet op de bijzondere aard van en de ernst van de schending in deze zaak ligt het wel degelijk voor de hand dat een aantasting aangenomen kan worden. De maatstaf voor toewijzing van immateriële schade is ook ‘aan kunnen nemen’, dus ik verzoek het hof ook dit deel van de vordering toe te wijzen. Het gaat dus om een kenbare aantasting.

[…]

Ten aanzien van de immateriële schade: het gaat om veel meer dan alleen angst en machteloosheid. Zoals reeds opgemerkt was het dan wel geen overval, maar wel een hele emotionele situatie voor [benadeelde 1] . Het is een grijs gebied en ik verzoek het hof het grijze gebied in voordeel van mijn cliënte uit te leggen. Dat is ook het sentiment over hoe wij er in deze maatschappij over denken.”

19. In cassatie wordt niet geklaagd over de vaststelling van het hof dat de benadeelde partij geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Met de eerste deelklacht komt de steller van het middel enkel op tegen het oordeel van het hof dat zich hier niet een situatie voordoet waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat ten aanzien van de benadeelde partij van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is.

20. Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven juridisch kader is slechts bij uitzondering sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ die gegrond is op de vastgestelde aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde. Dat zich zo een geval voordoet zal doorgaans moeten blijken uit onder meer hetgeen door de benadeelde partij is aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat zij daadwerkelijk (ernstige) nadelige gevolgen heeft ondervonden van de bewezenverklaarde (ernstige) normschending. Slechts in het (wederom) uitzonderlijke geval waarin hetgeen over de aard en de ernst van de normschending is gebleken meebrengt dat de nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat zij kunnen worden verondersteld, zal een concrete onderbouwing door de benadeelde partij op dat punt kunnen worden gemist.

21. De hierboven in het juridisch kader genoemde rechtspraak van de Hoge Raad biedt geen grond voor de aanname dat een geval als het onderhavige, waarbij de gestelde immateriële schade is veroorzaakt door een bewezenverklaarde woninginbraak waarbij de benadeelde niet aanwezig was, valt aan te merken als een uitzonderlijk geval waarin een onderbouwing door de benadeelde partij van de door haar ondervonden nadelige gevolgen van de normschending achterwege kan blijven. Dat uit HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468 m.nt. Vellinga blijkt dat niet is uitgesloten dat de door een woninginbraak veroorzaakte normschending vanwege, eensdeels, de concrete aard en ernst daarvan en, anderdeels, de daadwerkelijke nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, een toewijsbare vordering tot vergoeding van immateriële schade kan opleveren, geeft steun aan deze vaststelling. Uit dit arrest van 15 oktober 2019 kan namelijk worden afgeleid dat wanneer, zoals ook in de voorliggende zaak het geval is, de relevante normschending is gelegen in een bewezenverklaarde woninginbraak, met betrekking tot de concrete aard en ernst van die normschending enerzijds, en de daadwerkelijke nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij anderzijds, nadere vaststellingen door de rechter moeten (kunnen) worden gedaan. Ten behoeve van dergelijke nadere vaststellingen is nodig dat de benadeelde partij nadere gegevens verschaft met betrekking tot, ten minste, de als immateriële schade aan te merken nadelige gevolgen die zij heeft ondervonden van de woninginbraak. Doet zij dit niet of onvoldoende, dan is naar het mij voorkomt de niet-toewijzing van de vordering lastig te vermijden, aangezien vanwege de ontbrekende onderbouwing de door de Hoge Raad vereiste nadere vaststellingen door de feitenrechter niet of nauwelijks kunnen worden gedaan.

22. Dat, zoals de steller van het middel benadrukt, namens de benadeelde partij ter terechtzitting is aangevoerd dat het gebeurde tussen “een overval en een inbraak” in ‘bungelt’ en “de diefstal zo specifiek op mijn cliënte [de benadeelde partij, A-G] was gericht” (zie randnummer 18), maakt – mede in het licht van het voorafgaande – niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend is om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. De mede op dit oordeel van het hof gebaseerde afwijzing van de vordering tot schadevergoeding vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat de eerste deelklacht van het middel faalt.

23. De tweede deelklacht van het middel is gericht tegen de beslissing van het hof om de vordering van de benadeelde partij wat betreft de gevorderde immateriële schade af te wijzen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren. Die beslissing had, zo begrijp ik de steller van het middel, nader moeten worden gemotiveerd “indachtig de juridische gevolgen die een afwijzing met zich meebrengt, te weten het buiten spel zetten van rekwirant waar het aankomt op de gang naar de civiele rechter”.

24. Uit het hiervoor reeds genoemde overzichtsarrest met betrekking tot de benadeelde partij HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga (rov. 2.8.3 en 2.8.6) blijkt dat de strafrechter ervoor kan kiezen de vordering af te wijzen “in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan” en dat “de begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij mede afhankelijk [is] van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd”.

25. In de overwegingen over de vordering tot vergoeding van immateriële schade ligt als oordeel van het hof besloten dat de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en dat de ongegrondheid van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade voldoende is komen vast te staan. Dit impliciete oordeel acht ik, mede in het licht van de wijze waarop de vordering ter zake is onderbouwd, niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik er vooreerst op dat uit mijn bespreking van de eerste deelklacht van het middel volgt dat het hof heeft kunnen oordelen dat hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend is om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ in de hier bedoelde zin, zodat geen wettelijke grondslag is aan te wijzen waarop de vordering tot vergoeding van immateriële schade kan worden toegewezen. Voorts neem ik in het kader van de in cassatie uit te voeren begrijpelijkheidstoets in aanmerking, dat namens de benadeelde partij ten overstaan van het hof niet is aangevoerd dat de op dat moment kennelijk gevoelde redenen om de vordering voor de strafrechter niet nader te onderbouwen, in de toekomst, op een moment waarop de vordering ten overstaan van de burgerlijke rechter zal moeten worden onderbouwd, niet meer als kennelijke belemmering voor die onderbouwing aanwezig zullen zijn.

26. Tegen deze achtergrond acht ik de beslissing tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij aangaande vergoeding van immateriële schade ook zonder nadere motivering begrijpelijk. Anders dan de steller van het middel kennelijk wil, leidt de in de schriftuur betrokken stelling dat “in de initiële vordering” expliciet is verzocht niet tot een afwijzing van de vordering maar tot een niet-ontvankelijkheid over te gaan (ik, A-G, begrijp: wanneer de vordering inzake de immateriële schade niet wordt toegewezen), niet tot een ander oordeel. Ook de tweede deelklacht van het middel faalt derhalve.

27. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

V. Slotsom

28. Het namens de verdachte voorgestelde middel slaagt. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover in het kader van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen, tot bepaling dat de gijzeling (in totaal) 360 dagen bedraagt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Ik wijs in dit verband op de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82 (i.w.tr. 1 januari 2020; hierna Wet USB) ), en de Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2020, 225 (i.w.tr. 25 juli 2020).

Aanvankelijk leek het erop dat dezelfde omschrijving van een jaar ook nog eens haar beslag zou krijgen in het Wetboek van Strafvordering. Daarvan is afgezien, maar zo kon het wel gebeuren dat in de periode van 1 januari tot 25 juli 2020 een jaar in het Wetboek van Strafvordering vijf dagen langer duurde dan een jaar in het Wetboek van Strafrecht.

Zie nader over de onderbouwing van de stelling dat geestelijk letsel bestaat: HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024, NJ 2021/284, m.nt. Lindenbergh en, met betrekking tot shockschade, HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1947. Zie voor een geval waarin de onderbouwing van de stelling dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen (kennelijk) voldoende was: HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:889, NJ 2021/237.

Dat – zonder dat geestelijk letsel is vastgesteld – een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen op grond van de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, doet zich overigens slechts in uitzonderingsgevallen voor, aldus Lindenbergh in punt 3 van zijn noot bij HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012, NJ 2021/68. Dat zich een dergelijk uitzonderingsgeval voordoet zal de rechter ook nader moeten motiveren, zo blijkt uit HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1127, HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1955, NJ 2021/65, m.nt. Lindenbergh, HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1642 en HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1035. In de zaken die tot deze arresten hebben geleid, kwam naar voren dat de benadeelde partij gevoelens van onveiligheid en/of ongemak aan het bewezenverklaarde feit had overgehouden, maar was naar het oordeel van de Hoge Raad telkens niet (zonder meer) begrijpelijk het oordeel van de feitenrechter dat sprake was van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, aangezien niets was vastgesteld over de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 juli 2021 had het hof geoordeeld dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ het gevolg was geweest van de bewezenverklaarde oplichting en diefstal, bestaande uit het de benadeelde partij bewegen tot het ter beschikking stellen van de bankpas met bijbehorende pincode en het vervolgens daarmee opnemen van geldbedragen van de bankrekening van de benadeelde partij (de motivering dat vergoeding van de gestelde immateriële schade “billijk” voorkomt, volstond daartoe niet; vgl. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468, m.nt. Vellinga). In de zaak die aan de orde was in het arrest van 8 december 2020 oordeelde het hof dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ het gevolg was geweest van de bewezenverklaarde medeplichtigheid aan brandstichting aan de op de oprit van de woning van de benadeelde partij geparkeerde auto terwijl het gezin in de woning aanwezig was (de Hoge Raad overwoog daarbij nog dat de enkele omstandigheid dat het in het daartoe bestemde formulier toegelichte verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep niet was weersproken, niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade). In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 oktober 2020 oordeelde het hof dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ het gevolg is geweest van de bewezenverklaarde diefstal van trouwringen uit de woning van de benadeelde partij. De Hoge Raad betrok in zijn overweging dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk was, dat de enkele omstandigheid dat de (hoogte van de) schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Eenzelfde overweging is te lezen in het arrest van 16 juni 2020 aangaande het oordeel van het hof dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ het gevolg is geweest van de bewezenverklaarde brandstichting aan de boot van de benadeelde partij.

De rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad bevat voorbeelden waarin de feitenrechter mede op basis van de door de benadeelde partij aangevoerde gegevens kon oordelen dat bij ontbreken van vastgesteld geestelijk letsel toch sprake was van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. In HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1243, HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012, NJ 2021/68, m.nt. Lindenbergh, en HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956, NJ 2021/66, m.nt. Lindenbergh, ligt volgens de Hoge Raad in de overwegingen van het hof besloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. In het arrest van 14 september 2021 acht de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat van zo een aantasting in de persoon sprake is vanwege onder meer de vastgestelde vrees voor het leven en grote emotionele gevolgen die bij de benadeelde partijen is ontstaan als gevolg van de bewezenverklaarde bedreiging die erin bestond dat de verdachte tijdens een achtervolging opzettelijk met zijn auto op de door de benadeelde partijen bestuurde politieauto was ingereden. In het arrest van 15 december 2020 acht de Hoge Raad niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd het oordeel van het hof dat van de bedoelde aantasting in de persoon sprake is vanwege onder meer de vastgestelde grote stress die bij de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal met geweld uit een woning is ontstaan. In het arrest van 8 december 2021 is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat van een aantasting in de persoon sprake is vanwege het vastgestelde psychische lijden van de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde belaging, mede gelet op de door het hof bij zijn oordeel in aanmerking genomen omstandigheden die onder meer inhouden dat de benadeelde partij vanwege de langdurige en intensieve belaging imagoschade heeft ervaren, sociale contacten heeft moeten beëindigen en zijn vertrouwen in anderen is verloren.

In randnummer 18 van mijn conclusie voorafgaande aan HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012, NJ 2021/68, m.nt. Lindenbergh schreef ik, enigszins schematisch weergegeven, dat de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zich in de volgende drie varianten kan voordoen: “1) er is sprake van geestelijk letsel, in welk geval ter zake van de psychische schade voldoende concrete gegevens moeten worden aangevoerd; (2) de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan brengen die aantasting mee, en ook in dit geval zal de onderbouwing van het beroep daarop van voldoende concrete gegevens moeten worden voorzien; (3) de aard en de ernst van de normschending brengen mee dat (in dit verband relevante) nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat de bedoelde aantasting kan worden aangenomen”.

In HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1496 accordeerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat vanwege de aard en ernst van de bewezenverklaarde verkrachting de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012, NJ 2021/68, m.nt. Lindenbergh (randnummer 19). Wat in HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga (rov. 2.8.1) met betrekking tot de stelplicht van de benadeelde partij is overwogen, biedt eveneens steun voor de constatering in de onderhavige hoofdtekst: “2.8.1. Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.”

In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep staat daarnaast nog het volgende: “ [betrokkene 1] zegt dat [benadeelde 1] blijft bij haar schriftelijke slachtofferverklaring, zoals deze is voorgelezen in eerste aanleg.” Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 1 februari 2019 is deze schriftelijke slachtofferverklaring aan dat proces-verbaal gevoegd en houdt deze in de kern in dat [benadeelde 1] sinds de inbraak is bevangen door “angstgevoelens in haar eigen huis, ongewild verdriet, emotie en pijn, maar ook boosheid en onbegrip ervaart.” Uit de schriftelijke toelichting op de vordering die in eerste aanleg kennelijk namens de benadeelde partij is ingediend, blijkt niet veel meer dan wat hiervoor in de hoofdtekst is weergeven met betrekking tot de onderbouwing van de immateriële schade. Daar staat aanvullend nog te lezen dat de benadeelde “heel erg is geschrokken van de inbraak” en dat zij in de maanden na de inbraak “zeer slecht” heeft geslapen.

Dat de Hoge Raad in de in mijn voetnoot 6 genoemde gevallen heeft geoordeeld dat in de overwegingen van de rechter ligt besloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ voor de benadeelde partij meebrengen, betekent niet dat hij bereid zal zijn het namens de benadeelde partij aangevoerde zonder meer zó te lezen, dat daaruit blijkt dat van zo een aantasting in de persoon sprake is. Bovendien zijn de bewezenverklaarde normschendingen in de zaken die tot de in de voetnoot 6 beschreven jurisprudentie hebben geleid van een andere aard en ernst – respectievelijk: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, diefstal met geweld uit een woning, en langdurige en intensieve belaging – dan de in de voorliggende zaak bewezenverklaarde woninginbraak. Gelet op de bewezenverklaarde normschending in het voorliggende geval laat deze zaak zich veeleer vergelijken met HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1127, HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1642, en HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468 m.nt. Vellinga. Zoals blijkt uit het hiervoor weergegeven juridisch kader, kwam de Hoge Raad in die gevallen steeds tot vernietiging van het oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

In de kennelijk in eerste aanleg ingediende toelichting op de vordering tot vergoeding van zowel de gestelde materiële als de gestelde immateriële schade staat: “Ten slotte wordt verzocht om, voor zover (een deel van) de gevorderde schadevergoeding niet wordt toegewezen, niet tot afwijzing over te gaan, maar benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering”.

In HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:374 liet de Hoge Raad een vergelijkbare klacht van de benadeelde partij falen en deed deze af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature