< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Conclusie AG. Beklag ex 552a Sv tegen herhaald conservatoir beslag op een auto ex art. 94a Sv. OM-cassatie. Na verkoop door de Domeinen is opnieuw conservatoir beslag gelegd op de auto, die door klaagster na de eerste inbeslagneming was teruggekocht. De AG stelt zich op het standpunt dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de tweede beslaglegging onrechtmatig was, onjuist is. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/04068 B

Zitting 22 maart 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de klaagster.

1 Het cassatieberoep

1.1.

De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 6 juli 2021 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan haar van een onder haar in beslag genomen auto, gegrond verklaard.

1.2.

Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie. Mr. W.J.V. Spek, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 De beslagzaak

2.1.

Het gaat in deze beslagzaak kort gezegd om het volgende. De klaagster wordt verdacht van betrokkenheid bij een hennepkwekerij in de schuur behorende bij haar woning. Ten behoeve van het veilig stellen van een latere ontnemingsvordering is op 4 maart 2020 conservatoir beslag gelegd op de auto van de klaagster. In het dossier bevindt zich een machtiging van de rechter-commissaris van 2 april 2020. De auto is op 7 augustus 2020 geveild door de Domeinen en aangekocht door het garagebedrijf van klaagster voor een bedrag van € 10.355,00. De auto is vervolgens door de klaagster teruggekocht. Op 22 april 2021 is er opnieuw conservatoir beslag gelegd op de auto, op basis van dezelfde machtiging van de rechter-commissaris. De rechtbank heeft het beklag van de klaagster gegrond verklaard en de teruggave gelast van de auto.

3 De bestreden beschikking

3.1.

De bestreden beschikking houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer overweegt de rechtbank als volgt.

Gebleken is dat op 4 maart 2020 onder [klaagster] conservatoir beslag is gelegd ten aanzien van de personenauto, Volvo V60, Plug in Hyb. Op 2 april 2020 is door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het in conservatoir beslag nemen van voorwerpen strekkende tot verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bedrag tot welk de machtiging is verleend betreft een bedrag van € 1.121.989,44. Volgens het openbaar ministerie is tegen klaagster de verdenking gerezen van betrokkenheid bij het telen/ vervaardigen van hennep en diefstal van elektriciteit. Vervolgens is gebleken dat voornoemde auto op 7 augustus 2020 is geveild door de Domeinen en is gekocht door het garagebedrijf van klaagster voor € 10.355,00. Daarna is de auto op 26 augustus 2020 door klaagster en haar echtgenote weer aangekocht. Nadien is op 22 april 2021 opnieuw beslag gelegd op voornoemde personenauto. Dit beslag is wederom gelegd op basis van de eerder op 2 april 2020 verleende machtiging van de rechter-commissaris. Niet gebleken is dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en dat er een nieuwe machtiging door de rechter commissaris is verleend.

Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat door de veiling van de auto door de Domeinen op 7 augustus 2020 het beslag op de auto als geëindigd kan worden beschouwd. Dat klaagster vervolgens weer de eigenaar is geworden van deze auto doet daar niet aan af.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard. De rechtbank zal de teruggave gelasten aan klaagster van de auto.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klaagster van: een personenauto, Volvo V60 Plug in Hyb, voorzien van kenteken [kenteken].”

4 Het middel

4.1.

Het middel houdt in dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de auto niet voor de tweede keer conservatoir in beslag mocht worden genomen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat het (daarop gebaseerde) oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag, niet begrijpelijk is.

4.2.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in de overwegingen van de rechtbank ligt besloten dat de officier van justitie niet bevoegd was om de auto voor de tweede keer conservatoir in beslag te nemen, nu niet is gebleken dat de zaak opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst of dat er een nieuwe machtiging is verleend. Dit getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat eenzelfde voorwerp meermalen object kan zijn van conservatoir beslag en daarvoor niet is vereist dat de rechter-commissaris een gegeven machtiging tussentijds toetst bij een nieuwe beslaglegging. Ook heeft de rechtbank het beslag volgens de steller van het middel ten onrechte niet aan de toepasselijke maatstaf getoetst.

Juridisch kader

4.3.

Het gaat in onderhavige zaak om conservatoir beslag ex art. 94a Sv ten behoeve van een op te leggen ontnemingsmaatregel, dat is gelegd wegens een verdenking van betrokkenheid bij een hennepkwekerij. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een dergelijk beslag dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

4.4.

Verder is van belang dat de klaagster degene is onder wie en ten behoeve van wie de auto in beslag is genomen. In zo een geval dient de rechter ook klachten over de rechtmatigheid van het beslag te toetsen, dat wil zeggen: naar aanleiding van een verweer daartoe te bezien of de formaliteiten ten aanzien van het beslag in acht zijn genomen. Dit onderzoek heeft een summier karakter. Een van de formaliteiten die ten aanzien van conservatoir beslag in acht moet worden genomen, is dat de officier van justitie een voorafgaande machtiging ex art. 103 Sv van de rechter-commissaris nodig heeft.

4.5.

De opvatting dat een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag niet voor een tweede keer op hetzelfde voorwerp kan worden gelegd, vindt in het algemeen geen steun in het recht. Het recht vereist evenmin dat de rechter-commissaris bij tijdsverloop een gegeven machtiging tussentijds toetst, alvorens de officier van justitie tot het leggen van beslag mag overgaan.

Bespreking van het middel

4.6.

De rechtbank heeft eerst de feitelijke gang van zaken uiteengezet, die er op neer komt dat er met een machtiging van de rechter-commissaris van 2 april 2020 conservatoir beslag op de auto is gelegd, dat de Domeinen de auto niet lang daarna heeft geveild en dat de klaagster de auto, via haar garagebedrijf, weer heeft teruggekocht. Daarna is er, ruim een jaar later op 22 april 2021, opnieuw conservatoir beslag gelegd op dezelfde auto. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat ‘niet is gebleken dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en er een nieuwe machtiging door de rechter-commissaris is verleend’. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat door de verkoop van de auto door de Domeinen, het beslag als geëindigd kon worden beschouwd en dat het strafvorderlijk belang zich niet tegen opheffing van het beslag verzet.

4.7.

De overwegingen van de rechtbank laten zich lastig begrijpen. Onduidelijk is wat de rechtbank heeft bedoeld met de vaststelling dat door de verkoop van de auto door de Domeinen ‘het beslag als geëindigd kon worden beschouwd’. Een bewaarder kan, met machtiging van het openbaar ministerie ex art. 117 Sv, een voorwerp tegen baat vervreemden. Een dergelijke machtiging bevindt zich in het dossier. Op grond van art. 117 lid 4 Sv blijft het eerste gelegde beslag rusten op de verkregen opbrengst, in dit geval € 10.355,00.

Als de rechtbank heeft bedoeld te oordelen dat vanaf dat moment het eerste conservatoir beslag niet meer op de auto rustte, klopt het. De rechtbank lijkt echter te miskennen dat het conservatoir beslag waarover de rechtbank diende te oordelen het op 22 april 2021, opnieuw op de auto gelegde conservatoir beslag is.

Voor zover de rechtbank met haar overwegingen beoogde uit te drukken dat het tweede beslag onrechtmatig was omdat er geen nieuwe machtiging van de rechter-commissaris was afgegeven of een tussentijdse toetsing had plaatsgevonden, getuigt dat, zoals door de steller van het middel wordt betoogd, inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting. Het beslag op grond van art. 94a Sv strekt tot bewaring van het recht tot verhaal van een op te leggen geldboete van de vijfde categorie of tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De gegeven machtiging strekte in dit geval tot het veiligstellen van vermogen van de klaagster tot € 1.121.989,44. De aard van het conservatoire beslag brengt mee dat tot dat bedrag op verschillende vermogensvoorwerpen van de klaagster beslag kon worden gelegd. Zodra de auto vrij was van het eerste beslag en door de aankoop weer toebehoorde aan de klaagster, kon hierop dus wederom conservatoir beslag worden gelegd op grond van dezelfde machtiging. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de tweede beslaglegging onrechtmatig was, is dus onjuist.

De rechtbank is daardoor klaarblijkelijk ook niet toegekomen aan de toetsing van de maatstaf of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete of een ontnemingsmaatregel aan de klaagster zal opleggen.

Onduidelijk blijft ook wat de rechtbank heeft bedoeld met haar overweging dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van de auto verzet, nu dit enkel bij klassiek beslag ex art. 94 Sv aan de orde is.

4.8.

Kortom, het middel slaagt.

5 Conclusie

5.1.

Het middel slaagt.

5.2.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

5.3.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Dit kan worden afgeleid uit HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:880, waar het ging om herhaald conservatoir beslag waarin de Hoge Raad oordeelde dat een eenmaal onrechtmatig geoordeeld ex art. 94a Sv gelegd beslag niet door een tweede op hetzelfde voorwerp ex art. 94a Sv gelegd beslag kan worden gevolgd, in het algemeen geen steun in het recht vindt. Zie in gelijke zin HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564. Mij lijkt dat hetzelfde geldt voor een in eerste instantie rechtmatig gelegd beslag.

Zie, in ander verband ten aanzien van een machtiging op de voet van art. 126 lid 3 Sv, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8740.

O.m. HR 19 november 1996, NJ 1997, 385 en HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2786.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature